Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
Wet van 10 december 1969, houdende nieuwe regeling van de toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden
- Soort
- Wet
- Geldend vanaf
- 24-04-2026
- Afkortingen
- APPA
- Rechtsgebied
- Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht, Pensioenrecht
- Ministerie
- Algemene Zaken
- BWB-id
- BWBR0002691
- Versie
- 2026-04-24_0
- SHA-256 bron
- a6e88e616505515613793d8f582e65443703813ec4144361b7ccf6f9be031cef
Inhoud (296)
- Artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 2a
- Artikel 2b
- Artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 4a
- Artikel 5
- Artikel 6
- Artikel 7
- Artikel 7a
- Artikel 7b
- Artikel 7c
- Artikel 8
- Artikel 8a
- Artikel 8b
- Artikel 8c
- Artikel 8d
- Artikel 8e
- Artikel 9
- Artikel 9a
- Artikel 10
- Artikel 11
- Artikel 12
- Artikel 13
- Artikel 13a
- Artikel 13b
- Artikel 13c
- Artikel 13d
- Artikel 13e
- Artikel 13f
- Artikel 13g
- Artikel 13h
- Artikel 13i
- Artikel 13j
- Artikel 13k
- Artikel 14
- Artikel 15
- Artikel 16
- Artikel 17
- Artikel 18
- Artikel 19
- Artikel 20
- Artikel 21
- Artikel 22
- Artikel 22a
- Artikel 22b
- Artikel 22c
- Artikel 23
- Artikel 24
- Artikel 25
- Artikel 25a
- Artikel 26
- Artikel 27
- Artikel 27a
- Artikel 27b
- Artikel 28
- Artikel 28a
- Artikel 28b
- Artikel 29
- Artikel 30
- Artikel 31
- Artikel 32
- Artikel 33
- Artikel 34
- Artikel 34a
- Artikel 34b
- Artikel 34c
- Artikel 34d
- Artikel 34e
- Artikel 34f
- Artikel 34g
- Artikel 34h
- Artikel 34i
- Artikel 34j
- Artikel 35
- Artikel 36
- Artikel 36a
- Artikel 37
- Artikel 38
- Artikel 39
- Artikel 39a
- Artikel 39b
- Artikel 40
- Artikel 40a
- Artikel 40b
- Artikel 40c
- Artikel 40d
- Artikel 40e
- Artikel 40f
- Artikel 40g
- Artikel 40h
- Artikel 41
- Artikel 41a
- Artikel 42
- Artikel 43
- Artikel 44
- Artikel 45
- Artikel 45a
- Artikel 46
- Artikel 47
- Artikel 48
- Artikel 49
- Artikel 50
- Artikel 50a
- Artikel 51
- Artikel 52
- Artikel 52a
- Artikel 52b
- Artikel 52c
- Artikel 52d
- Artikel 53
- Artikel 53a
- Artikel 53b
- Artikel 53c
- Artikel 53d
- Artikel 53e
- Artikel 54
- Artikel 54a
- Artikel 55
- Artikel 56
- Artikel 57
- Artikel 58
- Artikel 59
- Artikel 60
- Artikel 61
- Artikel 62
- Artikel 63
- Artikel 64
- Artikel 65
- Artikel 66
- Artikel 67
- Artikel 67a
- Artikel 67b
- Artikel 67c
- Artikel 68
- Artikel 69
- Artikel 70
- Artikel 70a
- Artikel 71
- Artikel 72
- Artikel 73
- Artikel 73a
- Artikel 74
- Artikel 74a
- Artikel 75
- Artikel 76
- Artikel 77
- Artikel 78
- Artikel 79
- Artikel 79a
- Artikel 80
- Artikel 81
- Artikel 82
- Artikel 83
- Artikel 84
- Artikel 84a
- Artikel 84b
- Artikel 84c
- Artikel 85
- Artikel 85a
- Artikel 85b
- Artikel 86
- Artikel 86a
- Artikel 87
- Artikel 88
- Artikel 89
- Artikel 90
- Artikel 90a
- Artikel 91
- Artikel 92
- Artikel 93
- Artikel 94
- Artikel 95
- Artikel 96
- Artikel 97
- Artikel 98
- Artikel 99
- Artikel 100
- Artikel 101
- Artikel 102
- Artikel 103
- Artikel 104
- Artikel 105
- Artikel 106
- Artikel 107
- Artikel 108
- Artikel 109
- Artikel 110
- Artikel 111
- Artikel 112
- Artikel 113
- Artikel 114
- Artikel 115
- Artikel 116
- Artikel 117
- Artikel 118
- Artikel 119
- Artikel 120
- Artikel 121
- Artikel 122
- Artikel 123
- Artikel 124
- Artikel 125
- Artikel 126
- Artikel 127
- Artikel 128
- Artikel 129
- Artikel 130
- Artikel 130a
- Artikel 130b
- Artikel 131
- Artikel 132
- Artikel 132a
- Artikel 132b
- Artikel 132c
- Artikel 133
- Artikel 133a
- Artikel 133b
- Artikel 133c
- Artikel 133d
- Artikel 133e
- Artikel 134
- Artikel 134a
- Artikel 135
- Artikel 136
- Artikel 137
- Artikel 137a
- Artikel 137b
- Artikel 138
- Artikel 138a
- Artikel 138b
- Artikel 139
- Artikel 139a
- Artikel 139aa
- Artikel 139b
- Artikel 139c
- Artikel 139d
- Artikel 140
- Artikel 141
- Artikel 142
- Artikel 143
- Artikel 144
- Artikel 145
- Artikel 145a
- Artikel 145b
- Artikel 145c
- Artikel 146
- Artikel 147
- Artikel 148
- Artikel 148a
- Artikel 149
- Artikel 150
- Artikel 150a
- Artikel 150b
- Artikel 151
- Artikel 151a
- Artikel 152
- Artikel 153
- Artikel 154
- Artikel 155
- Artikel 156
- Artikel 157
- Artikel 158
- Artikel 158a
- Artikel 159
- Artikel 160
- Artikel 160a
- Artikel 160b
- Artikel 161
- Artikel 162
- Artikel 162a
- Artikel 162b
- Artikel 162c
- Artikel 162d
- Artikel 162e
- Artikel 162f
- Artikel 162g
- Artikel 162h
- Artikel 162i
- Artikel 163
- Artikel 163a
- Artikel 163b
- Artikel 163c
- Artikel 163ca
- Artikel 163cb
- Artikel 163d
- Artikel 163e
- Artikel 163f
- Artikel 163g
- Artikel 163h
- Artikel 164
- Artikel 164a
- Artikel 165
- Artikel 166
- Artikel 167
afdeling Eerste — Algemeen gedeelte › Hoofdstuk 1 — Algemene bepalingen
Artikel 1
1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
b. Rijksvertegenwoordiger: Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
c. pensioengerechtigde leeftijd: de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet;
d. pensioenrichtleeftijd: de pensioenrichtleeftijd, bedoeld in artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen.
2 Voor zover de voor uitkering en pensioen in aanmerking komende tijd kalenderjaren of kalendermaanden omvat, wordt deze tijd uitgedrukt in jaren, onderscheidenlijk maanden voor uitkering en pensioen in aanmerking komende tijd. De overige tijd wordt uitgedrukt in gedeelten van jaren, onderscheidenlijk gedeelten van maanden, waarbij het jaar op 12 maanden en de maand op 30 dagen wordt gesteld.
3 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden onder pensioen tevens begrepen de toeslagen die in deze wet als zodanig zijn aangeduid, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.
afdeling Eerste — Algemeen gedeelte › Hoofdstuk 1 — Algemene bepalingen
Artikel 2
1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. aanmelding: aanmelding als bedoeld in artikel 2a;
b. partner: de persoon die met een politieke ambtsdrager, gewezen politieke ambtsdrager of gepensioneerde een huwelijk of een geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel de persoon, die is aangemeld op de wijze, bedoeld in artikel 2a;
c. partnerschap: het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de relatie tussen de aanmelder en degene die als zijn partner is aangemeld op de wijze, bedoeld in artikel 2a;
d. pensioengeldige tijd: de tijd waarover pensioenaanspraken zijn opgebouwd op grond van deze wet.
2 Onder politieke ambtsdrager wordt verstaan voor de toepassing van
a. de tweede afdeling van deze wet: minister;
b. de derde afdeling van deze wet: lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;
c. de vierde afdeling van deze wet: minister of lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;
d. de vijfde afdeling van deze wet: commissaris van de Koning, lid van gedeputeerde staten, burgemeester, wethouder, lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente in de zin van hoofdstuk V, paragraaf 2, van de Gemeentewet, zoals deze paragraaf luidde op de dag voorafgaand aan de datum van de verkiezing van de gemeenteraden in 2014, voorzitter of lid van het dagelijks bestuur van een waterschap of de Rijksvertegenwoordiger.
3 Waar in deze wet betekenis toekomt aan het gegeven dat een belanghebbende gehuwd is, gehuwd is geweest of een huwelijk aangaat, wordt mede begrepen onder gehuwd: als partner geregistreerd, respectievelijk onder huwelijk: geregistreerd partnerschap.
4 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder:
a. ouderdomspensioen mede verstaan eigen pensioen als bedoeld in deze wet, zoals deze luidde voor 1 juli 2022;
b. partnerpensioen mede verstaan nabestaandenpensioen als bedoeld in deze wet, zoals deze luidde voor 1 juli 2022.
afdeling Eerste — Algemeen gedeelte › Hoofdstuk 1 — Algemene bepalingen › Aanmelding
Artikel 2a
1 De politieke ambtsdrager, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a en b, alsmede de Rijksvertegenwoordiger kan bij Onze Minister één man of vrouw aanmelden, indien hij en deze man of vrouw:
a. beiden als ingezetene met het zelfde woonadres in de basisregistratie personen zijn ingeschreven;
b. zich bij een notarieel verleden samenlevingscontract tegenover elkaar hebben verplicht om wederkerig bij te dragen in de kosten van levensonderhoud;
c. beiden ongehuwd zijn;
d. beiden ten tijde van de aanmelding achttien jaar of ouder zijn en
e. geen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn zijn.
2 Een gewezen politieke ambtsdrager als bedoeld in het eerste lid kan, voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, eveneens een aanmelding doen als bedoeld in dat lid.
3 Degene die een aanmelding doet, voegt daarbij een gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de basisregistratie personen waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a, alsmede een afschrift van het contract, bedoeld in het eerste lid, onder b, dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring van een notaris dienaangaande, waaruit de wederzijdse onderhoudsplichtigheid blijkt.
4 Indien aan de voorwaarden voor aanmelding, gesteld in het eerste lid, niet wordt voldaan, weigert Onze Minister de aanmelding.
5 Onze Minister kan regels stellen omtrent de aanmelding door degene die niet als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven.
6 De aanmelding eindigt met het doorhalen ervan.
7 Een aanmelding als bedoeld in het eerste lid wordt doorgehaald:
a. op de dag waarop een aanvraag daartoe van degene die de aanmelding heeft gedaan, dan wel van de man of vrouw die is aangemeld, is ontvangen;
b. op de dag van overlijden van de man of vrouw die is aangemeld dan wel van degene die de aanmelding heeft gedaan, of
c. op de dag waarop degene die de aanmelding heeft gedaan, dan wel de man of vrouw die is aangemeld, hetzij in het huwelijk treedt, hetzij partij is bij een volgende aanmelding.
8 Onze Minister kan, indien daartoe aanleiding bestaat, bevestiging vragen of nog aan de voorwaarden voor aanmelding wordt voldaan. Degene die de aanmelding heeft gedaan legt alsdan een schriftelijke verklaring ter zake over van hem en de aangemelde persoon gezamenlijk, alsmede een gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de basisregistratie personen waaruit blijkt dat aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a, op het tijdstip van die verklaring wordt voldaan. Indien evenwel in de voorgaande periode het samenlevingscontract een wijziging heeft ondergaan die van belang kan zijn voor de aanmelding, wordt een afschrift van het gewijzigde contract overgelegd dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring van een notaris dienaangaande, waaruit blijkt dat nog wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
9 Indien de bevestiging niet binnen zes weken wordt gedaan herhaalt Onze Minister zijn in het achtste lid bedoelde vraag.
10 Indien de bevestiging niet binnen drie weken na de herhaalde vraag wordt gegeven, kan Onze Minister de aanmelding op een door hem vast te stellen datum doorhalen. De bedoelde datum is niet gelegen voor de datum waarop de in het achtste lid bedoelde bevestiging is gevraagd.
11 Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de Rijksvertegenwoordiger, kan voor «basisregistratie personen» telkens worden gelezen: basisadministratie, als bedoeld in artikel 2 van de Wet basisadministratie persoonsgegevens BES.
afdeling Eerste — Algemeen gedeelte › Hoofdstuk 1 — Algemene bepalingen › Aanmelding
Artikel 2b
1 Artikel 2a is van overeenkomstige toepassing op de politieke ambtsdrager, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder d met uitzondering van de Rijksvertegenwoordiger.
2 Voor de toepassing, bedoeld in het eerste lid, treden gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap in de plaats van Onze Minister, uitgezonderd ten aanzien van diens bevoegdheid, gegeven in artikel 2a, vijfde lid.
afdeling Eerste — Algemeen gedeelte › Hoofdstuk 1 — Algemene bepalingen
Artikel 3
De bepalingen van deze wet voor het partnerpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het bijzonder partnerpensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.
afdeling Eerste — Algemeen gedeelte › Hoofdstuk 1 — Algemene bepalingen
Artikel 4
De bepalingen van deze wet voor het partner- en wezenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het tijdelijk pensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.
afdeling Eerste — Algemeen gedeelte › Hoofdstuk 1 — Algemene bepalingen
Artikel 4a
Op een bij of krachtens deze wet vastgestelde pensioenregeling zijn de artikelen 47, 53, 55, vierde lid, en 97 van de Pensioenwet van overeenkomstige toepassing.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 2 — Begripsomschrijvingen
Artikel 5
1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder minister mede verstaan: staatssecretaris.
2 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt verstaan onder:
a. gewezen minister: hij die uit hoofde van een ontslag uitzicht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;
b. gepensioneerd minister: hij die uit hoofde van een ontslag recht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;
c. overheidswerknemer: een overheidswerknemer of een gewezen overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP, die werkzaam was bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 3 — De uitkering
Artikel 6
1 Een minister aan wie door Ons ontslag wordt verleend, heeft met ingang van de dag van zijn ontslag, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en hij niet zonder onderbreking weer als minister optreedt, recht op een uitkering op de voet van de volgende artikelen.
2 De uitkering of, na verrekening ingevolge artikel 9, het restant van de uitkering, wordt niet uitbetaald voor de periode dat:
a. de belanghebbende Onze Minister daarom verzoekt;
b. aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
c. de belanghebbende zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
d. de belanghebbende buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie, met dien verstande dat artikel 19, tiende, dertiende en veertiende lid, van de Werkloosheidswet alsmede de regels die op grond van genoemd tiende lid gesteld zijn, van overeenkomstige toepassing zijn;
e. de belanghebbende vakantie geniet buiten de bij algemene maatregel van bestuur gestelde periode.
3 Wij, de Raad van State gehoord, kunnen bepalen dat geen uitkering wordt toegekend, indien de belanghebbende:
a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;
b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.
4 Het niet uitbetalen van de uitkering op grond van het tweede lid, is niet van invloed op de met toepassing van artikel 7, eerste of tweede lid, berekende duur waarvoor de uitkering is toegekend.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 3 — De uitkering
Artikel 7
1 De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende minister is geweest, maar ten minste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van drie jaren en twee maanden. Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen minister is geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij minister is geweest in een tijdvak, laatstelijk voor zijn ontslag, waarin zijn ministerschap voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak is onderbroken.
2 In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie maanden minister is geweest.
3 Als de belanghebbende op de datum van zijn ontslag of aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode van twaalf jaren ten minste tien jaren Minister is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd.
4 Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het derde lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende minister is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, onder b en d. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbreking in de uitoefening van deze functies.
5 In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens artikel 11, tweede lid, onder b, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 3 — De uitkering
Artikel 7a
1 De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld in artikel 6 geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden na ontslag de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht:
a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;
b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;
c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.
2 De belanghebbende voorkomt dat hij:
a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;
c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
3 Onverminderd het zesde en zevende lid, is artikel 24, derde lid, van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing op de belanghebbende, met dien verstande dat de termijn van zes maanden aanvangt na de termijn van drie maanden, bedoeld in het zesde lid.
4 Dit artikel is niet van toepassing:
a. op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, tweede lid, of een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, tweede lid;
b. op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 8a;
c. voor de periode dat de uitkering of, na verrekening ingevolge artikel 9, het restant van de uitkering op verzoek van de belanghebbende met toepassing van artikel 6, tweede lid, onder a, niet wordt uitbetaald.
5 Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.
6 Indien het adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers op grond van artikel 2 van de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen met betrekking tot een dienstverband een negatief advies heeft gegeven omtrent de aanvaardbaarheid ervan binnen twee jaar na de datum van het ontslag van betrokkene, wordt dat dienstverband niet aangemerkt als passende arbeid.
7 Dienstverbanden waarvoor geen ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen, worden niet aangemerkt als passende arbeid.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 3 — De uitkering
Artikel 7b
1 Onze Minister kan de belanghebbende, bedoeld in artikel 7a, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.
2 Onze Minister verstrekt de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.
3 De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de laatstelijk als minister per jaar genoten wedde, bedoeld in artikel 8, tweede lid. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed.
4 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten;
b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;
c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 3 — De uitkering
Artikel 7c
1 Indien de belanghebbende een bij of krachtens artikel 7a of 7b geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.
2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 3 — De uitkering
Artikel 8
1 De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging.
2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder laatstelijk genoten bezoldiging verstaan de bezoldiging, de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering waarop de belanghebbende aanspraak had op de dag voorafgaande aan de dag waarop hij als minister is ontslagen.
3 Indien voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt de in het eerste lid bedoelde laatstelijk genoten bezoldiging voor de toepassing van dat lid met ingang van het tijdstip van ingang van die wijziging door Onze Minister overeenkomstig de wijziging aangepast.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 3 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 8a
1 Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van artikel 11, de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 8b.
2 Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.
3 Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
4 Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond.
5 Bij een algemene invaliditeit van minder dan 25 percent wordt de uitkering niet voortgezet.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 3 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 8b
1 De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit artikel.
2 De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van deze bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.
3 De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de betrokkene die op het tijdstip van voortzetting van de uitkering:
58 jaar of ouder is: zes jaar;
53 jaar of ouder is: drie jaar;
48 jaar of ouder is: twee jaar;
43 jaar of ouder is: anderhalf jaar;
38 jaar of ouder is: een jaar;
33 jaar of ouder is: een half jaar;
jonger is dan 33 jaar: nihil.
4 De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, en het minimumloon.
5 Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de belanghebbende op het tijdstip van voortzetting van de uitkering.
6 Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet mimimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van de genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.
7 De belanghebbende heeft recht op een aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging.
8 De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging.
9 In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge artikel 106, eerste lid.
10 Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%.
11 Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 106, eerste lid, worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop de minister of de gewezen minister de in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te maken.
12 Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in artikel 9, minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 3 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 8c
1 De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 8a, geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering.
2 Onze Minister stelt de belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die termijn.
3 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt door de belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn gedaan.
4 Indien Onze Minister niet tijdig beslist op een tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de aanvraag.
5 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien Onze Minister de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.
6 Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn afgelopen.
7 Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 3 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 8d
1 Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van artikel 8a is voortgezet, doet Onze Minister een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering.
2 Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.
3 Onze Minister wijzigt ambtshalve of op aanvraag van de belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate van algemene invaliditeit.
4 Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:
a. indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de aanvraag is ingekomen;
b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is genomen.
5 De toepassing van artikel 8a wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van Onze Minister zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit.
6 Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid als bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband met arbeid worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 8a, tweede lid.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 3 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 8e
1 Op verzoek van een minister doet Onze Minister een onderzoek instellen door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of de minister die het verzoek deed algemene invalide is als bedoeld in artikel 8a, tweede lid.
2 Onze Minister brengt de uitkomst van een onderzoek dat is ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de verzoeker.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 3 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 9
1 De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden bepaald overeenkomstig de regels van de Wet inkomstenbelasting 2001 en worden met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.
2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder inkomsten verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten geniet als
a. winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en
c. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
3 De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten bezoldiging, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van artikel 7c, eerste lid, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten.
4 Indien in het bedrag der inkomsten bedoeld in de vorige leden, is of geacht kan worden te zijn begrepen een vergoeding ter zake van de premie Algemene Ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet, blijft deze vergoeding voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985.
5 Kinderbijslag wordt niet aangemerkt als inkomst.
6 Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in artikel 7, zesde lid, en artikel 8a, kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 3 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 9a
1 De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in artikel 9, tweede lid, terstond mededeling te doen aan Onze Minister onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het doen van mededelingen door de belanghebbende met betrekking tot de activiteiten bedoeld in artikel 9, tweede lid.
2 Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het eind van de evenbedoelde termijn. Ten aanzien van deze verrekening is artikel 9 van toepassing, met dien verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.
3 Onze Minister kan bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken.
4 De belanghebbende aan wie uitkering is toegekend, wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen, dat allen, die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 3 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 10
1 De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald.
2 De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 9a.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 3 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 11
1 De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop de gewezen minister is overleden.
2 De uitkering vervalt:
a. met ingang van de dag waarop de gewezen minister de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
b. met ingang van de dag waarop de gewezen minister wederom minister wordt.
3 De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 9a.
4 Voorts kunnen Wij, de Raad van State gehoord, de uitkering vervallen verklaren, indien de gewezen minister:
a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;
b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 3 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 12
1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen minister wordt aan de partner, van die de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan driemaal het bedrag van de uitkering, dat over de laatste volle maand aan de gewezen minister is uitgekeerd.
2 Laat de overledene geen partner na, van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag, ten behoeve van de minderjarige kinderen die in familierechtelijke betrekking stonden tot de overledene, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
3 Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 4 — Het ouderdomspensioen
Artikel 13
1 Een persoon die minister is of minister is geweest, heeft recht op een ouderdomspensioen.
2 Het pensioen gaat in op de pensioengerechtigde leeftijd. Op verzoek van de betrokkene gaat het pensioen eerder of later in.
3 Het pensioen kan niet eerder in gaan dan op de eerste dag van de maand waarin betrokkene de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.
4 Gedurende de tijd dat de betrokkene optreedt als minister en gedurende de tijd dat hij een uitkering geniet als bedoeld in hoofdstuk 3, kan het pensioen niet ingaan.
5 Het pensioen gaat, zo nodig in afwijking van het vierde lid, niet later in dan het tijdstip waarop de betrokkene de leeftijd heeft bereikt, bedoeld in artikel 18a, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen.
6 Nadat het pensioen is ingegaan worden geen aanspraken voor het pensioen opgebouwd.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 4 — Het ouderdomspensioen
Artikel 13a
1 De betrokkene bouwt gedurende ieder dienstjaar pensioenaanspraak op. De aanspraak bedraagt voor ieder dienstjaar een percentage van de pensioengrondslag.
2 De opgebouwde aanspraak wordt geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de indexering van de opbouw die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 4 — Het ouderdomspensioen
Artikel 13b
Ieder jaar dat de betrokkene als minister werkzaam is geweest, of in het genot is geweest van een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3, is voor hem een dienstjaar.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 4 — Het ouderdomspensioen
Artikel 13c
1 Het opbouwpercentage, bedoeld in artikel 13a, dat voor enig dienstjaar wordt gehanteerd, is het percentage dat voor dat dienstjaar voor de opbouw van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers wordt gehanteerd.
2 Gedurende de periode dat een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3 wordt genoten, is het opbouwpercentage de helft van het percentage, bedoeld in het eerste lid. Gedurende de periode waarin de uitkering met toepassing van artikel 6, tweede lid, niet wordt uitbetaald, is het opbouwpercentage nihil.
3 In afwijking van het tweede lid wordt het opbouwpercentage niet gehalveerd gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is en de invaliditeit veroorzaakt is door een dienstongeval.
4 Gedurende de tijd waarin de uitkering is verminderd vanwege toepassing van artikel 7c, eerste lid, of vanwege inkomsten als bedoeld in artikel 9, wordt het met toepassing van het eerste tot en met derde lid gevonden opbouwpercentage vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verminderde uitkering gedeeld door de uitkering zonder vermindering.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 4 — Het ouderdomspensioen
Artikel 13d
1 De pensioengrondslag is gebaseerd op het pensioengevend loon verminderd met een bij een middelloonstelsel behorende franchise die wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers. Het pensioengevend loon is de in het dienstjaar als Minister genoten bezoldiging, waaronder begrepen de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en een eenmalige uitkering, voor zover dit niet het in artikel 18ga, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 genoemde bedrag te boven gaat, op de peildatum van 1 januari van een kalenderjaar of op de datum waarop betrokkene tot minister is benoemd.
2 Voor zover de betrokkene in het dienstjaar in het genot is van een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de pensioengrondslag wordt gebaseerd op de laatstelijk voor het ontslag als minister genoten bezoldiging. De bezoldiging wordt geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de overeenkomstige indexering die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 4 — Het ouderdomspensioen
Artikel 13e
1 Het pensioen bedraagt op jaarbasis de som van de opgebouwde pensioenaanspraken.
2 Voor zover het pensioen in gaat op een leeftijd die afwijkt van de pensioenrichtleeftijd die gold op het moment dat pensioenaanspraak werd opgebouwd, wordt voor de bepaling van de in het eerste lid bedoelde som dat deel van de aanspraak herrekend. Daarbij wordt voor het deel van de aanspraak dat is opgebouwd onder een lagere of hogere pensioenrichtleeftijd dan de leeftijd waarop het pensioen in gaat, de aanspraak verhoogd onderscheidenlijk verlaagd.
3 Het pensioen kan op verzoek van de betrokkene in hoogte variëren in de loop der jaren, waarbij herrekening over de jaren plaats vindt. Daarbij wordt een eerdere verlaging of verhoging gecompenseerd door een latere verhoging onderscheidenlijk verlaging.
4 Bij de herrekening, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt aangesloten bij de herrekening die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers.
5 Over de pensioenaanspraak van de persoon die aantreedt als Minister op of na de pensioenrichtleeftijd die geldt op het moment van zijn aantreden, vindt geen herrekening plaats als bedoeld in het tweede en derde lid.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 4 — Het ouderdomspensioen
Artikel 13f
1 Een minister of gewezen minister kan bij de ingang van het pensioen de opgebouwde aanspraken op partnerpensioen als bedoeld in hoofdstuk 5, omzetten in aanspraken op ouderdomspensioen.
2 Met de keuze voor de omzetting vervalt de aanspraak op het partnerpensioen. De keuze is onherroepelijk.
3 De keuze voor de omzetting kan slechts worden gedaan met toestemming van de partner.
4 Bij de omzetting wordt een ruilvoet toegepast die aansluit bij de ruilvoet die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 4 — Het ouderdomspensioen
Artikel 13g
1 Een gewezen minister kan na afloop van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 7, een deel van de tussen 1 augustus 2003 en 1 juli 2022 door hem opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen omzetten in een aanspraak op partnerpensioen bij overlijden voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
2 Onze Minister doet binnen vier maanden voor de afloop van de uitkering mededeling van deze omzettingsmogelijkheid. De gewezen minister maakt zijn keuze voor een omzetting binnen zes weken na de mededeling schriftelijk aan Onze Minister kenbaar. Tot het einde van die termijn verkrijgt de gewezen minister een premievrije aanspraak op partnerpensioen overeenkomstig de tijd tot het aftreden van de minister.
3 De in het eerste lid bedoelde omzetting wordt gevolgd door een omzetting van de verkregen aanspraken op partnerpensioen in een aanspraak op ouderdomspensioen indien:
a. de in het eerste lid bedoelde omzetting gevolgd wordt door een waardeoverdracht als bedoeld in artikel 107;
b. de gewezen minister opnieuw minister wordt;
c. het huwelijk van de gewezen minister eindigt, anders dan door zijn overlijden.
4 Bij de omzettingen wordt een ruilvoet toegepast die aansluit bij de ruilvoet die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 4 — Het ouderdomspensioen
Artikel 13h
1 Indien het pensioenfonds ABP een verlaging als bedoeld in artikel 134 Pensioenwet toepast op de pensioenaanspraken of de pensioenrechten, verlaagt Onze Minister de in dit hoofdstuk bedoelde pensioenaanspraken en de pensioenen op overeenkomstige wijze.
2 Onze Minister informeert de ministers en de gewezen ministers schriftelijk over zijn voornemen om de pensioenaanspraken of pensioenen te verlagen.
3 De verlaging kan op zijn vroegst een maand nadat de betrokkenen hierover geïnformeerd zijn, in gaan.
4 Indien het pensioenfonds ABP een compensatie van een verlaging als bedoeld in artikel 134 Pensioenwet toepast, past Onze Minister de compensatie toe op overeenkomstige wijze.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 4 — Het ouderdomspensioen
Artikel 13i
1 Als het pensioen op de dag van ingang op jaarbasis minder bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet, wordt dit pensioen afgekocht door een uitkering ineens, mits de minister of gewezen minister daarmee instemt.
2 Onze Minister kan een pensioen als bedoeld in het eerste lid eveneens afkopen, mits Onze Minister na het ontslag van de belanghebbende als minister ten minste vijf maal tevergeefs heeft gepoogd de overdrachtswaarde over te dragen als bedoeld in artikel 13j, eerste lid, en na het ontslag ten minste vijf jaar is verstreken.
3 Bij de vaststelling van de uitkering ineens wordt aangesloten bij de berekening die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers. Artikel 66, achtste lid, van de Pensioenwet is van overeenkomstige toepassing.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 4 — Het ouderdomspensioen
Artikel 13j
1 Onze Minister kan de overdrachtswaarde van de pensioenaanspraken van een gewezen minister met overeenkomstige toepassing van de artikelen 70a en 220b van de Pensioenwet overdragen aan een pensioenuitvoerder als bedoeld in de Pensioenwet, met dien verstande dat voor deze overeenkomstige toepassing Onze Minister wordt beschouwd als de overdragende pensioenuitvoerder.
2 Een pensioenuitvoerder als bedoeld in de Pensioenwet kan de pensioenaanspraken van een gewezen deelnemer als bedoeld in de Pensioenwet met overeenkomstige toepassing van artikel 70a van de Pensioenwet overdragen aan Onze Minister, met dien verstande dat voor deze overeenkomstige toepassing Onze Minister wordt beschouwd als de ontvangende pensioenuitvoerder.
3 De krachtens de artikelen 70a, zesde lid, en 220b, vierde lid, onderdeel a, van de Pensioenwet gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 4 — Het ouderdomspensioen
Artikel 13k
Onze Minister is verplicht om na een verzoek van een minister of een gewezen minister met overeenkomstige toepassing van artikel 69a van de Pensioenwet en de op het zesde lid van dat artikel gebaseerde nadere regels over te gaan tot afkoop van een deel van de waarde van diens aanspraken op ouderdomspensioen.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 4 — Het ouderdomspensioen
Artikel 14
1 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
a. de opbouw van aanspraken op pensioen waaronder de indexering daarvan;
b. de in aanmerking te nemen dienstjaren en het in aanmerking te nemen opbouwpercentage;
c. de bepaling van de pensioengrondslag, de in aanmerking te nemen bezoldiging waaronder de indexering daarvan en de franchise;
d. het bepalen van het pensioen;
e. de herrekening, bedoeld in artikel 13e, tweede lid;
f. de beperkingen die bij toepassing van artikel 13e, derde lid, in acht worden genomen en de herrekening die bij die toepassing wordt gehanteerd;
g. de verhoging van het pensioen door omzetting van partnerpensioen, waaronder de daarbij te hanteren ruilvoet;
h. de verlaging van het pensioen door omzetting in partnerpensioen, waaronder de daarbij te hanteren ruilvoet en de bepaling van dat partnerpensioen;
i. de verlaging van het pensioen na verlaging van pensioenaanspraken en pensioenen door het pensioenfonds ABP overeenkomstig artikel 134 van de Pensioenwet;
j. de afkoop en de waardeoverdracht van een klein pensioen;
k. overige aspecten in het belang van een goede vaststelling en uitkering van het pensioen.
2 Krachtens de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere regels worden gesteld over de aanpassing van in de maatregel genoemde bedragen.
3 Bij deze regels worden de voorwaarden en maxima in acht genomen die op grond van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen, gelden voor een op een middelloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 1 — Het recht op pensioen
Artikel 15
1 De partner van een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister heeft bij diens overlijden recht op partnerpensioen.
2 Het partnerpensioen gaat in op de dag volgende op de dag van het overlijden, bedoeld in het eerste lid.
3 In afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op partnerpensioen:
a. indien het partnerschap is aangegaan nadat de gepensioneerde minister de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt;
b. bij overlijden van een gewezen minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, voor zover de pensioengeldige tijd is gelegen tussen 1 augustus 2003 en 1 juli 2022 en geen omzetting is gedaan als bedoeld in artikel 13g, eerste lid;
c. bij overlijden van een gepensioneerd minister, voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f;
d. indien de partner de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister opzettelijk van het leven heeft beroofd of daaraan medeplichtig is en hiervoor is veroordeeld.
4 Voor de toepassing van het derde lid, onder b, geldt niet als gewezen minister de gewezen minister die recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 6, eerste lid, of artikel 8a, eerste lid.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 1 — Het recht op pensioen
Artikel 16
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 1 — Het recht op pensioen
Artikel 17
1 Bij een overlijden van de minister, de gewezen minister of de gepensioneerd minister heeft de gewezen partner recht op bijzonder partnerpensioen, mits:
a. de gewezen partner recht op partnerpensioen zou hebben gehad, indien de minister, gewezen minister of gepensioneerde op de dag van het beëindigen van het partnerschap zou zijn overleden; en
b. indien het partnerschap een huwelijk betrof, de dag van het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk is uitgesproken ligt na het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wet herziening echtscheidingsrecht en de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk niet is uitgesproken met toepassing van het voor bedoeld tijdstip geldende recht.
2 In afwijking van het eerste lid heeft de gewezen partner bij overlijden geen recht op bijzonder partnerpensioen:
a. indien de partners bij huwelijkse voorwaarden, bij voorwaarden bij geregistreerd partnerschap of bij een schriftelijk gesloten overeenkomst met het oog op het einde van het partnerschap dit overeenkomen en Onze Minister daarmee instemt;
b. indien betrokkene als gevolg van het aangaan van een nieuw partnerschap met dezelfde minister wegens diens overlijden recht op partnerpensioen heeft;
c. bij overlijden van een minister of gewezen minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen tussen 31 juli 2003 en 1 juli 2022;
d. bij overlijden van een gepensioneerd minister voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f;
e. indien de gewezen partner de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister opzettelijk van het leven heeft beroofd of daaraan medeplichtig is, en hiervoor is veroordeeld;
f. indien bij de scheiding het partnerpensioen van de minister, de gewezen minister of de gepensioneerd minister is omgezet in een eigen aanspraak op ouderdomspensioen voor de gewezen partner.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 1 — Het recht op pensioen
Artikel 18
1 In deze afdeling wordt onder wees verstaan een kind van wie een verzorger is overleden en:
a. die als kind van de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister staat ingeschreven in de basisadministratie, bedoeld in de Wet basisregistratie persoonsgegevens;
b. dat deel uitmaakte van het gezin van de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister, waarvoor deze de kosten van levensonderhoud droeg; of
c. voor wie de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister ten tijde van overlijden een onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek dan wel artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES was opgelegd, dan wel door hem bij authentieke akte een dergelijke verplichting was erkend.
2 In deze afdeling wordt onder verzorger verstaan:
a. de ouder van de wees indien de wees is geboren tijdens het huwelijk of geregistreerd partnerschap;
b. de persoon die de wees heeft erkend of geadopteerd;
c. de pleegouder van de wees.
3 Onder pleegouder bedoeld in het tweede lid, onder c, wordt verstaan de persoon die de zorg draagt voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of het genieten van een vergoeding daarvoor.
4 De wees heeft bij overlijden van zijn verzorger die minister, gewezen minister of gepensioneerd minister was recht op wezenpensioen, indien hij de leeftijd van vijfentwintig jaar nog niet heeft bereikt.
5 Het wezenpensioen gaat in op de dag volgende op de dag van het overlijden van de verzorger, bedoeld in het vierde lid.
6 In afwijking van het vierde lid heeft een wees geen recht op wezenpensioen als hij opzettelijk de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister van het leven heeft beroofd of daaraan medeplichtig is, en hiervoor is veroordeeld.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 1 — Het recht op pensioen
Artikel 19
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 1 — Het recht op pensioen
Artikel 20
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 1 — Het recht op pensioen
Artikel 21
1 Indien een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister naar het oordeel van Onze Minister is vermist, hebben degenen die aan zijn overlijden recht op pensioen zouden ontlenen, recht op tijdelijk pensioen op dezelfde voet als in de voorgaande artikelen van dit hoofdstuk is omschreven.
2 Het tijdelijk pensioen gaat in op een door Onze Minister te bepalen dag.
3 Het tijdelijk pensioen gaat van rechtswege over in een voortdurend pensioen zodra het overlijden van de vermiste vaststaat.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 2 — Bedrag van het pensioen
Artikel 22
1 Het partnerpensioen, bedoeld in artikel 15, bedraagt 70 procent van het ouderdomspensioen, waarop de overleden minister als zodanig aanspraak zou hebben gehad indien hij met ingang van de dag na die van zijn overlijden was ontslagen of waarop de overleden gewezen minister als zodanig recht of uitzicht had, een en ander met inachtneming van artikel 15, tweede lid, onder b en c.
2 In afwijking van het vorige lid bedraagt het partnerpensioen:
a. bij overlijden van een minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, 70 procent van het ouderdomspensioen waarop die minister aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij zijn ambt tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bekleed, zonder rekening te houden met artikel 13e, tweede of derde lid;
b. bij overlijden van een gewezen minister in de periode, waarover hem een uitkering is toegekend, 70 procent van het ouderdomspensioen waarop de gewezen minister aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd recht op uitkering zou hebben gehad, met dien verstande, dat voor de berekening van het ouderdomspensioen de diensttijd wordt doorgeteld naar de mate van medetelling van diensttijd op de dag van overlijden.
3 Indien wegens eenzelfde overlijden voor een partner recht ontstaat zowel op partnerpensioen krachtens deze afdeling als op partnerpensioen krachtens of op de voet van de derde of vijfde afdeling van deze wet, wordt voor de berekening van de ouderdomspensioenen waarvan de partnerpensioenen zijn afgeleid, tijd die zowel voor de berekening van eerstbedoeld pensioen als voor de berekening van het andere pensioen meetelt en niet daadwerkelijk gelijktijdig in de verschillende ambten is doorgebracht, slechts meegeteld voor de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.
4 Bij de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt ten aanzien van het ouderdomspensioen opgebouwd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995, gerekend met een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde franchise.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 2 — Bedrag van het pensioen
Artikel 22a
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 2 — Bedrag van het pensioen
Artikel 22b
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 2 — Bedrag van het pensioen
Artikel 22c
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 2 — Bedrag van het pensioen
Artikel 23
1 Het bijzonder partnerpensioen bedraagt 70 procent van een ouderdomspensioen, waarbij in aanmerking wordt genomen:
a. de berekeningsgrondslag waarnaar het ouderdomspensioen van de minister, gewezen minister of gepensioneerde zou zijn berekend indien deze op de dag van het beëindigen van het partnerschap recht op ouderdomspensioen zou hebben verkregen, zonder rekening te houden met artikel 13e, tweede of derde lid;
b. pensioengeldige tijd die is gelegen vóór de onder a bedoelde dag, met dien verstande dat:
i. bij overlijden van een minister of gewezen minister voor de pensioengerechtigde leeftijd, uitsluitend tijd vóór 1 augustus 2003 en na 1 juli 2022, in aanmerking wordt genomen;
ii. bij overlijden van een gepensioneerd minister uitsluitend tijd vóór 1 juli 1999 in aanmerking wordt genomen, indien de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f.
2 Indien er bij overlijden recht bestaat op meer dan een bijzonder partnerpensioen vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de berekening van het bijzonder partnerpensioen ontleend aan elk partnerschap waaraan een eerder partnerschap voorafgaat slechts de diensttijd meetelt die samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de duur van het partnerschap.
3 Wanneer er in verband met hetzelfde overlijden behalve partnerpensioen ook recht op een of meer bijzondere partnerpensioenen bestaat, wordt het partnerpensioen verminderd met deze bijzondere partnerpensioenen.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 2 — Bedrag van het pensioen
Artikel 24
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 2 — Bedrag van het pensioen
Artikel 25
1 Het wezenpensioen bedraagt 14 procent van het ouderdomspensioen als de wees een verzorger als bedoeld in artikel 18, tweede lid, heeft.
2 Het wezenpensioen bedraagt 28 procent van het ouderdomspensioen als er geen sprake is van een verzorger als bedoeld in artikel 18, tweede lid.
3 Onze Minister stelt het wezenpensioen, bedoeld in het eerste lid, opnieuw vast als de wees geen verzorger als bedoeld in artikel 18, tweede lid, meer heeft. Het gewijzigde bedrag van het wezenpensioen gaat in met ingang van de eerste dag van de maand na de maand waarin de verzorger is overleden.
4 Voor de toepassing van dit artikel is het ouderdomspensioen het ouderdomspensioen:
a. voordat het pensioen is verlaagd of verhoogd met toepassing van artikel 13e, tweede lid, 13f, 13g;
b. zonder rekening te houden met de toepassing 13e, derde lid.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 2 — Bedrag van het pensioen
Artikel 25a
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 2 — Bedrag van het pensioen
Artikel 26
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 2 — Bedrag van het pensioen
Artikel 27
1 Het gezamenlijk bedrag van de wezenpensioenen gaat een bedrag gelijk aan 70 procent van het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven.
2 Indien wegens toepassing van het eerste lid de wezenpensioenen worden verminderd, geschiedt deze vermindering in evenredigheid naar de omvang van die pensioenen.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 2 — Bedrag van het pensioen
Artikel 27a
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 2 — Bedrag van het pensioen
Artikel 27b
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 2 — Bedrag van het pensioen
Artikel 28
Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht zou bestaan indien de vermiste op de dag van zijn vermissing was overleden.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 2 — Bedrag van het pensioen
Artikel 28a
1 Als het partnerpensioen, het bijzonder partnerpensioen, het wezenpensioen of het tijdelijk pensioen op de dag van ingang op jaarbasis minder bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet, wordt dit pensioen afgekocht door een uitkering ineens, mits de betrokkene daarmee instemt.
2 Bij de vaststelling van de uitkering ineens wordt aangesloten bij de berekening die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers. Artikel 66, achtste lid, van de Pensioenwet is van overeenkomstige toepassing.
3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de afkoop van een klein pensioen.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 5 — Het partner- en wezenpensioen › § 2 — Bedrag van het pensioen
Artikel 28b
Een partnerpensioen, een bijzonder partnerpensioen en een wezenpensioen wordt geïndexeerd op een wijze die gelijk is aan de indexering die wordt gehanteerd ten aanzien van het partnerpensioen, het bijzonder partnerpensioen en het wezenpensioen van overheidswerknemers.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 6 — Verval van pensioen
Artikel 29
Wij, de Raad van State gehoord, verklaren het uitzicht of het recht op pensioen geheel of gedeeltelijk vervallen, indien degene die dat uitzicht of recht heeft:
a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;
b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 6 — Verval van pensioen
Artikel 30
1 In bijzondere gevallen kunnen Wij, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van artikel 29 vervallen uitzicht of recht op pensioen geheel of gedeeltelijk herstellen.
2 Wanneer een vervallen recht op pensioen geheel of gedeeltelijk wordt hersteld gaat het pensioen in op de eerste dag van de maand waarin het herstel heeft plaatsgevonden.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 6 — Verval van pensioen
Artikel 31
1 Het recht op pensioen vervalt indien gedurende vijf achtereenvolgende jaren iedere invordering achterwege is gebleven.
2 Wij kunnen, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van het vorige lid vervallen recht of uitzicht op pensioen herstellen.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 7 — Samenloop van pensioenen
Artikel 32
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 7 — Samenloop van pensioenen
Artikel 33
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 7 — Samenloop van pensioenen
Artikel 34
1 Indien een partner aan wie reeds een partnerpensioen is toegekend, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, ter zake van een later huwelijk of een latere aanmelding eveneens recht op partnerpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt samenlopende tijd slechts medegeteld bij de berekening van het pensioen waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.
2 Onder een pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de Nederlandse schatkist - anders dan ingevolge wettelijke garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot betaling -, ten laste van Aruba, van Curaçao, van Sint Maarten, van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in evengenoemde landen, dan wel ten laste van een door het openbaar gezag in Nederland, in die landen of in die openbare lichamen ingesteld fonds.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 7 — Samenloop van pensioenen
Artikel 34a
1 Indien een wees die reeds recht op een wezenpensioen heeft, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, daarna eveneens recht op enig ander wezenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt voor de berekening van de ouderdomspensioenen waarvan die wezenpensioenen zijn of geacht moeten worden te zijn afgeleid, samenlopende tijd slechts medegeteld bij de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.
2 Artikel 34, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 7a — Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 34b
Op uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling is beslag mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het gemene recht.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 7a — Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 34c
Onverschuldigd betaalde uitkeringen of pensioenen op grond van deze afdeling kunnen worden teruggevorderd.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 7a — Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 34d
1 Met uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling kan worden verrekend hetgeen de gewezen of gepensioneerde minister of zijn nagelaten betrekkingen zelf als zodanig aan de Staat verschuldigd is.
2 Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in artikel 34e, eerste lid.
3 Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre geldig als een beslag op die uitkeringen of pensioenen geldig zou zijn, met dien verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat deel van de bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vormt.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 7a — Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 34e
1 Op uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling kan ten behoeve van een schuldeiser van de gewezen of gepensioneerde minister of zijn nagelaten betrekkingen een korting worden toegepast, mits de gewezen of gepensioneerde minister onderscheidenlijk zijn nagelaten betrekkingen de vordering van de schuldeiser erkent of erkennen dan wel het bestaan van de vordering blijkt uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak dan wel uit een authentieke akte.
2 Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die uitkering of dat pensioen geldig zou zijn.
3 Beslag, faillissement, surseance van betaling en toepassing ten aanzien van de gewezen of gepensioneerde minister of zijn nagelaten betrekkingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen sluiten korting uit.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 7a — Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 34f
Voor de toepassing van artikel 475b, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden, onverminderd artikel 34d, tweede lid, en artikel 34e, derde lid, verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 7a — Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 34g
Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting aanspraak hebben op een deel van de uitkering of het pensioen geschiedt de verdeling naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser voorrang heeft boven de anderen.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 7a — Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 34h
1 Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling waardoor de gewezen of gepensioneerde minister of zijn nagelaten betrekkingen enig recht op zijn uitkering of pensioen aan een derde toekent of toekennen, is slechts geldig voor dat deel van de uitkering of het pensioen waarop beslag geldig zou zijn.
2 Een volmacht tot voldoening of invordering van de uitkering of het pensioen is slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds herroepelijk.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 7a — Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 34i
Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlasten de Staat, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet meer tijdig kon worden ingetrokken, toen de Staat van het eindigen van de volmacht kennis kreeg.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 7a — Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 34j
Beslag omvat in dit hoofdstuk ook de invordering, bedoeld in artikel 19 van de Invorderingswet 1990.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 35
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 36
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 36a
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 37
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 38
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 39
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 39a
Ten aanzien van de uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een ontslag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet aanpassing uitkeringsduur Appa, blijft de uitkeringsduur van kracht zoals deze gold op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 39b
1 Uitkeringen ter zake van een ontslag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa worden verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.
2 De uitkering van een betrokkene ter zake van een ontslag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien zij is toegekend op grond van artikel 7, derde lid.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 40
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 40a
1 De opbouw van aanspraken op het ouderdomspensioen geschiedt overeenkomstig de artikelen 13 tot en met 14 voor dienstjaren vanaf 1 januari 2014.
2 Voor dienstjaren vóór 1 januari 2014 geschiedt de opbouw overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa.
3 Indien de betrokkene op 31 december 2013 pensioen opbouwt op grond van hoofdstuk 4, wordt de in het tweede lid bedoelde opbouw vastgesteld met als pensioengrondslag de grondslag die zou gelden als hij met ingang van 1 januari 2014 zou zijn ontslagen. Daarbij wordt de laatstelijk genoten wedde niet aangepast. De opgebouwde aanspraak wordt vervolgens geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de indexering van de opbouw die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.
4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met derde lid.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 40b
1 Pensioenaanspraken en pensioenen kunnen met toepassing van artikel 13h worden verlaagd vanaf de inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa.
2 Bij de toepassing kunnen tevens de pensioenaanspraken worden verlaagd die zijn opgebouwd vóór de inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa. De verlaging kan eveneens betrekking hebben op de pensioenen die zijn gebaseerd op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd vóór die inwerkingtreding.
3 De toepassing vindt plaats ter zake van een verlaging door het pensioenfonds ABP vanaf 1 januari 2013.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 40c
1 Ingeval aan een gewezen minister reeds voor 1 juli 2022 een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3 is toegekend, wordt in afwijking van artikel 13c, tweede lid, het opbouwpercentage niet gehalveerd:
a. gedurende de eerste drie jaar en twee maanden van de uitkeringsperiode, te rekenen vanaf de datum waarop de uitkering is toegekend; en
b. gedurende de periode waarin de uitkering langer dan drie jaar en twee maanden wordt genoten en betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is.
2 Bij een ontslag van een belanghebbende die op 1 juli 2022 het ambt van minister vervult is in afwijking van artikel 13c, tweede lid, het eerste lid van overeenkomstige toepassing, tenzij de belanghebbende dit ambt opnieuw bekleedt in het eerstvolgende kabinet dat aantreedt na die datum.
3 Het opbouwpercentage, bedoeld in artikel 13c, is nul indien de betrokkene daarom reeds voor 1 juli 2022 heeft verzocht.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 40d
1 De partner aan wie op grond van deze wet een partnerpensioen is toegekend in verband met een overlijden voor 1 oktober 2022 en die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt maar geen recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, ontvangt tot hij die leeftijd bereikt een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede is berekend over diensttijd na 31 december 1985.
2 De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het partnerpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op partnerpensioen ontstaat.
3 Indien de partner, bedoeld in het eerste lid, bij de toekenning van het partnerpensioen jonger was dan 40 jaar, wordt de toeslag toegekend voor een periode van ten hoogste 12 maanden.
4 De toeslag wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid.
5 Het recht op toeslag eindigt met ingang van de dag waarop de partner de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
6 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de partner aan wie op grond van deze wet een partnerpensioen is toegekend in verband met een overlijden binnen vijf jaar na 1 oktober 2022 en die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, maar geen recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, indien de overledene aantoonbaar reeds ten tijde van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten 2021 ongeneeslijk ziek was en daardoor of door andere blijvende omstandigheden voor die datum geen aanvullende nabestaandenverzekering bij een verzekeraar heeft kunnen afsluiten tegen ten hoogste de dubbele basispremie.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 40e
1 De partner aan wie op grond van deze wet een partnerpensioen is toegekend in verband met een overlijden voor 1 oktober 2022 en die recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, waarop inkomen in mindering wordt gebracht, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede is berekend over diensttijd na 31 december 1985.
2 Recht op toeslag heeft eveneens de partner aan wie in het tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1999 nabestaandenpensioen is toegekend en op wiens uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet in dat tijdvak inkomen in mindering is gebracht.
3 De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het partnerpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van het verschil tussen 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op partnerpensioen ontstaat, zonder de vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 procent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld:
a. met ingang van 1 januari van ieder jaar volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid;
b. bij iedere nadere vaststelling van de vermindering van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
4 Artikel 40d, vierde, vijfde en zesde lid, zijn mede van toepassing op de toeslag ingevolge dit artikel.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 40f
1 De partner die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, heeft tot de dag waarop hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen ten bedrage van 15 procent van dat pensioen voor zover dat is berekend over diensttijd vóór 1 augustus 2003 en van 7,5 procent voor zover berekend over de diensttijd na 31 juli 2003, behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid.
2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17 toepassing heeft gevonden.
3 De compensatie bedraagt niet meer dan het voor overheidswerknemers gestelde grensbedrag voor compensatie voor premiebetaling AOW/Anw over nabestaandenpensioen.
4 Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene die recht heeft op bijzonder partnerpensioen.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 40g
1 In afwijking van artikel 18, vierde lid, heeft de wees van een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister die voor 1 juli 2022 is overleden, recht op een wezenpensioen, zolang hij de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt.
2 In afwijking van artikel 115, vierde lid, eindigt het wezenpensioen, bedoeld in het eerste lid, op de laatste dag van de maand waarin de wees de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt of betrokken is bij een partnerschap.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 40h
1 Een wees met recht op wezenpensioen heeft, voor zover dat pensioen is berekend over de diensttijd voor 1 oktober 2022, vanaf de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt recht op een toeslag van vijftien procent van het wezenpensioen.
2 Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder wezenpensioen verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17 toepassing heeft gevonden.
3 De in het eerste lid bedoelde compensatie gaat niet uit boven het fiscale maximum als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 een bedraagt niet meer dan het voor wezen van overheidswerknemers gestelde grensbedrag.
4 Voor de toepassing van artikel 27 wordt de toeslag op grond van dit artikel buiten beschouwing gelaten.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 41
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 41a
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 42
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 43
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 44
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 45
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 45a
1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden omtrent de bepaling van het partnerpensioen, het bijzonder partnerpensioen, het wezenpensioen en het tijdelijk pensioen in verband met de inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa.
2 Bij deze regels worden de voorwaarden en maxima in acht genomen die op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 gelden voor een op een middelloonstelsel gebaseerd partnerpensioen en wezenpensioen.
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 46
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 47
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 48
Vervallen
afdeling Tweede — Ministers en staatssecretarissen › Hoofdstuk 8 — Overgangsbepalingen
Artikel 49
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 9 — Algemeen gedeelte
Artikel 50
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt verstaan onder:
a. kamerlid: lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;
b. gewezen kamerlid: hij die uit hoofde van een aftreden als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal uitzicht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;
c. gepensioneerd kamerlid: hij die uit hoofde van een aftreden als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal recht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;
d. kamerlidtijd of kamerlidjaar: tijd of jaar, gedurende welke belanghebbende als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is opgetreden en waarover schadeloosstelling is genoten;
e. berekeningsgrondslag: het bedrag van de op de dag vóór het aftreden geldende schadeloosstelling en aanspraak op eindejaarsuitkering, bedoeld in de artikelen 2 en 2b van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, waarbij de evenbedoelde aanspraak wordt berekend over de schadeloosstelling, bedoeld in artikel 2 van de evengenoemde wet, verminderd met het in dat artikel bedoelde percentage van de vakantie-uitkering.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 9 — Algemeen gedeelte
Artikel 50a
1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt tevens als kamerlidtijd aangemerkt een periode van tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge artikel X 10 van de Kieswet.
2 Deze wet is niet van toepassing op het kamerlid dat is benoemd in de plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk ontslag van een lid wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge artikel X 12 van de Kieswet.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 10 — De uitkering
Artikel 51
1 Een kamerlid heeft met ingang van de dag van zijn aftreden, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en hij niet zonder onderbreking weer als kamerlid optreedt, recht op een uitkering op de voet van de volgende artikelen.
2 De uitkering of, na verrekening ingevolge artikel 54, het restant van de uitkering wordt niet uitbetaald:
a. voor zover en voor de periode dat de belanghebbende daarom verzoekt;
b. voor de periode dat aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
c. voor de periode dat de belanghebbende zicht onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
d. voor de periode dat de belanghebbende buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie, met dien verstande dat artikel 19, tiende, dertiende en veertiende lid, van de Werkloosheidswet alsmede de regels die op grond van genoemd tiende lid gesteld zijn, van overeenkomstige toepassing zijn;
e. voor de periode dat de belanghebbende vakantie geniet buiten de bij algemene maatregel van bestuur gestelde periode.
3 Het niet uitbetalen van de uitkering op grond van het tweede lid, is niet van invloed op de met toepassing van artikel 52, eerste of tweede lid, berekende duur waarvoor de uitkering is toegekend.
4 Een tijdelijk ontslag als bedoeld in artikel X 10 van de Kieswet, wordt niet aangemerkt als aftreden als bedoeld in het eerste lid.
5 Indien de belanghebbende is geboren in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius of Saba, of indien hij daar ten minste vijf jaren aaneengesloten heeft verbleven, wordt voor de toepassing van het tweede lid, onder d, voor «buiten Nederland» gelezen «buiten het Koninkrijk der Nederlanden».
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 10 — De uitkering
Artikel 52
1 De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende kamerlid is geweest, maar ten minste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van drie jaren en twee maanden. Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen kamerlid is geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij kamerlid is geweest in een tijdvak, laatstelijk voor zijn aftreden, waarin zijn kamerlidmaatschap voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak is onderbroken.
2 In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie maanden kamerlid is geweest.
3 Als de belanghebbende op de datum van zijn aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode hij in het tijdvak van twaalf jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd.
4 Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het derde lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende kamerlid is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, onder a en d. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbrekingen in de uitoefening van deze functies.
5 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder kamerlid mede begrepen lid van het Europees Parlement, voorzover dat lidmaatschap niet gelijktijdig werd vervuld met het kamerlidmaatschap. Voor de vaststelling van de tijd gedurende welke de belanghebbende kamerlid is geweest, telt niet mee de tijd gedurende welke de schadeloosstelling als kamerlid niet werd genoten.
6 In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens artikel 56, tweede lid, onder b, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 10 — De uitkering
Artikel 52a
1 De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld in artikel 51 geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht:
a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;
b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;
c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.
2 De belanghebbende voorkomt dat hij:
a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;
c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
3 Artikel 7a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een kamerlid.
4 Dit artikel is niet van toepassing:
a. op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 50, onderdeel e, of een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 50, onderdeel e;
b. op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 53a;
c. voor de periode dat de belanghebbende verzoekt af te zien van de uitbetaling van de gehele uitkering.
5 Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 10 — De uitkering
Artikel 52b
1 Onze Minister kan de belanghebbende, bedoeld in artikel 52a, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.
2 Onze Minister verstrekt de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.
3 De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 53, tweede lid. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed.
4 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten;
b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;
c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 10 — De uitkering
Artikel 52c
1 Indien de belanghebbende een bij of krachtens artikel 52a of 52b geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.
2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 10 — De uitkering
Artikel 52d
De voordracht voor een krachtens de artikelen 52a, 52b of 52c vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 10 — De uitkering
Artikel 53
1 De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.
2 Indien de belanghebbende op de dag voor zijn aftreden als kamerlid de verhoging of een toelage genoot, bedoeld in artikel 12, eerste lid, respectievelijk artikel 11, eerste en tweede lid, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, wordt de berekeningsgrondslag verhoogd met het bedrag van die verhoging respectievelijk toelage, inbegrepen de daarover geldende aanspraak op eindejaarsuitkering.
3 Indien voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd ingevolge het tweede lid, voor de toepassing van het eerste lid met ingang van het tijdstip van ingang van die loonswijziging door Onze Minister overeenkomstig de wijziging aangepast.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 10 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 53a
1 Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van artikel 56, de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 53b.
2 Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.
3 Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
4 Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond.
5 Bij een algemene invaliditeit van minder dan 25 percent wordt de uitkering niet voortgezet.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 10 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 53b
1 De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit artikel.
2 De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53, bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van die berekeningsgrondslag bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die berekeningsgrondslag bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.
3 De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de uitkering:
58 jaar of ouder is: zes jaar;
53 jaar of ouder is: drie jaar;
48 jaar of ouder is: twee jaar;
43 jaar of ouder is: anderhalf jaar;
38 jaar of ouder is: een jaar;
33 jaar of ouder is: een half jaar, en
jonger is dan 33 jaar: nihil.
4 De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53, en het minimumloon.
5 Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de betrokkene op het tijdstip van voortzetting van de uitkering.
6 Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet mimimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van de genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.
7 De belanghebbende heeft recht op een aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53.
8 De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53.
9 In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge artikel 106, eerste lid.
10 Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%.
11 Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 106, eerste lid, worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal of het gewezen lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal de in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te maken.
12 Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in artikel 54, minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 10 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 53c
1 De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 53a, geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering.
2 Onze Minister stelt de belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die termijn.
3 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt door de belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn gedaan.
4 Indien Onze Minister niet tijdig beslist op een tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de aanvraag.
5 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien Onze Minister de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.
6 Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn afgelopen.
7 Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 10 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 53d
1 Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van artikel 53a is voortgezet, doet Onze Minister een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering.
2 Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.
3 Onze Minister wijzigt ambtshalve of op aanvraag van de belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate van algemene invaliditeit.
4 Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:
a. indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de aanvraag is ingekomen;
b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is genomen.
5 De toepassing van artikel 53a wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van Onze Minister zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit.
6 Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 53a, tweede lid, kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid als bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 53a, tweede lid.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 10 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 53e
1 Op verzoek van een kamerlid doet Onze Minister een onderzoek instellen door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of het kamerlid dat het verzoek deed algemene invalide is als bedoeld in artikel 53a, tweede lid.
2 Onze Minister brengt de uitkomst van een onderzoek dat is ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de verzoeker.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 10 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 54
1 De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden bepaald overeenkomstig de regels van de Wet inkomstenbelasting 2001 en worden met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.
2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder inkomsten verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten geniet als
a. winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en
c. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
3 De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, het bedrag, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van artikel 52c, eerste lid, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten. Wanneer naast recht op een uitkering krachtens deze afdeling recht bestaat op een wachtgeld of uitkering krachtens een andere regeling, niet zijnde een uitkering krachtens de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement, vindt het vorenstaande ten aanzien van bedoeld wachtgeld of uitkering geen toepassing, indien de uitkering krachtens deze afdeling elders voor verrekening met wachtgeld of uitkering in aanmerking komt.
4 Indien in het bedrag der inkomsten bedoeld in de vorige leden, is of geacht kan worden te zijn begrepen een vergoeding ter zake van de premie Algemene Ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet, blijft deze vergoeding voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985.
5 Kinderbijslag wordt niet aangemerkt als inkomst.
6 Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in artikel 52, zesde lid, en artikel 53a, kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 10 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 54a
1 De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in artikel 54, tweede lid, terstond mededeling te doen aan Onze Minister, onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het doen van mededelingen door de belanghebbende met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in artikel 54, tweede lid.
2 Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde van de evenbedoelde termijn.
Ten aanzien van deze verrekening is artikel 54 van toepassing, met dien verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.
3 Onze Minister kan bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken.
4 De belanghebbende, aan wie uitkering is toegekend, wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen, dat allen, die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 10 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 55
1 De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald.
2 De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 54a.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 10 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 56
1 De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop het gewezen kamerlid is overleden.
2 De uitkering vervalt:
a. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
b. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid wederom als kamerlid optreedt dan wel lid wordt van het Europees Parlement.
3 De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 54a.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 10 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 57
1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van het gewezen kamerlid wordt aan de partner, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd, gelijk aan driemaal het bedrag der uitkering, dat over de laatste volle maand aan het gewezen kamerlid is uitgekeerd.
2 Laat de overledene geen partner na, van wie hij, onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
3 Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 11 — Het ouderdomspensioen
Artikel 58
Een persoon die kamerlid is of kamerlid is geweest, heeft met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk 4 en de artikelen 40a, 40b en 40c recht op ouderdomspensioen, met dien verstande dat:
1. voor «dienstjaar» gelezen wordt «kamerlidjaar»; en
2. voor «hoofdstuk 3»gelezen wordt «hoofdstuk 10».
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 11 — Het ouderdomspensioen
Artikel 59
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 60
De partner en de gewezen partner van een kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid heeft met overeenkomstige toepassing van de artikelen 15, 17, 21, 22 tot en met 23a, 28, 31 en 34, alsmede de artikelen 40d tot en met 40f en de nadere regels op grond van artikel 45a recht op partnerpensioen of bijzonder partnerpensioen, met dien verstande dat in artikel 40c voor «diensttijd» gelezen wordt «kamerlidtijd».
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 61
Na het overlijden van een kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid hebben zijn wezen met overeenkomstige toepassing van de artikelen 18, 21, 25, 27, 28, 28a, 31 en 34a alsmede de artikelen 40g en 40h en de nadere regels op grond van 45a recht op een wezenpensioen.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 62
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 63
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 64
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 65
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 66
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 67
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 67a
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 67b
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 67c
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 68
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 69
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 70
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 70a
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 71
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 72
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 73
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 73a
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 74
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 12 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 74a
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 13 — Verval van pensioen
Artikel 75
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 13 — Verval van pensioen
Artikel 76
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 14 — Samenloop van pensioenen
Artikel 77
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 14 — Samenloop van pensioenen
Artikel 78
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 14 — Samenloop van pensioenen
Artikel 79
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 14 — Samenloop van pensioenen
Artikel 79a
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 80
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 81
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 82
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 83
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 84
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 84a
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 84b
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 84c
1 De uitkering van een betrokkene wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien hij:
a. lid was van de Tweede Kamer op 24 maart 2010,
b. in zijn functie herbenoemd is onmiddellijk na de verkiezingen voor de Tweede Kamer van 9 juni 2010,
c. bij de herbenoeming ten minste 50 jaar oud was en
d. voldoet aan de in artikel 52, derde lid, bedoelde eisen ten aanzien van de diensttijd.
2 Uitkeringen ter zake van een aftreden vóór 27 juli 2013 worden verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.
3 De uitkering van een betrokkene ter zake van een aftreden vóór 27 juli 2013 wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien zij is toegekend op grond van artikel 52, derde lid.
4 Artikel 52, derde lid, is niet van toepassing op een ontslag of aftreden dat is ingegaan voor de datum van inwerkingtreding van de Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa.
5 Een belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van de Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa Kamerlid is, wordt bij zijn aftreden een uitkering verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan die datum.
6 Een belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van de Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa Kamerlid is en als Kamerlid is herbenoemd onmiddellijk na de eerstvolgende kamerverkiezingen na die datum, wordt bij zijn aftreden een uitkering verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voor die datum indien hij tevens op de datum van zijn herbenoeming:
a. negen jaar en zeven maanden of minder verwijderd is van de pensioengerechtigde leeftijd die is vastgesteld voor het kalenderjaar vijf jaren na aftreden, en
b. in het tijdvak van twaalf jaren ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid.
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 85
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 85a
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 85b
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 86
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 86a
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 87
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 88
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 89
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 90
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 90a
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 91
Vervallen
afdeling Derde — Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal › Hoofdstuk 15 — Overgangsbepalingen
Artikel 92
Vervallen
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 16
Artikel 93
Vervallen
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 16
Artikel 94
Vervallen
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 17 — Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986
Artikel 95
1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. een pensioen: een pensioen of een gedeelte van een pensioen voor zover berekend over tijd voor 1 januari 1986 dat is toegekend of geacht wordt te zijn toegekend krachtens de tweede en derde afdeling van deze wet, met uitzondering van de overgangstoeslag bedoeld in artikel 4 van de derde afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963;
b. een algemeen pensioen:
1e. een bruto-ouderdomspensioen als bedoeld in de Algemene Ouderdomswet, met inbegrip van de daarbij behorende vakantie-uitkering voor zover deze niet behoort tot de overlijdensuitkering krachtens die wet;
2e. een nabestaandenuitkering, en een wezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet;
3e. een pensioen of uitkering toegekend krachtens een wettelijke regeling van Aruba, van Curaçao, van Sint Maarten, van een vreemde mogendheid of krachtens een wettelijke regeling die uitsluitend in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van toepassing is en naar aard en strekking overeenkomend met een algemeen pensioen als omschreven onder 1e of 2e;
c. een belanghebbende: degene die recht heeft op een pensioen.
2 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder het algemeen pensioen van de belanghebbende die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, mede begrepen het algemeen pensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt mede als echtgenoot aangemerkt degene die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als echtgenoot van de belanghebbende wordt aangemerkt.
3 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een pensioen als bedoeld in artikel 101, vijfde lid, dan wel enig ander pensioen als bedoeld in artikel 102, eerste lid, voorzover dit pensioen of gedeelte daarvan is berekend over tijd voor 1 januari 1986, in aanmerking genomen.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 17 — Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986
Artikel 96
Het pensioen waarop twee of meer volle wezen recht hebben wordt, indien het als een eenheid is toegekend, voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht aan ieder van genoemde wezen te zijn toegekend tot een bedrag, gelijk aan dat pensioen gedeeld door hun aantal.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 17 — Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986
Artikel 97
1 Voor een belanghebbende die tevens recht heeft op een algemeen pensioen, wordt het deel daarvan dat geacht kan worden betrekking te hebben op een tijd overeenkomende met de diensttijd, waarnaar zijn pensioen is of geacht wordt te zijn berekend, tot een maximum van 40 jaren, gerekend deel uit te maken van het bedrag van zijn pensioen, met dien verstande dat:
a. voor zover diensttijd met 3,5 percent per jaar met pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met 2 wordt vermenigvuldigd;
b. voor zover diensttijd met 0,875 percent per jaar met pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met 0,5 wordt vermenigvuldigd.
Het in de vorige volzin omschreven deel wordt inbouwbedrag genoemd.
2 Het inbouwbedrag wordt berekend aan de hand van het bedrag van het algemeen pensioen zoals dat luidt op 1 januari van het jaar waarin het recht op ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen, bijzonder nabestaandenpensioen of wezenpensioen ontstaat.
3 Indien het bedrag van het algemeen pensioen op grond van persoonlijke omstandigheden wordt gewijzigd, wordt de pensioengrondslag herberekend. Het herberekende pensioen gaat in op dezelfde dag als waarop de bedoelde wijziging zich heeft voorgedaan. Indien de herberekening leidt tot een verhoging van het pensioen, gaat die verhoging niet vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de betrokkene kennis heeft gegeven van de wijziging van persoonlijke omstandigheden of waarin de verhoging ambtshalve plaatsvond.
4 Ten aanzien van hem die op het tijdstip met ingang waarvan voor hem recht op algemeen pensioen ontstaat, reeds recht op pensioen heeft, vindt het vorige lid toepassing met ingang van de eerste dag van de maand waarin het recht op algemeen pensioen is ontstaan, of zo veel later als het pensioen is ingegaan.
5 Op een nabestaandenpensioen, niet zijnde een pensioen als bedoeld in artikel 17 of 62, dat is afgeleid van een pensioen waarop, in verband met het recht op een algemeen pensioen voor gehuwden, het eerste lid van toepassing was, vindt dat lid niet eerder toepassing dan met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin dat pensioen krachtens het bepaalde in artikel 115, eerste lid, is geëindigd.
6 Het inbouwbedrag overschrijdt niet het bedrag van het algemeen pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op het tijdvak, liggende tussen de aanvang en het einde van de diensttijd waarnaar het pensioen is of geacht wordt te zijn berekend.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 17 — Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986
Artikel 98
1 Indien een belanghebbende een algemeen pensioen gaat genieten dan wel het genot van een algemeen pensioen of tijdelijke uitkering eindigt, of indien in het bedrag van het algemeen pensioen een wijziging wordt gebracht op grond van persoonlijke omstandigheden van hemzelf, zijn echtgenoot of zijn kinderen, is hij gehouden hiervan onverwijld kennis te geven aan Onze Minister.
2 Indien een belanghebbende de in het vorige lid bedoelde kennisgeving niet onverwijld doet, gaat een verlaging van het inbouwbedrag niet vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin ambtshalve vermindering van het inbouwbedrag plaatsvond.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 17 — Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986
Artikel 99
Voor de toepassing van artikel 97 geldt het volgende:
a. Het algemeen pensioen wordt geacht betrekking te hebben op het tijdvak liggende tussen de tijdstippen waarop belanghebbende de aanvangsleeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 1 van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt met dien verstande dat, indien een belanghebbende recht heeft op nabestaanden- of wezenpensioen, het vorenstaande overeenkomstige toepassing vindt in verband met degene aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend.
b. Het recht op een algemeen pensioen, dat bestond op de dag waarop de rechthebbende is overleden of sedert welke hij is vermist, wordt geacht voort te duren tot het tijdstip waarop diens pensioen krachtens het bepaalde in artikel 115, eerste lid, is geëindigd.
c. Indien een nabestaande recht heeft op nabestaandenuitkering op grond van artikel 14, eerste lid, onder a, van de Algemene nabestaandenwet, maar geen van de kinderen aan welke de nabestaande het recht op die nabestaandenuitkering ontleent recht heeft op pensioen, wordt uitsluitend uitgegaan van het bedrag van de nabestaandenuitkering, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet.
d. Vervallen.
e. Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen, waarop de aanvangsleeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 1 van de Algemene Ouderdomswet is bereikt.
f. De diensttijd, waarnaar een pensioen is berekend op grond van artikel 68, tweede lid, van de Pensioenwet 1922, Stb. 240, zoals dit artikel luidde op 31 augustus 1956, van hem die na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet de wens te kennen geeft als bedoeld in artikel 38, eerste lid, wordt tot een maximum van 2,4 jaar vermenigvuldigd met 4,76.
g. Een pensioen dat niet is berekend naar diensttijd wordt geacht te zijn berekend naar een diensttijd van 40 jaren.
h. Diensttijd, waarnaar een pensioen is of geacht wordt te zijn berekend en die niet daadwerkelijk als politiek ambtsdrager is doorgebracht, wordt geacht aan te sluiten bij het einde van de ambtsvervulling waaraan het recht op pensioen is ontleend; voor zover dientengevolge deze diensttijd zich uitstrekt na het tijdstip waarop de pensioengerechtigde leeftijd is of zou zijn bereikt wordt die diensttijd, te rekenen van dat tijdstip, geacht te zijn doorgebracht, voor zover mogelijk gedurende tijdvakken van onderbreking van de daadwerkelijk als politiek ambtsdrager doorgebrachte tijd en voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van de diensttijd waarnaar het pensioen is berekend.
i. Van de diensttijd wordt buiten beschouwing gelaten de tijd, waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te hebben het bedrag van het algemeen pensioen, waarop aanspraak is verkregen door vrijwillige premiebetaling krachtens artikel 45 van de Algemene Ouderdomswet en hoofdstuk 5 van de Algemene nabestaandenwet.
j. De vakantie-uitkeringen, bedoeld in de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet, worden geacht op overeenkomstige wijze als het algemeen pensioen in termijnen te worden uitbetaald.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 17 — Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986
Artikel 100
Indien de belanghebbende een gehuwde vrouw is, wordt voor de toepassing van artikel 97 uitgegaan van het algemeen pensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 17 — Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986
Artikel 101
1 Indien aan een belanghebbende meer dan een pensioen is of geacht wordt te zijn toegekend, en de diensttijd waarnaar die pensioenen zijn of geacht worden te zijn berekend geheel of gedeeltelijk samenvalt, overschrijdt de som van de inbouwbedragen - voor zover deze geacht kunnen worden betrekking te hebben op een tijd overeenkomende met de samenvallende diensttijd - niet het bedrag van het algemeen pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op een tijd overeenkomende met bedoelde samenvallende diensttijd.
2 Indien een overschrijding als bedoeld in het vorige lid plaats zou vinden, wordt het voor ieder pensioen berekende inbouwbedrag, voor zover betrekking hebbende op samenvallende diensttijd als bedoeld in het vorige lid, verminderd tot een zodanig deel van het bedrag van het algemeen pensioen bedoeld aan het slot van het vorige lid, als elk inbouwbedrag zich verhoudt tot de som van die bedragen.
3 Indien de som van de inbouwbedragen, ook na toepassing van het vorige lid, een bedrag gelijk aan 80 percent van het algemeen pensioen overschrijdt, wordt deze overschrijding in mindering gebracht op elk inbouwbedrag in de verhouding waarin elk van die bedragen staat tot de som daarvan.
4 Indien aan een belanghebbende pensioen is of geacht wordt te zijn toegekend en tevens pensioen krachtens een andere regeling, als bedoeld in het volgende lid, is - of voor de toepassing van met dit hoofdstuk overeenkomende bepalingen van die regeling geacht wordt te zijn - toegekend, vinden de vorige leden voor zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.
Het bepaalde in de vorige volzin geldt met dien verstande, dat indien het betreft pensioenen toegekend krachtens een militaire pensioenwet, voor de toepassing van dit artikel niet als diensttijd geldt de diensttijd, die krachtens die wet met vier per mille van de pensioengrondslag is vergolden.
5 Onder een pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de Nederlandse schatkist - anders dan ingevolge wettelijke garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot betaling -, ten laste van Aruba, van Curaçao, van Sint Maarten, van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in evengenoemde landen, dan wel ten laste van een door het openbaar gezag in Nederland, in die landen of in die openbare lichamen ingesteld fonds.
6 Op verzoek van de belanghebbende wordt dit artikel overeenkomstig toegepast, indien aan diens echtgenoot een of meer pensioenen zijn of geacht worden te zijn toegekend, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling als bedoeld in het vijfde lid. Artikel 102, tweede lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 17 — Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986
Artikel 102
1 Op verzoek van degene die aantoont, dat uit hoofde van zijn recht op algemeen pensioen een vermindering plaatsvindt van enig ander pensioen dan bedoeld in artikel 101, vijfde lid, wordt het bedrag van die vermindering voor zoveel mogelijk in mindering gebracht op het inbouwbedrag. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover bedoelde vermindering betrekking heeft op tijd die gelijktijdig in de desbetreffende betrekkingen is of geacht kan worden te zijn vervuld. Aan diensttijd die niet daadwerkelijk in dienstverhouding of als politiek ambtsdrager is doorgebracht wordt een plaats toegekend overeenkomstig het bepaalde bij artikel 99, onderdeel h.
2 De vermindering van het inbouwbedrag bedoeld in het vorige lid gaat in met de dag waarop de in dat lid bedoelde omstandigheid is opgetreden, met dien verstande dat deze niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het desbetreffende verzoek werd ingediend.
3 Bij toepassing van het eerste lid wordt in geval op meer dan een pensioen recht bestaat, het bedrag van de in dat lid bedoelde vermindering op de inbouwbedragen in mindering gebracht naar verhouding van evenbedoelde bedragen.
4 Indien de som van het inbouwbedrag en de vermindering van het andere pensioen, ook na toepassing van de overige bepalingen van dit artikel, een bedrag gelijk aan 80 percent van het algemeen pensioen overschrijdt, wordt van deze overschrijding een deel in mindering gebracht op het inbouwbedrag, en wel in de verhouding waarin de diensttijd waarnaar het pensioen, waarop vorenbedoeld inbouwbedrag betrekking heeft, is of wordt geacht te zijn berekend, staat tot het totaal van de diensttijden.
5 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing, indien een vermindering plaats vindt van enig ander pensioen dan bedoeld in artikel 101, vijfde lid, toegekend aan de echtgenoot van belanghebbende.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 17 — Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986
Artikel 103
Indien een algemeen pensioen wordt toegekend of herzien over een tijdvak waarover reeds pensioen werd betaald en dientengevolge te veel pensioen is betaald, kan de Sociale verzekeringsbank het te veel betaalde pensioen ten behoeve van het lichaam te welks laste het pensioen komt, inhouden op het algemeen pensioen, voor zover betrekking hebbende op evengenoemd tijdvak.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 17 — Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986
Artikel 104
De bepalingen van dit hoofdstuk blijven buiten toepassing ten aanzien van degenen die op grond van gemoedsbezwaren hun recht op algemeen pensioen niet geldend maken, met dien verstande dat zij zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing vinden met betrekking tot diegenen van evenbedoelden, die recht hebben op een uitkering als bedoeld in artikel 48 van de Algemene Ouderdomswet.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 1 — Financiële bepalingen
Artikel 105
1 Een pensioen op grond van de tweede of de derde afdeling van deze wet, daaronder niet begrepen de inbouw- en franchisebedragen, wordt telkens aangepast overeenkomstig een verhoging met de consumentenprijsindex van een pensioen van een gepensioneerde overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP die werkzaam is geweest bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2 Indien aan een gepensioneerde overheidswerknemer, als bedoeld in het eerste lid, een eenmalige uitkering wordt toegekend, wordt aan degene die recht heeft op een pensioen, als bedoeld in dat lid, overeenkomstig een eenmalige uitkering toegekend.
3 Onze Minister kan regels stellen voor de toepassing van het eerste en het tweede lid. Deze regels werken zonodig terug tot en met de datum waarop een pensioenaanpassing is ingegaan of recht is ontstaan op een eenmalige uitkering.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 1 — Financiële bepalingen
Artikel 106
1 Op de bezoldiging van de minister en op de schadeloosstelling van het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, met inbegrip van de eventuele verhoging als fractievoorzitter, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, en met inbegrip van de eventuele toelage als voorzitter of ondervoorzitter, bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, van genoemde wet worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de bezoldiging van degene die behoort tot het overheidspersoneel, ter zake van aanspraken bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Artikel 13d is van overeenkomstige toepassing op de inhouding op de bezoldiging en de schadeloosstelling ter zake van aanspraken op ouderdom en overlijden.
2 Op de uitkering van de gewezen minister of het gewezen kamerlid worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen, terzake van aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor overheidspersoneel getroffen regeling.
3 Geen inhouding van bedragen ter zake van aanspraken bij ouderdom en overlijden vindt plaats voor zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op uitkeringen bedoeld in de artikelen 8a en 53a, alsmede op een uitkering gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 1 — Financiële bepalingen
Artikel 107
1 Op aanvraag van een gewezen minister of een gewezen kamerlid draagt het Rijk de waarde van de door de aanvrager krachtens de tweede respectievelijk derde afdeling van deze wet verkregen pensioenaanspraken over, overeenkomstig de bepalingen in de Pensioenwet inzake waardeoverdracht.
2 De bij of krachtens artikel 71 van de Pensioenwet gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
3 De waarde van de pensioenaanspraken die zijn verkregen uit hoofde van een recht op uitkering ter zake van ontslag of aftreden, wordt gerekend tot de waarde van de pensioenaanspraken, bedoeld in het eerste lid. Voor zover met de waarde van de pensioenaanspraken uit hoofde van het recht op uitkering bij de waardeoverdracht geen rekening is gehouden, wordt deze waarde na afloop van het recht op uitkering overgedragen, op dezelfde wijze als is bepaald in het eerste lid.
4 Voor de toepassing van de Pensioenwet wordt het Rijk ter uitvoering van dit artikel beschouwd als een overdragende pensioenuitvoerder.
5 Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een minister of een kamerlid.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 1 — Financiële bepalingen
Artikel 108
1 Op aanvraag van een minister of een kamerlid is het Rijk verplicht om de waarde van door betrokkene opgebouwde pensioenaanspraken aan te wenden ter verwerving van pensioenaanspraken op grond van de tweede respectievelijk derde afdeling van deze wet. Deze waardeoverdracht geschiedt overeenkomstig de voorwaarden die in de Pensioenwet aan een ontvangende pensioenuitvoerder worden gesteld met betrekking tot de waardeoverdracht van opgebouwde pensioenaanspraken.
2 De overgedragen pensioenaanspraken worden beschouwd als aanspraken krachtens de tweede, respectievelijk derde afdeling van deze wet en behandeld als een geheel met de aanspraken die de minister of het kamerlid verkrijgt krachtens de tweede respectievelijk derde afdeling van deze wet.
3 De bij of krachtens artikel 71 van de Pensioenwet gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
4 Voor de toepassing van de Pensioenwet wordt het Rijk ter uitvoering van dit artikel beschouwd als een ontvangende pensioenuitvoerder in de zin van die wet.
5 Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een minister of een kamerlid.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 2 — Aanvraag en toekenning van pensioen
Artikel 109
1 Onze Minister beslist over de toekenning van pensioen op aanvraag door of vanwege de betrokkene.
2 Onze Minister is bevoegd een pensioen ambtshalve toe te kennen.
3 Onze Minister is voorts bevoegd een voorschot op een pensioen te verlenen.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 2 — Aanvraag en toekenning van pensioen
Artikel 110
In een beschikking tot toekenning van pensioen worden de voor het pensioen medetellende diensttijd alsmede het bedrag waarover het pensioen wordt berekend vastgesteld.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 2 — Aanvraag en toekenning van pensioen
Artikel 111
De stukken die Onze Minister nodig acht voor de toepassing van deze paragraaf zijn vrij van leges.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 3 — Einde van de pensioenen
Artikel 112
Vervallen
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 3 — Einde van de pensioenen
Artikel 113
Vervallen
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 3 — Einde van de pensioenen
Artikel 114
Vervallen
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 3 — Einde van de pensioenen
Artikel 115
1 Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin de rechthebbende is overleden. In geval van vermissing van de rechthebbende eindigt het pensioen met een door Onze Minister te bepalen dag.
2 Het tijdelijk pensioen eindigt wanneer de vermiste in leven blijkt te zijn, met een door Onze Minister te bepalen dag.
3 Een pensioen waarop het recht krachtens artikel 29 vervallen is verklaard, eindigt met het einde van de maand waarin de beslissing inzake het vervallen verklaren is genomen.
4 Het wezenpensioen voorts eindigt op de laatste dag van de maand waarin de wees:
a. vijfentwintig jaar is geworden of betrokken is bij een partnerschap; of
b. wettig kind is geworden van een ander dan degene aan wiens overlijden het recht op wezenpensioen wordt ontleend.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 3 — Einde van de pensioenen
Artikel 116
1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerd minister of gepensioneerd kamerlid wordt aan diens partner, van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten bedrage van het pensioen van die minister of dat kamerlid over een tijdvak van twee maanden. Bij ontstentenis van een partner van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve van wezen die aan het overlijden van de gepensioneerde op grond van deze wet recht op wezenpensioen ontlenen.
2 Indien de overleden gepensioneerde geen betrekkingen als bedoeld in het vorige lid nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door Onze Minister geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
3 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioen verstaan het bedrag waarop de overledene recht had, eventueel na toepassing van hoofdstuk 17.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 3 — Einde van de pensioenen
Artikel 117
1 Indien meer pensioen is betaald dan overeenstemt met artikel 115, wordt het te veel betaalde teruggevorderd voor zover geen verrekening daarvan kan plaatsvinden met een uitkering krachtens artikel 116.
2 Indien een vermiste in leven blijkt te zijn, kan hetgeen aan tijdelijk pensioen en aan uitkering, bedoeld in artikel 116, is betaald worden teruggevorderd.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 4 — Betaling van de pensioenen
Artikel 118
1 Onze Minister draagt zorg voor de betaling van de pensioenen. De betaling geschiedt in maandelijkse termijnen.
2 Wij geven bij algemene maatregel van bestuur voorschriften omtrent wijze en voorwaarden van de betaling. Daarbij kunnen Wij tevens regelen stellen met betrekking tot de betaling van bepaalde pensioenen over tijdvakken van langer dan een maand.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 4 — Betaling van de pensioenen
Artikel 119
1 Indien een gepensioneerde in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen of, niet opgenomen zijnde in een zodanige inrichting, op grond van geestelijke gestoordheid niet in staat is kwijting te verlenen voor de uitbetaling van pensioen, is Onze Minister bevoegd het pensioen uit te betalen aan een door hem aan te wijzen persoon of instelling. In andere door hem aan te wijzen bijzondere gevallen is Onze Minister eveneens bevoegd het pensioen in plaats van aan de gepensioneerde zonder diens machtiging uit te betalen aan een door hem aan te wijzen persoon of instelling.
2 Indien een gepensioneerde ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet langdurige zorg een bijdrage verschuldigd is in de kosten van zorg, is Onze Minister bevoegd het pensioen tot ten hoogste het bedrag van die bijdrage in de plaats van aan de gepensioneerde zonder diens machtiging uit te betalen aan het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
3 Indien het bepaalde in het vorige lid toepassing vindt, heeft de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van het pensioen, dat niet aan het in het tweede lid bedoelde orgaan wordt uitbetaald.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 4 — Betaling van de pensioenen
Artikel 120
1 Onze Minister betaalt de termijnen van een pensioen niet meer uit indien deze niet zijn ingevorderd binnen twee jaren na het einde van het tijdvak waarover zij zijn verschuldigd.
2 Indien naar het oordeel van Onze Minister de belanghebbende redelijkerwijs niet geacht kan worden in gebreke te zijn geweest vindt het vorige lid geen toepassing.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 5 — Beroep en herziening
Artikel 121
De besluiten ter uitvoering van deze wet, met uitzondering van de Vijfde Afdeling, worden genomen door Onze Minister.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 5 — Beroep en herziening
Artikel 122
1 Onze Minister herziet een door hem genomen beslissing, indien:
a. aan die beslissing een feitelijke onjuistheid ten grondslag ligt;
b. na die beslissing blijkt dat aan die beslissing andere feiten ten grondslag dienen te worden gelegd.
2 Indien na een beslissing van Onze Minister de feiten waarmede in die beslissing rekening is gehouden zodanig zijn gewijzigd, dat deze beslissing anders zou luiden als zij nog genomen zou moeten worden, wijzigt Onze Minister de beslissing, rekening houdend met de gewijzigde feiten.
3 Onze Minister herstelt een door hem genomen beslissing omtrent toekenning - inbegrepen aanpassing overeenkomstig artikel 105 -, herziening, wijziging of betaalbaarstelling van een pensioen, indien daarin een onjuistheid, anders dan bedoeld in de vorige leden, voorkomt.
4 Indien vijf jaren zijn verstreken na de dagtekening van een overeenkomstig de vorige leden voor herziening, wijziging of herstel vatbare beslissing, kan Onze Minister die leden buiten toepassing laten.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 18 — Bepalingen van administratieve aard › § 5 — Beroep en herziening
Artikel 123
1 Een herzieningsbeslissing, een wijzigingsbeslissing en een herstelbeslissing vermelden de dag van de inwerkingtreding. Bij een herzieningsbeslissing is deze dag dezelfde als die waarop de herziene beslissing in werking is getreden, tenzij een latere dag wordt bepaald.
2 Een herzieningsbeslissing leidt niet tot terugvordering of verrekening van reeds betaalde bedragen, tenzij de betrokkene redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel werd uitbetaald.
3 Een wijzigingsbeslissing leidt slechts tot terugvordering of verrekening van reeds betaalde bedragen indien de betrokkene, hoewel enige bepaling van deze wet hem daartoe verplicht of dit redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht, heeft nagelaten aan Onze Minister mededeling te doen van een wijziging in de feiten.
4 In afwijking van de vorige twee leden en onverminderd artikel 117 is Onze Minister bevoegd tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde bedragen, indien de herzieningsbeslissing, onderscheidenlijk de wijzigingsbeslissing is genomen binnen vier maanden na de dagtekening van de herziene beslissing, onderscheidenlijk binnen vier maanden nadat Onze Minister bericht heeft ontvangen van wijziging in de feiten.
5 Herstel van een beslissing, als bedoeld in artikel 122, derde lid, binnen vier maanden na de dagtekening van de herstelde beslissing, leidt tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen. Herstel van een beslissing, als bedoeld in de vorige volzin, na de daargenoemde termijn, leidt slechts tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen, indien de betrokkene redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel werd uitbetaald.
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 19 — Overgangsbepalingen
Artikel 124
Vervallen
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 19 — Overgangsbepalingen
Artikel 125
Vervallen
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 19 — Overgangsbepalingen
Artikel 126
Vervallen
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 19 — Overgangsbepalingen
Artikel 127
Vervallen
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 19 — Overgangsbepalingen › Bepalingen van administratieve aard
Artikel 128
Vervallen
afdeling Vierde — Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling › Hoofdstuk 19 — Overgangsbepalingen › Bepalingen van administratieve aard
Artikel 129
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 20 — Algemene bepalingen
Artikel 130
1 Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op burgemeesters en wethouders, met dien verstande dat wordt gelezen voor:
a. lid van gedeputeerde staten: burgemeester of wethouder;
b. provincie: gemeente;
c. provinciale staten: de raad;
d. gedeputeerde staten: college van burgemeester en wethouders.
2 Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op voorzitters en leden van het dagelijks bestuur van een waterschap, met dien verstande dat wordt gelezen voor:
a. lid van gedeputeerde staten: lid van het dagelijks bestuur van een waterschap, waaronder de voorzitter;
b. provincie: waterschap;
c. provinciale staten: het algemeen bestuur van een waterschap;
d. gedeputeerde staten: het dagelijks bestuur van een waterschap.
3 Onder lid van gedeputeerde staten wordt voor de toepassing van deze afdeling en de daarop gebaseerde bepalingen verstaan: de commissaris van de Koning of de gedeputeerde.
4 In afwijking van het eerste, tweede en derde lid, zijn de hoofdstukken 22 tot en met 29 niet van toepassing op de commissaris van de Koning, de burgemeester alsmede op de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur van het waterschap waarvan de aan hun functie verbonden werkzaamheden een dagtaak vormen. Voor de toepassing van de hoofdstukken 22 tot en met 29 wordt verstaan onder:
a. gewezen lid van gedeputeerde staten: hij die uit hoofde van een ontslag uitzicht op pensioen heeft;
b. gepensioneerd lid van gedeputeerde staten: hij die uit hoofde van een ontslag recht heeft op pensioen;
c. bezoldiging: bezoldiging inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, waarop het gewezen of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten op de dag voorafgaande aan de dag, waarop hij ophield lid van gedeputeerde staten te zijn, aanspraak had, tenzij uit de desbetreffende bepaling het tegendeel blijkt;
d. deeltijdfactor: een breuk waarvan de teller wordt gevormd door de genoten bezoldiging exclusief de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, en de noemer door het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarvan die bezoldiging is afgeleid.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 20 — Algemene bepalingen
Artikel 130a
Deze afdeling is niet van toepassing op een gedeputeerde die is benoemd met toepassing van artikel 44b van de Provinciewet.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 20 — Algemene bepalingen
Artikel 130b
1 Tenzij in de volgende leden anders is bepaald, is deze afdeling van overeenkomstige toepassing op de Rijksvertegenwoordiger, met dien verstande dat wordt gelezen voor:
a. lid van gedeputeerde staten: Rijksvertegenwoordiger;
b. provincie: Rijk;
c. provinciale staten: Onze Minister;
d. gedeputeerde staten: Onze Minister.
2 Voor zover het de Rijksvertegenwoordiger betreft, kunnen Wij in bijzondere gevallen, de Raad van State gehoord, in afwijking van artikel 132, zesde lid, bepalen, dat de uitkering wordt voortgezet voor een, met inachtneming van artikel 136 vast te stellen termijn, die op dezelfde wijze kan worden verlengd.
3 Voor de toepassing van artikel 137a wordt gelezen voor:
a. artikel 76, eerste lid, van de Provinciewet: artikel 200, eerste lid, Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
b. commissaris van de Koning: Rijksvertegenwoordiger.
4 In afwijking van artikel 152, tweede lid, kunnen Wij, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van artikel 152, eerste lid, vervallen recht op pensioen herstellen.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 21 — De uitkering › Het recht op uitkering
Artikel 131
1 Een lid van gedeputeerde staten heeft met ingang van de dag van zijn ontslag recht op een uitkering ten laste van de provincie op de voet van de volgende artikelen, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en hij niet zonder onderbreking weer als lid van gedeputeerde staten optreedt in een betrekking van ten minste gelijke omvang.
2 De uitkering of, na verrekening ingevolge artikel 134, het restant van de uitkering wordt niet uitbetaald:
a. voor zover en voor de periode dat de belanghebbende daarom met het oog op de toepassing van artikel 132a, vierde lid, onder c, verzoekt;
b. voor de periode dat aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
c. voor de periode dat de belanghebbende zicht onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
d. voor de periode dat de belanghebbende buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie, met dien verstande dat artikel 19, tiende, dertiende en veertiende lid, van de Werkloosheidswet alsmede de regels die op grond van genoemd tiende lid gesteld zijn, van overeenkomstige toepassing zijn;
e. voor de periode dat de belanghebbende vakantie geniet buiten de bij algemene maatregel van bestuur gestelde periode.
3 Het niet uitbetalen van de uitkering op grond van het tweede lid, is niet van invloed op de met toepassing van artikel 132, eerste of vierde lid, berekende duur waarvoor de uitkering is toegekend.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 21 — De uitkering › Duur van de uitkering
Artikel 132
1 De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende lid van gedeputeerde staten is geweest, maar tenminste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van drie jaren en twee maanden. Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen lid van gedeputeerde staten is geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij lid van gedeputeerde staten is geweest in een tijdvak, laatstelijk voordat hij ophield lid van gedeputeerde staten te zijn, waarin zijn lidmaatschap van gedeputeerde staten voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak is onderbroken.
2 Als de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode van twaalf jaren ten minste tien jaren lid van gedeputeerde staten is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd.
3 Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het tweede lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende lid van gedeputeerde staten is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, onder a, b en d. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbrekingen in de uitoefening van deze functies.
4 In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie maanden lid van gedeputeerde staten is geweest.
5 In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens artikel 136, tweede lid, onder b, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip, waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 21 — De uitkering › Duur van de uitkering
Artikel 132a
1 De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld in artikel 131 geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht:
a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;
b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;
c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.
2 De belanghebbende voorkomt dat hij:
a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;
c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
3 Artikel 7a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een lid van gedeputeerde staten.
4 Dit artikel is niet van toepassing:
a. op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 133, tweede lid, of op de belanghebbende die een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 133, tweede lid;
b. op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 133a;
c. voor de periode dat de belanghebbende die verzoekt af te zien van de uitbetaling van de gehele uitkering.
5 Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 21 — De uitkering › Duur van de uitkering
Artikel 132b
1 Gedeputeerde staten kunnen de belanghebbende, bedoeld in artikel 132a, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.
2 Gedeputeerde staten verstrekken de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.
3 De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de laatstelijk per jaar genoten wedde, bedoeld in artikel 133, tweede lid. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed.
4 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten;
b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;
c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 21 — De uitkering › Duur van de uitkering
Artikel 132c
1 Indien de belanghebbende een bij of krachtens artikel 132a of 132b geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluiten gedeputeerde staten tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Gedeputeerde staten zijn bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.
2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 21 — De uitkering › Bedrag van de uitkering
Artikel 133
1 De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging.
2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder laatstelijk genoten bezoldiging verstaan de bezoldiging, waarop de belanghebbende op de dag voorafgaande aan de dag, waarop hij heeft opgehouden lid van gedeputeerde staten te zijn, aanspraak had of bij waarneming van zijn ambt zou hebben gehad.
3 Indien voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt de in het eerste lid bedoelde laatstelijk genoten bezoldiging voor de toepassing van dat lid met ingang van het tijdstip van ingang van die wijziging door Onze Minister overeenkomstig de wijziging aangepast.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 21 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 133a
1 Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van artikel 136, de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 133b.
2 Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.
3 Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
4 Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond.
5 Bij een algemene invaliditeit van minder dan 25 percent wordt de uitkering niet voortgezet.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 21 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 133b
1 De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit artikel.
2 De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 133, bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van die bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.
3 De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de uitkering:
58 jaar of ouder is: zes jaar;
53 jaar of ouder is: drie jaar;
48 jaar of ouder is: twee jaar;
43 jaar of ouder is: anderhalf jaar;
38 jaar of ouder is: een jaar;
33 jaar of ouder is: een half jaar, en
jonger is dan 33 jaar: nihil.
4 De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 133, en het minimumloon.
5 Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de betrokkene op het tijdstip van voortzetting van de uitkering.
6 Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet mimimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van de genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.
7 De belanghebbende heeft recht op een aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging.
8 De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging.
9 In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge artikel 160, eerste lid.
10 Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%.
11 Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 160, eerste lid, worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Regels op grond van artikel 8b, elfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de in het negende lid bedoelde keuze.
12 Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in artikel 134, minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 21 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 133c
1 De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 133a, geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering.
2 Gedeputeerde staten stellen de belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die termijn.
3 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt door de belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn gedaan.
4 Indien gedeputeerde staten niet tijdig beslissen op een tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de aanvraag.
5 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien gedeputeerde staten de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet hebben gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.
6 Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn afgelopen.
7 Bepalingen op grond van artikel 8c, zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing op in het eerste lid bedoelde belanghebbenden.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 21 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 133d
1 Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van artikel 133a is voortgezet, doen gedeputeerde staten een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering.
2 Bepalingen op grond van artikel 8d, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het in het eerste lid bedoelde onderzoek.
3 Gedeputeerde staten wijzigen ambtshalve of op aanvraag van de belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate van algemene invaliditeit.
4 Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:
a. indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de aanvraag is ingekomen;
b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is genomen.
5 De toepassing van artikel 133a wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van gedeputeerde staten zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hen aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit.
6 Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, zijn gedeputeerde staten bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 133a, tweede lid, kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 133a, tweede lid.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 21 — De uitkering › Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Artikel 133e
1 Op verzoek van een lid van gedeputeerde staten doen provinciale staten een onderzoek instellen, door een of meer door hen aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of het lid van gedeputeerde staten dat het verzoek deed algemeen invalide is als bedoeld in artikel 133a, tweede lid.
2 Provinciale staten brengen de uitkomst van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid ter kennis van de verzoeker.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 21 — De uitkering › Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf
Artikel 134
1 De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden bepaald overeenkomstig de regels van de Wet inkomstenbelasting 2001 en worden met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.
2 Voor de toepassing van het eerste lid worden onder inkomsten verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop hij heeft opgehouden lid van gedeputeerde staten te zijn, geniet als
a. winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en
c. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
3 Voor de toepassing van de vorige leden worden mede als inkomsten aangemerkt:
a. de inkomsten wegens in het tweede lid bedoelde activiteiten ter hand genomen door de belanghebbende binnen één jaar, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van aftreden;
b. de inkomsten die worden genoten uit een betrekking waarin hij gedurende zijn zittingstijd als lid van gedeputeerde staten op non-activiteit was gesteld;
c. de vaste vergoeding die wordt genoten als lid van provinciale staten.
4 Indien de belanghebbende op of na de dag bedoeld in het tweede lid inkomsten of hogere inkomsten, anders dan ten gevolge van algemene loonsverhogingen, verkrijgt uit in het tweede lid bedoelde activiteiten ter hand genomen voor de dag van aftreden, anders dan bedoeld in het derde lid, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van toepassing.
5 De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten bezoldiging, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van artikel 132c, eerste lid, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten.
6 Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden wordt niet verstaan kinderbijslag alsmede de compensatie voor de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet, welke in die inkomsten is of geacht kan worden te zijn begrepen. De vorige volzin is wat betreft de premiecompensatie slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben of kunnen worden geacht betrekking te hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985.
7 Een ministeriële regeling op grond van artikel 9, zesde lid, geldt mede voor de toepassing van dit artikel, ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in artikel 132, zesde lid, en in artikel 133a.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 21 — De uitkering › Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf
Artikel 134a
1 De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in artikel 134, tweede lid, terstond mededeling te doen aan gedeputeerde staten onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Voorschriften, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, derde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
2 Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het eind van de evenbedoelde termijn. Ten aanzien van deze verrekening is artikel 134 van toepassing, met dien verstande dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.
3 Gedeputeerde staten kunnen bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken.
4 De belanghebbende aan wie uitkering is toegekend, wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen dat allen, die daarvoor naar het oordeel van gedeputeerde staten in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 21 — De uitkering › Betaling
Artikel 135
1 De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald.
2 De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 134a.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 21 — De uitkering › Einde en verval van de uitkering
Artikel 136
1 De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop de belanghebbende is overleden.
2 De uitkering vervalt:
a. met ingang van de dag waarop de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
b. met ingang van de dag waarop de belanghebbende opnieuw lid van gedeputeerde staten wordt in de provincie ten laste waarvan de uitkering wordt genoten, tenzij hij als zodanig een betrekking is gaan uitoefenen in een mindere omvang dan voor het aftreden waaraan hij het recht op uitkering ontleent.
3 De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 134a.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 21 — De uitkering › Uitkering bij overlijden
Artikel 137
1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de belanghebbende wordt aan de partner, van die de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan driemaal het bedrag van de uitkering, dat over de laatste volle maand aan de belanghebbende is uitgekeerd.
2 Laat de overledene geen partner na, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag ten behoeve van de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond, of minderjarige kinderen waarover de overledene ten tijde van het overlijden de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
3 Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan wordt het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 21 — De uitkering
Artikel 137a
1 Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op degene die krachtens artikel 76, eerste lid, van de Provinciewet, dan wel krachtens artikel 78, eerste lid, van de Gemeentewet het ambt van commissaris van de Koning, respectievelijk het ambt van burgemeester gedurende meer dan dertig dagen zonder onderbreking heeft waargenomen. Voor degene die aftreedt als waarnemer is de duur van de uitkering, ten dele in afwijking van artikel 132, steeds gelijk aan de duur van de waarneming. De uitkering bedraagt het volgens artikel 133 toepasselijke percentage van de als waarnemer genoten vergoeding en wordt aangepast overeenkomstig het derde lid van dat artikel.
2 In afwijking van artikel 131 komt de uitkering die de provincie of de gemeente na ontheffing van de waarneming verschuldigd is op grond van het eerste lid ten laste van Hoofdstuk VII van de rijksbegroting.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 21 — De uitkering
Artikel 137b
Bij eervol ontslag van een burgemeester wegens opheffing van de gemeente komt de uitkering ten laste van hoofdstuk VII van de Rijksbegroting.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 22 — Het ouderdomspensioen
Artikel 138
Een persoon die lid van gedeputeerde staten is geweest, heeft met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk 4 en de artikelen 40a, 40b en 40c recht op ouderdomspensioen, met dien verstande dat:
a. gedeputeerde staten in de plaats treden van Onze Minister;
b. voor «hoofdstuk 3» gelezen wordt «hoofdstuk 21».
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 22 — Het ouderdomspensioen
Artikel 138a
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 22 — Het ouderdomspensioen
Artikel 138b
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 22 — Het ouderdomspensioen
Artikel 139
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 22 — Het ouderdomspensioen
Artikel 139a
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 22 — Het ouderdomspensioen
Artikel 139aa
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 22 — Het ouderdomspensioen
Artikel 139b
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 22 — Het ouderdomspensioen
Artikel 139c
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 22 — Het ouderdomspensioen
Artikel 139d
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 140
De partner en de gewezen partner van een lid van gedeputeerde staten, gewezen lid van gedeputeerde staten of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten heeft met overeenkomstige toepassing van de artikelen 15, 17, 21, 22 tot en met 23a en 28, 28a, 28b, 31 en 34 alsmede de artikelen 39c en 40c tot en met 40f en de nadere regels op grond van artikel 45a recht op partnerpensioen of bijzonder partnerpensioen, met dien verstande dat de bevoegdheid in artikel 31, tweede lid, wordt uitgeoefend door provinciale staten.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 141
Na het overlijden van een lid van gedeputeerde staten, gewezen lid van gedeputeerde staten of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten hebben zijn kinderen met overeenkomstige toepassing van de artikelen 18, 21, 25, 27, 28, 28a, 31 en 34a alsmede de artikelen 39c, 40g en 40h en de nadere regels op grond van artikel 45a recht op een wezenpensioen, met dien verstande dat de bevoegdheid in artikel 31, tweede lid, wordt uitgeoefend door provinciale staten.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 142
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 143
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 144
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 145
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 145a
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 145b
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 145c
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 146
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 147
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 148
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 148a
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 149
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 150
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 150a
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 150b
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 151
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 23 — Het partner- en wezenpensioen
Artikel 151a
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 24 — Verval van pensioen
Artikel 152
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 25 — Samenloop › § 1 — Samenloop van pensioenen
Artikel 153
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 25 — Samenloop › § 2 — Samenloop van pensioenen bedoeld in de tweede, derde en vijfde afdeling en samenloop van die pensioenen met een pensioen krachtens een andere regeling
Artikel 154
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 25 — Samenloop › § 3 — Samenloop van pensioen en algemeen pensioen
Artikel 155
Hoofdstuk 17 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 25 — Samenloop › § 3 — Samenloop van pensioen en algemeen pensioen
Artikel 156
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 26 — Aanpassing der pensioenen aan algemene bezoldigingswijzigingen
Artikel 157
Ten aanzien van een pensioen op grond van deze afdeling, waaronder niet begrepen de inbouw- en franchisebedragen, is artikel 105 van overeenkomstige toepassing.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 27 — Bepalingen van administratieve aard
Artikel 158
Ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen zijn de artikelen 111, 122, 123 en 128 van overeenkomstige toepassing.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 27 — Bepalingen van administratieve aard
Artikel 158a
De rijksbelastingdienst verstrekt Onze Minister de benodigde gegevens ten behoeve van de verrekening van een belanghebbende van inkomsten met een uitkering als bedoeld in de hoofdstukken 3, 10 en 21.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 27 — Bepalingen van administratieve aard
Artikel 159
Het bepaalde in artikel 116 is ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen van overeenkomstige toepassing.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 28 — Algemene bepalingen
Artikel 160
1 Op de bezoldiging van het lid van gedeputeerde staten worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de bezoldiging van degene die behoort tot het overheidspersoneel, ter zake van aanspraken bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Artikel 13d is van overeenkomstige toepassing op de inhouding op de bezoldiging en de schadeloosstelling ter zake van aanspraken op ouderdom en overlijden.
2 Op de uitkering van het gewezen lid van gedeputeerde staten worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen, terzake van aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor overheidspersoneel getroffen regeling.
3 Geen inhouding van bedragen ter zake van aanspraken bij ouderdom en overlijden vindt plaats voor zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op uitkeringen bedoeld in de artikelen 133a, alsmede op een uitkering gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 28 — Algemene bepalingen
Artikel 160a
1 Op aanvraag van een gewezen gedeputeerde draagt de desbetreffende provincie de waarde van de door de aanvrager krachtens de vijfde afdeling van deze wet verkregen pensioenaanspraken over, overeenkomstig de bepalingen in de Pensioenwet inzake waardeoverdracht.
2 De bij of krachtens artikel 71 van de Pensioenwet gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
3 De waarde van de pensioenaanspraken die zijn verkregen uit hoofde van een recht op uitkering ter zake van ontslag of aftreden, wordt gerekend tot de waarde van de pensioenaanspraken, bedoeld in het eerste lid. Voor zover met de waarde van de pensioenaanspraken uit hoofde van het recht op uitkering bij de waardeoverdracht geen rekening is gehouden, wordt deze waarde na afloop van het recht op uitkering overgedragen, op dezelfde wijze als is bepaald in het eerste lid.
4 Voor de toepassing van de Pensioenwet wordt de provincie ter uitvoering van dit artikel beschouwd als een overdragende pensioenuitvoerder.
5 Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een gedeputeerde.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 28 — Algemene bepalingen
Artikel 160b
1 Op aanvraag van een gedeputeerde is de desbetreffende provincie verplicht om de waarde van door betrokkene opgebouwde pensioenaanspraken aan te wenden ter verwerving van pensioenaanspraken op grond van de vijfde afdeling van deze wet. Deze waardeoverdracht geschiedt overeenkomstig de voorwaarden die in de Pensioenwet aan een ontvangende pensioenuitvoerder worden gesteld met betrekking tot de waardeoverdracht van opgebouwde pensioenaanspraken.
2 De overgedragen pensioenaanspraken worden beschouwd als aanspraken krachtens de vijfde afdeling van deze wet en behandeld als een geheel met de aanspraken die de gedeputeerde verkrijgt krachtens de vijfde afdeling van deze wet.
3 De bij of krachtens artikel 71 van de Pensioenwet gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
4 Voor de toepassing van de Pensioenwet wordt de provincie ter uitvoering van dit artikel beschouwd als een ontvangende pensioenuitvoerder.
5 Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een gedeputeerde.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 28 — Algemene bepalingen
Artikel 161
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 28 — Algemene bepalingen
Artikel 162
De besluiten ter uitvoering van deze afdeling worden genomen door gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap, tenzij anders is bepaald.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 28a — Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 162a
Op uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling is beslag mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het gemene recht.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 28a — Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 162b
Onverschuldigd betaalde uitkeringen of pensioenen op grond van deze afdeling kunnen worden teruggevorderd.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 28a — Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 162c
1 Met uitkeringen en pensioenen op grond van dit hoofdstuk kan worden verrekend hetgeen de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager of zijn nagelaten betrekkingen zelf als zodanig aan de provincie, de gemeente of het waterschap verschuldigd is of zijn.
2 Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in artikel 162d, eerste lid.
3 Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre geldig als een beslag op die uitkeringen of pensioenen geldig zou zijn, met dien verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat deel van de bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vormt.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 28a — Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 162d
1 Op uitkeringen en pensioenen op grond van dit hoofdstuk kan ten behoeve van een schuldeiser van de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager of zijn nagelaten betrekkingen een korting worden toegepast, mits de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager onderscheidenlijk zijn nagelaten betrekkingen de vordering van de schuldeiser erkent of erkennen dan wel het bestaan van de vordering blijkt uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak dan wel uit een authentieke akte.
2 Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die uitkeringen en pensioenen geldig zou zijn.
3 Beslag, faillissement, surseance van betaling en toepassing ten aanzien van de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager of zijn nagelaten betrekkingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen sluiten korting uit.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 28a — Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 162e
Voor de toepassing van artikel 475b, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden, onverminderd artikel 162c, tweede lid, en artikel 162d, derde lid, verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 28a — Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 162f
Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting aanspraak hebben op een deel van de uitkeringen of pensioenen geschiedt de verdeling naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser voorrang heeft boven de anderen.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 28a — Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 162g
1 Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling waardoor de gewezen of gepensioneerde politieke ambtsdrager of zijn nagelaten betrekkingen enig recht op zijn uitkering of pensioen aan een derde toekent of toekennen, is slechts geldig voor dat deel van de uitkering of het pensioen waarop beslag geldig zou zijn.
2 Een volmacht tot voldoening of invordering van de uitkering of het pensioen is slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds herroepelijk.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 28a — Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 162h
Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot voldoening of invorderingen van de uitkering of het pensioen is geëindigd, ontlasten de provincie, de gemeente of het waterschap, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet meer tijdig kon worden ingetrokken, toen de provincie, de gemeente of het waterschap van het eindigen van de volmacht kennis kreeg.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 28a — Beslag, terugvordering, verrekening en korting
Artikel 162i
Beslag omvat in dit hoofdstuk ook de invordering, bedoeld in artikel 19 van de Invorderingswet 1990.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 29 — Overgangsbepalingen
Artikel 163
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 29 — Overgangsbepalingen
Artikel 163a
In afwijking van artikel 130 is deze afdeling niet van toepassing op gewezen commissarissen van de Koning, gewezen burgemeesters en gewezen leden van het dagelijks bestuur van een waterschap die in de vervulling van dat ambt overheidswerknemer waren in de zin van de Wet privatisering ABP, en wier ontslag of aftreden is ingegaan vóór de datum van inwerkingtreding van die bepaling.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 29 — Overgangsbepalingen
Artikel 163b
1 De artikelen 132, derde lid, en 132a tot en met 132c zijn niet van toepassing ter zake van een ontslag of aftreden dat is ingegaan vóór 27 februari 2010.
2 De artikelen 132a tot en met 132c zijn niet van toepassing ten aanzien van het eerste ontslag of aftreden vanaf 27 februari 2010 van de betrokkenen die:
a. op die datum was benoemd als lid van gedeputeerde staten, wethouder, of lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente,
b. onmiddellijk na de verkiezingen voor de leden van provinciale staten van 2 maart 2011, onderscheidenlijk de verkiezingen voor de gemeenteraad van 3 maart 2010 niet is herbenoemd.
3 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een lid van het dagelijks bestuur van een waterschap dat geen overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP is, met dien verstande dat het betreft de eerstvolgende verkiezingen voor het algemeen bestuur van het waterschap na 27 februari 2010.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 29 — Overgangsbepalingen
Artikel 163c
1 Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op leden van het dagelijks bestuur van een deelgemeente in de zin van hoofdstuk V, paragraaf 2, van de Gemeentewet, zoals deze paragraaf luidde op de dag voorafgaand aan de datum van de verkiezing van de gemeenteraden in 2014, met dien verstande dat gelezen wordt voor:
a. lid van gedeputeerde staten: lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente;
b. provincie: gemeente;
c. provinciale staten: de raad;
d. gedeputeerde staten: college van burgemeester en wethouders.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 29 — Overgangsbepalingen
Artikel 163ca
1 De uitkering van een betrokkene wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien hij:
a. op 27 februari 2010 benoemd was als lid van gedeputeerde staten, wethouder of lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente,
b. in zijn functie herbenoemd is onmiddellijk na de verkiezingen voor de leden van provinciale staten van 2 maart 2011, onderscheidenlijk de verkiezingen voor de gemeenteraad van 3 maart 2010,
c. bij zijn herbenoeming ten minste 50 jaar oud was en
d. voldoet aan de in artikel 132, tweede lid, bedoelde eisen ten aanzien van de diensttijd.
2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een lid van het dagelijks bestuur van een waterschap dat geen overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP is, met dien verstande dat het betreft de eerstvolgende verkiezingen voor het algemeen bestuur van het waterschap na 27 februari 2010.
3 De uitkering van een betrokkene wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien hij:
a. op 27 februari 2010 benoemd was als lid van het dagelijks bestuur van een waterschap dat geen overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP is,
b. onmiddellijk na de eerstvolgende verkiezingen voor het algemeen bestuur van het waterschap na 27 februari 2010 niet is herbenoemd,
c. bij zijn herbenoeming ten minste vijftig jaar oud is, en
d. in het tijdvak van twaalf jaren dat aan de datum van herbenoeming voorafgaat ten minste tien jaren lid van het dagelijks bestuur is geweest.
4 Uitkeringen ter zake van een ontslag of aftreden vóór 27 juli 2013 worden verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.
5 De uitkering van een betrokkene ter zake van een ontslag of aftreden vóór 27 juli 2013 wordt voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd indien zij is toegekend op grond van artikel 132, tweede lid.
6 Artikel 132, tweede lid, is niet van toepassing op een ontslag of aftreden dat is ingegaan voor de datum van inwerkingtreding van de Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa.
7 Een belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van de Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa gedeputeerde is, wordt bij ontslag of aftreden een uitkering verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag vóór die datum.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 29 — Overgangsbepalingen
Artikel 163cb
1 Een belanghebbende die op de datum van inwerkingtreding van de Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa, lid van gedeputeerde staten, wethouder of lid van het dagelijks bestuur van een waterschap is en in dit ambt wordt herbenoemd na de eerstvolgende verkiezingen voor provinciale staten, de raad of het algemeen bestuur van het waterschap na die datum, wordt bij aftreden een uitkering verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voor die datum, indien hij tevens op de datum van zijn herbenoeming:
a. negen jaar en zeven maanden of minder verwijderd is van de pensioengerechtigde leeftijd die is vastgesteld voor het kalenderjaar vijf jaren na het ontslag of aftreden, en
b. in het tijdvak van twaalf jaren dat aan de datum van herbenoeming voorafgaat ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid.
2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij een herbenoeming van een commissaris van de Koning, een burgemeester en een voorzitter van een waterschap.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 29 — Overgangsbepalingen
Artikel 163d
Ten aanzien van leden van het dagelijks bestuur van een waterschap die na de waterschapsverkiezingen in 2008 op 8 januari 2009 zijn herbenoemd, wordt voor de opbouw van het pensioen over de pensioengeldige tijd tot en met 7 januari 2009 gerekend met de pensioengrondslag gebaseerd op de bezoldiging die het lid van het dagelijks bestuur genoot op 7 januari 2009.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 29 — Overgangsbepalingen
Artikel 163e
Ten aanzien van de uitkeringen die zijn toegekend ter zake van een ontslag of aftreden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet aanpassing uitkeringsduur Appa, blijft de uitkeringsduur van kracht zoals deze gold op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 29 — Overgangsbepalingen
Artikel 163f
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 29 — Overgangsbepalingen
Artikel 163g
Vervallen
afdeling Vijfde — Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen › Hoofdstuk 29 — Overgangsbepalingen
Artikel 163h
Vervallen
afdeling Zesde › Hoofdstuk 30 — Slotbepalingen
Artikel 164
De kosten van de in deze wet bedoelde uitkeringen en pensioenen en de kosten van de overname van en de gedeeltelijke vergoeding van de premie die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet daarover wordt geheven, voor zover niet is bepaald dat deze kosten ten laste van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds komen, komen ten laste van Hoofdstuk VII van de rijksbegroting, voor zover deze kosten betrekking hebben op ministers, gewezen ministers, gepensioneerde ministers, nabestaanden en wezen van gewezen ministers, en ten laste van Hoofdstuk II van de rijksbegroting, indien meergenoemde kosten betrekking hebben op leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, gepensioneerde kamerleden, nabestaanden en wezen van deze leden.
afdeling Zesde › Hoofdstuk 30 — Slotbepalingen
Artikel 164a
1 Onze Minister, gedeputeerde staten van een provincie, het college van burgemeester en wethouders van een gemeente en het dagelijks bestuur van een waterschap verstrekken op verzoek van de politieke ambtsdrager tijdig zijn gegevens met betrekking tot pensioenaanspraken door middel van het pensioenregister, bedoeld in artikel 51, eerste lid, van de Pensioenwet.
2 Artikel 51, vierde lid, van de Pensioenwet is van overeenkomstige toepassing.
afdeling Zesde › Hoofdstuk 30 — Slotbepalingen
Artikel 165
Voor de jaren tot en met de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen dat artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 geen bepaling kent van de pensioenrichtleeftijd, is de pensioenrichtleeftijd 65 jaar.
afdeling Zesde › Hoofdstuk 30 — Slotbepalingen
Artikel 166
Deze wet kan worden aangehaald als: Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers.
afdeling Zesde › Hoofdstuk 30 — Slotbepalingen
Artikel 167
1 Behoudens het tweede lid treedt deze wet in werking met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die van uitgifte van het Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst.
2 Vervallen.
3 Met uitzondering van de in het tweede en vierde lid genoemde artikelen en onderdelen van artikelen en van de artikelen 37, 39, tweede en derde lid, 43, tweede lid, 44, tweede lid, 45, tweede lid, 82, 84, 87, tweede lid, 88, tweede lid, 89, tweede lid, 118, derde lid, 128, 129 en 163, tweede en derde lid, werkt deze wet terug tot 1 januari 1966.
4 De artikelen 8, 50, onder e, 52, eerste lid, laatste volzin, 53, 54, 59, 67, 70 en 133 werken terug tot 1 januari 1969.
5 Waar in deze wet sprake is van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet wordt daarmede, behoudens in de in het derde lid genoemde artikelen en artikelleden en in artikel 125, bedoeld 1 januari 1966.