wetzoeker

Artikel 13 Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers

Het ouderdomspensioen

1 Een persoon die minister is of minister is geweest, heeft recht op een ouderdomspensioen.

2 Het pensioen gaat in op de pensioengerechtigde leeftijd. Op verzoek van de betrokkene gaat het pensioen eerder of later in.

3 Het pensioen kan niet eerder in gaan dan op de eerste dag van de maand waarin betrokkene de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.

4 Gedurende de tijd dat de betrokkene optreedt als minister en gedurende de tijd dat hij een uitkering geniet als bedoeld in hoofdstuk 3, kan het pensioen niet ingaan.

5 Het pensioen gaat, zo nodig in afwijking van het vierde lid, niet later in dan het tijdstip waarop de betrokkene de leeftijd heeft bereikt, bedoeld in artikel 18a, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen.

6 Nadat het pensioen is ingegaan worden geen aanspraken voor het pensioen opgebouwd.

Regeling
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
Afkortingen
APPA
Soort
Wet
Geldend vanaf
24-04-2026
BWB-id
BWBR0002691
Versie
2026-04-24_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl