wetzoeker

Artikel 51 Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers

De uitkering

1 Een kamerlid heeft met ingang van de dag van zijn aftreden, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en hij niet zonder onderbreking weer als kamerlid optreedt, recht op een uitkering op de voet van de volgende artikelen.

2 De uitkering of, na verrekening ingevolge artikel 54, het restant van de uitkering wordt niet uitbetaald:

a. voor zover en voor de periode dat de belanghebbende daarom verzoekt;

b. voor de periode dat aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen;

c. voor de periode dat de belanghebbende zicht onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;

d. voor de periode dat de belanghebbende buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie, met dien verstande dat artikel 19, tiende, dertiende en veertiende lid, van de Werkloosheidswet alsmede de regels die op grond van genoemd tiende lid gesteld zijn, van overeenkomstige toepassing zijn;

e. voor de periode dat de belanghebbende vakantie geniet buiten de bij algemene maatregel van bestuur gestelde periode.

3 Het niet uitbetalen van de uitkering op grond van het tweede lid, is niet van invloed op de met toepassing van artikel 52, eerste of tweede lid, berekende duur waarvoor de uitkering is toegekend.

4 Een tijdelijk ontslag als bedoeld in artikel X 10 van de Kieswet, wordt niet aangemerkt als aftreden als bedoeld in het eerste lid.

5 Indien de belanghebbende is geboren in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius of Saba, of indien hij daar ten minste vijf jaren aaneengesloten heeft verbleven, wordt voor de toepassing van het tweede lid, onder d, voor «buiten Nederland» gelezen «buiten het Koninkrijk der Nederlanden».

Regeling
Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers
Afkortingen
APPA
Soort
Wet
Geldend vanaf
24-04-2026
BWB-id
BWBR0002691
Versie
2026-04-24_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl