wetzoeker

Besluit tot vaststelling van de Regulatorische accountingregels (RAR) warmtebedrijven 2027

Soort
ZBO-regeling
Geldend vanaf
18-09-2026
Rechtsgebied
Consumentenrecht, Contracten, schade en aansprakelijkheid, Mededingingsrecht
Ministerie
Autoriteit Consument en Markt
BWB-id
BWBR0053124
Versie
2026-09-18_0
SHA-256 bron
aa5152775cef225143618eb9e11ed600b4a39e0bdd1bc45091e37b6cf305573e

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (41)
  1. 1 — Begrippen
  2. 2.1 — Achtergrond
  3. 2.2 — Juridisch kader
  4. 2.3 — Doelstellingen
  5. 2.4 — Reikwijdte RAR
  6. 2.5 — Aanpassing RAR
  7. 3.1 — Grondslagen financiële verslaggeving
  8. 3.2 — In aanmerking te nemen beginselen
  9. 3.3 — Interne verrekenprijzen
  10. 3.4 — Rubricering en toelichting
  11. 4.1.1 — Algemeen
  12. 4.1.2 — Materiële vaste activa (deel 1)
  13. 4.1.2 — Materiële vaste activa (deel 2)
  14. 4.1.3 — Immateriële vaste activa
  15. 4.2 — Kosten
  16. 4.3 — Opbrengsten
  17. 5.1 — Inleiding en algemene uitgangspunten
  18. 5.2 — Stap 1: kostentoerekening naar CWV en KCW
  19. 5.3 — Stap 2: kostentoerekening in een warmtekavel per CWV en temperatuurcategorie
  20. 5.4 — Stap 3: kostentoerekening naar activiteiten
  21. 5.4.1 — Productie en inkoop van thermische energie
  22. 5.4.2 — Transport en distributie van thermische energie
  23. 5.4.3 — Verkoop en klantcontact
  24. 5.4.4 — Ontwikkeling nieuwe warmtenetten
  25. 5.4.5 — Werk voor derden en diversen
  26. 5.4.6 — Toerekening indirecte posten aan activiteiten
  27. 5.5 — Stap 4: Toerekening indirecte kosten aan afnemersgroepen per activiteit
  28. 5.5.1 — Productie en inkoop van thermische energie
  29. 5.5.2 — Transport en distributie van thermische energie
  30. 5.5.2.1 — Toerekening van de BAK
  31. 5.5.2.2 — Toerekening bij temperatuurcategorieën c en g (ZLT)
  32. 5.5.3 — Verkoop en klantcontact
  33. 6.1 — Inwerkingtreding
  34. Toelichting bij paragraaf 5.4.1 – Activiteit productie en inkoop van thermische energie
  35. Toelichting bij paragraaf 5.4.2 – Activiteit transport en distributie van thermische energie
  36. Toelichting bij paragraaf 5.5.1 – Toerekening productie en inkoop van thermische energie
  37. Toelichting bij paragraaf 5.5.2 – Toerekening transport en distributie van thermische energie
  38. Toelichting bij paragraaf 5.5.3 – Toerekening verkoop en klantcontact
  39. Inleiding
  40. Toelichting op de classificatie
  41. Bijlage 4 — Wijzigingen ten opzichte van vorige RAR

1 — Begrippen

1 — Begrippen

1. Deze RAR bevatten definities die zijn opgenomen in artikel 1.1 van de Wcw.

2. In deze regulatorische accountingregels warmte (hierna: RAR) wordt verstaan onder:

– Aansluitcapaciteit: ook aansluitwaarde genoemd, het overeengekomen maximaal te leveren vermogen (in kilowatt);

– Activa: materiële vaste activa en immateriële vaste activa;

– Activity based costing (ABC): een kostentoerekening die is gebaseerd op het uitgangspunt dat niet producten, maar activiteiten kosten veroorzaken;

– Afnemer: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die thermische energie afneemt;

– Afnemersgroep: indeling van afnemers in groepen;

– Afschrijvingen: waardeverminderingen van activa;

– Afzet: geleverde warmte, gemeten in gigajoule;

– Basislast: warmteproductie door installaties die primair bedoeld zijn voor continue of langdurige levering en die als eerste in de inzetvolgorde (merit order) worden ingezet;

– Bijdrage aansluitkosten (BAK): de bijdrage aansluitkosten is de som van de gereguleerde eenmalige aansluitbijdrage (EAB) en de ongereguleerde kostendekkingsbijdrage (KDB);

– Bijdragen van derden: BAK, subsidies en andere bijdragen van derden;

– Boekjaar: kalenderjaar waarover de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) informatie uitvraagt op basis van de RAR;

– Cascadering: kostentoerekening per netvlak, waarbij de kosten van een hoger netvlak worden toegerekend aan de kosten op een lager netvlak;

– Collectieve warmtevoorziening: collectief warmtesysteem of geheel van collectieve warmtesystemen, overeenkomstig artikel 1.1 van de Wet collectieve warmte. Voor de toepassingen van deze RAR worden kleine collectieve warmtesystemen uitgezonderd, zoals omschreven onder hoofdstuk 2 van deze RAR;

– Directe kosten: kosten die rechtstreeks toerekenbaar zijn;

– Eenmalige aansluitbijdrage (EAB): een tariefgereguleerde eenmalige bijdrage voor het aansluiten op een collectieve warmtevoorziening, zoals bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, sub d, van de Wet collectieve warmte;

– Financiële baten en lasten: rentebaten, rentelasten (inclusief garantieprovisie) en baten en lasten uit overige financiële activiteiten van een warmtebedrijf;

– Gelijktijdigheid: verhouding tussen piekvraag die afnemers gezamenlijk veroorzaken op het warmtenet en de som van de individuele piekvraag;

– Gestandaardiseerde activawaarde (GAW): de waarde van de gereguleerde activa zoals vastgesteld door de ACM;

– Groep: een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden, conform artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

– Groepsmaatschappij: een rechtspersoon of vennootschap die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

– Immateriële vaste activa: een identificeerbaar niet-monetair vast actief zonder fysieke gedaante;

– Incidentele kosten en opbrengsten: materiële kosten en opbrengsten die zich in het boekjaar hebben voorgedaan en naar verwachting in een volgend boekjaar niet optreden;

– Indirecte kosten: kosten die niet rechtstreeks toerekenbaar zijn;

– Inkoopkosten energie: inkoopkosten energie zijn kosten die verband houden met de inkoop van warmte of de inkoopkosten van energie (bijvoorbeeld gas of elektriciteit) om warmte mee te genereren (inclusief bijstook/buffering) of om warmte mee te transporteren/distribueren;

– Kapitaalkosten: vermogenskosten en afschrijvingskosten;

– Kosten: uitgaven die zijn toe te rekenen aan een bepaald boekjaar;

– Kostendekkingsbijdrage (KDB) of projectbijdrage: een ongereguleerde eenmalige bijdrage die een afnemer of een projectontwikkelaar betaalt;

– Materiële vaste activa: activa die bestemd zijn om de uitoefening van de werkzaamheden van de rechtspersoon duurzaam te dienen. Voor de bepaling van hetgeen tot de materiële vaste activa dient te worden gerekend, is niet de juridische, maar de economische eigendom doorslaggevend;

– Netvlak: onderscheid, op basis van hydraulische scheiding van een warmtenet in verschillende druk- en/of temperatuurniveaus, tussen transport en (primaire / secundaire) distributie;

– Ontwikkeling nieuwe netten: activiteiten die een warmtebedrijf verricht om nieuwe warmte- en koudenetten aan te leggen, waarbij geen sprake is van feitelijke levering van warmte en/of koude aan één of meerdere verbruikers;

– Opbrengsten: ontvangsten die zijn toe te rekenen aan een bepaald boekjaar;

– Operationele kosten: alle kosten van het warmtebedrijf, met uitzondering van afschrijvingen, amortisatie, financiële baten en lasten en vennootschapsbelasting;

– Opslag: installatie waar thermische energie wordt opgeslagen, indien deze installatie onderdeel is van, of verbonden is aan een warmtebron (bijvoorbeeld opslag in tanks, putten of hoge-temperatuur aquifers, warmtebatterij, e-boilers en WKO’s);

– Opwaardering van warmte: verhogen van de temperatuur van de warmte door een warmtebron;

– Overige activa: activa waar de ACM op basis van de Wet collectieve warmte een gestandaardiseerde activawaarde voor zal vaststellen, met uitzondering van een warmtenet;

– Pieklast: warmteproductie die aanvullend wordt ingezet bij hoge warmtevraag wanneer basislastinstallaties onvoldoende capaciteit leveren;

– Productienet: overeenkomstig artikel 1.1, onder ‘warmtenet’, sub c, van de Wet collectieve warmte, de leidingen, installaties en hulpmiddelen die zijn gelegen in een gebouw of werk van een producent of een producent van restwarmte of op het perceel waarop de productie-installatie is gelegen, tenzij op het perceel, in het gebouw of werk tevens warmte wordt geleverd op een leveringsaansluiting;

– Reguleringsdata: de noodzakelijke gegevens zoals bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, van de Wet collectieve warmte;

– Start-GAW: de gestandaardiseerde activawaarde zoals bedoeld in artikel 7.11 van de Wet collectieve warmte;

– Technische ruimte: de (inpandige of vrijstaande) ruimte waarin activa in eigendom van het warmtebedrijf zijn opgesteld die primair dienen voor de opwekking, conversie, opslag of regeltechnische ondersteuning van thermische energie, waaronder, maar niet beperkt tot, warmtepompen, buffervaten, water- en chemische behandeling, pompen, regelkasten en meet- & regelsoftware;

– Temperatuurcategorie: de indeling van collectieve warmtevoorzieningen in aflevertemperaturen zoals opgenomen in bijlage 3;

– Thermische energie: warmte die ten behoeve van ruimteverwarming of verwarming van tapwater wordt geleverd door middel van het transport van water of een andere vloeistof of koude die ten behoeve van ruimtekoeling wordt geleverd door middel van het transport van water of een andere vloeistof;

– Transactiekosten financieringen: kosten die rechtstreeks samenhangen met het aantrekken, wijzigen of aflossen van rentedragend vreemd vermogen. Hieronder vallen kosten van adviseurs, brokers en banken. Uitgesloten zijn rentelasten en interne administratieve kosten;

– Transportleiding: een leiding geschikt voor het transporteren van grote hoeveelheden warmte over grotere afstanden. Een warmtebedrijf kan een transportleiding hebben, maar geen warmtetransportnet omdat die term wettelijk is voorbehouden aan warmtetransportbeheerders;

– Utiliteit: verblijfsobject zonder woonfunctie (zie definities Basisregistratie Adressen en Gebouwen);

– Vast actief: een uit gebeurtenissen in het verleden voortgekomen middel waarover het warmtebedrijf de beschikkingsmacht heeft, dat hij in gebruik heeft genomen en waaruit in de toekomst naar verwachting economische voordelen naar het warmtebedrijf zullen vloeien en de kostprijs van een vast actief betrouwbaar kan worden vastgesteld (ontleend aan International Accounting Standard 16.7).

2 — Inleiding › 2.1 — Achtergrond

2.1 — Achtergrond

3. De Wcw is op 9 december 2025 door de Eerste Kamer aangenomen en op 22 januari 2026 gepubliceerd in het Staatsblad. De Wcw vervangt de Warmtewet. Nadere regels van de Wcw worden uitgewerkt in het Besluit collectieve warmte (hierna: Bcw) en bij ministeriële regeling (hierna: MR).

4. In de Wcw wordt onder andere een nieuwe tariefsystematiek geïntroduceerd, de regels hierover staan in hoofdstuk 7 van de Wcw. De tariefregulering wordt in fases ingevoerd, met in fase 2 een systematiek op basis van kostengebaseerde tarieven.

5. Essentieel voor een kostengebaseerde tariefregulering is dat de ACM meer inzicht krijgt in onder meer de werkelijke kosten van warmtelevering en de kostenbepalende factoren. Om hier zicht op te krijgen, stelt de ACM deze RAR op.

2 — Inleiding › 2.2 — Juridisch kader

2.2 — Juridisch kader

6. Op het moment van opstellen van deze RAR, is het artikel in de Wcw dat de ACM haar bevoegdheid zal geven, nog niet in werking getreden. Om die reden stelt de ACM de RAR vast op grond van artikel 14 van de Warmtewet. Dit artikel beoogt de ACM reeds bevoegdheden te geven om zich voor te bereiden op een kostengebaseerde tariefsystematiek, op grond van de Wcw. Zodra artikel 7.10 van de Wcw in werking treedt, vervangt artikel 7.10 van de Wcw artikel 14 van de Warmtewet als wettelijke grondslag voor het opstellen van de RAR. Aangezien aangewezen warmtebedrijven zich moeten kunnen voorbereiden op nieuwe accountingregels, worden de RAR voor inwerkingtreding van de Wcw gepubliceerd en sluit de ACM in systematiek en terminologie aan bij de Wcw. Verder is het van belang dat de ACM in voorbereiding op de verschillende fases begint met het verzamelen van de benodigde informatie, zodat de systematiek meteen bij inwerkingtreding van de betreffende fase kan worden toegepast. Het overgangsrecht van artikel 13.23, tweede lid, van de Wcw is, na inwerkingtreding, van overeenkomstige toepassing.

7. De RAR zijn gericht op de te verkrijgen noodzakelijke gegevens van een warmtebedrijf of de groep waartoe het warmtebedrijf behoort, ter voorbereiding van de kostengebaseerde tariefsystematiek in het kader van de Wcw en voor de uitvoering van de bij of krachtens hoofdstuk 7 (Tariefregulering) van de Wcw gegeven bevoegdheden zodra artikel 7.10 van de Wcw in werking is getreden. Ingevolge artikel 14 Warmtewet en na inwerkingtreding van de Wcw ingevolge artikel 7.10, tweede lid van de Wcw, kan de ACM een aangewezen warmtebedrijf of de groep waartoe het warmtebedrijf behoort, verzoeken informatie op grond van de RAR te verstrekken.

8. De RAR zijn algemeen verbindende voorschriften en hebben betrekking op de bevoegdheid voor de ACM om de noodzakelijke gegevens voor de uitvoering van hoofdstuk 7 van de Wcw bij aangewezen warmtebedrijven of de groep waartoe zij behoren op te vragen.

2 — Inleiding › 2.3 — Doelstellingen

2.3 — Doelstellingen

9. In de RAR dient een set van reguleringsdata te worden vastgelegd die eenduidig te interpreteren is. Deze reguleringsdata bevatten financiële en niet-financiële gegevens. Door gebruik te maken van de RAR zijn financiële gegevens van aangewezen warmtebedrijven goed meetbaar en consistent en zijn definities duidelijk.

10. Een tweede doelstelling is om de financiële verslaggevingsregels zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij de huidige verslaggevingspraktijk van warmtebedrijven. De ACM streeft ernaar werkbare regels op te stellen, waarbij niet meer gegevens worden opgevraagd dan noodzakelijk in het uitvoeren van haar taak op grond van de Wcw.

2 — Inleiding › 2.4 — Reikwijdte RAR

2.4 — Reikwijdte RAR

11. De in de RAR vastgelegde verslaggevingsregels verslaggevingsregels hebben betrekking op alle financiële en niet-financiële gegevens die benodigd zijn ter voorbereiding van de kostengebaseerde tariefsystematiek in het kader van de Wcw en voor de uitvoering van de bij of krachtens hoofdstuk 7 (Tariefregulering) van de Wcw gegeven bevoegdheden zodra de Wcw inwerking is getreden.

12. De RAR hebben uitsluitend betrekking op aangewezen warmtebedrijven of, indien een dergelijke aanwijzing nog niet is verstrekt, een warmtenet onder de Warmtewet met meer dan 1.500 verbruikers of naar verwachting groei naar meer dan 1.500 verbruikers. De door een warmtebedrijf te verstrekken reguleringsdata betreffen daarmee altijd data over de periode 1 januari tot en met 31 december.

13. Ter verduidelijking merkt de ACM op dat de RAR geen betrekking hebben op een klein collectief warmtesysteem zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wcw waarvoor een ontheffing is verleend of een vrijstelling geldt als bedoeld in Hoofdstuk 3 van de Wcw. Ten aanzien van bestaande warmtebedrijven die een collectieve warmtevoorziening exploiteren niet zijnde een klein collectief warmtesysteem, geldt dat deze warmtebedrijven op grond van het overgangsrecht (artikel 13.2 e.v. van de Wcw) binnen een jaar van inwerkingtreding van artikel 13.2 door het college van burgemeester en wethouders van een gemeente zullen worden aangewezen. Omdat deze RAR aansluiten op de integrale financiële administratie van een warmtebedrijf, zullen warmtebedrijven met zowel collectieve warmtevoorzieningen als kleine collectieve warmtesystemen de splitsing daartussen moeten aanbrengen.

14. Op grond van de RAR dient een aangewezen warmtebedrijf reguleringsdata aan te leveren met betrekking tot de collectieve warmtevoorziening(en) gelegen binnen het warmtekavel of de warmtekavels waarvoor het warmtebedrijf is aangewezen. De ACM vraagt deze gegevens voor het eerst op over boekjaar 2027.

15. De RAR zijn een standaard voor reguleringsdata. Dientengevolge hebben de RAR slechts betrekking op financiële gegevens en bepaalde niet-financiële gegevens voor zover relevant voor de reguleringsdata.

2 — Inleiding › 2.5 — Aanpassing RAR

2.5 — Aanpassing RAR

16. De ACM zal vanaf 2028 jaarlijks nagaan of aanpassingen nodig zijn in deze RAR, bijvoorbeeld bij ontwikkelingen voor de regelgeving (waaronder het Bcw) en andere voortschrijdende inzichten.

17. Indien de ACM voornemens is wijzigingen met significante betekenis in de RAR door te voeren, zal zij in ieder geval warmtebedrijven, afnemersorganisaties en gemeenten aan de hand van een klankbordgroep RAR hierover consulteren.

3 — Algemene grondslagen › 3.1 — Grondslagen financiële verslaggeving

3.1 — Grondslagen financiële verslaggeving

Nederlandse activiteiten

18. De reguleringsdata bevatten alleen data met betrekking tot Nederlandse collectieve warmtevoorzieningen.

Aansluiting RAR op algemene grondslagen

19. Bij het opstellen van deze RAR is ten behoeve van vermindering administratieve lastendruk zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor de financiële verslaggeving waaronder, maar niet limitatief, de International Financial Reporting Standards (hierna: IFRS) en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ).

1 IFRS of RJ gelden voor vennootschappen. Gemeentelijke warmtebedrijven die niet opereren in een vennootschap en daardoor geïntegreerd deel uitmaken van de gemeentelijke administratie, kennen een verslaggeving op basis van het Besluit begroting & verantwoording provincies en gemeenten. Ook zij passen deze RAR toe voor de reguleringsdata.

20. Warmtebedrijven dienen de reguleringsdata te verstrekken op basis van de in de RAR vastgelegde verslaggevingsregels, in aanmerking genomen het feit dat de in de RAR vastgelegde verslaggevingsregels kunnen afwijken van de in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor de financiële verslaggeving waaronder de IFRS.

21. Indien de RAR niet beschrijven hoe een gebeurtenis en de daaruit voortvloeiende transacties in de reguleringsdata dienen te worden verwerkt, treedt het warmtebedrijf al dan niet gezamenlijk met diens accountant in overleg met de ACM hoe de reguleringsdata in deze situaties ingericht moeten worden. Uitgangspunt is dat in dergelijke situaties de reguleringsdata worden ingericht op basis van algemeen aanvaarde grondslagen. Het warmtebedrijf licht de situaties toe waarin het benodigd was om de reguleringsdata in te richten op basis van algemeen aanvaarde grondslagen.

Boekjaar

22. Het boekjaar van de reguleringsdata is gelijk aan een kalenderjaar, te weten van 1 januari tot en met 31 december.

Schattingen

23. Sommige items in de reguleringsdata kunnen niet nauwkeurig worden gewaardeerd maar slechts worden geschat. Schattingen moeten aansluiten op NV COS 540. De schattingen dienen redelijk te zijn en gebaseerd op goed koopmansgebruik. Het warmtebedrijf past schattingen consistent toe, indien in eerdere jaren sprake was van schattingen. Warmtebedrijven moeten de schattingen kunnen onderbouwen.

Voorbeelden van schattingen zijn:

• De allocatie van activawaarden naar de in deze RAR opgenomen categorieën, voor zover deze activawaarden niet uit de administratie herleidbaar zijn en in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 2023.

• De allocatie van kosten (zoals personeelskosten, onderhoud en overige OPEX) naar de in deze RAR opgenomen activiteiten, voor zover deze niet direct toerekenbaar zijn.

• De wijze waarop het warmtebedrijf kosten direct toerekent.

2 Bijvoorbeeld de toerekening van een onderhoudsmonteur die zowel werkzaamheden verricht voor productie als voor het distributienet, maar waarbij geen urenadministratie is. Via een onderbouwde schatting van de onderhoudsmonteur of diens leidinggevende is alsnog een directe toerekening mogelijk.

Vreemde valuta

24. De balansposten die worden uitgedrukt in vreemde valuta worden omgerekend tegen de koers per balansdatum, tenzij specifieke posities zijn afgedekt met valutatermijntransacties. Een transactie in vreemde valuta gedurende het boekjaar wordt in de reguleringsdata verwerkt tegen de koers die geldt op de transactiedatum.

Werkelijke kosten

25. Het warmtebedrijf levert in de reguleringsdata de werkelijke kosten aan, op basis van de in de RAR vastgelegde verslaggevingsregels. Op deze wijze kan ACM jaarlijks op een uniforme wijze de totale kosten van elk warmtebedrijf vaststellen.

Foutherstel

26. Indien een warmtebedrijf vóór de aanlevering van reguleringsdata over het boekjaar fouten constateert, dan herstelt het warmtebedrijf deze in de reguleringsdata van het betreffende boekjaar vóór het aanleveren bij de ACM. Schattingswijzigingen zijn geen fouten.

27. Indien een warmtebedrijf ná het aanleveren van reguleringsdata (dus achteraf) vaststelt dat sprake is van een materiële fout in eerder ingediende reguleringsdata op basis van de voor dat boekjaar van toepassing zijnde afspraken voor regels en definities over de reguleringsdata, dan stelt het warmtebedrijf de ACM onverwijld op de hoogte en levert het warmtebedrijf een complete invulmodule over het betreffende boekjaar bij de ACM aan met een toelichting op de herstelde materiële fout en, indien de ACM daarom verzoekt, een directieverklaring.

Aansluiting met jaarrekening

28. Het warmtebedrijf levert een aansluiting aan tussen de reguleringsdata en de (concept) jaarrekening of, als die nog niet is opgemaakt op het moment van uitvragen van de reguleringsdata, de financiële administratie.

3 — Algemene grondslagen › 3.2 — In aanmerking te nemen beginselen

3.2 — In aanmerking te nemen beginselen

29. Het warmtebedrijf dient de beginselen in de volgende randnummers in ieder geval in aanmerking te nemen bij het invullen van zijn reguleringsdata. Deze beginselen zijn mede ontleend aan de Achtergrond en uitgangspunten bij de Richtlijnen (Raad voor de Jaarverslaggeving) en het Conceptual Framework for Financial Reporting (International Accounting Standards Board, 2018).

30. Het toerekenings- en causaliteitsbeginsel; gevolgen van transacties en/of andere gebeurtenissen worden verwerkt wanneer deze transacties en/of andere gebeurtenissen zich voordoen en niet wanneer hieruit voortvloeiende geldmiddelen worden ontvangen of betaald, en worden verwerkt in de reguleringsdata over de periode waarop ze betrekking hebben.

31. Het voorzichtigheids- en realisatiebeginsel; winsten worden slechts genomen als zij op balansdatum zijn verwezenlijkt. Verliezen en risico’s die hun oorsprong vinden vóór het einde van het boekjaar, worden in acht genomen, indien zij vóór het opmaken van de reguleringsdata bekend zijn geworden.

32. Het matchingbeginsel; lasten die samenhangen met de verrichte prestaties dienen in beginsel te worden toegerekend aan de periode waarin de baten die voortvloeien uit de prestaties zijn verantwoord. Dit mag echter niet leiden tot de verwerking van balansposten in strijd met het voorzichtigheidsbeginsel.

33. Het continuïteitsbeginsel; de reguleringsdata worden ingevuld in de veronderstelling dat de continuïteit van de onderneming is gewaarborgd en dat het warmtebedrijf zijn bedrijf in de afzienbare toekomst zal voortzetten.

34. Bestendige gedragslijn; de reguleringsdata geven op stelselmatige wijze de samenstelling van de activaposten en de samenstelling en de grootte van de totale kosten en omzet op het einde van het boekjaar respectievelijk van het lopende boekjaar weer. Een bestendige gedragslijn houdt voorts in dat geen activering plaatsvindt van bestedingen (uitgaven, rekening houdend met verplichtingen) die in eerdere jaren als kosten zijn verantwoord in de reguleringsdata.

3 — Algemene grondslagen › 3.3 — Interne verrekenprijzen

3.3 — Interne verrekenprijzen

35. De daadwerkelijke kosten van goederen en diensten die ingekocht worden bij bedrijven die onderdeel zijn van dezelfde groep, reflecteren de kosten die de verkopende bedrijven maken om deze goederen en diensten te produceren. De daadwerkelijke kosten bestaan uit operationele kosten en kapitaalkosten. De vermogenskosten zijn ten hoogste de Weighted Average Cost of Capital (hierna: WACC) zoals vastgesteld door de ACM vermenigvuldigd met de activawaarde van geïnvesteerd vermogen. Het warmtebedrijf dient de afschrijvingskosten te bepalen op basis van het geïnvesteerd vermogen en afschrijvingstermijnen gebaseerd op de afschrijvingstermijnen zoals vastgesteld door de ACM, of, indien die niet beschikbaar zijn, de economische levensduur. Deze methode houdt in dat er niet een hoger bedrag dient te worden opgenomen in de reguleringsdata dan zou zijn opgenomen als deze goederen in eigendom waren van het warmtebedrijf of diensten uitgevoerd werden door medewerkers direct in dienst bij het warmtebedrijf.

36. Warmtebedrijven maken inzichtelijk wat de interne inkoop is per groepsmaatschappij, gesplitst naar de kosten om deze goederen en diensten te produceren zonder winstopslag en de winstopslag.

37. Het warmtebedrijf rapporteert de winstopslag zoals bedoeld in het vorige randnummer op de werkelijke winst, die onderdeel zal zijn van de eliminaties bij het opstellen van geconsolideerde cijfers van de holding.

38. Als de winstopslag niet te rapporteren is zoals opgenomen in het vorige randnummer, dan is de te rapporteren winstopslag gebaseerd op de rendementseis die de betreffende verkopende groepsmaatschappij hanteert.

3 — Algemene grondslagen › 3.4 — Rubricering en toelichting

3.4 — Rubricering en toelichting

39. Het warmtebedrijf rubriceert en licht de reguleringsdata toe met inachtneming van deze RAR en de indeling in de invulmodule warmte.

40. Ten behoeve van het bepalen en analyseren van het redelijk rendement verstrekt een warmtebedrijf zijn balans en een verloop van de rentedragende financiering, de rentelasten vreemd vermogen en de transactiekosten van financieringen. Voorts wil de ACM inzicht hebben in het door verschaffers van eigen vermogen geëist rendement indien dat lager is dan de door de ACM vastgestelde kostenvoet eigen vermogen voor belasting.

41. Het warmtebedrijf specificeert incidentele kosten en opbrengsten en licht deze toe. Het gaat hierbij om kosten en opbrengsten die het warmtebedrijf materieel acht. Richtlijn daarvoor: meer dan 5% van de totale kosten respectievelijk meer dan 5% van de totale opbrengsten per collectieve warmtevoorziening.

4 — Activa, kosten en opbrengsten › 4.1 — Activa › 4.1.1 — Algemeen

4.1.1 — Algemeen

42. Deze RAR gebruiken het woord ‘bestedingen’ als equivalent voor het IFRS begrip ‘kostprijs van een vast actief’.

3 Het begrip bestedingen is hetzelfde als uitgaven rekening houdend met de verplichtingen. Zo leidt een factuur voor de

aanleg van een leiding in december van jaar t tot (indien in gebruik genomen) een activeerbaar bedrag in jaar t, waarbij de

uitgaaf (betaling van de factuur) plaatsvindt in januari van jaar t + 1.

Activa in aanbouw

43. Activa in aanbouw of in bestelling of die om andere redenen nog niet in gebruik zijn genomen maken geen deel uit van de gestandaardiseerde activawaarde en worden gescheiden van de reeds in gebruik genomen activa inzichtelijk gemaakt in de reguleringsdata.

Desinvesteringen

44. Desinvesteringen ontstaan wanneer een actief verwijderd of verkocht wordt, ongeacht of het actief al geheel is afgeschreven of niet. Voorbeelden zijn het buitengebruikstellen of verwijderen van (een deel van) het net. Als desinvestering dient het warmtebedrijf het oorspronkelijke investeringsbedrag te rapporteren verminderd met eventuele bijdragen van derden of subsidies.

45. Het warmtebedrijf geeft opbrengsten die op enigerlei wijze samenhangen met de desinvestering op. Ingeval van desinvesteringen dienen in de reguleringsdata het oorspronkelijke jaar van verkrijging of vervaardiging van het betreffende actief te worden vermeld.

Bijzondere waardeverminderingen

46. Bijzondere waardeverminderingen doen zich regulatorisch in beginsel niet voor, omdat de GAW een basis vormt voor het bepalen van de hoogte van de tarieven. Indien het warmtebedrijf van mening is dat mogelijk sprake is van een bijzondere waardevermindering treedt hij in overleg met de ACM. Op basis van dat overleg neemt de ACM een standpunt in over het opnemen van de bijzondere waardevermindering in de reguleringsdata van het warmtebedrijf. De reguleringsdata bevatten uitsluitend een bijzondere waardevermindering indien de ACM daarmee vooraf akkoord is.

Overname collectieve warmtevoorziening

47. Wanneer een vast actief na 1 januari 2027 wordt verkregen bij een fusie of overname, vindt verwerking in de reguleringsdata plaats tegen de verkrijgingsprijs op het moment van de overname, tenzij het overgenomen actief:

a) deel uitmaakt van de activa waarvoor de ACM een gestandaardiseerde activawaarde vaststelt (waaronder de start-GAW); of

b) verkregen is van een groepsmaatschappij van het warmtebedrijf.

48. Wanneer, zoals beschreven in randnummer 4749a, een vast actief dat reeds door de ACM was of wordt betrokken in zijn reguleringsmethoden wordt verkregen bij een fusie of overname, vindt verwerking in de reguleringsdata plaats tegen de GAW die de ACM voor dat actief voorschrijft op het moment van verkrijging. Indien de GAW hoger is dan de verkrijgingsprijs, legt het warmtebedrijf de casus vóór verwerking van de reguleringsdata voor aan de ACM, waarna de ACM kan besluiten dat het warmtebedrijf het desbetreffende actief in de reguleringsdata verwerkt tegen de verkrijgingsprijs. Het warmtebedrijf neemt in de toelichting de volgende informatie op:

a) de aard van de activa;

b) het moment van verkrijging;

c) de laatst bekende GAW van het overgedragen actief op het moment van verkrijging (indien bekend);

d) de verkrijgingsprijs;

e) de resterende afschrijvingstermijn; en

f) de naam van het andere warmtebedrijf.

49. Wanneer, zoals beschreven in randnummer 47b, een vast actief wordt verkregen van een groepsmaatschappij van het warmtebedrijf vindt verwerking in de reguleringsdata plaats conform de regels in deze RAR over interne verrekenprijzen. Het warmtebedrijf neemt in de toelichting de volgende informatie op:

a) de aard van de activa;

b) het moment van ingebruikname door het warmtebedrijf; en

c) de verkrijgingsprijs.

Bijdragen van derden

50. Van derden ontvangen bijdragen worden, met inachtneming van het matchingbeginsel, in mindering gebracht op de geactiveerde bestedingen. Het gaat hierbij in ieder geval om matching van materiële van derden ontvangen bijdragen, conform de matching die is toegepast in de jaarrekening van het warmtebedrijf.

51. Het warmtebedrijf specificeert bijdragen van derden die niet in mindering komen op de toegestane kosten, waarvan sprake is als:

a) in de voorwaarden bij de subsidieverlening expliciet is opgenomen dat de inkomsten uit subsidie niet in mindering hoeven te worden gebracht op de toegestane kosten; en

b) bijdragen van derden zijn verstrekt met het doel om de tarieven voor het transport en de levering van warmte voor een specifieke groep verbruikers te verminderen.

Leasing

52. Voor zover bij een warmtebedrijf sprake is van leaseovereenkomsten (bij toepassing IFRS betreft dit IFRS16), dient het warmtebedrijf deze in de reguleringsdata op te nemen op dezelfde wijze waarop hij dat in zijn eigen jaarrekening (of bij een 403 de jaarrekening van de holding) verwerkt of zal verwerken.

Activering vs. onderhoud

53. Bestedingen na de ingebruikname van een gekocht of zelf vervaardigd actief (bijvoorbeeld de kosten voor onderhoud) dienen als operationele kosten te worden verantwoord, tenzij activering vereist is omdat:

a) sprake is van verlenging van een levensduur met minimaal vijf jaren;

b) het waarschijnlijk is dat de bestedingen zullen leiden tot een toename van de verwachte toekomstige economische voordelen; en

c) de vaststelling van de bestedingen en de toerekening aan het actief op een betrouwbare wijze kunnen geschieden.

4 — Activa, kosten en opbrengsten › 4.1 — Activa › 4.1.2 — Materiële vaste activa

4.1.2 — Materiële vaste activa (deel 1)

Inleiding en begripsbepaling

54. Onder gemeenschappelijke materiële vaste activa worden materiële vaste activa verstaan die door meerdere groepsmaatschappijen binnen de groep waarvan het warmtebedrijf deel uitmaakt worden gebruikt. De economische eigendom is doorslaggevend voor opname onder de materiële vaste activa bij het warmtebedrijf. Activa die (gedeeltelijk) worden gebruikt door het warmtebedrijf, maar waarvan het economisch eigendom berust bij een groepsmaatschappij, worden niet door het warmtebedrijf als activa in zijn reguleringsdata opgenomen. De vergoeding die het warmtebedrijf voor het gebruik betaalt, wordt in de reguleringsdata opgenomen onder de operationele kosten; deze vergoeding dient in overeenstemming te zijn met de bepalingen over interne verrekenprijzen in deze RAR.

Waardering materiële vaste activa

55. Materiële vaste activa dienen te worden gewaardeerd op basis van historische kosten vanaf het moment dat aan de criteria voor activering is voldaan. Onder historische kosten wordt de prijsgrondslag verkrijgings- of vervaardigingsprijs verstaan.

56. De verkrijgingsprijs van een actief is de prijs waartegen het is verworven. De verkrijgingsprijs bestaat uit de aankoopprijs inclusief alle direct toe te rekenen bestedingen om het actief voor gebruik geschikt te maken. Direct toe te rekenen bestedingen zijn bijvoorbeeld invoerrechten, leveringskosten en plaatsingskosten. Boetes of rente wegens te late levering maken geen onderdeel uit van de verkrijgingsprijs.

57. Het begrip vervaardigingsprijs is van toepassing op intern vervaardigde activa. De elementen die deel uitmaken van de vervaardigingsprijs zijn conform de elementen die in International Accounting Standard 16 (IAS 16) onder de vervaardigingsprijs vallen. Deze RAR onderscheiden de elementen in drie categorieën:

I. Directe kosten;

II. Regulatoire bouwrente; en

III. Asset retirement obligation (indien het warmtebedrijf een voorziening voor ontmanteling in de jaarrekening heeft opgenomen).

I. Directe kosten

Kosten worden als direct aangemerkt wanneer een aantoonbare causaliteit aanwezig is tussen de rechtstreeks toegerekende kosten en het vast actief. De volgende categorieën worden onderscheiden:

a) materialen;

b) interne uren; en

c) diensten derden.

De kosten van materialen worden opgenomen tegen inkoopprijs en bijkomende kosten exclusief een interne winstopslag. De kosten van interne uren als onderdeel van de vervaardigingsprijs zijn gebaseerd op een intern uurtarief exclusief een winstopslag. Het intern uurtarief wordt berekend per tariefgroep (groepering van medewerkers). Het intern uurtarief bestaat uitsluitend uit:

a) brutosalaris;

b) werkgeverslasten (sociale premies, pensioenlasten);

c) overige personeelskosten (o.a. reiskosten en opleidingskosten);

d) directe werkplekgerelateerde kosten voor huisvesting en automatisering; en

e) indirecte werkplekgerelateerde kosten (o.a. telefoonkosten).

De kosten van diensten van derden worden opgenomen tegen inkoopprijs en bijkomende kosten. Bij inhuur van externen is tevens een opslag voor huisvesting en automatisering van toepassing.

II. Regulatoire bouwrente

De regulatoire bouwrente wordt als volgt berekend:

a) Aan materiële vaste activa die in aanbouw zijn rekent het warmtebedrijf financieringskosten (regulatoire bouwrente) toe ter grootte van de gemiddelde waarde van die activa in dat boekjaar, vermenigvuldigd met maximaal de door de ACM vastgestelde nominale WACC die in het betreffende boekjaar van toepassing is.

b) De gemiddelde waarde van activa in aanbouw in een boekjaar, voor een activum dat nog niet op 1 januari van een boekjaar maar wel op 31 december van datzelfde boekjaar in aanbouw is, is gelijk aan cumulatieve historische kosten ultimo boekjaar, vóór rentetoerekening, gedeeld door twee.

c) In het eerste boekjaar waarin het actief in aanbouw is, wordt aangenomen dat de aanbouw is gestart op 1 juli van het boekjaar. Hierop zijn twee uitzonderingen:

1) Indien voor een actief de start van de aanbouw en de ingebruikname in hetzelfde boekjaar vallen, wordt aangenomen dat de aanbouw is gestart in het midden tussen 1 januari van het boekjaar en de eerste dag van de maand van ingebruikname.

2) Indien sprake is van een latere activering wordt aangenomen dat de aanbouw is aangevangen op 1 januari van het boekjaar en het actief op 1 juli in gebruik genomen is.

d) De gemiddelde waarde van activa in aanbouw in een boekjaar, voor een activum dat zowel op 1 januari van een boekjaar als op 31 december van hetzelfde boekjaar in aanbouw is, is gelijk aan de som van de cumulatieve historische kosten primo boekjaar inclusief bouwrente voorgaande jaren en de cumulatieve historische kosten ultimo boekjaar vóór rentetoerekening, gedeeld door twee.

e) De gemiddelde waarde van activa in aanbouw in een boekjaar, voor een activum dat op 1 januari van een boekjaar in aanbouw is en gedurende datzelfde boekjaar in gebruik is genomen, is gelijk aan de som van de cumulatieve historische kosten primo boekjaar inclusief bouwrente voorgaande jaren en de cumulatieve historische kosten op datum ingebruikname vóór rentetoerekening, gedeeld door twee.

f) In het boekjaar waarin het actief in gebruik genomen is, wordt regulatoire bouwrente berekend tot de eerste dag van de maand van ingebruikname. Indien deze dag niet bekend is wordt uitgegaan van een ingebruiknamedatum van 1 juli.

g) Voor de berekening van de bouwrente dienen de bijdragen van derden ook toegerekend te worden aan het jaar waarin deze bijdragen worden ontvangen. Naast subsidies is een voorbeeld hierbij de voorfinanciering door derden die de daadwerkelijke (bouw)rentelasten voor het warmtebedrijf verlichten. Het warmtebedrijf beschrijft in de toelichting voor welke projecten er sprake was van een bijdrage van een derde, wat de omvang van de betreffende bijdrage was en de soort bijdrage van een derde is ontvangen.

III. Asset retirement obligation

De asset retirement obligation omvat bij de initiële verwerking de contante waarde van de verwachte ontmantelingskosten van het betreffende activum. Indien de verwerking in de jaarverslaggeving in enig jaar na de initiële verwerking wijzigt als gevolg van aanpassingen in de volgende parameters voert het warmtebedrijf in de regulatorische activawaardering een correctie door:

a) een verandering in de disconteringsvoet en/of;

b) een verandering in de inflatie en/of;

c) een verandering in de geschatte ontmantelingskosten en/of;

d) een verandering in de termijn waarop de asset wordt ontmanteld.

Het warmtebedrijf moet eventuele wijzigingen in de disconteringsvoet, de gehanteerde inflatie en de geschatte ontmantelingskosten toelichten in het toelichtingsdocument en zoveel mogelijk voorzien van documentatie.

Activacategorieën

58. Het warmtebedrijf onderscheidt de volgende activacategorieën:

Warmtenet: transportleiding; primair distributienet; secundair distributienet.

Overige activa: warmtebron en opslag; productienet; inpandig leidingstelsel; afleverset; en niet afzonderlijk benoemde materiële vaste activa.

Warmtenet: transportleiding

59. Onder materiële vaste activa transportleiding vallen activa behorende tot of die worden gebruikt voor:

a) een transportleiding; en

b) activa die verband houden met transportleidingen, bijvoorbeeld activa ten behoeve van balanshandhaving, monitoring of waterkwaliteitsbewaking van het transportnet.

60. Elk warmtebedrijf kan een transportleiding in zijn net hebben, maar geen warmtetransportnet. Een warmtetransportnet is namelijk wettelijk gekoppeld aan een aangewezen warmtetransportbeheerder.

Warmtenet: primair distributienet

61. Onder materiële vaste activa primair distributienet vallen activa behorende tot of die worden gebruikt voor:

a) het deel van een warmtenet dat warmte distribueert vanaf een transportleiding of rechtstreeks vanaf een warmtebron naar een of meerdere grootverbruikers of onderstations van secundaire distributienetten;

4 — Activa, kosten en opbrengsten › 4.1 — Activa › 4.1.2 — Materiële vaste activa

4.1.2 — Materiële vaste activa (deel 2)

b) overdrachtsstations die warmte overdragen van een transportleiding naar het primair distributienet; en

c) activa die verband houden met het primair distributienet, bijvoorbeeld activa ten behoeve van balanshandhaving, monitoring of waterkwaliteitsbewaking van het primair distributienet.

Warmtenet: secundair distributienet

62. Onder materiële vaste activa secundair distributienet vallen activa behorende tot of die worden gebruikt voor:

a) het deel van een warmtenet dat warmte distribueert vanaf een onderstation naar leveringsaansluitingen;

b) het geheel van een warmtenet waarin geen onderscheid tussen transportleiding, primair distributienet en secundair distributienet bestaat;

c) overdrachtsstations die warmte overdragen van een primair distributienet naar een secundair distributienet;

d) activa die verband houden met een secundair distributienet, bijvoorbeeld activa ten behoeve van balanshandhaving, monitoring of waterkwaliteitsbewaking van het secundair distributienet;

e) een individuele leveringsaansluiting;

f) een centrale leveringsaansluiting; en

g) warmte- en koudeopslag (WKO) bij temperatuurcategorieën c en g (ZLT).

4 Uitzondering op de regel dat opslag onder ‘Warmtebron en opslag’ valt, doordat ZLT-netten uitsluitend vastrecht kennen. Daardoor heeft een ZLT-net geen activa die onder ‘Warmtebron en opslag’ vallen.

Overige activa: warmtebron en opslag

63. Onder materiële vaste activa warmtebron en opslag vallen:

a) installatie(s) waar thermische energie vrijkomt of thermische energie geconverteerd wordt (bijvoorbeeld warmtepompen, e-boilers, back-up ketels, boosters);

b) installatie(s) waar thermische energie wordt opgeslagen, indien deze installatie onderdeel is van, of verbonden is aan een installatie bedoeld onder a) en geen warmte- en koudeopslag is bij temperatuurcategorieën c en g (ZLT);

5 Voorbeelden: opslag in tanks, putten of hoge-temperatuur aquifers, warmtebatterij, e-boilers, WKO in een LT/MT/HT-net

c) activa die dienen voor het instandhouden van de warmtebron of de opslag;

d) gebouwen en andere vaste activa behorende bij warmtebron en opslag; en

e) technische ruimtes en de activa in de technische ruimtes.

Overige activa: productienet

64. Onder materiële vaste activa productienet vallen een productienet en activa die dienen ter instandhouding van het productienet.

Overige activa: inpandig leidingstelsel

65. Onder materiële vaste activa inpandig leidingstelsel vallen een inpandig leidingstelsel en activa die dienen ter instandhouding van het inpandig leidingstelsel.

Overige activa: afleverset

66. Onder activa afleverset vallen in ieder geval:

a) activa waaruit de afleverset bestaat, inclusief warmtemeter; en

b) activa die dienen ter instandhouding van de afleverset.

Overige activa: niet afzonderlijk benoemde materiële vaste activa

67. Onder niet afzonderlijk benoemde materiële vaste activa vallen in ieder geval:

a) kantoorpand en inventaris;

b) terreinen; en

c) vervoermiddelen.

4 — Activa, kosten en opbrengsten › 4.1 — Activa › 4.1.3 — Immateriële vaste activa

4.1.3 — Immateriële vaste activa

68. Het warmtebedrijf rubriceert investeringen in immateriële vaste activa als volgt:

a) kosten van onderzoek en ontwikkeling (voor zover niet geactiveerd als onderdeel van materiële vaste activa);

b) software; en

c) overige immateriële vaste activa.

69. Onder software vallen gekochte en zelfontwikkelde programmatuur. Software die niet separeerbaar is, bijvoorbeeld omdat deze software integraal onderdeel uitmaakt van een machine, valt onder de materiële vaste activa.

70. Niet alle uitgaven ter verkrijging, ontwikkeling, onderhoud of verbetering van immateriële vaste activa voldoen aan de criteria van activering. Indien de uitgaven niet voldoen aan de activeringscriteria dan dienen deze kosten te worden verantwoord als operationele kosten. De volgende uitgaven mogen in geen geval geactiveerd worden:

a) Uitgaven voor trainingsactiviteiten;

b) Uitgaven voor reorganisatie van (een deel van) de onderneming; en

c) Jaarlijkse licentiekosten.

71. Goodwill wordt in de reguleringsdata niet geactiveerd. Dit geldt zowel voor zelf vervaardigde als van derden verkregen goodwill. Goodwill is namelijk per definitie geen actief dat wordt aangewend voor uitvoering van de wettelijke taken van een warmtebedrijf. Al dan niet intern ontwikkelde merken, logo’s, klantenbestanden en gelijksoortige items dienen niet te worden geactiveerd.

72. Bij een fusie of overname worden immateriële vaste activa gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs op het moment van de overname. Ontstane goodwill bij een overname, of intern geproduceerde goodwill, mag in geen geval worden geactiveerd.

73. In de toelichting bij de reguleringsdata wordt de inhoud van de opgenomen immateriële vaste activa afdoende beschreven. Hierbij moet in ieder geval ingegaan worden op welke wijze wordt voldaan aan de activeringscriteria.

Waardering immateriële vaste activa

74. De randnummers 55 tot en met 57 zijn van toepassing op de waardering van de immateriële vaste activa.

4 — Activa, kosten en opbrengsten › 4.2 — Kosten

4.2 — Kosten

75. De totale kosten van het warmtebedrijf bestaan uit:

a) afschrijvingen en amortisatie;

b) financiële baten en lasten;

c) vennootschapsbelasting; en

d) operationele kosten.

Operationele kosten

76. De operationele kosten van een warmtebedrijf bestaan uit:

a) inkoopkosten energie; en

b) algemene operationele kosten.

77. De algemene operationele kosten bestaan uit:

a) onderhoudskosten (inclusief onderhoudspersoneel);

b) personeelskosten (exclusief onderhoudspersoneel);

c) kosten voor bestuurlijke boete, lasten onder dwangsom en schadevergoedingen; en

d) overige operationele kosten.

78. Het warmtebedrijf administreert en rapporteert de inkoopkosten energie apart per energiesoort (gas/elektriciteit/biomassa/warmte/overig) en of deze bedoeld zijn voor de productie van warmte of voor het functioneren van het warmtenet.

79. Vrijval van de EAB, de KDB en gepassiveerde subsidies wordt afzonderlijk opgegeven en niet gesaldeerd met afschrijvingen.

80. Het warmtebedrijf geeft de kosten bruto op, in die zin dat deze kosten en eventuele overige opbrengsten niet gesaldeerd worden (zie ook randnummer 92).

81. De algemene operationele kosten worden berekend zonder de kosten van intern geproduceerde activa (in aanbouw), waaronder geactiveerde onderhoudskosten.

82. Het warmtebedrijf specificeert het verloop van de voorzieningen in de toelichting.

4 — Activa, kosten en opbrengsten › 4.3 — Opbrengsten

4.3 — Opbrengsten

83. De opbrengsten dienen in de volgende posten te worden gerubriceerd:

a) opbrengsten variabele leveringstarieven;

b) opbrengsten vaste leveringstarieven;

c) opbrengsten huurtarieven afleversets;

d) opbrengsten afsluitbijdrage;

e) opbrengsten meters;

f) opbrengsten subsidies; en

g) overige opbrengsten.

84. De volumes zijn samengesteld uit de volgende componenten: de gefactureerde volumes voor het boekjaar en de aanvullende raming voor het boekjaar. De gefactureerde capaciteit/volumes die zijn toegerekend aan het boekjaar en de aanvullende raming van het volume voor het boekjaar komen overeen met de volumes die zijn gehanteerd in de financiële administratie/jaarrekening van het warmtebedrijf over het boekjaar.

85. Onder ‘opbrengsten variabele leveringstarieven’ vallen:

a) opbrengsten uit variabele leveringstarieven per gigajoule gebaseerd op gefactureerde volumes en aanvullende raming van de volumes;

b) correcties voor afloopverschillen, te weten de correcties op raming van opbrengsten.

86. Onder ‘opbrengsten vaste leveringstarieven’ vallen:

a) opbrengsten uit vaste leveringstarieven voor het transport, de levering en de aansluiting van warmte;

b) correcties voor afloopverschillen, te weten de correcties op raming van opbrengsten.

87. Onder ‘opbrengsten huurtarieven afleversets’ vallen: opbrengsten uit periodieke bijdragen tegen de door de ACM in het tariefbesluit voor het boekjaar vastgestelde maximum huurtarieven voor afleversets.

88. Onder ‘opbrengsten afsluitbijdrage’ vallen: opbrengsten uit afsluitbijdragen tegen de door de ACM in het tariefbesluit voor het boekjaar vastgestelde maximum tarieven voor afsluitingen.

89. Onder ‘opbrengsten meters’ vallen: opbrengsten uit meters tegen de door de ACM in het tariefbesluit voor het boekjaar vastgestelde maximum tarieven voor meters.

90. Onder ‘opbrengsten subsidies’ vallen: subsidies, voor zover toerekenbaar aan het boekjaar, met uitzondering van vrijval gepassiveerde subsidies.

91. Onder ‘overige opbrengsten’ vallen: overige opbrengsten die niet door de ACM worden gereguleerd maar wel verband houden met de activiteiten van het warmtebedrijf (bijv. verkoop elektriciteit of warmte).

92. In de reguleringsdata dienen eventuele overige opbrengsten bruto te worden opgegeven en dienen dus niet op voorhand te worden gesaldeerd met de operationele kosten (zie ook randnummer 80).

5 — Kostentoerekening › 5.1 — Inleiding en algemene uitgangspunten

5.1 — Inleiding en algemene uitgangspunten

93. Onder het begrip kostentoerekening valt de toerekening van kosten, opbrengsten, activa en gepassiveerde bijdragen van derden.

94. De kostentoerekening is top-down en start vanuit de integrale kosten, opbrengsten, activa en gepassiveerde bijdragen van derden van een warmtebedrijf. De kostentoerekening houdt er rekening mee dat er warmtebedrijven zijn die zowel collectieve warmtevoorzieningen (CWV) als kleine collectieve warmtesystemen (KCW) omvatten.

95. De kostentoerekening bevat vier stappen:

• Stap 1: splitsing CWV en KCW.

• Stap 2: per warmtekavel, per CWV en per temperatuurcategorie.

• Stap 3: toerekening aan activiteiten.

• Stap 4: per activiteit een toerekening naar afnemersgroepen.

Bijlage 1 bevat een schematische weergave van de kostentoerekening.

96. Kosten, opbrengsten, activa en gepassiveerde bijdragen van derden dienen in eerste instantie zo veel mogelijk direct toegerekend te worden op basis van aantoonbare causaliteit (‘directe kosten’). Sommige kosten, opbrengsten, activa en gepassiveerde bijdragen van derden zijn mogelijk niet direct gekoppeld aan een activiteit of gereguleerd/ongereguleerd in de administratie, bijvoorbeeld door het ontbreken van een urenadministratie. Als het warmtebedrijf een betrouwbare schatting kan maken, moeten deze kosten alsnog als directe kosten worden beschouwd.

97. Kosten, opbrengsten, activa en gepassiveerde bijdragen van derden die niet causaal verband houden met en daardoor niet direct kunnen worden toegerekend aan CWV’s en KCW’s (stap 1), CWV’s per temperatuurcategorie en warmtekavel (stap 2), activiteiten (stap 3) of afnemersgroepen (stap 4), worden alsnog toegerekend door toepassing van verdeelsleutels.

Hierbij gebruikt het warmtebedrijf de volgende criteria:

a) Reflectie inzet productiemiddelen: de verdeelsleutels per kostensoort dienen zo veel mogelijk de inzet van de onderliggende ‘productiemiddelen’ te reflecteren. Deze RAR gebruiken hiervoor een lichte variant van activity based costing. Activity based costing gaat ervan uit dat activiteiten kosten veroorzaken. Direct aan activiteiten toerekenbare kosten worden daarbij ook direct toegerekend aan de betreffende activiteiten. Bij zorgvuldig toepassen van activity based costing is de omvang van indirect toe te rekenen kosten beperkt;

b) Verdeelsleutels dienen consistent (door de tijd, eenduidig voor verschillende tariefcategorieën, eenduidig voor verschillende toepassingen), afdoende beargumenteerd en toereikend gedocumenteerd te zijn; en

c) De toepassing van verdeelsleutels is transparant. Dit wil zeggen dat duidelijk is welke indirecte kosten door middel van verdeelsleutels worden toegerekend, wat de samenstelling (parameters) van de verdeelsleutels is en welke onderliggende waarden zijn gebruikt voor de berekening van de verdeelsleutels.

98. Ten behoeve van een juiste kostentoerekening gelden de voorgaande twee randnummers eveneens voor de kostentoerekening vanuit een ander niveau (bijvoorbeeld bij een groepsmaatschappij).

5 — Kostentoerekening › 5.2 — Stap 1: kostentoerekening naar CWV en KCW

5.2 — Stap 1: kostentoerekening naar CWV en KCW

99. Een warmtebedrijf gebruikt een kostentoerekening naar CWV en KCW.

100. Warmtebedrijven rekenen de activa, gepassiveerde bijdragen van derden, opbrengsten en kosten zoveel als mogelijk direct toe naar CWV en KCW.

101. Warmtebedrijven rekenen de indirecte activa/gepassiveerde bijdragen van derden/opbrengsten en kosten toe naar rato van de directe kosten. Directe kosten zijn direct toegerekende operationele kosten, exclusief inkoopkosten voor energieproducten.

5 — Kostentoerekening › 5.3 — Stap 2: kostentoerekening in een warmtekavel per CWV en temperatuurcategorie

5.3 — Stap 2: kostentoerekening in een warmtekavel per CWV en temperatuurcategorie

102. Een warmtebedrijf gebruikt een kostentoerekening die de kosten van alle CWV als volgt toerekent:

1. Substap 1: per warmtekavel waarvoor het warmtebedrijf is aangewezen.

2. Substap 2: per CWV in een warmtekavel.

3. Substap 3: per temperatuurcategorie in een CWV.

103. Warmtebedrijven rekenen de activa, gepassiveerde bijdragen van derden, opbrengsten en kosten zoveel als mogelijk direct toe per warmtekavel, per CWV en per temperatuurcategorie.

104. Warmtebedrijven rekenen de indirecte activa, gepassiveerde bijdragen van derden, opbrengsten en kosten per substap toe naar rato van de directe kosten. Directe kosten zijn direct toegerekende operationele kosten, exclusief inkoopkosten voor energieproducten.

5 — Kostentoerekening › 5.4 — Stap 3: kostentoerekening naar activiteiten

5.4 — Stap 3: kostentoerekening naar activiteiten

105. De kostentoerekening bevat vijf verschillende activiteiten:

1. Productie en inkoop van thermische energie;

2. Transport en distributie van thermische energie;

3. Verkoop en klantcontact;

4. Ontwikkeling nieuwe netten; en

5. Werk voor derden en diversen.

106. De activiteit productie en inkoop van thermische energie met de bijbehorende activacategorieën zijn niet van toepassing op temperatuurcategorieën c en g (ZLT). De reden is dat voor deze temperatuurcategorieën geen gebruiksafhankelijk tarief van toepassing is onder de Wcw.

5 — Kostentoerekening › 5.4 — Stap 3: kostentoerekening naar activiteiten › 5.4.1 — Productie en inkoop van thermische energie

5.4.1 — Productie en inkoop van thermische energie

107. Activiteiten gerelateerd aan productie en inkoop van thermische energie definieert de ACM als volgt:

a) Het in bezit hebben, exploiteren, en/of onderhouden van een installatie waar thermische energie vrijkomt of thermische energie geconverteerd wordt (bijvoorbeeld warmtepompen, e-boilers, back-up ketels);

b) Het in bezit hebben, exploiteren en/of onderhouden van een installatie waar thermische energie wordt opgeslagen, indien deze installatie onderdeel is van, of verbonden is aan een installatie bedoeld onder a) (bijvoorbeeld opslag in tanks, putten of hoge-temperatuur aquifers, warmtebatterij, e-boilers);

c) Het inkopen van energievormen (bijvoorbeeld gas, elektriciteit, biomassa, afval) die bedoeld zijn als brandstof of input voor de installatie onder a) of die bedoeld zijn voor de werking van een net (bijvoorbeeld pompenergie);

d) Het verkopen van andere energievormen dan thermische energie (bijvoorbeeld elektriciteit) die vrijkomt bij gebruik van de installatie onder a) of die bedoeld was als brandstof of input voor de installatie onder a), maar overtollig was;

e) Het aangaan van een verplichting tot levering en/of afname van energie voor een moment in de toekomst, dan wel het innemen van een financiële positie jegens die verplichting (dit omvat alle vormen van energiehandel gericht op de productie van warmte, zoals genoemd onder c) en d));

f) Het afdekken van volumerisico’s en prijsrisico’s, door middel van financiële producten of anderszins, gericht op de verplichting genoemd onder e);

g) Het aanvragen en ontvangen van subsidies of bijdragen van derden die gericht zijn op i) de productie van thermische energie, ii) de installaties bedoeld onder a) en b). of iii) het afdekken van risico’s die volgen uit activiteiten a) tot en met f);

h) Andere activiteiten die onlosmakelijk verbonden zijn aan de productie van thermische energie (bijvoorbeeld waterbehandeling);

i) Het inkopen van thermische energie ten behoeve van levering van thermische energie aan afnemers;

j) Het aangaan van een verplichting tot levering en/of afname van thermische energie voor een moment in de toekomst, dan wel het innemen van een financiële positie jegens die verplichting (dit omvat alle vormen van energiehandel gericht op de levering van warmte); en

k) Het afdekken van volumerisico’s en prijsrisico’s, door middel van financiële producten of anderszins, gericht op de verplichting genoemd onder j).

108. De volgende activacategorieën vallen onder de activiteit productie en inkoop van thermische energie:

• warmtebron en opslag;

• productienet.

5 — Kostentoerekening › 5.4 — Stap 3: kostentoerekening naar activiteiten › 5.4.2 — Transport en distributie van thermische energie

5.4.2 — Transport en distributie van thermische energie

109. Activiteiten gerelateerd aan transport en distributie van thermische energie definieert de ACM als volgt:

a) Het in bezit hebben, exploiteren en/of onderhouden van een warmtenet, inpandig leidingstelsel en/of afleversets;

b) Het in bezit hebben, exploiteren en/of onderhouden van een warmte- en koudeopslag bij temperatuurcategorieën c en g (ZLT);

c) Het inkopen van energievormen (m.n. elektriciteit) voor temperatuurcategorieën c en g (ZLT);

d) Het aanvragen en ontvangen van subsidies of andere bijdragen van derden die gericht zijn op de assets bedoeld onder a); en

e) Andere activiteiten die onlosmakelijk verbonden zijn aan de transport/distributie van thermische energie, waaronder aansluiten en afsluiten.

110. De volgende activacategorieën vallen onder de activiteit transport en distributie van thermische energie:

• transportleiding;

• primair distributienet;

• secundair distributienet;

• inpandig leidingstelsel;

• afleverset; en

• WKO bij temperatuurcategorieën c en g (ZLT).

111. Afleversets kunnen een warmtemeter bevatten. Voor deze RAR hoeft een warmtebedrijf een dergelijke warmtemeter niet separaat toe te rekenen.

112. Indien een warmtenet verschillende netvlakken heeft, is cascadering van toepassing. Voor netten die in gebruik zijn genomen vanaf 1 januari 2027, dient het warmtebedrijf de kosten voor de verschillende netvlakken direct toe te rekenen. Voor netten die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2027, kan het warmtebedrijf gebruikmaken van schattingen (bijvoorbeeld op basis van technische of operationele gegevens) indien het warmtebedrijf de kosten niet direct kan toerekenen.

113. Cascadering is ook van toepassing indien een warmtenet warmte levert aan ongereguleerde verbruikers, namelijk (i) de levering van warmte voor industriële processen of productieprocessen of (ii) de levering van warmte die niet hoofdzakelijk geleverd wordt ten behoeve van ruimteverwarming en warm tapwater (in het algemeen tuinders). De kosten van ongereguleerde verbruikers dienen buiten de gereguleerde kosten gehouden te worden.

114. Ten behoeve van cascadering behoren activa uit de activacategorieën “inpandig leidingstelsel”, “afleverset” en “WKO bij temperatuurcategorieën c en g (ZLT)” tot het netvlak waarop deze activa zijn aangesloten.

115. Eenmalige bijdragen van derden, waaronder KDB en subsidies, vallen onder transport en distributie. Uitsluitend indien eenmalige bijdragen van derden aantoonbaar betrekking hebben een andere activiteit, vallen deze bijdragen onder desbetreffende activiteit.

6 Dit volgt uit artikel 7.11 lid 5 en lid 6 Bcw (versie 29 mei 2026).

5 — Kostentoerekening › 5.4 — Stap 3: kostentoerekening naar activiteiten › 5.4.3 — Verkoop en klantcontact

5.4.3 — Verkoop en klantcontact

116. Activiteiten gerelateerd aan verkoop en klantcontact definieert de ACM als volgt:

a) Het afsluiten van leveringsovereenkomsten met gereguleerde en ongereguleerde afnemers;

b) Het bemeteren van gereguleerde en ongereguleerde afnemers;

c) Het opmaken en versturen van facturen aan gereguleerde en ongereguleerde afnemers;

d) Incassoactiviteiten of afboekingen met betrekking tot dubieuze debiteuren;

e) Het beheren van aanspreekpunten waar klanten contact op kunnen nemen met het warmtebedrijf;

f) Het afhandelen van gemelde klachten of storingen, niet zijnde werkzaamheden met betrekking tot installaties die vallen onder distributie;

g) Communicatie richting afnemers over relevante ontwikkelingen, zoals geplande werkzaamheden storingscompensatie, of vaststellen van tarieven; en

h) Het verkrijgen, vervaardigen en beheren van software, primair bedoeld ter ondersteuning van de activiteiten genoemd in a) tot en met g). Hieronder valt ook software waarmee afnemers inzicht kunnen krijgen in hun situatie, bijvoorbeeld een klantenportaal.

117. Een desinvestering als gevolg van de beëindiging van de ontwikkeling van een nieuw net valt niet onder verkoop en klantcontact.

5 — Kostentoerekening › 5.4 — Stap 3: kostentoerekening naar activiteiten › 5.4.4 — Ontwikkeling nieuwe warmtenetten

5.4.4 — Ontwikkeling nieuwe warmtenetten

118. Hieronder vallen activiteiten die een warmtebedrijf verricht om nieuwe warmtenetten te realiseren:

a) De aanleg van installaties behorende bij het te realiseren warmtenet;

b) Het verkrijgen van subsidies of bijdragen bedoeld om eenmalige kosten in de ontwikkelingsfase af te dekken;

c) Het verkrijgen van subsidies of bijdragen bedoeld om investeringen in het te realiseren warmtenet af te dekken;

d) Het verrichten van administratieve handelingen, zoals het opmaken en goedkeuren van een businesscase, voor het nieuwe net;

e) Het voeren van onderhandelingen met gemeenten, projectontwikkelaars, leveranciers/eigenaren van potentiële bronnen en potentiële afnemers aangaande overeenkomsten met betrekking tot het te realiseren warmtenet;

f) Desinvesteringen die ontstaan als gevolg van de beëindiging van de ontwikkeling van een nieuw net; en

g) Het verkrijgen van subsidies of bijdragen bedoeld om de kosten van desinvesteringen, zoals genoemd onder f), te dekken.

119. Uitbreidingen van bestaande netten vallen niet onder ontwikkeling nieuwe netten, tenzij er een uitgewerkt kavelplan is gemaakt voor de uitbreiding.

120. Er is sprake van een nieuw net totdat de eerste leveringsaansluiting in gebruik is genomen.

121. De kosten/opbrengsten/activa/gepassiveerde bijdragen van derden voor ontwikkeling van nieuwe warmtenetten bestaan uit o.a. uit activa in aanbouw, operationele kosten en subsidie(opbrengsten). Bij ingebruikname van een nieuw net vindt activering van de boekwaarde plaats bij bestaande netten.

5 — Kostentoerekening › 5.4 — Stap 3: kostentoerekening naar activiteiten › 5.4.5 — Werk voor derden en diversen

5.4.5 — Werk voor derden en diversen

122. Werk voor derden en diversen zijn activiteiten die een warmtebedrijf verricht, die niet vallen onder wettelijk voorgeschreven taken voor aangewezen warmtebedrijven en geen enkele relatie hebben met KCW (reeds toegerekend via stap 1), zoals:

• Dienstverlening aan een ander warmtebedrijf, waaronder administratie, consultancy en onderhoud;

• Verhuur van warmtepompen;

• Verkoop van elektriciteit, gas en water

7 Dit komt bij hoge uitzondering voor, doordat (historisch) een warmtebedrijf de hoofdaansluiting elektriciteit/gas/water heeft en dit doorlevert aan afnemers. Verkoop van elektriciteit door productie vanuit een WKK valt hier niet onder.

, voor zover er geen verband is met productie van warmte;

• Deelnemingen in vennootschappen die geen wettelijk voorgeschreven taken verrichten;

• Overige ongereguleerde activiteiten.

123. Een warmtebedrijf rekent zowel de opbrengsten als de bijbehorende (in)directe kosten per soort niet wettelijk voorgeschreven taak toe aan de activiteit werk voor derden en diversen.

124. Als de kosten van overige werkzaamheden onlosmakelijk verbonden zijn met een van de activiteiten gedefinieerd onder paragrafen 5.4.1 tot en met 5.4.4, dan behoren zowel de kosten als de opbrengsten uit deze werkzaamheden tot die activiteit. Een voorbeeld daarvan is warmtelevering aan afnemers die niet onder de Wcw vallen (ongereguleerde afnemers).

5 — Kostentoerekening › 5.4 — Stap 3: kostentoerekening naar activiteiten › 5.4.6 — Toerekening indirecte posten aan activiteiten

5.4.6 — Toerekening indirecte posten aan activiteiten

125. Warmtebedrijven moeten zoveel als mogelijk hun kosten direct toerekenen aan één van de vijf activiteiten zoals gedefinieerd in paragrafen 5.4.1 tot en met 5.4.5. Dat betekent dus ook dat personeel op basis van de door hen uitgevoerde werkzaamheden ingedeeld moet worden naar één van de vijf activiteiten, zo nodig (bijvoorbeeld bij ontbreken urenregistratie) op basis van een onderbouwde schatting door het betreffende personeel of de leidinggevenden. Voor een relatief klein deel van de kosten zal een toerekening naar één van de vijf activiteiten onhaalbaar zijn, zoals:

• ondersteunende functies;

8 Ondersteunend personeel (bv. HRM/bedrijfsvoering), Informatievoorziening, Organisatie, Financiën, Administratieve organisatie, Communicatie, Huisvesting en facilitaire zaken (PIOFACH)

• directie, bestuur en commissarissen.

126. Alle kosten, activawaarde en opbrengsten die niet direct onder één van de vijf activiteiten vallen dienen toegerekend te worden aan de vijf activiteiten. De verdeelsleutel hiervoor is naar rato van operationele kosten per activiteit exclusief inkoopkosten voor energieproducten. Deze vormt namelijk een indicatie van de inzet van middelen naar activiteiten.

5 — Kostentoerekening › 5.5 — Stap 4: Toerekening indirecte kosten aan afnemersgroepen per activiteit

5.5 — Stap 4: Toerekening indirecte kosten aan afnemersgroepen per activiteit

127. De kostentoerekening onderscheidt vijf afnemersgroepen:

1. Kleinverbruikers woningen | Kleinverbruikers waarbij de levering van warmte aan een woning plaatsvindt.

2. Kleinverbruikers niet-woningen | Kleinverbruikers waarbij de levering van warmte niet aan een woning plaatsvindt. Bijvoorbeeld: utiliteit.

3. Grootverbruikers doorlevering | Grootverbruikers met doorlevering van warmte, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wet collectieve warmte. Hieronder vallen woningcorporaties en verenigingen van eigenaren.

4. Grootverbruikers niet-doorlevering | Grootverbruikers zonder doorlevering van warmte.

5. Ongereguleerd | Levering van warmte voor industriële processen of productieprocessen of de levering van warmte die niet hoofdzakelijk geleverd wordt ten behoeve van ruimteverwarming en warm tapwater.

5 — Kostentoerekening › 5.5 — Stap 4: Toerekening indirecte kosten aan afnemersgroepen per activiteit › 5.5.1 — Productie en inkoop van thermische energie

5.5.1 — Productie en inkoop van thermische energie

Verdeling op basis van afzet

128. Alle activa/gepassiveerde bijdragen van derden en operationele kosten/opbrengsten met betrekking tot productie en inkoop van thermische energie, die niet direct toegerekend kunnen worden aan kleinverbruikers, grootverbruikers of ongereguleerd, dienen per type CWV verdeeld te worden op basis van de ratio van afzet.

129. In afwijking van het voorgaande randnummer, mag het warmtebedrijf bij CWV’s met een duidelijke scheiding tussen basislast- en pieklastproductie als volgt toerekenen tussen afnemersgroepen:

• Alle activa/gepassiveerde bijdragen van derden en operationele kosten/opbrengsten met betrekking tot productie en inkoop van thermische energie voor basislastproductie, die niet direct toegerekend kunnen worden aan afnemersgroepen, dienen verdeeld te worden op basis van het basislastverbruik van een afnemersgroep.

• Alle activa/gepassiveerde bijdragen van derden en operationele kosten/opbrengsten met betrekking tot productie en inkoop van thermische energie voor pieklast, die niet direct toegerekend kunnen worden aan afnemersgroepen, dienen verdeeld te worden op basis van het pieklastverbruik van een afnemersgroep.

• Warmtebedrijven moeten bij toepassing van dit randnummer een toerekening laten zien op basis van de door hen gebruikte bronnen en de profielen van afnemersgroepen.

5 — Kostentoerekening › 5.5 — Stap 4: Toerekening indirecte kosten aan afnemersgroepen per activiteit › 5.5.2 — Transport en distributie van thermische energie

5.5.2 — Transport en distributie van thermische energie

Verdeling op basis van uurpiek per afnemersgroep (gemeten maximale uurvolumes in een boekjaar, gedurende drie boekjaren, per afnemersgroep)

130. Alle activa/gepassiveerde bijdragen van derden en operationele kosten/opbrengsten die niet direct toegerekend kunnen worden, met betrekking tot transport/distributie voor een bepaald netvlak, dienen verdeeld te worden per afnemersgroep op basis van de ratio van het per boekjaar gemeten maximale uurvolume per afnemersgroep in het boekjaar en de twee voorafgaande boekjaren, en vervolgens gemiddeld over de drie boekjaren. De exacte uitwerking is in formulevorm opgenomen in bijlage 2.

131. Indien sprake is van een CWV in een groeifase, waarbij de samenstelling van de afnemersgroepen aanzienlijk wijzigt, kan het warmtebedrijf de ACM verzoeken om gebruik te maken van prognoses voor het maximale uurvolume per afnemersgroep. Bij dit voorstel levert het warmtebedrijf de businesscase(s) aan van de (uitbreidingen van) de CWV’s die de veranderde samenstelling veroorzaken. De prognoses voor maximale uurvolume per afnemersgroep moeten logisch volgen uit deze buisinesscase. Wanneer de ACM met dit voorstel akkoord is, mag deze verdeling gebruikt worden in afwijking van randnummer 130.

132. Indien binnen een afnemersgroep bij een deel van de populatie geen gemeten uurdata beschikbaar zijn

9 De ACM heeft de verwachting dat dit vooral bij de afnemersgroep kleinverbruikers woningen het geval zal zijn, omdat kleinverbruikers nog niet altijd een slimme meter hebben geaccepteerd

, moeten warmtebedrijven de beschikbare meetdata van deze afnemersgroep extrapoleren naar de totale afnemersgroep.

10 Bijvoorbeeld: stel dat van 70% van de afnemersgroep kleinverbruikers woningen uurdata beschikbaar is, dan dient het warmtebedrijf de gesommeerde gemeten uurmaxima in een kalenderjaar te vermenigvuldigen met 100/70.

133. In uitzondering op randnummer 130 wordt de BAK toegerekend zoals beschreven in 5.5.2.1 en temperatuurcategorieën c en g (ZLT) zoals beschreven in 5.5.2.2.

134. Een warmtebedrijf moet in ieder geval de activa/gepassiveerde bijdragen van derden en operationele kosten/opbrengsten voor aansluiten, afsluiten en afleversets altijd direct, zo nodig met behulp van schattingen, toerekenen.

5 — Kostentoerekening › 5.5 — Stap 4: Toerekening indirecte kosten aan afnemersgroepen per activiteit › 5.5.2 — Transport en distributie van thermische energie › 5.5.2.1 — Toerekening van de BAK

5.5.2.1 — Toerekening van de BAK

Directe toerekening

135. De ACM onderscheidt bij de toerekening van de BAK de eenmalige aansluitbijdrage (EAB) en kostendekkingsbijdrage (KDB).

• De EAB dient direct toegerekend te worden aan kleinverbruikers woningen of kleinverbruikers niet-woningen. Indien warmtebedrijven geen EAB in rekening brengen rekenen zij een deel van de KDB toe aan EAB op basis van de door de ACM vastgestelde tarieven voor EAB

11 De reden hiervoor is dat de EAB is bedoeld voor de aansluiting tussen het warmtenet in de straat en de woning. Een warmtebedrijf maakt daar altijd kosten voor, ook al rekent hij dit door in de KDB in plaats van de EAB. De exacte berekening bevat een schattingselement op basis van de ACM tarieven in een bepaald jaar en de afschrijving op de BAK.

;

• De KDB komt tussen partijen tot stand om een eventueel financieel tekort in de business case van het warmtebedrijf te compenseren. De bijdrage is bedoeld voor het terugverdienen van de aanlegkosten van het warmtenet;

• De KDB dient direct toegerekend te worden aan een afnemersgroep indien deze KDB is overeengekomen met een (rechts)persoon die valt onder een afnemersgroep of indien deze zijn toegerekend op grond van het vorige punt;

• De KDB die een projectontwikkelaar betaalt voor een project met uitsluitend één afnemersgroep dient te worden toegerekend aan die afnemersgroep.

Indirecte toerekening: Standaard op basis van aantal leveringsaansluitingen

136. Indien de KDB niet is betaald door een projectontwikkelaar en als het warmtebedrijf geen informatie beschikbaar heeft over wie de (resterende, niet direct toegerekende) BAK heeft betaald, dan dient deze te worden toegerekend op basis van het aantal leveringsaansluitingen.

Indirecte toerekening: Onder voorwaarden op basis van uurpiek per afnemersgroep

137. Indien de KDB is betaald door een projectontwikkelaar, dan kan de KDB toegerekend worden op basis van de ratio van de maximale uurvolumes in een boekjaar, gedurende drie boekjaren, per afnemersgroep. Voorwaarden hiervoor zijn dat:

• de projectontwikkelaar een opdracht heeft gegeven om een project voor zowel kleinverbruikers als grootverbruikers te realiseren;

• het warmtebedrijf kan identificeren welke leveringsaansluitingen zijn gerealiseerd als onderdeel van het project waarvoor deze KDB is overeengekomen.

138. Toerekening op basis van uurpiek per afnemersgroep van KDB die aan de voorwaarden in randnummer 137 voldoet gebeurt op basis van de uurpiek per afnemersgroep van afnemers wiens leveringsaansluitingen behoren tot het project waarvoor deze KDB is overeengekomen. Uurpiek per afnemersgroep van een afnemer wordt berekend conform de voorschriften als vermeld in randnummers 130 en 131.

5 — Kostentoerekening › 5.5 — Stap 4: Toerekening indirecte kosten aan afnemersgroepen per activiteit › 5.5.2 — Transport en distributie van thermische energie › 5.5.2.2 — Toerekening bij temperatuurcategorieën c en g (ZLT)

5.5.2.2 — Toerekening bij temperatuurcategorieën c en g (ZLT)

139. In uitzondering op randnummer 130 worden alle activa/gepassiveerde bijdragen van derden en operationele kosten/opbrengsten met betrekking tot temperatuurcategorie c toegerekend op basis van de contractueel overeengekomen aansluitcapaciteit voor (ZLT) warmtelevering.

140. In uitzondering op randnummer 130 worden alle activa/gepassiveerde bijdragen van derden en operationele kosten/opbrengsten met betrekking tot temperatuurcategorie g toegerekend op basis van de hoogste van de volgende twee waarden:

• De contractueel overeengekomen aansluitcapaciteit voor (ZLT) warmtelevering.

• De contractueel overeengekomen aansluitcapaciteit voor koudelevering.

5 — Kostentoerekening › 5.5 — Stap 4: Toerekening indirecte kosten aan afnemersgroepen per activiteit › 5.5.3 — Verkoop en klantcontact

5.5.3 — Verkoop en klantcontact

Verdeling op basis van uitgevoerde werkzaamheden per afnemersgroep

141. Alle activa/gepassiveerde bijdragen van derden en kosten/opbrengsten, die niet in eerste instantie direct toegerekend kunnen worden, met betrekking tot verkoop en klantcontact dienen op basis van activity based costing verdeeld te worden op basis van uitgevoerde werkzaamheden per afnemersgroep door het personeel dat betrokken is bij verkoop en klantcontact, zo nodig (bijvoorbeeld bij ontbreken urenregistratie) op basis van een onderbouwde schatting door het betreffende personeel of de leidinggevenden.

6 — Slotbepalingen › 6.1 — Inwerkingtreding

6.1 — Inwerkingtreding

142. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

143. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst.

Bijlage 2 — Toelichting bij kostentoerekening › Toelichting bij paragraaf 5.4.1 – Activiteit productie en inkoop van thermische energie

Toelichting bij paragraaf 5.4.1 – Activiteit productie en inkoop van thermische energie

Een thermische installatie om energie op te slaan valt onder productie, omdat het hoofddoel van een dergelijke installatie het leveren van warmte is. Het is evident dat opslag ook plaatsvindt in het netwerk, maar het netwerk valt onder een andere activiteit. Het netwerk is immers primair gedimensioneerd op de benodigde afname van warmte en niet (primair) op maximaliseren van de efficiëntie van productie, door bijvoorbeeld een e-boiler in te zetten op momenten met negatieve stroomprijzen en levering van die warmte op een ander moment te doen;

Voor alle genoemde activiteiten m.u.v. i) geldt dat deze ook buiten de vergunninghouder belegd kunnen worden. In dat geval maken deze activiteiten géén onderdeel uit van het warmtebedrijf waarop het toezicht is ingericht (i.t.t. de distributie van warmte, is productie geen verplicht onderdeel van de rechtspersoon waarop de vergunning rust);

ACM beschouwt warmteverliezen niet als een losse ‘activiteit’ of dienst. In dit geval betekent dit dat het warmtebedrijf x % meer thermische energie moet invoeden dan dat verkocht kan worden. De ‘kosten’ hiervan komen terug in de vorm van hogere benodigde hoeveelheden warmte of andere energie t.b.v. productie. Administratieve netverliezen en meetfouten komen zodoende ook terecht in de post ‘kosten productie en inkoop thermische energie’, aangezien ze niet kunnen worden gefactureerd. Meetfouten die gecorrigeerd en dus gefactureerd kunnen worden, of bijvoorbeeld kosten van fraude en leegstand die in rekening worden gebracht, worden onderdeel van de kosten van ‘verkoop en klantcontact’, net als wanbetaling.

Bijlage 2 — Toelichting bij kostentoerekening › Toelichting bij paragraaf 5.4.2 – Activiteit transport en distributie van thermische energie

Toelichting bij paragraaf 5.4.2 – Activiteit transport en distributie van thermische energie

Voor deze activiteit wordt cascadering verplicht gesteld indien een warmtenet verschillende netvlakken heeft. Op deze manier betaalt de groep van afnemers op een hoger netvlak (bijv. het transportnet) niet voor kosten van het groep van afnemers op een lager netvlak (bijv. het secundair distributienet). Hiermee wordt de kostenreflectiviteit van de tarieven verhoogd. Cascadering is vergelijkbaar met hoe dit wordt toegepast bij de tariefregulering voor elektriciteitsnetten. Netvlakken krijgen een rangorde van hoog (transportnet) naar laag (secundair distributienet). Wanneer een warmtenet bijvoorbeeld drie netvlakken heeft (A, B en C, van hoog naar laag), geldt dat een afnemer op netvlak B uitsluitend kosten veroorzaakt van netvlak A en B, terwijl een afnemer op netvlak C voor het gehele net (A+B+C) kosten veroorzaakt.

Een zuivere kostentoerekening houdt bijvoorbeeld in dat ongereguleerde verbruikers (tuinders/industrie) op een transportnet (A) niet betalen voor de kosten van het primaire en secundaire net (B en C) waar consumenten gebruik van maken.

Bijlage 2 — Toelichting bij kostentoerekening › Toelichting bij paragraaf 5.5.1 – Toerekening productie en inkoop van thermische energie

Toelichting bij paragraaf 5.5.1 – Toerekening productie en inkoop van thermische energie

De mate waarin geleverde warmte wordt afgenomen door verschillende typen afnemers is een eerlijke verdeelsleutel voor de toerekening van kosten en activawaarde van deze activiteit aan de verschillende typen afnemers.

In veel gevallen hebben warmtebedrijven meerdere bronnen die thermische energie produceren voor hetzelfde net. De ACM kan zich enkele situaties voorstellen waarin een toerekening op basis van de totale afzet in GJ niet precies tot een eerlijke verdeling van de kosten van alle bronnen leidt. Mogelijk zou een specifiekere toerekening van de kosten per (type) bron tot een preciezere kostentoerekening leiden.

Redenen om een bepaald (type) bron toe te rekenen op basis van afzet van deze bron / dat type bron kunnen zijn:

• Soms zijn specifieke bronnen uitsluitend bestemd voor specifieke (typen) afnemers. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn in situaties waarin bepaalde typen afnemers een lagere ‘service level agreement’, bijvoorbeeld een non-firm contract (afschakelbare leveringsaansluiting, waarbij in een schriftelijke overeenkomst is opgenomen dat het warmtebedrijf de warmtelevering kan onderbreken, ook indien geen sprake is van een storing met inbegrip van onderhoud), hebben afgesloten met het warmtebedrijf dan standaard geldt;

• Een zwembad zal 24/7 warmte nodig hebben wat een vlak profiel geeft. Daardoor kan het zijn dat een zwembad uitsluitend gebruik maakt van productie-installaties voor de basislast en geen gebruik maakt van piekinstallaties;

• Warmteverliezen zorgen ook voor een vlak profiel. RVO rapporteert over 2024 een gemiddeld warmteverlies van 29%

12 Overzicht duurzaamheid warmtenetten 2024, RVO

. De fijnvermaasde secundaire netten voor kleinverbruikers zullen een aanzienlijk deel daarvan veroorzaken waardoor zij ook structureel gebruikmaken van basislast;

• Soms zijn (vaak gasgestoookte) piekinstallaties ook bestemd als backup. Ook voor het zwembad en de basislast van kleinverbruikers zijn backup-installaties nodig, om de leveringszekerheid te borgen. Een zwembad behoort dus ook kosten voor de backup-installaties toegerekend te krijgen.

• Soms hebben specifieke (typen) afnemers een sterk afwijkend profiel, bijvoorbeeld wanneer zij géén warmte afnemen voor ruimteverwarming.

Het warmtebedrijf kan beredeneren dat niet toerekenbare vaste productiekosten op basis van netcapaciteit toegerekend zouden moeten worden, omdat er immers veel vaste kosten zijn om productiecapaciteit beschikbaar te houden. De ACM vindt het vanuit het oogpunt van kostentoerekening naar de afnemersgroepen eerlijker en praktischer om alle productiekosten op basis van verbruik toe te rekenen. Het warmtebedrijf kan immers inspelen op veranderingen in verbruik door multisourcing toe te passen en via optimalisatie van diverse bronnen met verschillende capex/opex de productiekosten te optimaliseren. Daarbij ontstaat er geen risico voor het warmtebedrijf: alle kosten worden verdeeld in de kostentoerekening. Een mogelijk risico ontstaat pas op het moment dat productiekosten inefficiënt zijn.

Wel kiest de ACM ervoor om warmtebedrijven de mogelijkheid te geven om een alternatief te hebben om de kosten van productie en inkoop op een andere basis dan GJ voor basislast en pieklast gecombineerd toe te rekenen. Warmtebedrijven moeten dan wel een toerekening laten zien op basis van de door hen gebruikte bronnen en de profielen van afnemers. Daaruit zal blijken in hoeverre basislast ook is toegerekend aan kleinverbruikers en in hoeverre back-up correct is toegerekend aan alle afnemersgroepen.

De situatie kan zich in de praktijk voordoen dat grootverbruikers korting krijgen op hun afname op basis van een staffel die in lijn ligt met de kortingen op de gasbelasting. ACM ziet deze kortingen niet als kostengebaseerd, en houdt bij de toerekening van kosten van energie dan ook geen rekening met deze kortingen.

De afstand tot de bron kan bij de ontwikkeling van een warmtenet een cruciale factor zijn in de bepaling van de kosten die gemaakt moeten worden om een bepaalde afnemers aan te kunnen sluiten. Dit ziet overigens vooral op netwerkkosten en in mindere mate op kosten van energie. Toch kiest de ACM ervoor om voor bestaande netten geen rekening te houden met de marginale kostenveroorzaking van specifieke afnemers op het warmtesysteem. Er is in een warmtenet altijd verschil in afstand tot een bron, en tegelijk is een bepaalde schaal (en dus ook afstand tot de bron) nodig om een warmtenet financieel haalbaar te maken, waar alle gebruikers aan bijdragen.

Bijlage 2 — Toelichting bij kostentoerekening › Toelichting bij paragraaf 5.5.2 – Toerekening transport en distributie van thermische energie

Toelichting bij paragraaf 5.5.2 – Toerekening transport en distributie van thermische energie

Inleiding

Veel delen van het net worden gebruikt door meerdere afnemersgroepen. Deze delen zijn dus niet direct toerekenbaar aan een bepaalde afnemersgroep.

In de RAR warmteleveranciers 2024 is een methodiek gehanteerd op basis van de aansluitwaarden met gelijktijdigheidsfactoren, die o.a. op VESTA Mais waren gebaseerd en ook in berekeningen voor netontwerp worden gebruikt. Dat is een vorm van de zogenaamde non-coincidental peak methode (hierna: NCP-methode), omdat er geen sprake is van berekening op basis van bijvoorbeeld de maandagochtendpiek in januari. Het nadeel van dergelijke gelijktijdigheidsfactoren is dat die niet zullen overeenkomen met de werkelijke situatie in een warmtenet. Het gebruiken van meetwaarden van een warmtenet is zuiverder dan het gebruiken van kengetallen.

Voor de NCP-methode zijn meetgegevens per uur nodig. Deze zijn voor de meeste afnemersgroepen (nagenoeg) altijd beschikbaar. Voor kleinverbruikers woningen niet altijd, ondanks dat er sprake is van een slimme meterverplichting. Daarom stellen de RAR dat er altijd een herrekening moet plaatsvinden naar 100% van een afnemersgroep op basis van dat deel van de afnemersgroep waarover het warmtebedrijf wel meetdata heeft.

Berekening uurpiek per afnemersgroep

Kern in twee stappen:

1. Groepspiek per jaar. Bepaal per afnemersgroep het uurblok van maximale groepsafname en de GJ in dat blok:

.

2. Meerjarig gemiddelde en groepsaandeel. Middel

over de bestaansjaren van de groep; het groepsaandeel αg is deze gemiddelde groepspiek gedeeld door de som van alle groepspieken.

Naam | Formule

Groepsafname per uurblok (GJ)

Maximum GJ per uurblok per groep per jaar

Jaarlijkse ratio’s per boekjaar

Gemiddeld groepsaandeel over drie jaren

Waarbij:

Afnemersgroep

g ε G: Een groep afnemers binnen hetzelfde netvlak waarvoor kosten worden toegerekend.

Toerekeningsjaren

t –2: Meest recente afgesloten boekjaar; en

t –3 en t –4: Twee voorgaande boekjaren.

Afnemersset per groep per jaar

I g,t: Alle afnemers die in jaar t tot groep g behoorden.

Afname per afnemer per uurblok

q i,h,t: Afname van afnemer i in uurblok h van jaar t (GJ per uurblok).

Groepsafname per uurblok

ΣiεIg,tqi,h,t

Jaarlijkse groepspiek

: Maximale uurafname van groep g in jaar t .

Jaarlijkse ratio

αg,t: Aandeel van groep g in de totale piek van jaar t.

Gemiddeld groepsaandeel

αg: Gemiddelde van de drie jaarlijkse ratio’s.

Bijlage 2 — Toelichting bij kostentoerekening › Toelichting bij paragraaf 5.5.3 – Toerekening verkoop en klantcontact

Toelichting bij paragraaf 5.5.3 – Toerekening verkoop en klantcontact

Het aantal klanten heeft een duidelijke invloed op de kosten voor verkoop en klantcontact. Niet elke klant veroorzaakt echter dezelfde kosten. Het is aannemelijk dat één extra kleinverbruiker veel minder kosten veroorzaakt dan één extra grootverbruiker.

Redenen waarom grootverbruikers per klant meer kosten veroorzaken dan kleinverbruikers kunnen zijn:

• Maatwerkafspraken in contracten.

• Meer contact per grootverbruiker dan per kleinverbruiker.

• Storing, contact met bedrijven individueel, niet een groep.

• Niet per definitie jaarlijkse contracten voor ongereguleerde verbruikers.

Kleinverbruikers kunnen ook hoge kosten veroorzaken, bijvoorbeeld bij wanbetaling. Echter, kosten (waaronder gederfde inkomsten, incassokosten) door wanbetaling van kleinverbruikers rekent het warmtebedrijf direct toe aan gereguleerd. Niet direct toerekenbare kosten voor wanbetaling zullen gemiddeld per kleinverbruiker beperkt zijn.

Bijlage 3 — Temperatuurcategorieën › Inleiding

Inleiding

Volgens het Bcw verschillen de door de ACM op te stellen tariefformules per temperatuurcategorie. Artikel 7.19 van het Besluit collectieve warmte (Bcw) wijst de specifieke temperatuurcategorieën aan voor het transport en de levering van warmte en/of koude. De wetgever maakt hierbij onderscheid op basis van de geschiktheid voor ruimteverwarming en tapwater op basis van de volgende indeling uit de toelichting op het Bcw:

• Warmte geschikt voor tapwater en ruimteverwarming (MT/HT).

• Warmte niet geschikt voor tapwater, geschikt voor ruimteverwarming (LT).

• Warmte niet geschikt voor tapwater en niet geschikt voor ruimteverwarming (ZLT).

• Alleen warm tapwater of warmte die alleen bestemd is voor het verwarmen van tapwater.

Tabel temperatuurcategorieën

Bcw art 7.19 sub | Aflevertemperatuur (door het warmtebedrijf) | Opwaardering nodig door afnemers | Classificatie (HT/MT/LT/ZLT)

a | Warmte direct geschikt voor ruimteverwarming én tapwater Levering op een temperatuur die voldoet aan de norm voor tapwater (conform art 3.110 Bbl, d.w.z. legionellaveilig). | Nee | MT/HT

b | Warmte uitsluitend direct geschikt voor ruimteverwarming Temperatuur is voldoende voor verwarming, maar niet hoog genoeg voor direct veilig tapwater. | Ja, voor tapwater | LT

c | Warmte niet direct geschikt voor ruimteverwarming en tapwater Temperatuur is te laag om zonder opwaardering te gebruiken. | Ja, voor ruimteverwarming en tapwater | ZLT (ZLT warmtenet)

d | Warmte uitsluitend bestemd voor verwarming van tapwater Specifieke levering direct geschikt voor tapwater. | Ja, voor ruimteverwarming | Tapwaternet

e | Warmte én Koude Koude is noodzakelijk voor efficiëntie. Warmte is direct geschikt voor ruimteverwarming én tapwater. | Nee | MT/HT + Koude

f | Warmte én Koude Koude is noodzakelijk voor efficiëntie. Warmte is uitsluitend direct geschikt voor ruimteverwarming. | Ja, voor tapwater | LT + Koude

g | Warmte én Koude Koude is noodzakelijk voor efficiëntie. Warmte is niet direct geschikt. Voorbeeld: warmtesysteem met WKO. Deze systemen zijn ook bekend als 5e generatie warmte-/koudenetten. | Ja, voor ruimteverwarming en tapwater | ZLT + Koude (ZLT warmte- en koudenet)

Deze RAR gebruiken de letters in de eerste kolom (bijvoorbeeld: temperatuurcategorie g) om de betreffende temperatuurcategorie uit artikel 7.19 Bcw te beschrijven.

Bijlage 3 — Temperatuurcategorieën › Toelichting op de classificatie

Toelichting op de classificatie

HT en MT (categorie a en e)

De wet spreekt van "direct geschikt voor de verwarming van tapwater". Om te voldoen aan Artikel 3.110 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) moet tapwater doorgaans met minimaal 60°C (aan de tap) of 55°C (circulerend) beschikbaar zijn ter preventie van legionella.

LT (categorie b en f)

Bij categorie b en f is de warmte wel geschikt voor ruimteverwarming (bijvoorbeeld via vloerverwarming die werkt op 35–40°C), maar niet voor tapwater. Dit is de definitie van LT (Lage Temperatuur, ca. 40–50°C). In deze netten is de temperatuur hoog genoeg om een goed geïsoleerd huis warm te krijgen, maar te laag om veilig te douchen zonder bijverwarming (tapwaterbooster noodzakelijk).

ZLT (categorie c en g)

Categorie c en g betreffen netten waar de aflevertemperatuur zo laag is (bijv. 15–29°C) dat je er een huis niet direct mee kunt verwarmen. Deze categorie omvat ZLT-netten, waarbij de 'warmte' slechts dient als bron voor een individuele warmtepomp.

De rol van koude (categorie e, f, g)

De toevoeging van de categorieën e, f en g is cruciaal voor systemen met bodemenergie (WKO). Hierbij is het technisch noodzakelijk dat er in de zomer koude wordt afgenomen om de bodem te regenereren (opwarmen) voor de winter. De wet erkent hier dat koude geen 'luxeproduct' is, maar een integraal onderdeel van de efficiënte werking van het warmtesysteem.

Bijlage 4 — Wijzigingen ten opzichte van vorige RAR

Bijlage 4 — Wijzigingen ten opzichte van vorige RAR

In onderstaand overzicht zijn significante inhoudelijke wijzigingen opgenomen ten opzichte van de RAR warmteleveranciers 2024.

Onderdeel | Onderwerp | Omschrijving verschil

Gehele RAR | Wcw | Aangepast aan Wcw.

H. 2 | Kwaliteit data | Controleverklaring van RAR naar invul- en auditinstructie.

Par. 3.3 | Interne verrekenprijzen | Interne verrekenprijzen kostengebaseerd, aangepast aan Bcw.

Par 4.1 | Activa | Overname netten, bouwrente, asset retirement obligation toegevoegd en onderscheid warmtenet en overige activa toegevoegd.

Hoofdstuk 5 | Kostentoerekening | Kostentoerekening in stappen toegevoegd, startend vanuit het warmtebedrijf

Hoofdstuk 5 | Kostentoerekening | Stap 1: splitsing CWV en KCW.

Hoofdstuk 5 | Kostentoerekening | Stap 2: binnen een warmtekavel per CWV en per temperatuurcategorie.

Hoofdstuk 5 | Kostentoerekening productie en inkoop | Optie toegevoegd om onderscheid te maken tussen basislast en pieklastbronnen.

Hoofdstuk 5 | Kostentoerekening productie en inkoop | Productie en inkoop bevat geen ZLT (temperatuurcategorieën c en g).

Hoofdstuk 5 | Kostentoerekening transport en distributie | Verdeling op basis van uurpiek per afnemersgroep.

Hoofdstuk 5 | Kostentoerekening transport en distributie | Vrijval van aansluitbijdragen niet meer gedefinieerd bij opbrengsten, maar bij kosten. Definitie “periodieke projectbijdrage” verwijderd.

Hoofdstuk 5 | Kostentoerekening transport en distributie | Cascadering verplicht gesteld.

Hoofdstuk 5 | Kostentoerekening ZLT | ZLT (temperatuurcategoriën c en g) toerekening naar activiteit transport & distributie. Toerekening obv gecontracteerde capaciteit.

Hoofdstuk 5 | Kostentoerekening verkoop en klantcontact | Toerekening direct naar afnemersgroepen.