Besluit kerndoelen primair en speciaal onderwijs 2026
Besluit van 10 juni 2026, houdende de vaststelling van de vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde in het primair en speciaal onderwijs (Besluit kerndoelen primair en speciaal onderwijs 2026), houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 in verband met het vaststellen van de vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde in het voortgezet onderwijs en houdende wijziging van diverse onderwijsbesluiten in verband met de vaststelling van vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde in het funderend onderwijs (Besluit vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde) [KetenID WGK027201]
- Soort
- AMvB
- Geldend vanaf
- 01-08-2026
- Rechtsgebied
- Onderwijsrecht
- Ministerie
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- BWB-id
- BWBR0052864
- Versie
- 2026-08-01_0
- SHA-256 bron
- 242050786bb77af07b15dcdf045169028541ef2d1e4509e4b977a627a9e242eb
Inhoud (35)
- Artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 5
- Artikel 6
- Artikel 7
- Domein: overkoepelend
- Domein: communicatie
- Domein: taal
- Domein: literatuur
- Domein: wiskundige concepten
- Domein: wiskundige denk-werkwijzen
- Domein: wiskunde en de wereld
- Domein: overkoepelend
- Domein: communicatie
- Domein: taal
- Domein: literatuur
- Domein: wiskundige concepten
- Domein: wiskundige denk-werkwijzen
- Domein: wiskunde en de wereld
- Domein: overkoepelend
- Domein: communicatie
- Domein: taal
- Domein: literatuur
- Domein: wiskundige concepten
- Domein: wiskundige denk-werkwijzen
- Domein: wiskunde en de wereld
- Domein: overkoepelend
- Domein: communicatie
- Domein: taal
- Domein: literatuur
- Domein: wiskundige concepten
- Domein: wiskundige denk-werkwijzen
- Domein: wiskunde en de wereld
Artikel 1
De kerndoelen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 13, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, worden voor de onderwerpen Nederlandse taal en rekenen en wiskunde vastgesteld als aangegeven in bijlage 1 bij dit besluit.
Artikel 2
De kerndoelen, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, voor het onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen en meervoudig gehandicapte kinderen voor wie het zeer moeilijk lerend zijn een van de handicaps is, worden voor de onderwerpen Nederlandse taal en rekenen en wiskunde vastgesteld als aangegeven in bijlage 2 bij dit besluit.
Artikel 3
De kerndoelen, bedoeld in artikel 14f, derde lid, van de Wet op de expertisecentra, voor het onderwijs in het uitstroomprofiel dagbesteding, worden voor de leergebieden Nederlandse taal en rekenen en wiskunde vastgesteld als aangegeven in bijlage 3 bij dit besluit.
Artikel 4
De kerndoelen, bedoeld in artikel 14c, derde lid, van de Wet op de expertisecentra, voor het onderwijs in het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel, worden voor de leergebieden Nederlandse taal en rekenen en wiskunde vastgesteld als aangegeven in bijlage 4 bij dit besluit.
Artikel 5
1 Wijzigt het Besluit vernieuwde kerndoelen WPO.
2 Wijzigt het Besluit kerndoelen WEC.
Artikel 6
Het bevoegd gezag kan de kerndoelen zoals opgenomen in de onderdelen Nederlands en rekenen/wiskunde in de bijlage bij het Besluit vernieuwde kerndoelen WPO en de onderdelen Nederlandse taal en rekenen/wiskunde in bijlage 1 bij het Besluit kerndoelen WEC, Nederlandse taal en rekenen en wiskunde in bijlage 2 bij het Besluit kerndoelen WEC en Nederlandse taal en communicatie en rekenen en wiskunde in de hoofdstukken 2 en 3 van bijlage 3 bij het Besluit kerndoelen WEC zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van artikel 5 van dit besluit, tot 1 augustus 2031 hanteren voor de vormgeving van het onderwijsprogramma.
Artikel 7
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kerndoelen primair en speciaal onderwijs 2026.
Bijlage 1 — Kerndoelen primair en speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 › Onderdeel A — Nederlands › Domein: overkoepelend
Domein: overkoepelend
Kerndoel 1
De school stimuleert de taalcompetentie van leerlingen.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De school zorgt voor een rijke taal- en leesomgeving. | a. aanbieden van taalactiviteiten in betekenisvolle contexten; b. aanbieden van een veelzijdig en actueel aanbod van jeugdliteratuur binnen een vaste leesroutine; c. aanbieden van kennis en vaardigheden uit het leergebied Nederlands in onderlinge samenhang; d. stimuleren van de leesmotivatie en de durf om te spreken en te schrijven; e. ruimte bieden aan verschillende talen en taalvariëteiten van leerlingen.
B. | De school stimuleert de taalontwikkeling van de leerling in alle leergebieden. | a. stimuleren van betekenisvolle activiteiten waarin school- en vaktaal en vakspecifieke taalvaardigheden verworven kunnen worden; b. stimuleren van het gebruiken van rijke teksten over inhoudelijke thema’s in alle leergebieden; c. stimuleren van taalproductie en interactie in alle leergebieden; d. stimuleren van aandacht voor taalverzorging en taalgebruik in alle leergebieden; e. aanbieden van een schoolbrede set van aanpakken en flexibel inzetbare strategieën bij het ondersteunen van taalactiviteiten in de andere leergebieden.
Bijlage 1 — Kerndoelen primair en speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 › Onderdeel A — Nederlands › Domein: communicatie
Domein: communicatie
Kerndoel 2
De leerling begrijpt teksten.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling toont begrip van zakelijke en literaire teksten. | a. aandachtig luisteren, kijken of aandachtig vloeiend lezen; b. inzetten en uitbreiden van woordenschat, kennis over taal en kennis van de wereld; c. inzetten en uitbreiden van kennis over de vorm van teksten: tekstsoorten, tekststructuren, literaire genres, verteltechnieken; d. beschrijven van perspectieven, communicatieve doelen, publiek, context; e. in eigen woorden weergeven van de hoofd- en bijzaken, de hoofdgedachte en betekenis van een tekst, passend bij het lees- of luisterdoel; f. flexibel toepassen van verschillende aanpakken en begripsverhogende strategieën.
B. | De leerling evalueert en reflecteert op zakelijke en literaire teksten. | a. benoemen van inhoudelijke relaties binnen en tussen verschillende teksten; b. benoemen van verschillen en overeenkomsten in feiten, meningen en perspectieven; c. benoemen van tegenstrijdige en overeenkomstige inhoud binnen en tussen teksten; d. evalueren van bruikbaarheid van teksten; e. reflecteren op de waarde, inhoud en vorm van teksten.
C. | De leerling verkent de betrouwbaarheid van verschillende bronnen. | a. oriënteren op kenmerken van aangereikte bronnen: maker, tekstsoort en verschijningsdatum; b. benoemen van inhouds- en vormelementen die misleidend zijn of vragen oproepen; c. vergelijkend beoordelen van bronnen op basis van hun betrouwbaarheid.
Kerndoel 3
De leerling produceert teksten.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling spreekt en schrijft afgestemd op doel, publiek en context. | a. hanteren van een passende aanpak; b. in eigen woorden verwerken van informatie uit verschillende bronnen tot een gestructureerde tekst met bronvermelding; c. inzetten en uitbreiden van kennis over de vorm van teksten: tekstsoorten, tekststructuren, verteltechnieken; d. schrijven op letter-, schrift- en tekstniveau met een leesbaar handschrift en typschrift, en verstaanbaar spreken; e. reviseren van de tekst met het oog op doelgerichte communicatie: taalgebruik en taalverzorging.
B. | De leerling gebruikt taal op een creatieve manier. | a. verkennen van creatief taalgebruik van anderen in literaire en zakelijke teksten; b. verwoorden van eigen ideeën, gedachten, ervaringen, gevoelens en fantasieën; c. experimenteren met klanken, woorden, zinnen, literaire genres, taalregels, taalconventies en visuele vormen; d. waarderen van creatief taalgebruik.
C. | De leerling schrijft om tot kennisopbouw of begrip te komen. | a. weergeven van hoofd- en bijzaken, indrukken en vragen bij gelezen, bekeken of beluisterde inhoud; b. samenvatten van gelezen inhoud; c. verwoorden, onderbouwen en ordenen van gedachten, verworven inzichten en kennis in een tekst of schema; d. inzetten en uitbreiden van school- en vaktaal; e. schrijven op letter-, schrift- en tekstniveau met een leesbaar handschrift en typschrift.
Kerndoel 4
De leerling voert gesprekken.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling voert gesprekken afgestemd op doel, gesprekspartner(s) en context. | a. inzetten en uitbreiden van vaardigheden om gesprekken constructief te laten verlopen: luisteren, herkennen van signalen en passend reageren op de gesprekspartner(s); b. actief deelnemen aan gesprekken; c. afstemmen van taalgebruik, stemgebruik en non-verbale communicatie op communicatief doel en context; d. verwerven en inzetten van informatie afgestemd op kennis, achtergrond, standpunt en perspectief van de gesprekspartner(s); e. toepassen van gespreks- en taalconventies, passend bij de gespreksvorm.
B. | De leerling voert gesprekken om tot kennisopbouw, begrip of een aanpak te komen. | a. verwoorden van kennis, ideeën en standpunten met onderbouwing; b. vragen om toelichting, verklaring of bevestiging; c. luisteren naar, doorvragen op en ter discussie stellen van de ideeën en perspectieven van gesprekspartners; d. accepteren of verwerpen van andermans ideeën met argumenten; e. samenvatten van inzichten, verwoorden van oplossingen of trekken van conclusies.
Kerndoel 5
De leerling ontwikkelt zicht als bewuste taalgebruiker.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling reflecteert op het proces en evalueert het product van een taalactiviteit. | a. ontvangen en geven van feedback; b. verwoorden van het proces: de gemaakte keuzes in aanpak en strategieën tijdens en na de uitvoering van een taalactiviteit; c. beoordelen van het product van de taalactiviteit aan de hand van aangereikte criteria; d. formuleren van leerdoelen voor proces en product bij toekomstige taalactiviteiten.
Bijlage 1 — Kerndoelen primair en speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 › Onderdeel A — Nederlands › Domein: taal
Domein: taal
Kerndoel 6
De leerling toont inzicht in taal als systeem.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling beschouwt de relatie tussen vorm en betekenis van taal. | a. verkennen hoe letterklanken, klemtoon, intonatie en ritme samenhangen met de betekenis van taal; b. inzicht tonen in de opbouw van basale woorden om de betekenis af te leiden; c. verkennen hoe woordvolgorde en zinsdelen de betekenis van een zin bepalen; d. verkennen hoe woordgebruik, stijlmiddelen en opbouw van teksten de betekenis beïnvloeden; e. functioneel gebruiken van taalkundige begrippen en taalbeschouwingsstrategieën bij het denken en praten over spelling en grammatica.
B. | De leerling toont inzicht in regels en procedures voor spelling, formulering en interpunctie. | a. correct formuleren op woord-, zins- en tekstniveau; b. verbinden van vorm en betekenis om de correcte spelling te achterhalen; c. ontwikkelen van spellingbewustzijn en spellinggeweten; d. reflecteren op gemaakte keuzes in woorden en zinnen; e. inzetten van hulpmiddelen en bronnen om regels en procedures correct toe te passen en teksten te redigeren.
Kerndoel 7
De leerling verkent het gebruik van taal.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling verkent hoe je met taal uiting geeft aan identiteit. | a. verkennen van het eigen talige repertoire in relatie tot hoe je wilt overkomen en tot welke groepen je wilt behoren: talen en taalvariëteiten, gebaren, lichaamstaal; b. verkennen van het eigen talige repertoire in relatie tot publiek, doel en context; c. reflecteren op hoe je overkomt op anderen op basis van keuzes in het eigen talige repertoire; d. waarderen van het eigen talige repertoire.
B. | De leerling verkent taalvariatie en taalverandering in het Nederlandse taalgebied. | a. verkennen van verschillende taalvariëteiten van het Nederlands: school- en vaktaal, groeps- en streektalen; b. vergelijken van de contexten waarin verschillende talen en taalvariëteiten worden gebruikt; c. benoemen van overeenkomsten en verschillen tussen het Nederlands en andere talen en taalvariëteiten op klank-, woord- en zinsniveau; d. verkennen van overtuigingen over verschillende talen en taalvariëteiten; e. verkennen van veranderingen in taalgebruik onder invloed van tijd, media en maatschappelijke ontwikkelingen.
Bijlage 1 — Kerndoelen primair en speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 › Onderdeel A — Nederlands › Domein: literatuur
Domein: literatuur
Kerndoel 8
De leerling doet ervaring op met literatuur.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling ontwikkelt een eigen leesvoorkeur. | a. lezen en beluisteren van boeken en teksten, van verschillende schrijvers en literaire genres; b. geven van een waardeoordeel over gelezen of beluisterde boeken en teksten op basis van literaire genres, eigen interesse en belevingswereld; c. aangaan van nieuwe leesuitdagingen op basis van eerdere lees-, luister- en kijkervaringen; d. verwoorden van persoonlijke voorkeur op basis van reflectie op ervaringen met literatuur.
B. | De leerling verkent de waarde van literatuur. | a. verwoorden van persoonlijke leeservaring en beleving na het lezen van literatuur; b. verwoorden van opgedane inzichten en kennis over zichzelf op basis van literatuur; c. verwoorden van opgedane inzichten en kennis over anderen op basis van literatuur; d. verwoorden van opgedane inzichten en kennis over de wereld en culturen op basis van literatuur.
Kerndoel 9
De leerling toont inzicht in literatuur.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling toont inzicht in verhalende teksten. | a. beschrijven welk probleem of welke wens van een hoofdpersoon de motor van het verhaal is en hoe het verhaal zich ontwikkelt; b. beschrijven van verschillende hoofd- en bijfiguren, helpers en tegenspelers en hun karaktereigenschappen; c. benoemen van verteltechnieken die een schrijver gebruikt om spanning op te bouwen; d. beschrijven waar, wanneer en onder welke omstandigheden een verhaal zich afspeelt.
B. | De leerling toont inzicht in genrekenmerken van literatuur. | a. onderscheiden van poëzie-, proza- en dramateksten op basis van eenvoudige genrekenmerken; b. benoemen van kenmerkend taalgebruik in literaire genres: figuurlijk taalgebruik, rijm en ritme; c. benoemen van kenmerkende visuele elementen in literaire genres: illustraties, vormgeving.
Bijlage 1 — Kerndoelen primair en speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 › Onderdeel B — Rekenen en wiskunde › Domein: wiskundige concepten
Domein: wiskundige concepten
Kerndoel 10
De leerling redeneert en rekent met getallen en verhoudingen.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling redeneert en rekent met gehele en decimale getallen. | a. bewerkingen: vergelijken, ordenen, optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen; b. memoriseren van getalrelaties, splitsingen van getallen tot 20 en de tafels van vermenigvuldiging, en deze kennis vlot en wendbaar toepassen; c. beredeneerd kiezen van een rekenvorm en rekenwijze en reflecteren op de keuze en uitvoering hiervan; d. rekenvormen: hoofdrekenen, schattend rekenen, schriftelijk rekenen en rekenen met de rekenmachine; e. rekenwijzen: rekenen met eigenschappen van getallen en bewerkingen, en met standaardprocedures.
B. | De leerling redeneert en rekent met breuken als getal, verhouding en deling. | a. stambreuken , echte breuken , gemengde getallen en onechte breuken ; b. relaties leggen tussen breuken, decimale getallen, verhoudingen en procenten; c. relaties leggen tussen breuken en delingen; d. beredeneerd ordenen, vereenvoudigen en vergelijken van breuken; e. rekenen met breuken in concrete situaties, ondersteund met een model of met behulp van getalrelaties.
C. | De leerling redeneert en rekent met verhoudingen. | a. kwalitatieve en kwantitatieve verhoudingen, procenten, schaal en samengestelde grootheden; b. relaties leggen tussen verhoudingen, procenten en breuken; c. herkennen van verhoudingen in concrete situaties; d. beredeneerd vergelijken van verhoudingen; e. oplossen van verhoudingsproblemen.
Kerndoel 11
De leerling toont inzicht bij het handelen met grootheden en eenheden.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling meet, redeneert en rekent met grootheden en bijpassende eenheden. | a. lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht (massa), snelheid, tijd, geld, temperatuur en geheugenomvang; b. meten met passende meetinstrumenten; c. bepalen van omtrek, oppervlakte en inhoud van rechthoekige figuren; d. schatten en controleren met referentiematen en meetreferenties; e. relaties leggen tussen grootheden en eenheden, tussen grootheden onderling en tussen eenheden onderling.
Kerndoel 12
De leerling interpreteert data.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling interpreteert en representeert data. | a. invullen van tabellen bij data; b. berekenen en interpreteren van een gemiddelde; c. maken van grafische representaties van data en daaruit conclusies trekken; d. interpreteren van grafische representaties en beredeneren of daarbij gepresenteerde conclusies wel, niet of deels kloppen; e. grafische representaties: diagrammen, grafieken en infographics.
Kerndoel 13
De leerling toont inzicht in patronen en verbanden.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling redeneert over patronen en verbanden. | a. herkennen, beschrijven en voortzetten van patronen in rijen getallen en figuren; b. herkennen en beschrijven van patronen en verbanden in datasets; c. weergeven van patronen en verbanden in een beschrijving, tabel en grafiek, en deze weergaven in elkaar omzetten.
Kerndoel 14
De leerling toont inzicht bij meetkundig handelen.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling redeneert over meetkundige figuren en plaatsbepalingen en voert meetkundige transformaties uit. | a. redeneren met en over eigenschappen van meetkundige figuren en begrippen; b. redeneren met kijklijnen; c. construeren en interpreteren van plattegronden, routebeschrijvingen en wegwijzers; d. construeren en interpreteren van tweedimensionale representaties van driedimensionale figuren en relaties leggen tussen twee- en driedimensionale representaties van figuren; e. meetkundige transformaties: draaien, spiegelen, vergroten en verkleinen van figuren.
Bijlage 1 — Kerndoelen primair en speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 › Onderdeel B — Rekenen en wiskunde › Domein: wiskundige denk-werkwijzen
Domein: wiskundige denk-werkwijzen
Kerndoel 15
De leerling gebruikt wiskundige denk-werkwijzen.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling lost wiskundige problemen en toepassings-problemen op. | a. bedenken en uitvoeren van een aanpak voor een niet-routinematig oplosbaar probleem; b. gebruiken van heuristieken; c. bewerken van de uitkomsten van berekeningen tot een oplossing van een probleem; d. reflecteren op aanpak, uitvoering en oplossing.
B. | De leerling maakt en gebruikt wiskundige modellen. | a. schematisch weergeven van een situatie; b. weergeven van een situatie in wiskundetaal; c. selecteren van relevante kenmerken en weglaten van niet relevante kenmerken; d. gebruiken van abstracte modellen om rekenaanpakken te laten zien, situaties te interpreteren en problemen op te lossen.
C. | De leerling bedenkt en beschrijft algoritmes. | a. algoritmes met een beperkt aantal stappen; b. beschrijven hoe een algoritme tot een vast resultaat leidt; c. beoordelen van het resultaat van een doorlopen algoritme; d. bedenken van een algoritme.
Kerndoel 16
De leerling gebruikt wiskundetaal en wiskundig gereedschap.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling gebruikt wiskundetaal en wiskundige representaties. | a. gebruiken van wiskundige symbolen, notaties en begrippen; b. leesbaar weergeven van berekeningen en probleemaanpakken; c. kiezen en bedenken van representaties om berekeningen en wiskundige redeneringen weer te geven en uit te wisselen; d. kritisch beoordelen van een representatie; e. relaties leggen tussen verschillende representaties van een wiskundig concept.
B. | De leerling gebruikt meetinstrumenten en andere wiskundige instrumenten. | a. beredeneerd kiezen voor gebruik van een instrument op basis van de mogelijkheden, beperkingen en meetnauwkeurigheid; b. vooraf schatten van meetresultaten en uitkomsten; c. gebruiken van een instrument en de bijbehorende wiskundetaal; d. bepalen, interpreteren en beoordelen van het resultaat.
Bijlage 1 — Kerndoelen primair en speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 › Onderdeel B — Rekenen en wiskunde › Domein: wiskunde en de wereld
Domein: wiskunde en de wereld
Kerndoel 17
De leerling ontwikkelt een wiskundige attitude.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De school stimuleert de ontwikkeling van een wiskundige attitude bij leerlingen. | a. laten zien van het nut en de kracht van wiskunde in uiteenlopende toepassingen; b. stimuleren van een onderzoekende en kritische houding ten aanzien van getallen en andere wiskundige informatie; c. laten reflecteren op eigen en andermans rekenwijze en overig wiskundig handelen.
Kerndoel 18
De leerling past wiskunde toe in bekende en nieuwe situaties.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling herkent en gebruikt wiskunde in alledaagse en maatschappelijke situaties. | a. gebruiken van getallen en andere wiskundige concepten in concrete, voor de leerling relevante situaties; b. gebruiken van wiskundige instrumenten bij meten en andere praktische handelingen; c. wiskunde gebruiken bij het nemen van beslissingen en het oplossen van problemen; d. herkennen en beschrijven dat met grafische representaties een bepaalde boodschap wordt overgebracht of benadrukt; e. gebruiken en beoordelen van wiskundige informatie uit de samenleving en de media bij het vormen van een mening.
B. | De school ondersteunt het gebruik van wiskunde in verschillende leergebieden. | a. aanbieden van wiskundige concepten en denk-werkwijzen in onderlinge samenhang; b. laten zien hoe verschillende leergebieden wiskundetaal en wiskundige representaties gebruiken; c. afstemmen hoe rekenaanpakken en andere wiskundige aanpakken bij verschillende leergebieden worden uitgevoerd; d. laten gebruiken van wiskundige modellen, wiskundige instrumenten en algoritmes in verschillende leergebieden.
Bijlage 2 — Functionele kerndoelen speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 › Onderdeel A — Nederlands › Domein: overkoepelend
Domein: overkoepelend
Kerndoel 1
De school stimuleert de taalcompetentie van leerlingen.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De school zorgt voor een rijke taal- en leesomgeving. | a. aanbieden van taalactiviteiten in betekenisvolle contexten; b. aanbieden van teksten aansluitend bij de interesses of de actualiteit; c. aanbieden van kennis en vaardigheden uit het leergebied Nederlands in onderlinge samenhang; d. stimuleren van de leesmotivatie en de durf om te spreken en/of te schrijven; e. ruimte bieden aan verschillende talen en taalvariëteiten van leerlingen.
B. | De school stimuleert de taalontwikkeling van de leerling in alle leergebieden. | a. stimuleren van betekenisvolle activiteiten waarin taalvaardigheden verworven kunnen worden; b. stimuleren van het gebruiken van rijke teksten in alle leergebieden; c. stimuleren van taalproductie en interactie in alle leergebieden.
Bijlage 2 — Functionele kerndoelen speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 › Onderdeel A — Nederlands › Domein: communicatie
Domein: communicatie
Kerndoel 2
De leerling doet ervaring op met teksten.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling toont basaal begrip van teksten. | a. actief luisteren, kijken en/of lezen, eventueel met inzet van ondersteunde communicatie; b. inzetten en uitbreiden van woordenschat en kennis van alledaagse onderwerpen; c. reageren op de inhoud van teksten; d. waarderen van teksten.
B. | De leerling verkent vorm en inhoud van verschillende bronnen. | a. oriënteren op kenmerken van tekstsoorten; b. oriënteren op informatie die vragen oproept; c. verkennen van betrouwbaarheid en bruikbaarheid van bronnen.
Kerndoel 3
De leerling werkt met teksten.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling communiceert afgestemd op doel, publiek en context. | a. begrijpen en inzetten van communicatievormen, waar nodig met behulp van communicatiemiddelen; b. hanteren van een passende aanpak; c. formuleren van teksten, passend bij het communicatieve doel, een bekend publiek en herkenbare alledaagse contexten; d. schrijven met een leesbaar handschrift of typschrift en/of verstaanbaar spreken.
B. | De leerling gebruikt taal op een creatieve manier. | a. uitdrukking geven aan gedachten, ervaringen, gevoelens en fantasieën; b. experimenteren met klanken, woorden, zinnen, literaire genres en visuele vormen; c. verkennen van verschillende creatieve manieren van spreken, schrijven, of op een andere manier uitdrukken; d. waarderen van creatief taalgebruik.
Kerndoel 4
De leerling voert gesprekken.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling voert gesprekken afgestemd op doel, gesprekspartner(s) en context. | a. constructief laten verlopen van gesprekken, waar nodig met ondersteunde communicatie; b. afstemmen van taalgebruik, stemgebruik en non-verbale communicatie in een gesprek; c. afstemmen op een communicatief doel in een herkenbare alledaagse context; d. reageren op gesprekspartner(s).
B. | De leerling voert gesprekken om tot kennisopbouw, begrip of een aanpak te komen. | a. verwoorden van kennis, ideeën en gedachten; b. vragen om toelichting, verklaring of bevestiging; c. luisteren naar en reageren op gesprekspartners; d. verdiepen van een concept, verschijnsel of aanpak; e. beschrijven van opgedane inzichten.
Kerndoel 5
De leerling reflecteert op het gebruik van taal.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling reflecteert op het proces en evalueert het product van een taalactiviteit. | a. ontvangen en geven van feedback; b. beschrijven van de gekozen aanpak in relatie tot het proces; c. waarderen van het product van de taalactiviteit.
Bijlage 2 — Functionele kerndoelen speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 › Onderdeel A — Nederlands › Domein: taal
Domein: taal
Kerndoel 6
De leerling verkent taal als systeem.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling verkent de relatie tussen vorm en betekenis van taal. | a. verkennen hoe letterklanken, klemtoon, intonatie en ritme samenhangen met de betekenis van taal; b. verkennen van de opbouw van basale woorden; c. verkennen van woordvolgorde en eenvoudige zinsopbouw; d. opmerken van effecten van keuzes in taalgebruik.
B. | De leerling benut kennis over spelling bij het schriftelijk formuleren. | a. correct spellen van frequent gebruikte woorden; b. formuleren van begrijpelijke zinnen, waarbij basale interpunctie correct wordt toegepast; c. inzetten van hulpmiddelen en bronnen om regels en procedures correct toe te passen.
Kerndoel 7
De leerling verkent het gebruik van taal.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling verkent hoe je met taal uiting geeft aan identiteit. | a. verkennen van het eigen talige repertoire in relatie tot hoe je wilt overkomen en tot welke groepen je wilt behoren: talen en taalvariëteiten, gebaren, lichaamstaal; b. verkennen van het eigen talige repertoire en het effect ervan op anderen; c. herkennen van rolmodellen die invloed hebben op het bewust inzetten van taal; d. waarderen van het eigen talige repertoire.
Bijlage 2 — Functionele kerndoelen speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 › Onderdeel A — Nederlands › Domein: literatuur
Domein: literatuur
Kerndoel 8
De leerling doet ervaring op met literatuur.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling ontwikkelt een eigen leesvoorkeur. | a. verkennen van het eigen talige lezen en/of beluisteren van boeken en teksten, van verschillende schrijvers en genres; b. delen van luister-, kijk- en/of leeservaringen; c. aangaan van nieuwe leesuitdagingen op basis van eerdere luister-, kijk- en/of leeservaringen; d. uiten van persoonlijke voorkeuren op ervaringen met literatuur.
B. | De leerling verkent de vorm en inhoud van literaire teksten. | a. verkennen van poëzie, proza en drama; b. interactief luisteren naar en/of lezen van verhalen en boeken; c. beschrijven van verschillende personages als hoofd- en bijfiguren; d. meedenken en meeleven met personages en gebeurtenissen in het verhaal; e. vergelijken van de literaire werkelijkheid met de eigen leef- en belevingswereld.
Bijlage 2 — Functionele kerndoelen speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 › Onderdeel B — Rekenen en wiskunde › Domein: wiskundige concepten
Domein: wiskundige concepten
Kerndoel 9
De leerling werkt met getallen en verhoudingen.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling geeft betekenis aan en gebruikt gehele getallen. | a. herkennen en gebruiken van getallen als weergave van hoeveelheden; b. tellen en benoemen van hoeveelheden; c. rekenen met hoeveelheden en getallen; d. rekenen met passende rekenvormen en rekenwijzen.
B. | De leerling verkent verhoudingen. | a. oriënteren op verhoudingentaal; b. verkennen van verhoudingen in concrete situaties; c. verkennen van verhoudingsproblemen.
Kerndoel 10
De leerling hanteert grootheden en eenheden.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling geeft betekenis aan, meet met en gebruikt grootheden en bijpassende eenheden. | a. lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht en temperatuur; b. meetbegrippen verbinden aan grootheden; c. meten met meetinstrumenten om betekenis te geven aan grootheden en eenheden; d. relaties leggen tussen grootheden en eenheden; e. gebruiken van referentiematen en meetreferenties.
B. | De leerling geeft betekenis aan tijd en gebruikt bijpassende eenheden. | a. kennen van tijdsaanduidingen; b. verbinden van tijdsaanduidingen aan voor de leerling relevante situaties; c. herkennen van tijdsbegrippen en tijdseenheden; d. aflezen en gebruiken van meetinstrumenten voor tijd.
C. | De leerling geeft betekenis aan en rekent met geld. | a. begrijpen dat je geld kunt gebruiken om iets te kopen en te betalen; b. bepalen van de waarde van munten en biljetten; c. herkennen en gebruiken van betaalmiddelen; d. rekenen met geldbedragen.
Kerndoel 11
De leerling oriënteert zich op meetkundig handelen.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling verkent meetkundige figuren, plaatsbepalingen en meetkundige patronen. | a. oriënteren op meetkundige figuren en begrippen; b. verkennen van begrippen voor ruimtelijke oriëntatie en plaatsbepalingen; c. zich oriënteren en verplaatsen in de ruimte; d. verkennen van meetkundige patronen.
Bijlage 2 — Functionele kerndoelen speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 › Onderdeel B — Rekenen en wiskunde › Domein: wiskundige denk-werkwijzen
Domein: wiskundige denk-werkwijzen
Kerndoel 12
De leerling gebruikt wiskundetaal en wiskundig gereedschap.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling gebruikt wiskundetaal en wiskundige representaties. | a. gebruiken van wiskundige symbolen, notaties en begrippen; b. kennen en toepassen van wiskundige representaties; c. relaties leggen tussen getalsymbolen, telwoorden, representaties en hoeveelheden.
B. | De leerling gebruikt meetinstrumenten en andere wiskundige instrumenten. | a. kiezen voor een passend instrument; b. gebruiken van een instrument en de bijbehorende wiskundetaal; c. bepalen, interpreteren en beoordelen van het resultaat.
Bijlage 2 — Functionele kerndoelen speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 › Onderdeel B — Rekenen en wiskunde › Domein: wiskunde en de wereld
Domein: wiskunde en de wereld
Kerndoel 13
De leerling past wiskunde toe in bekende en nieuwe situaties.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling herkent en gebruikt wiskunde in alledaagse situaties. | a. gebruiken van getallen en andere wiskundige concepten in concrete, voor de leerling relevante situaties gericht op zelfredzaamheid; b. herkennen of wiskunde kan worden gebruikt voor het oplossen van een toepassingsprobleem; c. bedenken van een aanpak voor het oplossen van toepassingsproblemen; d. het oplossen van toepassingsproblemen met behulp van wiskundige denk-werkwijzen.
B. | De school ondersteunt het gebruik van wiskunde in verschillende leergebieden. | a. aanbieden van wiskundige concepten en denk-werkwijzen in onderlinge samenhang; b. laten zien hoe verschillende leergebieden getallen en andere wiskundige concepten gebruiken; c. laten zien hoe verschillende leergebieden wiskundetaal en wiskundige representaties gebruiken; d. afstemmen hoe rekenaanpakken en andere wiskundige aanpakken bij verschillende leergebieden worden uitgevoerd; e. laten gebruiken van wiskundige modellen en wiskundige instrumenten in verschillende leergebieden.
Kerndoel 14
De leerling ontwikkelt een wiskundige attitude.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De school stimuleert de ontwikkeling van een wiskundige attitude bij leerlingen. | a. laten zien van het nut en de kracht van wiskunde in uiteenlopende toepassingen; b. stimuleren van een onderzoekende houding ten aanzien van getallen en andere wiskundige informatie; c. laten reflecteren op eigen rekenwijze en overig wiskundig handelen; d. stimuleren van transfer van kennis, inzichten en vaardigheden bij het toepassen van wiskundige concepten en wiskundige denk-werkwijzen.
Bijlage 3 — Functionele kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding als bedoeld in artikel 3 › Onderdeel A — Nederlands › Domein: overkoepelend
Domein: overkoepelend
Kerndoel 1
De school stimuleert de taalcompetentie van leerlingen.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De school zorgt voor een rijke taal- en leesomgeving. | a. aanbieden van taalactiviteiten in betekenisvolle contexten; b. aanbieden van teksten aansluitend bij de interesses of de actualiteit; c. aanbieden van kennis en vaardigheden uit het leergebied Nederlands in onderlinge samenhang; d. stimuleren van de leesmotivatie en de durf om te spreken en/of te schrijven; e. ruimte bieden aan verschillende talen en taalvariëteiten van leerlingen.
B. | De school stimuleert de taalontwikkeling van de leerling in alle leergebieden en praktijkvakken. | a. stimuleren van betekenisvolle activiteiten waarin taalvaardigheden verworven kunnen worden; b. stimuleren van het gebruiken van rijke teksten in alle leergebieden en praktijkvakken; c. stimuleren van taalproductie en interactie in alle leergebieden en praktijkvakken.
Bijlage 3 — Functionele kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding als bedoeld in artikel 3 › Onderdeel A — Nederlands › Domein: communicatie
Domein: communicatie
Kerndoel 2
De leerling doet ervaring op met teksten.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling toont basaal begrip van teksten. | a. actief luisteren, kijken en/of lezen, eventueel met inzet van ondersteunde communicatie; b. inzetten en uitbreiden van woordenschat en kennis van alledaagse onderwerpen; c. reageren op de inhoud van teksten; d. waarderen van teksten.
B. | De leerling verkent vorm en inhoud van verschillende bronnen. | a. oriënteren op kenmerken van tekstsoorten; b. oriënteren op informatie die vragen oproept; c. verkennen van betrouwbaarheid en bruikbaarheid van bronnen.
Kerndoel 3
De leerling werkt met teksten.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling communiceert afgestemd op doel, publiek en context. | a. begrijpen en inzetten van communicatievormen, waar nodig met behulp van communicatiemiddelen; b. hanteren van een passende aanpak; c. formuleren van teksten, passend bij het communicatieve doel, een bekend publiek en herkenbare alledaagse contexten; d. schrijven met een leesbaar handschrift of typschrift en/of verstaanbaar spreken.
B. | De leerling gebruikt taal op een creatieve manier. | a. uitdrukking geven aan gedachten, ervaringen, gevoelens en fantasieën; b. experimenteren met klanken, woorden, zinnen, literaire genres en visuele vormen; c. verkennen van verschillende creatieve manieren van spreken, schrijven, of op een andere manier uitdrukken; d. waarderen van creatief taalgebruik.
Kerndoel 4
De leerling voert gesprekken.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling voert gesprekken afgestemd op doel, gesprekspartner(s) en context. | a. constructief laten verlopen van gesprekken, waar nodig met ondersteunde communicatie; b. afstemmen van taalgebruik, stemgebruik en non-verbale communicatie in een gesprek; c. afstemmen op een communicatief doel in een herkenbare alledaagse online en offline context; d. reageren op gesprekspartner(s).
B. | De leerling voert gesprekken om tot kennisopbouw, begrip of een aanpak te komen. | a. verwoorden van kennis, ideeën en gedachten; b. vragen om toelichting, verklaring of bevestiging; c. luisteren naar en reageren op gesprekspartners; d. verdiepen van een concept, verschijnsel of aanpak; e. beschrijven van opgedane inzichten.
Kerndoel 5
De leerling reflecteert op het gebruik van taal.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling reflecteert op het proces en evalueert het product van een taalactiviteit. | a. ontvangen en geven van feedback; b. beschrijven van de gekozen aanpak in relatie tot het proces; c. waarderen van het product van de taalactiviteit; d. formuleren van leerdoelen voor proces en product bij toekomstige taalactiviteiten.
Bijlage 3 — Functionele kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding als bedoeld in artikel 3 › Onderdeel A — Nederlands › Domein: taal
Domein: taal
Kerndoel 6
De leerling verkent taal als systeem.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling verkent de relatie tussen vorm en betekenis van taal. | a. verkennen hoe letterklanken, klemtoon, intonatie en ritme samenhangen met de betekenis van taal; b. verkennen van de opbouw van basale woorden; c. verkennen van woordvolgorde en eenvoudige zinsopbouw; d. opmerken van effecten van keuzes in taalgebruik.
B. | De leerling benut kennis over spelling bij het schriftelijk formuleren. | a. correct spellen van frequent gebruikte woorden; b. formuleren van begrijpelijke zinnen, waarbij basale interpunctie correct wordt toegepast; c. inzetten van hulpmiddelen en bronnen om regels en procedures correct toe te passen.
Kerndoel 7
De leerling verkent het gebruik van taal.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling verkent hoe je met taal uiting geeft aan identiteit. | a. verkennen van het eigen talige repertoire in relatie tot hoe je wilt overkomen en tot welke groepen je wilt behoren: talen en taalvariëteiten, gebaren, lichaamstaal; b. verkennen van het eigen talige repertoire en het effect ervan op anderen; c. herkennen van rolmodellen die invloed hebben op het bewust inzetten van taal; d. waarderen van het eigen talige repertoire.
Bijlage 3 — Functionele kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding als bedoeld in artikel 3 › Onderdeel A — Nederlands › Domein: literatuur
Domein: literatuur
Kerndoel 8
De leerling doet ervaring op met literatuur.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling ontwikkelt een eigen leesvoorkeur. | a. lezen en/of beluisteren van boeken en teksten, van verschillende schrijvers en genres; b. delen van luister-, kijk- en/of leeservaringen; c. aangaan van nieuwe leesuitdagingen op basis van eerdere luister-, kijk- en/of leeservaringen; d. uiten van persoonlijke voorkeuren op ervaringen met literatuur.
B. | De leerling verkent de vorm en inhoud van literaire teksten | a. verkennen van poëzie, proza en drama; b. interactief luisteren naar en lezen van verhalen en/of boeken; c. beschrijven van verschillende personages als hoofd- en bijfiguren; d. meedenken en meeleven met personages en gebeurtenissen in het verhaal; e. vergelijken van de literaire werkelijkheid met de eigen leef- en belevingswereld.
Bijlage 3 — Functionele kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding als bedoeld in artikel 3 › Onderdeel B — Rekenen en wiskunde › Domein: wiskundige concepten
Domein: wiskundige concepten
Kerndoel 9
De leerling werkt met getallen en verhoudingen.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling geeft betekenis aan en gebruikt gehele getallen. | a. herkennen en gebruiken van getallen als weergave van hoeveelheden; b. tellen en benoemen van hoeveelheden; c. rekenen met hoeveelheden en getallen; d. rekenen met passende rekenvormen en rekenwijzen.
B. | De leerling verkent verhoudingen. | a. oriënteren op verhoudingentaal; b. verkennen van verhoudingen in concrete situaties; c. verkennen van verhoudingsproblemen; d. verkennen van relaties tussen gangbare verhoudingen en percentages.
Kerndoel 10
De leerling hanteert grootheden en eenheden.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling geeft betekenis aan, meet met en gebruikt grootheden en bijpassende eenheden. | a. lengte, inhoud, gewicht en temperatuur; b. meetbegrippen verbinden aan grootheden; c. meten met meetinstrumenten om betekenis te geven aan grootheden en eenheden; d. relaties leggen tussen grootheden en eenheden; e. schatten en controleren met referentiematen en meetreferenties.
B. | De leerling geeft betekenis aan tijd en gebruikt bijpassende eenheden. | a. kennen van tijdsaanduidingen; b. verbinden van tijdsaanduidingen aan voor de leerling relevante situaties; c. herkennen en gebruiken van tijdsbegrippen en tijdseenheden; d. aflezen en gebruiken van meetinstrumenten voor tijd.
C. | De leerling geeft betekenis aan en rekent met geld. | a. begrijpen dat je geld kunt gebruiken om iets te kopen en te betalen; b. bepalen van de waarde van munten en biljetten; c. herkennen en gebruiken van betaalmiddelen; d. rekenen met geldbedragen en referentiebedragen.
Kerndoel 11
De leerling oriënteert zich op meetkundig handelen.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling verkent meetkundige figuren, plaatsbepalingen en meetkundige patronen. | a. oriënteren op meetkundige figuren en begrippen; b. verkennen van begrippen voor ruimtelijke oriëntatie en plaatsbepalingen; c. zich oriënteren en verplaatsen in de ruimte; d. verkennen van meetkundige patronen.
Bijlage 3 — Functionele kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding als bedoeld in artikel 3 › Onderdeel B — Rekenen en wiskunde › Domein: wiskundige denk-werkwijzen
Domein: wiskundige denk-werkwijzen
Kerndoel 12
De leerling gebruikt wiskundetaal en wiskundig gereedschap.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling gebruikt wiskundetaal en wiskundige representaties. | a. gebruiken van wiskundige symbolen, notaties en begrippen; b. kennen en toepassen van wiskundige representaties; c. relaties leggen tussen getalsymbolen, telwoorden, representaties en hoeveelheden.
B. | De leerling gebruikt meetinstrumenten en andere wiskundige instrumenten. | a. kiezen voor een passend instrument; b. gebruiken van een instrument en de bijbehorende wiskundetaal; c. bepalen, interpreteren en beoordelen van het resultaat.
Bijlage 3 — Functionele kerndoelen uitstroomprofiel dagbesteding als bedoeld in artikel 3 › Onderdeel B — Rekenen en wiskunde › Domein: wiskunde en de wereld
Domein: wiskunde en de wereld
Kerndoel 13
De leerling past wiskunde toe in bekende en nieuwe situaties.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling herkent en gebruikt wiskunde in alledaagse en maatschappelijke situaties. | a. gebruiken van getallen en andere wiskundige concepten in concrete, voor de leerling relevante situaties gericht op zelfredzaamheid in wonen, dagbesteding en vrije tijd; b. herkennen of wiskunde kan worden gebruikt voor het oplossen van een toepassingsprobleem; c. bedenken van een aanpak voor het oplossen van toepassingsproblemen; d. het oplossen van toepassingsproblemen met behulp van wiskundige denk-werkwijzen.
B. | De school ondersteunt het gebruik van wiskunde in verschillende leergebieden en praktijkvakken. | a. aanbieden van wiskundige concepten en denk-werkwijzen in onderlinge samenhang; b. laten zien hoe verschillende leergebieden en praktijkvakken getallen en andere wiskundige concepten gebruiken; c. laten zien hoe verschillende leergebieden en praktijkvakken wiskundetaal en wiskundige representaties gebruiken; d. afstemmen hoe rekenaanpakken en andere wiskundige aanpakken bij verschillende leergebieden en praktijkvakken worden uitgevoerd; e. laten gebruiken van wiskundige modellen en wiskundige instrumenten in verschillende leergebieden en praktijkvakken.
Kerndoel 14
De leerling ontwikkelt een wiskundige attitude.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De school stimuleert de ontwikkeling van een wiskundige attitude bij leerlingen. | a. laten zien van het nut en de kracht van wiskunde in uiteenlopende toepassingen; b. stimuleren van een onderzoekende houding ten aanzien van getallen en andere wiskundige informatie; c. laten reflecteren op eigen rekenwijze en overig wiskundig handelen; d. stimuleren van transfer van kennis, inzichten en vaardigheden bij het toepassen van wiskundige concepten en wiskundige denk-werkwijzen.
Bijlage 4 — Functionele kerndoelen arbeidsmarktgericht uitstroomprofiel als bedoeld in artikel 4 › Onderdeel A — Nederlands › Domein: overkoepelend
Domein: overkoepelend
Kerndoel 1
De school stimuleert de taalcompetentie van leerlingen.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De school zorgt voor een rijke taal- en leesomgeving. | a. aanbieden van taalactiviteiten in betekenisvolle contexten; b. aanbieden van teksten aansluitend bij de interesses of de actualiteit; c. aanbieden van kennis en vaardigheden uit het leergebied Nederlands in onderlinge samenhang; d. stimuleren van de leesmotivatie en de durf om te spreken en/of te schrijven; e. ruimte bieden aan verschillende talen en taalvariëteiten van leerlingen.
B. | De school stimuleert de taalontwikkeling van de leerling in alle leergebieden en praktijkvakken. | a. stimuleren van betekenisvolle activiteiten waarin school- en vaktaal en vakspecifieke taalvaardigheden verworven kunnen worden; b. stimuleren van het gebruiken van rijke teksten over inhoudelijke thema’s in alle leergebieden en praktijkvakken; c. stimuleren van taalproductie en interactie in alle leergebieden en praktijkvakken; d. stimuleren van aandacht voor taalverzorging en taalgebruik in alle leergebieden en praktijkvakken; e. aanbieden van een schoolbrede set van aanpakken en flexibel inzetbare strategieën bij het ondersteunen van taalactiviteiten in andere leergebieden en praktijkvakken.
Bijlage 4 — Functionele kerndoelen arbeidsmarktgericht uitstroomprofiel als bedoeld in artikel 4 › Onderdeel A — Nederlands › Domein: communicatie
Domein: communicatie
Kerndoel 2
De leerling doet ervaring op met teksten.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling toont basaal begrip van teksten. | a. actief luisteren, kijken en/of lezen, eventueel met inzet van ondersteunde communicatie; b. inzetten en uitbreiden van woordenschat, kennis over taal, kennis van de wereld en werkgerelateerde onderwerpen; c. beschrijven van perspectieven, communicatieve doelen, publiek, context; d. in eigen woorden weergeven van de inhoud van teksten; e. toepassen van aanpakken en begripsverhogende strategieën.
B. | De leerling verkent vorm en inhoud van verschillende bronnen. | a. oriënteren op kenmerken van aangereikte bronnen: maker, tekstsoort en verschijningsdatum; b. benoemen van inhouds- en vormelementen die vragen oproepen; c. vergelijken van bronnen op basis van hun betrouwbaarheid en bruikbaarheid.
Kerndoel 3
De leerling werkt met teksten.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling communiceert afgestemd op doel, publiek en context. | a. begrijpen en inzetten van communicatievormen, waar nodig met behulp van communicatiemiddelen; b. hanteren van een passende aanpak; c. in eigen woorden verwerken van informatie uit verschillende bronnen; d. formuleren van teksten en passend bij het communicatieve doel, een bekend publiek, en herkenbare alledaagse of werkgerelateerde contexten; e. inzetten en uitbreiden van kennis over de vorm van teksten: tekstsoorten, tekststructuren, verteltechnieken; f. schrijven op letter-, schrift- en tekstniveau met een leesbaar handschrift of typschrift, en/of verstaanbaar spreken.
B. | De leerling gebruikt taal op een creatieve manier. | a. verkennen van creatief taalgebruik van anderen; b. uitdrukking geven aan ideeën, gedachten, ervaringen, gevoelens en fantasieën; c. experimenteren met klanken, woorden, zinnen, literaire genres, taalregels, taalconventies en visuele vormen; d. waarderen van creatief taalgebruik.
Kerndoel 4
De leerling voert gesprekken.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling voert gesprekken afgestemd op doel, gesprekspartner(s) en context. | a. constructief laten verlopen van gesprekken, waar nodig met ondersteunde communicatie; b. afstemmen van taalgebruik, stemgebruik en non-verbale communicatie in een gesprek; c. afstemmen op een communicatief doel in een herkenbare alledaagse, online en offline of werkgerelateerde context; d. reageren op gesprekspartner(s).
B. | De leerling voert gesprekken om tot kennisopbouw, begrip of een aanpak te komen. | a. verwoorden van kennis, ideeën en gedachten; b. vragen om toelichting, verklaring of bevestiging; c. luisteren naar en doorvragen op ideeën en perspectieven van gesprekspartners; d. verdiepen van een concept, verschijnsel of aanpak; e. samenvatten van inzichten, verwoorden van oplossingen of trekken van conclusies.
Kerndoel 5
De leerling reflecteert op het gebruik van taal.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling reflecteert op het proces en evalueert het product van een taalactiviteit. | a. ontvangen en geven van feedback; b. beschrijven van het proces: de gemaakte keuzes in aanpak tijdens en na de uitvoering van een taalactiviteit; c. beoordelen van het product van de taalactiviteit aan de hand van aangereikte criteria; d. formuleren van leerdoelen voor proces en product bij toekomstige taalactiviteiten.
Bijlage 4 — Functionele kerndoelen arbeidsmarktgericht uitstroomprofiel als bedoeld in artikel 4 › Onderdeel A — Nederlands › Domein: taal
Domein: taal
Kerndoel 6
De leerling verkent taal als systeem.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling verkent de relatie tussen vorm en betekenis van taal. | a. verkennen hoe letterklanken, klemtoon, intonatie en ritme samenhangen met de betekenis van taal; b. inzicht tonen in de opbouw van basale woorden; c. verkennen hoe woordvolgorde en zinsdelen de betekenis van een zin bepalen; d. opmerken van effecten van keuzes in taalgebruik.
B. | De leerling benut kennis over spelling bij het schriftelijk formuleren. | a. correct spellen van frequent gebruikte woorden en vaktaal; b. formuleren van zinnen, waarbij interpunctie correct wordt toegepast; c. ontwikkelen van spellinggeweten en spellingbewustzijn; d. inzetten van hulpmiddelen en bronnen om regels en procedures correct toe te passen.
Kerndoel 7
De leerling verkent het gebruik van taal.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling verkent hoe je met taal uiting geeft aan identiteit. | a. verkennen van het eigen talige repertoire in relatie tot hoe je wilt overkomen of tot welke groepen je wilt behoren: talen en taalvariëteiten, gebaren, lichaamstaal; b. verkennen van het eigen talige repertoire in relatie tot publiek, doel en context; c. herkennen van rolmodellen die invloed hebben op het bewust inzetten van taal; d. reflecteren op hoe je overkomt op anderen op basis van keuzes in je eigen talige repertoire; e. waarderen van het eigen talige repertoire.
Bijlage 4 — Functionele kerndoelen arbeidsmarktgericht uitstroomprofiel als bedoeld in artikel 4 › Onderdeel A — Nederlands › Domein: literatuur
Domein: literatuur
Kerndoel 8
De leerling doet ervaring op met literatuur.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling ontwikkelt een eigen leesvoorkeur. | a. lezen en/of beluisteren van boeken en teksten, van verschillende schrijvers en genres; b. delen van luister-, kijk- en/of leeservaringen; c. zoeken en kiezen van boeken en teksten op basis van je voorkeur; d. aangaan van nieuwe leesuitdagingen op basis van eerdere luister-, kijk en/of leeservaringen; e. uiten van persoonlijke voorkeuren op ervaringen met literatuur.
B. | De leerling verkent de vorm en inhoud van literaire teksten. | a. inzicht tonen in poëzie, proza en drama; b. benoemen van verhaallijnen en verbanden binnen het verhaal; c. beschrijven van verschillende hoofden bijfiguren, helpers en tegenspelers; d. beschrijven hoe personages voelen, denken en handelen; e. beschrijven waar, wanneer en onder welke omstandigheden een verhaal zich afspeelt.
Bijlage 4 — Functionele kerndoelen arbeidsmarktgericht uitstroomprofiel als bedoeld in artikel 4 › Onderdeel B — Rekenen en wiskunde › Domein: wiskundige concepten
Domein: wiskundige concepten
Kerndoel 9
De leerling werkt met getallen en verhoudingen.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling geeft betekenis aan en gebruikt gehele en decimale getallen. | a. herkennen en gebruiken van getallen als weergave van hoeveelheden; b. rekenen met hoeveelheden en gehele en decimale getallen; c. rekenen met passende rekenvormen en rekenwijzen.
B. | De leerling geeft betekenis aan en gebruikt verhoudingen, waaronder breuken. | a. herkennen van verhoudingen en breuken in concrete situaties; b. oplossen van verhoudingsproblemen; c. relaties leggen tussen breuken en delingen; d. beredeneerd ordenen, vereenvoudigen en vergelijken van gangbare breuken; e. relaties leggen tussen gangbare verhoudingen, breuken en percentages.
Kerndoel 10
De leerling hanteert grootheden en eenheden.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling geeft betekenis aan, meet met en gebruikt grootheden en bijpassende eenheden. | a. lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht en temperatuur; b. meten met meetinstrumenten om betekenis te geven aan grootheden en eenheden; c. relaties leggen tussen grootheden en eenheden en tussen eenheden onderling; d. schatten en controleren met referentiematen en meetreferenties; e. afronden van meetresultaten, passend bij de situatie.
B. | De leerling geeft betekenis aan tijd en gebruikt bijpassende eenheden. | a. kennen van tijdsaanduidingen; b. verbinden van tijdsaanduidingen aan voor de leerling relevante situaties; c. gebruiken van tijdsbegrippen en tijdseenheden; d. aflezen en gebruiken van meetinstrumenten voor tijd.
C. | De leerling geeft betekenis aan en rekent met geld. | a. kennen van begrippen rond geld in de context van wonen, werken en vrije tijd; b. bepalen van de waarde van munten en biljetten; c. herkennen en gebruiken van betaalmiddelen; d. rekenen met geldbedragen en referentiebedragen.
Kerndoel 11
De leerling toont inzicht bij meetkundig handelen.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling geeft betekenis aan en gebruikt meetkundige figuren, plaatsbepalingen en meetkundige patronen. | a. kennen en toepassen van meetkundige figuren en begrippen; b. construeren van tweedimensionale weergaves en driedimensionale figuren; c. zich oriënteren en verplaatsen in de ruimte; d. herkennen, beschrijven en voortzetten van meetkundige patronen.
Bijlage 4 — Functionele kerndoelen arbeidsmarktgericht uitstroomprofiel als bedoeld in artikel 4 › Onderdeel B — Rekenen en wiskunde › Domein: wiskundige denk-werkwijzen
Domein: wiskundige denk-werkwijzen
Kerndoel 12
De leerling gebruikt wiskundetaal en wiskundig gereedschap.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling gebruikt wiskundetaal en wiskundige representaties. | a. gebruiken van wiskundige symbolen, notaties en begrippen; b. kennen en toepassen van wiskundige representaties; c. relaties leggen tussen getalsymbolen, telwoorden, representaties en hoeveelheden.
B. | De leerling gebruikt meetinstrumenten en andere wiskundige instrumenten. | a. kiezen voor een passend instrument; b. gebruiken van een instrument en de bijbehorende wiskundetaal; c. bepalen, interpreteren en beoordelen van het resultaat.
Bijlage 4 — Functionele kerndoelen arbeidsmarktgericht uitstroomprofiel als bedoeld in artikel 4 › Onderdeel B — Rekenen en wiskunde › Domein: wiskunde en de wereld
Domein: wiskunde en de wereld
Kerndoel 13
De leerling past wiskunde toe in bekende en nieuwe situaties.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De leerling herkent en gebruikt wiskunde in alledaagse, maatschappelijke en arbeidsmatige situaties. | a. gebruiken van getallen en andere wiskundige concepten in concrete, voor de leerling relevante situaties gericht op zelfredzaamheid in wonen, werken en vrije tijd; b. herkennen of wiskunde kan worden gebruikt voor het oplossen van een toepassingsprobleem; c. bedenken van een aanpak voor het oplossen van toepassingsproblemen; d. het oplossen van toepassingsproblemen met behulp van wiskundige denk-werkwijzen.
B. | De school ondersteunt het gebruik van wiskunde in verschillende leergebieden en praktijkvakken. | a. aanbieden van wiskundige concepten en denk-werkwijzen in onderlinge samenhang; b. laten zien hoe verschillende leergebieden en praktijkvakken getallen en andere wiskundige concepten gebruiken; c. laten zien hoe verschillende leergebieden en praktijkvakken wiskundetaal en wiskundige representaties gebruiken; d. afstemmen hoe rekenaanpakken en andere wiskundige aanpakken bij verschillende leergebieden en praktijkvakken worden uitgevoerd; e. laten gebruiken van wiskundige modellen en wiskundige instrumenten in verschillende leergebieden en praktijkvakken.
Kerndoel 14
De leerling ontwikkelt een wiskundige attitude.
Doelzin: | Het gaat hierbij om:
A. | De school stimuleert de ontwikkeling van een wiskundige attitude bij leerlingen. | a. laten zien van het nut en de kracht van wiskunde in uiteenlopende toepassingen; b. stimuleren van een onderzoekende houding ten aanzien van getallen en andere wiskundige informatie; c. laten reflecteren op eigen rekenwijze en overig wiskundig handelen; d. stimuleren van transfer van kennis, inzichten en vaardigheden bij het toepassen van wiskundige concepten en wiskundige denk-werkwijzen.