Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021
Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 7 juli 2021, nr. WJZ/ 21133744, houdende de aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de productie van duurzame energie en klimaattransitie in 2021 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021)
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 01-01-2022
- Rechtsgebied
- Ondernemingspraktijk
- Ministerie
- Economische Zaken en Klimaat
- BWB-id
- BWBR0045389
- Versie
- 2022-01-01_0
- SHA-256 bron
- 65f821003056d2e65a0192de801e17cd950dc4dfcea5ffffbfa668e369d87a86
Inhoud (106)
- Artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 5
- Artikel 6
- Artikel 7
- Artikel 8
- Artikel 9
- Artikel 10
- Artikel 11
- Artikel 12
- Artikel 13
- Artikel 14
- Artikel 15
- Artikel 16
- Artikel 17
- Artikel 18
- Artikel 19
- Artikel 20
- Artikel 21
- Artikel 22
- Artikel 23
- Artikel 24
- Artikel 25
- Artikel 26
- Artikel 27
- Artikel 28
- Artikel 29
- Artikel 30
- Artikel 31
- Artikel 32
- Artikel 33
- Artikel 34
- Artikel 35
- Artikel 36
- Artikel 37
- Artikel 38
- Artikel 39
- Artikel 40
- Artikel 41
- Artikel 42
- Artikel 43
- Artikel 44
- Artikel 45
- Artikel 46
- Artikel 47
- Artikel 48
- Artikel 49
- Artikel 50
- Artikel 51
- Artikel 52
- Artikel 53
- Artikel 54
- Artikel 55
- Artikel 56
- Artikel 57
- Artikel 58
- Artikel 59
- Artikel 60
- Artikel 61
- Artikel 62
- Artikel 63
- Artikel 64
- Artikel 65
- Artikel 66
- Artikel 67
- Artikel 68
- Artikel 69
- Artikel 70
- Artikel 71
- Artikel 72
- Artikel 73
- Artikel 74
- Artikel 75
- Artikel 76
- Artikel 77
- Artikel 78
- Artikel 79
- Artikel 80
- Artikel 81
- Artikel 82
- Artikel 83
- Artikel 84
- Artikel 85
- Artikel 86
- Artikel 87
- Artikel 88
- Artikel 89
- Artikel 90
- Artikel 91
- Artikel 92
- Artikel 93
- Artikel 94
- Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de afvang en opslag van koolstofdioxide, de afvang en het gebruik van koolstofdioxide en van activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021
- Artikel 1 — Tijdige ingebruikname van de productie-installatie
- Artikel 2 — Inhoud en omvang van de garantie
- Artikel 3 — Vrijval van de garantie
- Artikel 4 — Boetes
- Artikel 5 — Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst
- Artikel 6 — Domiciliekeuze en berichtgevingen
- Artikel 7 — Rechtskeuze
- Artikel 8 — Citeertitel
- Model bankgarantie
- Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 15, 17 en 19 (lijst windsnelheden per gemeente) (deel 1)
- Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 15, 17 en 19 (lijst windsnelheden per gemeente) (deel 2)
§ 1 — Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
algemene uitvoeringsregeling: Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;
allesvergisting: biologische afbraakreacties van biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2017, met uitzondering van de nummers 400, 410, 420, 500, 550 tot en met 559, waarvan de biogasopbrengst van de ingaande stroom ten minste 25 Nm3 aardgasequivalent per ton bedraagt;
beschermingszone: beschermingszone als bedoeld in appendix B bij bijlage I bij de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;
besluit: Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;
Besluit SDE: Besluit stimulering duurzame energieproductie, zoals dit luidde op 31 oktober 2020;
biosyngas: mengsel van gassen dat is geproduceerd door vergassing van biomassa en dat geen nadere bewerking tot methaan heeft ondergaan;
COP-waarde: coëfficiënt van prestatie uitgedrukt in de hoeveelheid afgegeven warmte aan de condensorzijde per hoeveelheid opgenomen elektriciteit;
doublet: combinatie van naast elkaar liggende diepboringen die ten minste bestaat uit één productieput en één injectieput;
geavanceerde hernieuwbare brandstof: biobrandstof als bedoeld in artikel 2, onderdeel 33, van richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328) en geproduceerd uit grondstoffen als bedoeld in deel A van bijlage IX bij die richtlijn;
gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt, niet zijnde een bouwwerk dat bedoeld is om voor een periode van ten hoogste vijftien jaar op een bepaalde plaats aanwezig te zijn;
ketel: installatie waarin brandstof wordt verstookt waarbij de verbrandingswarmte met een warmtewisselaar wordt overgedragen aan een vloeistof;
monomestvergisting: biologische afbraakreacties van uitsluitend vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren;
minister: Minister van Economische Zaken en Klimaat;
netto P50-waarde vollasturen: aantal vollasturen waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie moet zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%;
nominaal elektrisch rendement: uitkomst van de deling van het nominaal elektrisch vermogen en;
a. de som van het nominaal elektrisch vermogen en nominaal warmtevermogen in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een verbrandingsmotor; en
b. het nominaal warmtevermogen van de ketel in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een stoomturbine of een organische rankinecyclus;
nominaal vermogen: maximale vermogen van de productie-installatie dat onder nominale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte, nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte of hernieuwbaar gas en dat door de leverancier wordt gegarandeerd bij continu gebruik, waarbij in het geval van geothermische productie-installaties het nominaal vermogen moet zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van ten minste 50%;
NTA 8003:2017: Nederlandse Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassing, uitgegeven door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde op 30 november 2017;
nuttig aangewende warmte: nuttig aangewende warmte als bedoeld in artikel 1 van de Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong;
nuttig aangewende koolstofdioxide: nuttig aangewende koolstofdioxide als bedoeld in artikel 1 van de algemene uitvoeringsregeling;
nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte: nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte als bedoeld in artikel 1 van de algemene uitvoeringsregeling;
primaire waterkering: primaire waterkering als bedoeld in appendix B bij bijlage I bij de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;
restwarmte: onvermijdelijke thermische energie die als bijproduct in de bedrijfsvoering van een onderneming wordt opgewekt en die zonder nuttige aanwending ongebruikt terecht zou komen in lucht of water en die op het moment van indienen van de aanvraag niet nuttig wordt aangewend;
richtlijn (EU) 2018/2001: richtlijn nr. (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328);
SBI-code: code, opgenomen in de Standaard Bedrijfs Indeling 2008, Versie 2018, Update 2021;
stadsverwarming: warmtelevering aan een warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet, waarbij door een producent de warmte voor ruimteverwarming en warmtapwatervoorzieningen van gebouwen wordt geleverd;
thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa: omzetting van vaste of vloeibare biomassa door:
a. verbranding;
b. een andere thermische behandeling dan bedoeld onder a in het geval de producten daarvan vervolgens worden verbrand; of
c. de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling;
valhoogte: verschil in waterpeil voor en achter een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door waterkracht waarbij het nominaal vermogen wordt benut;
verwarming van gebouwde omgeving: stadsverwarming of ruimteverwarming en warmtapwatervoorzieningen in een gebouw, niet zijnde een kas, waarbij de producent de warmte rechtstreeks levert aan dat gebouw;
voorliggende waterkering: voorliggende waterkeringen als genoemd in de paragrafen 5.2.4 tot en met 5.7.4 van bijlage I bij de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;
waterstaatswerk: waterstaatswerk als bedoeld in appendix B bij bijlage I bij de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;
zeewering of zachte zeewering van Maasvlakte 2: harde zeewering en zachte zeewering van Maasvlakte 2 als bedoeld in bijlage 1 bij de concessie aan het Havenbedrijf Rotterdam N.V. te Rotterdam, bij Koninklijk Besluit van 23 mei 2008, nr. 08.001524.
§ 2 — Algemene bepalingen
Artikel 2
1 Het subsidieplafond bedraagt € 5.000.000.000 voor het verlenen van subsidies die worden aangevraagd in de periode van 5 oktober 2021, 09:00 uur, tot 11 november 2021, 17:00 uur, voor:
a. de productie van hernieuwbare elektriciteit op grond van artikel 11, 13, 15, eerste lid, 17, eerste lid, 19, eerste lid, 21, eerste lid, of 23, eerste lid;
b. de productie van hernieuwbaar gas op grond van artikel 25, 27, 29, eerste lid, 31 of 33;
c. de productie van hernieuwbare warmte of al dan niet gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte op grond van artikel 35, eerste lid, 37, 39, 41, eerste lid, 43, 45, eerste lid, 47, eerste lid, 49, eerste lid, 51, eerste lid, 53, eerste lid, 55, 57, eerste lid, 59, eerste lid, of 61; of
d. de vermindering van broeikasgas op grond van artikel 63, 65, 67, eerste lid, 69, eerste lid, 71, eerste lid, 73, eerste lid, 75, eerste lid, 77, eerste lid, 79, eerste lid, 81, eerste lid, 83, eerste lid, of 85, eerste lid.
2 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van ontvangst van de aanvragen.
3 Per categorie productie-installaties kan in de periode, genoemd in het eerste lid, per adres waarop een productie-installatie wordt geplaatst maximaal één aanvraag worden ingediend.
§ 2 — Algemene bepalingen
Artikel 3
1 De maximale vermindering van broeikasgas in kg die in aanmerking komt voor subsidies voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide op grond van artikel 83, eerste lid, die worden aangevraagd in de periode, genoemd in artikel 2, eerste lid, bedraagt, gerekend voor de hele looptijd van die subsidies:
a. 70.500.000.000 kg voor de koolstofdioxide afkomstig van door subsidieontvangers uitgevoerde economische activiteiten met SBI-code 06, 08 tot en met 33, 35.2, 35.3 of 38: en
b. 45.000.000.000 kg voor de koolstofdioxide afkomstig van door subsidieontvangers uitgevoerde economische activiteiten met SBI-code 35.1 of afkomstig van economische activiteiten met SBI-code 35.1 die vrijkomt bij de verbranding van een bijproduct afkomstig van door subsidieontvangers uitgevoerde economische activiteiten met SBI-code 06, 08 tot en met 33, 35.2, 35.3 of 38.
2 Indien bij een subsidie als bedoeld in het eerste lid de koolstofdioxide deels afkomstig is als bijproduct van een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en deels van een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt alle koolstofdioxide toegerekend:
a. aan de maximale vermindering van broeikasgas in kg, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b; en vervolgens
b. aan de maximale vermindering van broeikasgas, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
3 De maximale vermindering van broeikasgas die in aanmerking komt voor subsidies voor de productie van geavanceerde hernieuwbare brandstof op grond van artikel 81, eerste lid, die worden aangevraagd in de periode, genoemd in artikel 2, eerste lid, komt overeen met 7.400.000.000 kWh, gerekend voor de hele looptijd van de subsidies.
§ 2 — Algemene bepalingen
Artikel 4
1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien:
a. geen toestemming van de eigenaar van de beoogde locatie en geen gedoogplichtbeschikking op grond van artikel 2, vijfde lid, of 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht voor de beoogde locatie kan worden overgelegd voor het plaatsen van de productie-installatie op de beoogde locatie;
b. de subsidieaanvrager voor de investering in de productie-installatie beschikt over een verklaring van de minister dat sprake is van energie-investeringen op grond van artikel 3.42, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001; of
c. voor dezelfde productie-installatie reeds subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking.
2 Bij het overleggen van de toestemming van de eigenaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt gebruik gemaakt van het middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
§ 2 — Algemene bepalingen
Artikel 5
1 Een subsidie als bedoeld in de artikelen 83, eerste lid, onderdelen e tot met n, en 85, eerste lid, onderdelen a, b, c, en f tot en met m, of een subsidie van meer dan € 400.000.000,- wordt verleend onder de volgende opschortende voorwaarden:
a. binnen twee weken na afgifte van de betreffende beschikking tot subsidieverlening is een uitvoeringsovereenkomst tot stand gekomen tussen de Staat en de subsidieontvanger;
b. de subsidieontvanger heeft binnen vier weken na afgifte van de beschikking tot subsidieverlening aangetoond dat een bankgarantie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de uitvoeringsovereenkomst is afgegeven.
2 Voor het opstellen van de uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid wordt gebruik gemaakt van het in bijlage 1 opgenomen model.
3 Het eerste lid is niet van toepassing op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, onderdeel a, van de Elektriciteitswet 1998.
4 Indien voor dezelfde periode, of gedeeltelijk voor dezelfde periode, meer beschikkingen zijn afgegeven voor dezelfde productie-installatie en dezelfde soort hernieuwbare energie, worden voor de toepassing van het eerste lid bij elkaar opgeteld de subsidies die de subsidieontvanger ontvangt, bedoeld in artikel 48, eerste lid, van het besluit of het Besluit SDE, van die beschikkingen waarvan de periode waarover subsidie wordt verstrekt, nog niet is aangevangen.
5 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien sprake is van een combinatie van twee subsidies als bedoeld in de artikelen 83, tweede of derde lid, en 85, tweede of derde lid, waardoor in totaal meer dan € 400.000.000,– aan subsidie wordt verleend.
§ 2 — Algemene bepalingen
Artikel 6
1 Als te renoveren productie-installaties waarvoor subsidie kan worden verstrekt als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, onderdeel c, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 11, onderdeel c.
2 Als productie-installaties die als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het besluit worden aangewezen:
a. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas door biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 27;
b. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 39; en
c. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 43 en 57, eerste lid.
3 Als te renoveren productie-installaties waarvoor subsidie kan worden verstrekt als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c, van het besluit worden aangewezen:
a. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas door biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 27; en
b. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 39.
4 Als productie-installaties waarvoor subsidie wordt verstrekt indien deze geheel of deels bestaat uit gebruikte materialen als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van het besluit worden aangewezen:
a. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25, 27, 29, eerste lid, 31 en 33;
b. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 37, 39, 41, eerste lid, 43, 45, eerste lid, 47, eerste lid, 49, eerste lid, 51 eerste lid, 53, eerste lid, 55, 57, eerste lid en 61, onderdeel f;
c. productie-installaties waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 77, eerste lid;
d. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en permanent opgeslagen als bedoeld in artikel 83, eerste lid; en
e. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en gebruikt als bedoeld in artikel 85, eerste lid.
§ 2 — Algemene bepalingen
Artikel 7
1 Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 15, derde en vierde lid, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 11, 13, 15, eerste lid, 17, eerste lid, 19, eerste lid, en 21, eerste lid. Het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.
2 Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 15, derde en vierde lid, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 23, eerste lid. Het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt. Bij de benutting van de opgetelde kWh, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt de productie verdeeld in een deel netlevering en een deel niet-netlevering op basis van de verhouding tussen de geproduceerde energie die aan het net geleverd is en de energie die niet aan het net geleverd is in het voorgaande jaar.
3 Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 32, derde en vierde lid, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25, 27, 29, eerste lid, 31 en 33. Het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 32, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.
4 Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 48, derde en vierde lid, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 35, eerste lid, 37, 39, 41, eerste lid, 43, 45, eerste lid, 47, eerste lid, 49, eerste lid, 51, eerste lid, 53, eerste lid, 55, 57, eerste lid, 59, eerste lid, en 61.
5 Voor de productie-installaties, bedoeld in het vierde lid, wordt het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 48, vierde lid, van het besluit, gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.
6 Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 55j, derde en vierde lid, van het besluit worden aangewezen:
a. productie-installaties waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 63, 65, 67, eerste lid, 69, eerste lid, 71, eerste lid, 75, eerste lid, en 77, eerste lid;
b. productie-installaties waarmee geavanceerde hernieuwbare brandstof wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 81, eerste lid;
c. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en permanent opgeslagen als bedoeld in artikel 83, eerste lid; en
d. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en gebruikt als bedoeld in artikel 85, eerste lid.
7 Voor de productie-installatie, bedoeld in het zesde lid, wordt het verschil in kg verminderde broeikasgas dat bij het aantal kg verminderde broeikasgas van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 55j, vierde lid, van het besluit, gemaximeerd op 25% van het aantal kg verminderde broeikasgas dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.
8 Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 55j, derde lid, van het besluit worden aangewezen:
a. productie-installaties waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 73, eerste lid; en
b. productie-installaties waarmee waterstof wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 79, eerste lid.
§ 2 — Algemene bepalingen
Artikel 8
1 Als productie-installaties waarvoor het aantal kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 32, zesde lid, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25, 27, 29, eerste lid, 31 en 33.
2 Als productie-installaties waarvoor de producent kan aantonen dat hij hernieuwbaar gas heeft geproduceerd waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit is geproduceerd, als bedoeld in artikel 32, zevende lid, van het besluit worden productie-installaties aangewezen waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 37, 39 en 41, eerste lid.
§ 2 — Algemene bepalingen
Artikel 9
1 Als productie-installaties waarvoor het aantal kWh kan worden opgeteld waarvoor garanties van oorsprong voor niet-netlevering zijn verstrekt als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van het besluit worden productie-installaties aangewezen waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt opgewekt als bedoeld in de artikelen 11, 13, 15, eerste lid, 17, eerste lid, 19, eerste lid, 21, eerste lid, en 23, eerste lid.
2 Als productie-installaties waarvoor het aantal kWh kan worden opgeteld waarvoor garanties van oorsprong voor niet-netlevering zijn verstrekt als bedoeld in artikel 48, zevende lid van het besluit worden productie-installaties aangewezen waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 37, onderdelen b, d en f, 39, onderdelen b en d, 41, eerste lid, onderdeel b, 43, 45, eerste lid, 47, eerste lid, 49, eerste lid, 51, eerste lid, 53, eerste lid, 55 en 57, eerste lid.
§ 2 — Algemene bepalingen
Artikel 10
Als productie-installaties waarvoor een gebundelde aanvraag kan worden ingediend als bedoeld in artikel 56, tweede lid, van het besluit worden aangewezen:
a. productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 15, eerste lid, 17, eerste lid, 19, eerste lid, en 21, eerste lid;
b. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25 en 27;
c. productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 37 en 39;
d. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en permanent opgeslagen als bedoeld in artikel 83, eerste lid; en
e. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en gebruikt als bedoeld in artikel 85, eerste lid.
§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.1 — Waterkracht
Artikel 11
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee door hydro-mechanisch-elektrische omzetting hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd uit potentiële of kinetische energie van stromend water dat niet specifiek voor de elektriciteitsproductie omhoog is gepompt:
a. in installaties met een valhoogte kleiner dan 50 centimeter;
b. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter; of
c. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter, die ingrijpend zijn gerenoveerd en waarbij ten minste de turbines nieuw zijn.
§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.1 — Waterkracht
Artikel 12
1 De subsidie, bedoeld in artikel 11, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.2 — Osmose
Artikel 13
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt gegenereerd door middel van het verschil in zoutconcentratie tussen twee watermassa’s.
§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.2 — Osmose
Artikel 14
1 De subsidie, bedoeld in artikel 13, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.3 — Wind op land
Artikel 15
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie:
a. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, niet zijnde een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in de artikelen 17, 19 en 21;
b. die is aangesloten op een elektriciteitsnet met een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A; en
c. die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2019, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:
1°. ≥ 8,5 m/s;
2°. ≥ 8,0 en < 8,5 m/s;
3°. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;
4°. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;
5°. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of
6°. < 6,75 m/s.
2 De productie-installatie is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.
3 Indien de productie-installatie wordt opgericht op een locatie waar op het moment van het indienen van de aanvraag een windturbine staat of heeft gestaan, verstrekt de minister de subsidie uitsluitend indien:
a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of
b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging ten minste vijftien jaar op die locatie in gebruik is geweest en op het moment van het indienen van de aanvraag ten minste dertien jaar geleden in gebruik is genomen.
§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.3 — Wind op land
Artikel 16
1 De subsidie, bedoeld in artikel 15, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.4 — Wind op land met hoogtebeperking
Artikel 17
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie:
a. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie;
b. met een tiphoogte kleiner dan of gelijk aan 150 meter;
c. die is aangesloten op een elektriciteitsnet met een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A; en
d. die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2019, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:
1°. ≥ 8,5 m/s;
2°. ≥ 8,0 en < 8,5 m/s;
3°. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;
4°. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;
5°. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of
6°. < 6,75 m/s.
2 De productie-installatie is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.
3 Op de locatie van de productie-installatie is sprake van een hoogterestrictie bij of krachtens landelijke wet- en regelgeving in verband met de aanwezigheid van een luchthaven in de omgeving waardoor de windturbine een tiphoogte heeft van kleiner dan of gelijk aan 150 meter.
4 Indien de productie-installatie wordt opgericht op een locatie waar op het moment van het indienen van een aanvraag een windturbine staat of heeft gestaan, verstrekt de minister de subsidie uitsluitend indien:
a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of
b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging ten minste vijftien jaar op die locatie in gebruik is geweest en op het moment van indienen van de aanvraag ten minste dertien jaar geleden in gebruik is genomen.
§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.4 — Wind op land met hoogtebeperking
Artikel 18
1 De subsidie, bedoeld in artikel 17, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.5 — Wind op waterkering
Artikel 19
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie:
a. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie;
b. die is opgericht binnen het waterstaatswerk of een beschermingszone van een voorliggende waterkering, dan wel binnen het waterstaatswerk of de zeewaartsgerichte beschermingszone van een primaire waterkering grenzend aan de Noordzee, de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Dollard of de Eems, dan wel in de harde zeewering of zachte zeewering van Maasvlakte 2;
c. die is aangesloten op een elektriciteitsnet met een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A; en
d. die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2019, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:
1°. ≥ 8,5 m/s;
2°. ≥ 8,0 en < 8,5 m/s;
3°. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;
4°. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;
5°. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of
6°. < 6,75 m/s.
2 Indien de productie-installatie wordt opgericht op een locatie waar op het moment van het indienen van de aanvraag een windturbine staat of heeft gestaan, verstrekt de minister de subsidie uitsluitend indien:
a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of
b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging ten minste vijftien jaar op die locatie in gebruik is geweest en op het moment van indienen van de aanvraag ten minste dertien jaar geleden in gebruik is genomen.
§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.5 — Wind op waterkering
Artikel 20
1 De subsidie, bedoeld in artikel 19, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.6 — Wind in meer
Artikel 21
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie:
a. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie;
b. waarvan de fundering volledig in het water van een meer van minimaal één vierkante kilometer staat, waarbij het hart van de fundering op een afstand van ten minste 25 meter van de waterkant staat; en
c. die is aangesloten op een elektriciteitsnet met een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A.
2 Indien de productie-installatie wordt opgericht op een locatie waar op het moment van indienen van de aanvraag een windturbine staat of heeft gestaan, verstrekt de minister de subsidie uitsluitend indien:
a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of
b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging ten minste vijftien jaar op die locatie in gebruik is geweest en op het moment van indienen van de aanvraag ten minste dertien jaar geleden in gebruik is genomen.
§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.6 — Wind in meer
Artikel 22
1 De subsidie, bedoeld in artikel 21, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.7 — Fotovoltaïsche zonnepanelen
Artikel 23
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen, die is aangesloten op een elektriciteitsnet via een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A:
a. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 15 kWp en kleiner dan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen op of aan een gebouw zijn aangebracht;
b. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 15 kWp en kleiner dan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen, niet met een gebouw verbonden, op land staan of op water drijven;
c. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen op of aan een gebouw zijn aangebracht;
d. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen, niet met een gebouw verbonden, op land staan;
e. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen op water drijven;
f. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen, niet met een gebouw verbonden, op land staan, en automatisch met de stand van de zon meebewegen door middel van een zonvolgsysteem; of
g. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen op water drijven en automatisch met de stand van de zon meebewegen door middel van een zonvolgsysteem.
2 Voor de werking van dit artikel wordt onder gebouw tevens verstaan een aan de grond gebonden overkapping ten behoeve van het tegen weersinvloeden beschermd parkeren van voertuigen.
§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.7 — Fotovoltaïsche zonnepanelen
Artikel 24
1 De subsidie, bedoeld in artikel 23, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdelen a en b, binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
4 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdelen d, e, f en g, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
5 Artikel 3, eerste lid, van de algemene uitvoeringsregeling is niet van toepassing op een productie-installatie als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdelen a en b.
§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.1 — Biomassavergisting
Artikel 25
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door:
a. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is;
b. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een productie-installatie met een vermogen groter dan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is; of
c. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een productie-installatie met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is.
§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.1 — Biomassavergisting
Artikel 26
1 De subsidie, bedoeld in artikel 25, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.2 — Biomassavergisting, verlengde levensduur
Artikel 27
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie die ingrijpend wordt gerenoveerd en waarmee:
a. uitsluitend door middel van allesvergisting hernieuwbaar gas wordt geproduceerd met een productie-installatie waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt als productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare warmte, waarbij ten minste de opwerkinstallatie waarmee biogas op aardgaskwaliteit wordt gebracht nieuw is en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen;
b. uitsluitend door middel van allesvergisting hernieuwbaar gas wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt als productie-installaties voor de productie van hernieuwbaar gas en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen;
c. uitsluitend door middel van monomestvergisting met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW hernieuwbaar gas wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt als productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare warmte, waarbij ten minste de opwerkinstallatie waarmee biogas op aardgaskwaliteit wordt gebracht nieuw is en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen; of
d. uitsluitend door middel van monomestvergisting met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW hernieuwbaar gas wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt als productie-installaties voor de productie van hernieuwbaar gas en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen.
§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.2 — Biomassavergisting, verlengde levensduur
Artikel 28
1 De subsidie, bedoeld in artikel 27, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 Een subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.3 — Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties
Artikel 29
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib:
a. waarbij er verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering; en
b. waarbij ten minste de installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de aanvullende productie van biogas nieuw zijn.
2 De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de aanvullende productie, worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.
§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.3 — Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties
Artikel 30
1 De subsidie, bedoeld in artikel 29, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer hij minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.
4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in de productie-installatie met een totaal nominaal thermisch vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.4 — Rioolwaterzuiveringsinstallaties bestaande slibgisting
Artikel 31
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib, waarbij ten minste de opwerkinstallatie waarmee biogas op aardgaskwaliteit wordt gebracht nieuw is.
§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.4 — Rioolwaterzuiveringsinstallaties bestaande slibgisting
Artikel 32
1 De subsidie, bedoeld in artikel 31, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in de productie-installatie met een totaal nominaal thermisch uitgangsvermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.5 — Biomassavergassing
Artikel 33
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas, niet zijnde biosyngas, geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas door middel van vergassing, waarbij ten minste de vergasser nieuw is, uit:
a. biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017; of
b. biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van B-Hout als bedoeld in nummers 100, 150, 170 t/m 179 van de NTA 8003: 2017.
§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.5 — Biomassavergassing
Artikel 34
1 De subsidie, bedoeld in artikel 33, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte overige biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.1 — Zonthermie voor hernieuwbare warmte
Artikel 35
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie die uitsluitend voorziet in de productie van hernieuwbare warmte uit zonne-energie, en waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van afgedekte collectoren waarbij de transparante isolerende laag, niet zijnde beglazing van kassen of fotovoltaïsche zonnepanelen, een geïntegreerd geheel vormt met de collector, met een totaal thermisch vermogen:
a. groter dan of gelijk aan 140 kWth en kleiner dan 1 MWth; of
b. groter dan of gelijk aan 1 MWth.
2 Het vermogen in kWth van de productie-installatie wordt berekend door de apertuuroppervlakte in vierkante meter te vermenigvuldigen met een factor 0,7.
3 De subsidie wordt niet verstrekt indien reeds op basis van artikel 4.5.2. van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies subsidie is verstrekt.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.1 — Zonthermie voor hernieuwbare warmte
Artikel 36
1 De subsidie, bedoeld in artikel 35, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.2 — Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 37
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door:
a. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is;
b. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt;
c. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is;
d. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 400 kW, voor elektrisch en thermisch vermogen samen, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt;
e. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is; of
f. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, voor elektrisch en thermisch vermogen samen, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.2 — Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 38
1 De subsidie, bedoeld in artikel 37, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.
4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie voor de opwekking van warmte of gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.3 — Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking, verlengde levensduur
Artikel 39
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie die ingrijpend wordt gerenoveerd en waarmee:
a. uitsluitend door middel van allesvergisting hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen;
b. uitsluitend door middel van allesvergisting hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen;
c. uitsluitend door middel van monomestvergisting met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen; of
d. uitsluitend door middel van monomestvergisting met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.3 — Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking, verlengde levensduur
Artikel 40
1 De subsidie, bedoeld in artikel 39, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.
4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.4 — Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 41
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij er verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering:
a. waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarbij ten minste de installatie-onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie nieuw zijn; of
b. waarmee hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd, waarbij ten minste de installatie-onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie nieuw zijn.
2 De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.4 — Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 42
1 De subsidie, bedoeld in artikel 41, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.
4 De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer de producent minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.
5 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie voor de opwekking van warmte of gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.5 — Ketel vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 43
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MW voor de productie van warmte door middel van verbranding van vloeibare biomassa als bedoeld in de nummers 512, 514, 517, 518, 543, 545, 550 tot en met 579, 587, 594, 595 en 800 tot en met 809 van de NTA 8003: 2017, met een brander in een ketel.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.5 — Ketel vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 44
1 De subsidie, bedoeld in artikel 43, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.
4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.6 — Kleine ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 45
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017 in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MWth en kleiner dan 5 MWth waarbij ten minste de ketel nieuw is.
2 Een productie-installatie met een vermogen kleiner dan 1 MWth stoot per normaal kubieke meter minder dan 15 milligram stof, minder dan 275 milligram stikstofoxiden en minder dan 60 milligram zwaveldioxiden uit.
3 Een productie-installatie met een vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWth stoot per normaal kubieke meter minder dan 5 milligram stof, minder dan 145 milligram stikstofoxiden, minder dan 60 milligram zwaveldioxiden en minder dan 5 milligram ammoniak bij toepassing van selectieve katalytische reductie of minder dan 10 milligram ammoniak bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie uit.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.6 — Kleine ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 46
1 De subsidie, bedoeld in artikel 45, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.
4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
5 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
6 Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003:2017, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100 °C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.7 — Grote ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 47
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is en waarbij het aantal subsidiabele vollasturen:
a. ten hoogste 4.500 vollasturen per jaar bedraagt;
b. ten hoogste 5.000 vollasturen per jaar bedraagt;
c. ten hoogste 5.500 vollasturen per jaar bedraagt;
d. ten hoogste 6.000 vollasturen per jaar bedraagt;
e. ten hoogste 6.500 vollasturen per jaar bedraagt;
f. ten hoogste 7.000 vollasturen per jaar bedraagt;
g. ten hoogste 7.500 vollasturen per jaar bedraagt;
h. ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt; of
i. ten hoogste 8.500 vollasturen per jaar bedraagt.
2 De productie-installatie stoot per normaal kubieke meter minder dan 5 milligram stof, minder dan 100 milligram stikstofoxiden, minder dan 60 milligram zwaveldioxiden en minder dan 5 milligram ammoniak uit.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.7 — Grote ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 48
1 De subsidie, bedoeld in artikel 47, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.
4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
5 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte vaste biomassa, voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
6 Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003:2017, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100 °C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.8 — Grote ketel op B-Hout voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 49
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van biomassa als bedoeld in NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is.
2 De productie-installatie stoot per normaal kubieke meter minder dan 5 milligram stof, minder dan 100 milligram stikstofoxiden, minder dan 60 milligram zwaveldioxiden en minder dan 5 milligram ammoniak uit.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.8 — Grote ketel op B-Hout voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 50
1 De subsidie, bedoeld in artikel 49, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.
4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
5 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte vaste biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
6 Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003:2017, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100 °C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.9 — Ketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking voor verwarming van gebouwde omgeving
Artikel 51
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 10 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is waarin:
a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;
b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of
c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in de onderdelen a en b.
2 De productie-installatiestoot per normaal kubieke meter minder dan 5 milligram stof, minder dan 100 milligram stikstofoxiden, minder dan 60 milligram zwaveldioxiden en minder dan 5 milligram ammoniak uit.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.9 — Ketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking voor verwarming van gebouwde omgeving
Artikel 52
1 De subsidie, bedoeld in artikel 51, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.
5 De subsidieontvanger levert de warmte uitsluitend ten behoeve van de verwarming van gebouwde omgeving.
6 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.
7 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100 °C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.10 — Stoomketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 53
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van stoom door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de stoomketel nieuw is waarin:
a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;
b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of
c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in de onderdelen a en b.
2 De productie-installatiestoot per normaal kubieke meter minder dan 5 milligram stof, minder dan 100 milligram stikstofoxiden, minder dan 60 milligram zwaveldioxiden en minder dan 5 milligram ammoniak uit.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.10 — Stoomketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 54
1 De subsidie, bedoeld in artikel 53, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.
5 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.11 — Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 55
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, door middel van verbranding van houtpellets, met een brander in een ketel, een oven of een fornuis met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MWth waarin:
a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;
b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of
c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in de onderdelen a en b.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.11 — Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 56
1 De subsidie, bedoeld in artikel 55, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.
4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.12 — Verlengde levensduur voor ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 57
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 5 MWth, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen.
2 De biomassa die in de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast, is voor ten minste 97% van de energetische waarde biogeen.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.12 — Verlengde levensduur voor ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 58
1 De subsidie, bedoeld in artikel 57, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.
4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte vaste biomassa, voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
5 Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003:2017, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100 °C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.13 — Composteringsinstallatie op champost voor hernieuwbare warmte
Artikel 59
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte die vrijkomt bij het composteren van uitsluitend biomassa als bedoeld in nummer 256 van de NTA 8003: 2017 in een gesloten ruimte onder geconditioneerde omstandigheden, met een vermogen van ten minste 500 kWth.
2 De biomassa die in de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast, is voor ten minste 97% van de energetische waarde biogeen.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.13 — Composteringsinstallatie op champost voor hernieuwbare warmte
Artikel 60
1 De subsidie, bedoeld in artikel 59, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.14 — Geothermie voor hernieuwbare warmte
Artikel 61
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door:
a. een productie-installatie met een vermogen tot 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 1.500 meter;
b. een productie-installatie met een vermogen van ten minste 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 1.500 meter;
c. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 1.500 meter hernieuwbare warmte wordt geproduceerd die wordt aangewend voor verwarming van gebouwde omgeving;
d. een productie-installatie met een vermogen tot 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, gebruikmakend van ten minste één olie- of gasput met een diepte van ten minste 1.500 meter;
e. een productie-installatie met een vermogen van ten minste 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, gebruikmakend van ten minste één olie- of gasput met een diepte van tenminste 1.500 meter;
f. een productie-installatie als bedoeld in de onderdelen a, b, d of e, waarvoor op het moment van aanvragen reeds een subsidie is verleend op grond van het besluit of het Besluit SDE, die wordt uitgebreid met ten minste één aanvullende put met een diepte van ten minste 1.500 meter; of
g. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 4.000 meter.
§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.14 — Geothermie voor hernieuwbare warmte
Artikel 62
1 De subsidie, bedoeld in artikel 61, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.1 — Geothermie voor koolstofdioxide-arme warmte
Artikel 63
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door:
a. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 500 meter en kleiner dan 1.500 meter, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd met een compressiewarmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 en met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth; of
b. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 500 meter en kleiner dan 1.500 meter, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd met een compressiewarmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 en met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth en de warmte wordt aangewend voor de verwarming van gebouwde omgeving.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.1 — Geothermie voor koolstofdioxide-arme warmte
Artikel 64
1 De subsidie, bedoeld in artikel 63, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.2 — Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater
Artikel 65
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte onttrokken uit drinkwater of oppervlaktewater die niet wordt gebruikt voor koudelevering, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd door middel van een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth, met een seizoensopslag van warmte en waarbij het aantal subsidiabele vollasturen:
a. ten hoogste 6.000 vollasturen per jaar bedraagt en de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving;
b. ten hoogste 3.500 vollasturen per jaar bedraagt en de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving; of
c. ten hoogste 3.500 vollasturen per jaar bedraagt.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.2 — Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater
Artikel 66
1 De subsidie, bedoeld in artikel 65, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.3 — Thermische energie uit afvalwater
Artikel 67
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte onttrokken uit afvalwater door middel van een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 en met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.
2 De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, levert uitsluitend warmte aan gebouwde omgeving en wordt niet gebruikt voor koudelevering.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.3 — Thermische energie uit afvalwater
Artikel 68
1 De subsidie, bedoeld in artikel 67, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.4 — Zonthermie voor warmte met toepassing in daglichtkas
Artikel 69
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte uit zonne-energie die integraal onderdeel uitmaakt van een nieuwe tuinbouwkas.
2 De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid:
a. maakt gebruik van een optisch en zonvolgend systeem waarbij zonlicht wordt geconcentreerd op collectorbuizen met een thermisch vermogen dat ten minste vier keer het nominaal thermisch vermogen van de warmtepomp bedraagt;
b. heeft een seizoensopslag van warmte;
c. wordt niet gebruikt voor koudelevering; en
d. maakt gebruik van een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 5,0 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.4 — Zonthermie voor warmte met toepassing in daglichtkas
Artikel 70
1 De subsidie, bedoeld in artikel 69, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.5 — Zonthermie voor warmte door middel van pvt-collectoren
Artikel 71
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie die voorziet in de productie van warmte uit zonne-energie en buitenluchtwarmte door middel van zonnecollectoren die warmte en stroom produceren, waarbij de warmte wordt aangewend voor de verwarming van gebouwde omgeving.
2 De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, maakt gebruik van een water-water-warmtepomp van minimaal 500 kWth en een COP-waarde van ten minste 3,0, waarbij de oppervlakte aan fotovoltaïsch-thermische panelen minimaal 1,2 m2 per kWth aan vermogen van de warmtepomp bedraagt.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.5 — Zonthermie voor warmte door middel van pvt-collectoren
Artikel 72
1 De subsidie, bedoeld in artikel 71, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.6 — Elektroboiler voor warmte
Artikel 73
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van elektriciteit in een ketel.
2 De productie-installatie heeft een nominaal thermisch vermogen van ten minste 5 MWth, waarbij de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100 °C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.
3 Het vermogen van de aansluiting op het elektriciteitsnet is ten minste even groot als het vermogen van de elektroboiler.
4 Het vermogen van de elektroboiler is niet groter dan het thermisch vermogen van de op de locatie aanwezige boilers die gestookt worden op fossiele brandstoffen en het maximale thermische vermogen dat zij gelijktijdig kunnen leveren.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.6 — Elektroboiler voor warmte
Artikel 74
1 De subsidie, bedoeld in artikel 73, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.7 — Industriële warmtepomp
Artikel 75
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van:
a. een gesloten warmtepomp of compressiewarmtepomp met een COP-waarde van ten minste 2,3 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth; of
b. een open warmtepomp of mechanische damprecompressie-installatie met een COP-waarde van ten minste 2,3 en ten hoogste 12,0 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.
2 De productie-installatie produceert warmte die op dezelfde locatie wordt gebruikt voor een industriële toepassing en levert geen koude.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.7 — Industriële warmtepomp
Artikel 76
1 De subsidie, bedoeld in artikel 75, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.8 — Restwarmtebenutting
Artikel 77
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie waarmee restwarmte wordt uitgekoppeld met een thermisch vermogen van ten minste 2 MWth en naar een andere locatie wordt getransporteerd waarbij ten minste de warmtewisselaar bij de uitkoppeling nieuw is, waarbij transport plaatsvindt met behulp van een transportleiding:
a. met een verhouding van kilometer nieuw aan te leggen transportleiding per MWth outputvermogen van de productie-installatie en andere op de transportleiding invoedende installaties van ≥ 0,20 en < 0,30;
b. met een verhouding van kilometer nieuw aan te leggen transportleiding per MWth outputvermogen van de productie-installatie en andere op de transportleiding invoedende installaties van ≥ 0,30 en < 0,40;
c. met een verhouding van kilometer nieuw aan te leggen transportleiding per MWth outputvermogen van de productie-installatie en andere op de transportleiding invoedende installaties van ≥ 0,40 en < 0,50;
d. met een verhouding van kilometer nieuw aan te leggen transportleiding per MWth outputvermogen van de productie-installatie en andere op de transportleiding invoedende installaties van ≥ 0,50; of
e. waarbij de warmte wordt opgewaardeerd met een nieuwe warmtepomp met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth en een COP-waarde van ten minste 3,0.
2 De levering van stoom wordt uitgesloten van subsidie.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.8 — Restwarmtebenutting
Artikel 78
1 De subsidie, bedoeld in artikel 77, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.9 — Waterstof uit elektrolyse
Artikel 79
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van waterstof geproduceerd door een productie-installatie die waterstof produceert met behulp van elektrolyse met een nominale capaciteit van ten minste 500 kW.
2 De productie-installatie is in staat om, terwijl deze gereed is voor gebruik, minder dan 1% elektriciteit te verbruiken van het maximale vermogen van de productie-installatie.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.9 — Waterstof uit elektrolyse
Artikel 80
1 De subsidie, bedoeld in artikel 79, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.10 — Geavanceerde hernieuwbare brandstof
Artikel 81
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van geavanceerde hernieuwbare brandstof, die in Nederland worden geleverd aan wegvoertuigen of binnenvaartschepen en wordt ingeboekt in het register hernieuwbare energie vervoer, bedoeld in paragraaf 9.7.5 van de Wet milieubeheer, en die wordt geproduceerd door een productie-installatie waarmee:
a. bioethanol wordt geproduceerd uit vaste lignocellulosehoudende biomassa, waarvan maximaal 50% B-Hout is als bedoeld in nummers 170 t/m 179 van de NTA 8003: 2017;
b. bioLNG wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting;
c. bioLNG wordt geproduceerd door middel van allesvergisting; of
d. diesel- en benzinevervangers worden geproduceerd uit gehydrogeneerde pyrolyse-olie uit vaste lignocellulosehoudende biomassa, waarvan maximaal 50% B-Hout is als bedoeld in nummers 170 t/m 179 van de NTA 8003: 2017.
2 De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, maakt uitsluitend gebruik van grondstoffen als bedoeld in deel A van bijlage IX bij de richtlijn (EU) 2018/2001.
3 De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en d, maakt uitsluitend gebruik van vaste grondstoffen als bedoeld onder o) met uitzondering van zwart residuloog, bruin residuloog, vezelslib, lignine en tallolie, en q) van deel A van Bijlage IX bij de richtlijn (EU) 2018/2001.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.10 — Geavanceerde hernieuwbare brandstof
Artikel 82
1 De subsidie, bedoeld in artikel 81, eerste lid, onderdelen a en d, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidie, bedoeld in artikel 81, eerste lid, onderdelen b en c, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
3 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.11 — Vermindering broeikasgas door afvang en permanente opslag van koolstofdioxide
Artikel 83
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent die met een productie-installatie koolstofdioxide afvangt en permanent opslaat of doet opslaan door een houder van een vergunning voor het exploiteren van een broeikasgasinstallatie als bedoeld in artikel 16.5 van de Wet milieubeheer, in een ondergronds opslagvoorkomen voor koolstofdioxide waarbij:
a. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, waarbij de producent valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer en ten minste de compressor nieuw is;
b. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding en ten minste de compressor nieuw is;
c. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en waarbij de producent valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer;
d. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de vervloeiingsinstallatie nieuw is;
e. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;
f. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;
g. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat bij een op het moment van indienen bestaand verbrandingsproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, waarbij de producent valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;
h. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat bij een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand verbrandingsproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, waarbij de producent niet valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;
i. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand verbrandingsproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide, waarbij de producent valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;
j. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand verbrandingsproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide, waarbij de producent niet valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;
k. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een nieuw productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;
l. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een nieuw productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;
m. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een nieuw verbrandingsproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;
n. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een nieuw verbrandingsproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;
o. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, waarbij de producent niet valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer en ten minste de compressor nieuw is; of
p. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide, waarbij de producent niet valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer.
2 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a of o, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b, c, f, g, h, i, j, k, l of m.
3 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c of p, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel b, g, j of m.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.11 — Vermindering broeikasgas door afvang en permanente opslag van koolstofdioxide
Artikel 84
1 De subsidie, bedoeld in artikel 83, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.12 — Vermindering broeikasgas door afvang en gebruik van koolstofdioxide
Artikel 85
1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent die met een productie-installatie koolstofdioxide afvangt en gebruikt of doet gebruiken ter vermindering van broeikasgas door middel van nuttig aangewende koolstofdioxide en:
a. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;
b. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;
c. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide, de compressor en de transportleiding nieuw zijn;
d. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de vervloeiingsinstallatie nieuw is;
e. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de compressor en de transportleiding nieuw zijn;
f. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een nieuw productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;
g. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een nieuw productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;
h. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een nieuw productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide, de compressor en de transportleiding nieuw zijn;
i. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een verbrandingsproces in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaande afvalverbrandingsinstallatie, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;
j. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een verbrandingsproces in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaande afvalverbrandingsinstallatie, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;
k. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een verbrandingsproces in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaande afvalverbrandingsinstallatie, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide, de compressor en de transportleiding nieuw zijn;
l. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een verbrandingsproces gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaande biomassaverbrandingsinstallatie, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide nieuw is; of
m. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een verbrandingsproces gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaande biomassaverbrandingsinstallatie, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn.
2 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, b, c, f, g, h, i, j, k, l of m, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 83, aanhef en onderdeel a of o.
3 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, g, j of m, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 83, aanhef en onderdeel c of p.
§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.12 — Vermindering broeikasgas door afvang en gebruik van koolstofdioxide
Artikel 86
1 De subsidie, bedoeld in artikel 85, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 4 — Fasebedragen
Artikel 87
1 Voor de fase, genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel, wordt:
a. de periode waarbinnen de aanvragen ontvangen moeten zijn, vastgesteld van de datum, genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel tot de datum, genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel van de daarop volgende fase; de vierde fase sluit op 11 november 2021, 17:00 uur;
b. het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, 27, eerste lid, 43a, eerste lid, en 55e, eerste lid, van het besluit, per respectieve fase vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag.
1 | 2 | 3
fase | periode openstelling | fasebedrag in euro/1.000 kg broeikasgas
1 | Van 5 oktober 2021, 9:00 uur tot 11 oktober 2021, 17:00 uur | 60
2 | Van 11 oktober 2021, 17:00 uur tot 25 oktober 2021, 17:00 uur | 80
3 | Van 25 oktober 2021, 17:00 uur tot 8 november 2021, 17:00 uur | 115
4 | Van 8 november 2021, 17:00 uur tot 11 november 2021, 17.00 uur | 300
2 Voor de fase 1 tot en met 4, bedoeld in het eerste lid, wordt in afwijking van het fasebedrag, genoemd in de derde kolom van de tabel in het eerste lid, het omgerekende fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, artikel 27, eerste lid, en 43a, eerste lid en 55e, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte en gecombineerde opwekking en vermindering van broeikasgas, vastgesteld op het respectievelijk in de derde, vierde, vijfde en zesde kolom van onderstaande tabellen genoemde bedrag.
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6
Artikel regeling | Categorie | Fasebedrag in euro/kWh
Fase 1 | Fase 2 | Fase 3 | Fase 4
Artikel 11, onderdeel a | Waterkracht, valhoogte < 50 cm | 0,0579 | 0,0622 | 0,0697 | 0,1097
Artikel 11, onderdeel b | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm | 0,0579 | 0,0622 | 0,0697 | 0,1097
Artikel 11, onderdeel c | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie | 0,0579 | 0,0622 | 0,0697 | 0,0975
Artikel 13 | Osmose | 0,0579 | 0,0622 | 0,0697 | 0,1097
Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1⁰ | Wind op land, ≥ 8,5 m/s | 0,0390 | 0,0390 | 0,0390 | 0,0390
Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2⁰ | Wind op land, ≥ 8 en < 8,5 m/s | 0,0406 | 0,0406 | 0,0406 | 0,0406
Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3⁰ | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0435 | 0,0435 | 0,0435 | 0,0435
Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4⁰ | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0439 | 0,0475 | 0,0475 | 0,0475
Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5⁰ | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0439 | 0,0482 | 0,0501 | 0,0501
Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6⁰ | Wind op land, < 6,75 m/s | 0,0439 | 0,0482 | 0,0543 | 0,0543
Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1⁰ | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8,5 m/s | 0,0439 | 0,0444 | 0,0444 | 0,0444
Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2⁰ | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8 en < 8,5 m/s | 0,0439 | 0,0467 | 0,0467 | 0,0467
Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3⁰ | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0439 | 0,0482 | 0,0505 | 0,0505
Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4⁰ | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0439 | 0,0482 | 0,0550 | 0,0550
Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5⁰ | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0439 | 0,0482 | 0,0557 | 0,0583
Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 6⁰ | Wind op land, hoogtebeperkt < 6,75 m/s | 0,0439 | 0,0482 | 0,0557 | 0,0627
Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1⁰ | Wind op waterkering, ≥ 8,5 m/s | 0,0424 | 0,0424 | 0,0424 | 0,0424
Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2⁰ | Wind op waterkering, ≥ 8 en < 8,5 m/s | 0,0439 | 0,0442 | 0,0442 | 0,0442
Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3⁰ | Wind op waterkering, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0439 | 0,0472 | 0,0472 | 0,0472
Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4⁰ | Wind op waterkering, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0439 | 0,0482 | 0,0514 | 0,0514
Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5⁰ | Wind op waterkering, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0439 | 0,0482 | 0,0548 | 0,0548
Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 6⁰ | Wind op waterkering, < 6,75 m/s | 0,0439 | 0,0482 | 0,0557 | 0,0592
Artikel 21, eerste lid | Wind in meer, water ≥ 1 km2 | 0,0439 | 0,0482 | 0,0557 | 0,0590
Artikel 23, eerste lid, onderdeel a | Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden | 0,0704 | 0,0724 | 0,0724 | 0,0724
Artikel 23, eerste lid, onderdeel b | Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, op land of drijvend op water | 0,0660 | 0,0685 | 0,0685 | 0,0685
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c | Zon-PV ≥ 1 MWp, gebouwgebonden | 0,0588 | 0,0631 | 0,0655 | 0,0655
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d | Zon-PV ≥ 1 MWp, op land | 0,0503 | 0,0546 | 0,0590 | 0,0590
Artikel 23, eerste lid, onderdeel e | Zon-PV ≥ 1 MWp, drijvend op water | 0,0503 | 0,0546 | 0,0621 | 0,0693
Artikel 23, eerste lid, onderdeel f | Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op land | 0,0503 | 0,0546 | 0,0590 | 0,0590
Artikel 23, eerste lid, onderdeel g | Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op water | 0,0503 | 0,0546 | 0,0621 | 0,0693
Artikel 25, onderdeel a | Allesvergisting, gas | 0,0313 | 0,0349 | 0,0413 | 0,0661
Artikel 25, onderdeel b | Monomestvergisting > 400 kW, gas | 0,0404 | 0,0472 | 0,0589 | 0,0722
Artikel 25, onderdeel c | Monomestvergisting ≤ 400 kW, gas | 0,0404 | 0,0472 | 0,0589 | 0,0930
Artikel 27, onderdeel a | Allesvergisting verlengde levensduur, gas (nieuwe gasopwaardeerinstallatie) | 0,0313 | 0,0349 | 0,0413 | 0,0575
Artikel 27, onderdeel b | Allesvergisting verlengde levensduur, gas | 0,0313 | 0,0349 | 0,0413 | 0,0543
Artikel 27, onderdeel c | Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 400 kW, gas (nieuwe gasopwaardeerinstallatie) | 0,0404 | 0,0472 | 0,0589 | 0,0794
Artikel 27, onderdeel d | Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 400 kW, gas | 0,0404 | 0,0472 | 0,0589 | 0,0722
Artikel 29, eerste lid | RWZI verbeterde slibgisting, gas | 0,0313 | 0,0349 | 0,0413 | 0,0752
Artikel 31 | RWZI bestaande slibgisting (nieuwe gasopwaardeerinstallatie) | 0,0313 | 0,0319 | 0,0319 | 0,0319
Artikel 33, onderdeel a | Biomassavergassing (inclusief B-hout) | 0,0313 | 0,0349 | 0,0413 | 0,0680
Artikel 33, onderdeel b | Biomassavergassing (exclusief B-hout) | 0,0313 | 0,0349 | 0,0413 | 0,0752
Artikel 35, eerste lid, onderdeel a | Zonthermie ≥ 140 kWth en < 1 MWth | 0,0495 | 0,0540 | 0,0619 | 0,0938
Artikel 35, eerste lid, onderdeel b | Zonthermie ≥ 1 MWth | 0,0443 | 0,0488 | 0,0567 | 0,0800
Artikel 37, onderdeel a | Allesvergisting, warmte | 0,0443 | 0,0488 | 0,0567 | 0,0624
Artikel 37, onderdeel b | Allesvergisting, gecombineerde opwekking | 0,0508 | 0,0552 | 0,0629 | 0,0696
Artikel 37, onderdeel c | Monomestvergisting, warmte > 400 kW | 0,0534 | 0,0610 | 0,0674 | 0,0674
Artikel 37, onderdeel d | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW | 0,0602 | 0,0677 | 0,0789 | 0,0789
Artikel 37, onderdeel e | Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW | 0,0534 | 0,0610 | 0,0743 | 0,1061
Artikel 37, onderdeel f | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW | 0,0833 | 0,0908 | 0,1039 | 0,1310
Artikel 39, onderdeel a | Allesvergisting verlengde levensduur, warmte | 0,0443 | 0,0488 | 0,0534 | 0,0534
Artikel 39, onderdeel b | Allesvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking | 0,0508 | 0,0552 | 0,0589 | 0,0589
Artikel 39, onderdeel c | Monomestvergisting verlengde levensduur, warmte ≤ 400 kW | 0,0534 | 0,0610 | 0,0743 | 0,0764
Artikel 39, onderdeel d | Monomestvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW | 0,0833 | 0,0908 | 0,0959 | 0,0959
Artikel 41, eerste lid, onderdeel a | RWZI verbeterde slibgisting, warmte | 0,0443 | 0,0488 | 0,0567 | 0,0682
Artikel 41, eerste lid, onderdeel b | RWZI verbeterde slibgisting, gecombineerde opwekking | 0,0545 | 0,0589 | 0,0666 | 0,0932
Artikel 43 | Ketel op vloeibare biomassa | 0,0443 | 0,0488 | 0,0567 | 0,0665
Artikel 45, eerste lid | Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa | 0,0443 | 0,0488 | 0,0567 | 0,0586
Artikel 47, eerste lid, onderdeel a | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) | 0,0339 | 0,0384 | 0,0463 | 0,0508
Artikel 47, eerste lid, onderdeel b | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) | 0,0339 | 0,0384 | 0,0463 | 0,0499
Artikel 47, eerste lid, onderdeel c | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) | 0,0339 | 0,0384 | 0,0463 | 0,0491
Artikel 47, eerste lid, onderdeel d | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) | 0,0339 | 0,0384 | 0,0463 | 0,0484
Artikel 47, eerste lid, onderdeel e | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) | 0,0339 | 0,0384 | 0,0463 | 0,0478
Artikel 47, eerste lid, onderdeel f | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) | 0,0339 | 0,0384 | 0,0463 | 0,0473
Artikel 47, eerste lid, onderdeel g | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) | 0,0339 | 0,0384 | 0,0463 | 0,0469
Artikel 47, eerste lid, onderdeel h | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) | 0,0339 | 0,0384 | 0,0463 | 0,0465
Artikel 47, eerste lid, onderdeel i | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) | 0,0339 | 0,0384 | 0,0462 | 0,0462
Artikel 49, eerste lid | Grote ketel op B-hout | 0,0277 | 0,0277 | 0,0277 | 0,0277
Artikel 51, eerste lid | Grote ketel op houtpellets voor gebouwde omgeving | 0,0339 | 0,0384 | 0,0463 | 0,0687
Artikel 53, eerste lid | Grote stoomketel op houtpellets | 0,0339 | 0,0384 | 0,0463 | 0,0664
Artikel 55 | Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen | 0,0412 | 0,0457 | 0,0519 | 0,0519
Artikel 57, eerste lid | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa verlengde levensduur | 0,0339 | 0,0352 | 0,0352 | 0,0352
Artikel 59, eerste lid | Composteringsinstallatie champost | 0,0443 | 0,0461 | 0,0461 | 0,0461
Artikel 61, onderdelen a en d | Diepe geothermie < 20MWth, basislast | 0,0333 | 0,0376 | 0,0452 | 0,0518
Artikel 61, onderdelen b en e | Diepe geothermie ≥ 20MWth, basislast | 0,0332 | 0,0375 | 0,0451 | 0,0455
Artikel 61, onderdeel c | Diepe geothermie, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0329 | 0,0371 | 0,0445 | 0,0833
Artikel 61, onderdeel f | Diepe geothermie, basislast, aanvullende put | 0,0331 | 0,0331 | 0,0331 | 0,0331
Artikel 61, onderdeel g | Ultradiepe geothermie, basislast | 0,0333 | 0,0376 | 0,0451 | 0,0694
Artikel 63, onderdeel a | Ondiepe geothermie, basislast | 0,0408 | 0,0441 | 0,0500 | 0,0705
Artikel 63, onderdeel b | Ondiepe geothermie voor verwarming gebouwde omgeving | 0,0408 | 0,0441 | 0,0500 | 0,0810
Artikel 65, onderdeel a | Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0296 | 0,0327 | 0,0381 | 0,0667
Artikel 65, onderdeel b | Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0452 | 0,0483 | 0,0537 | 0,0823
Artikel 65, onderdeel c | Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, directe toepassing | 0,0306 | 0,0341 | 0,0401 | 0,0584
Artikel 67, eerste lid | Thermische energie uit afvalwater, basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0301 | 0,0334 | 0,0391 | 0,0678
Artikel 69, eerste lid | Daglichtkas | 0,0310 | 0,0346 | 0,0408 | 0,0738
Artikel 71, eerste lid | Zon-PVT systeem | 0,0442 | 0,0442 | 0,0442 | 0,0442
Artikel 73, eerste lid | Elektroboiler | 0,0339 | 0,0384 | 0,0463 | 0,0492
Artikel 75, eerste lid, onderdeel a | Industriële warmtepomp (gesloten) | 0,0302 | 0,0334 | 0,0365 | 0,0365
Artikel 75, eerste lid, onderdeel b | Industriële warmtepomp (open) | 0,0320 | 0,0359 | 0,0360 | 0,0360
Artikel 77, eerste lid, onderdeel a | Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth | 0,0188 | 0,0188 | 0,0188 | 0,0188
Artikel 77, eerste lid, onderdeel b | Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,30 en < 0,40 km/MWth | 0,0238 | 0,0238 | 0,0238 | 0,0238
Artikel 77, eerste lid, onderdeel c | Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,40 en < 0,50 km/MWth | 0,0287 | 0,0287 | 0,0287 | 0,0287
Artikel 77, eerste lid, onderdeel d | Benutting restwarmte, transportleiding ≥ 0,50 km/MWth | 0,0322 | 0,0337 | 0,0337 | 0,0337
Artikel 77, eerste lid, onderdeel e | Restwarmtebenutting (met warmtepomp) | 0,0283 | 0,0309 | 0,0356 | 0,0391
Artikel 79, eerste lid | Waterstof uit elektrolyse | 0,0463 | 0,0509 | 0,0589 | 0,1013
Artikel 81, eerste lid, onderdeel a | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa | 0,0931 | 0,0991 | 0,1096 | 0,1222
Artikel 81 eerste lid, onderdeel b | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit monomestvergisting | 0,0469 | 0,0547 | 0,0683 | 0,0880
Artikel 81, eerste lid, onderdeel c | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit allesvergisting | 0,0375 | 0,0421 | 0,0503 | 0,0814
Artikel 81, eerste lid, onderdeel d | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, diesel- en benzinevervangers uit hydropyrolyse-olie uit vaste lignocellulose houdende biomassa | 0,0890 | 0,0939 | 0,1027 | 0,1106
Artikel regeling | Categorie | Fasebedrag in euro/1.000 kg CO2
Fase 1 | Fase 2 | Fase 3 | Fase 4
Artikel 83, eerste lid, onderdeel a | CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, gasvormig transport | 98,2454 | 98,2454 | 98,2454 | 98,2454
Artikel 83, eerste lid, onderdeel b | CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gasvormig transport | 61,5061 | 61,5061 | 61,5061 | 61,5061
Artikel 83, eerste lid, onderdeel c | CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, vloeibaar transport | 71,6077 | 71,6077 | 71,6077 | 71,6077
Artikel 83, eerste lid, onderdeel d | CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, vloeibaar transport | 91,7963 | 91,7963 | 91,7963 | 91,7963
Artikel 83, eerste lid, onderdeel e | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport | 93,3886 | 97,7752 | 97,7752 | 97,7752
Artikel 83, eerste lid, onderdeel f | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport | 92,9091 | 110,5785 | 124,7259 | 124,7259
Artikel 83, eerste lid, onderdeel g | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport | 88,5477 | 104,7633 | 130,2545 | 130,2545
Artikel 83, eerste lid, onderdeel h | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, niet-ETS-bedrijf | 48,6468 | 64,8624 | 93,2397 | 130,2545
Artikel 83, eerste lid, onderdeel i | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport | 88,0682 | 104,1239 | 132,2215 | 156,5234
Artikel 83, eerste lid, onderdeel j | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, niet-ETS-bedrijf | 48,1673 | 64,2230 | 92,3206 | 156,5234
Artikel 83, eerste lid, onderdeel k | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport | 89,7870 | 89,7870 | 89,7870 | 89,7870
Artikel 83, eerste lid, onderdeel l | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport | 93,2752 | 111,0667 | 114,6757 | 114,6757
Artikel 83, eerste lid, onderdeel m | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport | 89,4969 | 106,0289 | 114,2829 | 114,2829
Artikel 83, eerste lid, onderdeel n | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport | 89,0174 | 105,3895 | 134,0408 | 138,8041
Artikel 83, eerste lid, onderdeel o | CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, gasvormig transport, niet-ETS-bedrijf | 58,3800 | 77,8400 | 98,2454 | 98,2454
Artikel 83, eerste lid, onderdeel p | CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, vloeibaar transport, niet-ETS-bedrijf | 57,9005 | 71,6077 | 71,6077 | 71,6077
Artikel 85, eerste lid, onderdeel a | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, bestaande transportleiding | 74,1442 | 74,1442 | 74,1442 | 74,1442
Artikel 85, eerste lid, onderdeel b | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport | 104,8245 | 122,4961 | 133,3971 | 133,3971
Artikel 85, eerste lid, onderdeel c | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 105,3040 | 123,1355 | 127,0015 | 127,0015
Artikel 85, eerste lid, onderdeel d | CCU – Bijkomende CO2-afvang bij bestaande installatie, vloeibaar transport | 84,2550 | 84,2550 | 84,2550 | 84,2550
Artikel 85, eerste lid, onderdeel e | CCU – Bijkomende CO2-afvang bij bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 63,1832 | 63,1832 | 63,1832 | 63,1832
Artikel 85, eerste lid, onderdeel f | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, bestaande transportleiding | 67,7699 | 67,7699 | 67,7699 | 67,7699
Artikel 85, eerste lid, onderdeel g | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport | 105,1784 | 122,9680 | 127,0228 | 127,0228
Artikel 85, eerste lid, onderdeel h | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 105,6579 | 120,6271 | 120,6271 | 120,6271
Artikel 85, eerste lid, onderdeel i | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, gasvormig transport, bestaande transportleiding | 100,4563 | 116,6719 | 142,2112 | 142,2112
Artikel 85, eerste lid, onderdeel j | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, vloeibaar transport | 99,9768 | 116,0325 | 144,1301 | 201,4640
Artikel 85, eerste lid, onderdeel k | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 100,4563 | 116,6719 | 145,0492 | 195,0684
Artikel 85, eerste lid, onderdeel l | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassa-installatie tuinbouw, gasvormig | 62,5419 | 62,5419 | 62,5419 | 62,5419
Artikel 85, eerste lid, onderdeel m | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassa-installatie tuinbouw, vloeibaar | 100,1971 | 104,9962 | 104,9962 | 104,9962
3 In afwijking van de fasebedragen, genoemd in de derde, vierde, vijfde en zesde kolom van de tabel in het tweede lid, geldt voor de productie-installaties, bedoeld in de artikelen 11, 13, 15, eerste lid, 17, eerste lid, 19, eerste lid, 21, eerste lid, 23, eerste lid, 25, 27, 29, eerste lid, 31, 33, 35, eerste lid, 37, 39, 41, eerste lid, 43, 45, eerste lid, 47, eerste lid, 49, eerste lid, 51, eerste lid, 53, eerste lid, 55, 57, eerste lid, 59, eerste lid, 61, 63, 65, 67, eerste lid, 69, eerste lid, 71, eerste lid, 73, eerste lid, 75, eerste lid, 77, eerste lid, 79, eerste lid, en 81, eerste lid, het fasebedrag in euro per kWh in vier decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, indien dat bedrag per kWh lager is dan het fasebedrag dat van toepassing is voor de fase waarin de aanvraag is ingediend.
4 In afwijking van de fasebedragen, genoemd in de derde, vierde, vijfde of zesde kolom van de tabel in het tweede lid, geldt voor de productie-installaties, bedoeld in de artikelen 83, eerste lid en 85, eerste lid, het fasebedrag in euro per 1.000 kg broeikasgas in vier decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, indien dat bedrag per 1.000 kg broeikasgas lager is dan het fasebedrag, genoemd in de respectievelijke derde, vierde, vijfde of zesde kolom van de tabel in het tweede lid, dat van toepassing is voor de fase waarin de aanvraag is ingediend.
§ 4 — Fasebedragen
Artikel 88
1 Het rangschikkingsbedrag, bedoeld voor de vergelijking van de fasebedragen op grond van artikel 58, tweede lid, van het besluit, wordt berekend volgens de formule in het tweede lid en voor de uitdrukking in euro per 1.000 kg vermindering van broeikasgas vermenigvuldigd met de factor 1.000 en afgerond op drie decimalen.
2 De formule voor de berekening van het rangschikkingsbedrag luidt:
a. voor productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte of hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit: het quotiënt van het verschil tussen het fasebedrag waarvoor de aanvrager de aanvraag heeft ingediend en de langetermijnenergieprijs als vastgesteld in de derde kolom van de in dit lid opgenomen tabel, en de omrekenfactor vastgesteld in de vierde kolom van de in dit lid opgenomen tabel;
b. voor productie-installaties voor vermindering van broeikasgas: het quotiënt van het verschil tussen het fasebedrag waarvoor de aanvrager de aanvraag heeft ingediend en het langetermijnbroeikasgasbedrag als vastgesteld in de derde kolom van de in dit lid opgenomen tabel, en de omrekenfactor vastgesteld in de vierde kolom van de in dit lid opgenomen tabel.
1 | 2 | 3 | 4
Artikel regeling | Categorie | Langetermijn energieprijs of langetermijn broeikasgasbedrag in euro/kWh | Omrekenfactor in kg CO2/kWh
Artikel 11, onderdeel a | Waterkracht, valhoogte < 50 cm | 0,0449 | 0,2160
Artikel 11, onderdeel b | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm | 0,0449 | 0,2160
Artikel 11, onderdeel c | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie | 0,0449 | 0,2160
Artikel 13 | Osmose | 0,0449 | 0,2160
Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° | Wind op land, ≥ 8,5 m/s | 0,0309 | 0,2160
Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° | Wind op land, ≥ 8 en < 8,5 m/s | 0,0309 | 0,2160
Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0309 | 0,2160
Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4° | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0309 | 0,2160
Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5° | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0309 | 0,2160
Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6° | Wind op land, < 6,75 m/s | 0,0309 | 0,2160
Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8,5 m/s | 0,0309 | 0,2160
Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8 en < 8,5 m/s | 0,0309 | 0,2160
Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0309 | 0,2160
Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0309 | 0,2160
Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0309 | 0,2160
Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 6° | Wind op land, hoogtebeperkt < 6,75 m/s | 0,0309 | 0,2160
Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° | Wind op waterkering, ≥ 8,5 m/s | 0,0309 | 0,2160
Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° | Wind op waterkering, ≥ 8 en < 8,5 m/s | 0,0309 | 0,2160
Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° | Wind op waterkering, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0309 | 0,2160
Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4° | Wind op waterkering, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0309 | 0,2160
Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5° | Wind op waterkering, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0309 | 0,2160
Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 6° | Wind op waterkering, < 6,75 m/s | 0,0309 | 0,2160
Artikel 21, eerste lid | Wind in meer, water ≥ 1 km2 | 0,0309 | 0,2160
Artikel 23, eerste lid, onderdeel a | Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden | 0,0574 | 0,2160
Artikel 23, eerste lid, onderdeel b | Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, op land of drijvend op water | 0,0530 | 0,2160
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c | Zon-PV ≥ 1 MWp, gebouwgebonden | 0,0458 | 0,2160
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d | Zon-PV ≥ 1 MWp, op land | 0,0373 | 0,2160
Artikel 23, eerste lid, onderdeel e | Zon-PV ≥ 1 MWp, drijvend op water | 0,0373 | 0,2160
Artikel 23, eerste lid, onderdeel f | Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op land | 0,0373 | 0,2160
Artikel 23, eerste lid, onderdeel g | Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op water | 0,0373 | 0,2160
Artikel 25, onderdeel a | Allesvergisting, gas | 0,0203 | 0,1830
Artikel 25, onderdeel b | Monomestvergisting > 400 kW, gas | 0,0203 | 0,3358
Artikel 25, onderdeel c | Monomestvergisting ≤ 400 kW, gas | 0,0203 | 0,3358
Artikel 27, onderdeel a | Allesvergisting verlengde levensduur, gas (nieuwe gasopwaardeerinstallatie) | 0,0203 | 0,1830
Artikel 27, onderdeel b | Allesvergisting verlengde levensduur, gas | 0,0203 | 0,1830
Artikel 27, onderdeel c | Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 400 kW, gas (nieuwe gasopwaardeerinstallatie) | 0,0203 | 0,3358
Artikel 27, onderdeel d | Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 400 kW, gas | 0,0203 | 0,3358
Artikel 29, eerste lid | RWZI verbeterde slibgisting, gas | 0,0203 | 0,1830
Artikel 31 | RWZI bestaande slibgisting (nieuwe gasopwaardeerinstallatie) | 0,0203 | 0,1830
Artikel 33, onderdeel a | Biomassavergassing (inclusief B-hout) | 0,0203 | 0,1830
Artikel 33, onderdeel b | Biomassavergassing (exclusief B-hout) | 0,0203 | 0,1830
Artikel 35, eerste lid, onderdeel a | Zonthermie ≥ 140 kWth en < 1 MWth | 0,0359 | 0,2260
Artikel 35, eerste lid, onderdeel b | Zonthermie ≥ 1 MWth | 0,0307 | 0,2260
Artikel 37, onderdeel a | Allesvergisting, warmte | 0,0307 | 0,2260
Artikel 37, onderdeel b | Allesvergisting, gecombineerde opwekking | 0,0375 | 0,2212
Artikel 37, onderdeel c | Monomestvergisting, warmte > 400 kW | 0,0307 | 0,3788
Artikel 37, onderdeel d | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW | 0,0378 | 0,3738
Artikel 37, onderdeel e | Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW | 0,0307 | 0,3788
Artikel 37, onderdeel f | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW | 0,0609 | 0,3738
Artikel 39, onderdeel a | Allesvergisting verlengde levensduur, warmte | 0,0307 | 0,2260
Artikel 39, onderdeel b | Allesvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking | 0,0375 | 0,2212
Artikel 39, onderdeel c | Monomestvergisting verlengde levensduur, warmte ≤ 400 kW | 0,0307 | 0,3788
Artikel 39, onderdeel d | Monomestvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW | 0,0609 | 0,3738
Artikel 41, eerste lid, onderdeel a | RWZI verbeterde slibgisting, warmte | 0,0307 | 0,2260
Artikel 41, eerste lid, onderdeel b | RWZI verbeterde slibgisting, gecombineerde opwekking | 0,0413 | 0,2200
Artikel 43 | Ketel op vloeibare biomassa | 0,0307 | 0,2260
Artikel 45, eerste lid | Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa | 0,0307 | 0,2260
Artikel 47, eerste lid, onderdeel a | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) | 0,0203 | 0,2260
Artikel 47, eerste lid, onderdeel b | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) | 0,0203 | 0,2260
Artikel 47, eerste lid, onderdeel c | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) | 0,0203 | 0,2260
Artikel 47, eerste lid, onderdeel d | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) | 0,0203 | 0,2260
Artikel 47, eerste lid, onderdeel e | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) | 0,0203 | 0,2260
Artikel 47, eerste lid, onderdeel f | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) | 0,0203 | 0,2260
Artikel 47, eerste lid, onderdeel g | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) | 0,0203 | 0,2260
Artikel 47, eerste lid, onderdeel h | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) | 0,0203 | 0,2260
Artikel 47, eerste lid, onderdeel i | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) | 0,0203 | 0,2260
Artikel 49, eerste lid | Grote ketel op B-hout | 0,0203 | 0,2260
Artikel 51, eerste lid | Grote ketel op houtpellets voor gebouwde omgeving | 0,0203 | 0,2260
Artikel 53, eerste lid | Grote stoomketel op houtpellets | 0,0203 | 0,2260
Artikel 55 | Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen | 0,0276 | 0,2260
Artikel 57, eerste lid | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa verlengde levensduur | 0,0203 | 0,2260
Artikel 59, eerste lid | Composteringsinstallatie champost | 0,0307 | 0,2260
Artikel 61, onderdelen a en d | Diepe geothermie < 20MWth, basislast | 0,0203 | 0,2163
Artikel 61, onderdelen b en e | Diepe geothermie ≥ 20MWth, basislast | 0,0203 | 0,2153
Artikel 61, onderdeel c | Diepe geothermie, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0203 | 0,2101
Artikel 61, onderdeel f | Diepe geothermie, basislast, aanvullende put | 0,0203 | 0,2163
Artikel 61, onderdeel g | Ultradiepe geothermie, basislast | 0,0203 | 0,2159
Artikel 63, onderdeel a | Ondiepe geothermie, basislast | 0,0307 | 0,1676
Artikel 63, onderdeel b | Ondiepe geothermie voor verwarming gebouwde omgeving | 0,0307 | 0,1676
Artikel 65, onderdeel a | Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0203 | 0,1545
Artikel 65, onderdeel b | Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0359 | 0,1545
Artikel 65, onderdeel c | Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, directe toepassing | 0,0203 | 0,1720
Artikel 67, eerste lid | Thermische energie uit afvalwater, basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0203 | 0,1632
Artikel 69, eerste lid | Daglichtkas | 0,0203 | 0,1785
Artikel 71, eerste lid | Zon-PVT systeem | 0,0359 | 0,1941
Artikel 73, eerste lid | Elektroboiler | 0,0203 | 0,2260
Artikel 75, eerste lid, onderdeel a | Industriële warmtepomp (gesloten) | 0,0203 | 0,1643
Artikel 75, eerste lid, onderdeel b | Industriële warmtepomp (open) | 0,0203 | 0,1951
Artikel 77, eerste lid, onderdeel a | Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth | 0,0203 | 0,2011
Artikel 77, eerste lid, onderdeel b | Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,30 en < 0,40 km/MWth | 0,0203 | 0,2003
Artikel 77, eerste lid, onderdeel c | Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,40 en < 0,50 km/MWth | 0,0203 | 0,1995
Artikel 77, eerste lid, onderdeel d | Benutting restwarmte, transportleiding ≥ 0,50 km/MWth | 0,0203 | 0,1987
Artikel 77, eerste lid, onderdeel e | Restwarmtebenutting (met warmtepomp) | 0,0203 | 0,1329
Artikel 79, eerste lid | Waterstof uit elektrolyse | 0,0326 | 0,2290
Artikel 81, eerste lid, onderdeel a | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa | 0,0750 | 0,3012
Artikel 81 eerste lid, onderdeel b | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit monomestvergisting | 0,0235 | 0,3894
Artikel 81, eerste lid, onderdeel c | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit allesvergisting | 0,0235 | 0,2328
Artikel 81, eerste lid, onderdeel d | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, diesel- en benzinevervangers uit hydropyrolyse-olie uit vaste lignocellulose houdende biomassa | 0,0740 | 0,2493
Artikel regeling | Categorie | Langetermijn broeikasgasbedrag in euro/1.000 kg CO2 | Emissiefactor in kg CO2/1.000 kg CO2
Artikel 83, eerste lid, onderdeel a | CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, gasvormig transport | 39,9009 | 973,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel b | CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gasvormig transport | 39,9009 | 973,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel c | CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, vloeibaar transport | 39,9009 | 965,0080
Artikel 83, eerste lid, onderdeel d | CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, vloeibaar transport | 39,9009 | 965,0080
Artikel 83, eerste lid, onderdeel e | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport | 39,9009 | 891,4620
Artikel 83, eerste lid, onderdeel f | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport | 39,9009 | 883,4700
Artikel 83, eerste lid, onderdeel g | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport | 39,9009 | 810,7800
Artikel 83, eerste lid, onderdeel h | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, niet-ETS-bedrijf | 0,0000 | 810,7800
Artikel 83, eerste lid, onderdeel i | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport | 39,9009 | 802,7880
Artikel 83, eerste lid, onderdeel j | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, niet-ETS-bedrijf | 0,0000 | 802,7880
Artikel 83, eerste lid, onderdeel k | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport | 39,9009 | 897,5640
Artikel 83, eerste lid, onderdeel l | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport | 39,9009 | 889,5720
Artikel 83, eerste lid, onderdeel m | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport | 39,9009 | 826,6000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel n | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport | 39,9009 | 818,6080
Artikel 83, eerste lid, onderdeel o | CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, gasvormig transport, niet-ETS-bedrijf | 0,0000 | 973,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel p | CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, vloeibaar transport, niet-ETS-bedrijf | 0,0000 | 965,0080
Artikel 85, eerste lid, onderdeel a | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, bestaande transportleiding | 51,8095 | 891,5750
Artikel 85, eerste lid, onderdeel b | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport | 51,8095 | 883,5830
Artikel 85, eerste lid, onderdeel c | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 51,8095 | 891,5750
Artikel 85, eerste lid, onderdeel d | CCU – Bijkomende CO2-afvang bij bestaande installatie, vloeibaar transport | 51,8095 | 883,5830
Artikel 85, eerste lid, onderdeel e | CCU – Bijkomende CO2-afvang bij bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 51,8095 | 918,5750
Artikel 85, eerste lid, onderdeel f | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, bestaande transportleiding | 51,8095 | 897,4736
Artikel 85, eerste lid, onderdeel g | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport | 51,8095 | 889,4816
Artikel 85, eerste lid, onderdeel h | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 51,8095 | 897,4736
Artikel 85, eerste lid, onderdeel i | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, gasvormig transport, bestaande transportleiding | 51,8095 | 810,7800
Artikel 85, eerste lid, onderdeel j | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, vloeibaar transport | 51,8095 | 802,7880
Artikel 85, eerste lid, onderdeel k | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 51,8095 | 810,7800
Artikel 85, eerste lid, onderdeel l | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassa-installatie tuinbouw, gasvormig | 51,8095 | 839,9014
Artikel 85, eerste lid, onderdeel m | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassa-installatie tuinbouw, vloeibaar | 51,8095 | 806,4600
§ 5 — Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen › § 5.1 — Hernieuwbare elektriciteit
Artikel 89
Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:
a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de derde kolom genoemde bedrag;
b. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit het maximaal aantal vollasturen, bedoeld in artikel 15, vijfde lid, van het besluit vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;
c. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit de basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en
d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2021 vastgesteld op:
1°. voor de elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, het in de zesde kolom genoemde bedrag;
2°. voor de waarde van de garanties van oorsprong, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, het in de zevende kolom genoemde bedrag; en
3° voor de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, van het besluit op € 0 per kWh.
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7
Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro/kWh | Vollasturen | Basiselektriciteits-prijs in euro/kWh | Voorlopige correctie elektriciteitsprijs in 2.021 euro/kWh | Voorlopige correctie waarde garanties van oorsprong in 2.021 euro/kWh
Artikel 11, onderdeel a | Waterkracht, valhoogte < 50 cm | 0,1097 | 3700 | 0,0299 | 0,0312 | 0,0000
Artikel 11, onderdeel b | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm | 0,1097 | 5700 | 0,0299 | 0,0312 | 0,0000
Artikel 11, onderdeel c | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie | 0,0975 | 2600 | 0,0299 | 0,0312 | 0,0000
Artikel 13 | Osmose | 0,1097 | 8000 | 0,0299 | 0,0312 | 0,0000
Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° | Wind op land, ≥ 8,5 m/s | 0,0390 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° | Wind op land, ≥ 8 en < 8,5 m/s | 0,0406 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0435 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4° | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0475 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5° | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0501 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6° | Wind op land, < 6,75 m/s | 0,0543 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8,5 m/s | 0,0444 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8 en < 8,5 m/s | 0,0467 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0505 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0550 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0583 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 6° | Wind op land, hoogtebeperkt < 6,75 m/s | 0,0627 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° | Wind op waterkering, ≥ 8,5 m/s | 0,0424 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° | Wind op waterkering, ≥ 8 en < 8,5 m/s | 0,0442 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° | Wind op waterkering, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0472 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4° | Wind op waterkering, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0514 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5° | Wind op waterkering, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0548 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 6° | Wind op waterkering, < 6,75 m/s | 0,0592 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 21, eerste lid | Wind in meer, water ≥ 1 km2 | 0,0590 | P50 | 0,0206 | 0,0284 | 0,0040
Artikel 23, eerste lid, onderdeel a | Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden | 0,0724 | 900 | Netlevering: 0,0238 | Netlevering: 0,0272 | Netlevering: 0,0040
Niet-netlevering: 0,0672 | Niet-netlevering: 0,0706 | Niet-netlevering: 0,0000
Artikel 23, eerste lid, onderdeel b | Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, op land of drijvend op water | 0,0685 | 950 | Netlevering: 0,0238 | Netlevering: 0,0272 | Netlevering: 0,0040
Niet-netlevering: 0,0672 | Niet-netlevering: 0,0706 | Niet-netlevering: 0,0000
Artikel 23, eerste lid, onderdeel c | Zon-PV ≥ 1 MWp, gebouwgebonden | 0,0655 | 900 | Netlevering: 0,0238 | Netlevering: 0,0272 | Netlevering: 0,0040
Niet-netlevering: 0,0578 | Niet-netlevering: 0,0612 | Niet-netlevering: 0,0000
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d | Zon-PV ≥ 1 MWp, op land | 0,0590 | 950 | Netlevering: 0,0238 | Netlevering: 0,0272 | Netlevering: 0,0040
Niet-netlevering: 0,0578 | Niet-netlevering: 0,0612 | Niet-netlevering: 0,0000
Artikel 23, eerste lid, onderdeel e | Zon-PV ≥ 1 MWp, drijvend op water | 0,0693 | 950 | Netlevering: 0,0238 | Netlevering: 0,0272 | Netlevering: 0,0040
Niet-netlevering: 0,0578 | Niet-netlevering: 0,0612 | Niet-netlevering: 0,0000
Artikel 23, eerste lid, onderdeel f | Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op land | 0,0590 | 1045 | Netlevering: 0,0238 | Netlevering: 0,0272 | Netlevering: 0,0040
Niet-netlevering: 0,0578 | Niet-netlevering: 0,0612 | Niet-netlevering: 0,0000
Artikel 23, eerste lid, onderdeel g | Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op water | 0,0693 | 1190 | Netlevering: 0,0238 | Netlevering: 0,0272 | Netlevering: 0,0040
Niet-netlevering: 0,0578 | Niet-netlevering: 0,0612 | Niet-netlevering: 0,0000
§ 5 — Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen › § 5.2 — Hernieuwbaar gas
Artikel 90
Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:
a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbaar gas, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;
b. voor de productie van hernieuwbaar gas het maximaal aantal vollasturen, bedoeld in artikel 32, vijfde lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;
c. voor de productie van hernieuwbaar gas de basisgasprijs, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en
d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2021 vastgesteld op:
1°. voor de energieprijs, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en
2°. voor de correcties, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6
Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro/kWh | Vollasturen | Basisenergieprijs in euro/kWh | Voorlopige correctie energieprijs in 2.021 euro/kWh
Artikel 25, onderdeel a | Allesvergisting, gas | 0,0661 | 8000 | 0,0135 | 0,0147
Artikel 25, onderdeel b | Monomestvergisting > 400 kW, gas | 0,0722 | 8000 | 0,0135 | 0,0147
Artikel 25, onderdeel c | Monomestvergisting ≤ 400 kW, gas | 0,0930 | 8000 | 0,0135 | 0,0147
Artikel 27, onderdeel a | Allesvergisting verlengde levensduur, gas (nieuwe gasopwaardeerinstallatie) | 0,0575 | 8000 | 0,0135 | 0,0147
Artikel 27, onderdeel b | Allesvergisting verlengde levensduur, gas | 0,0543 | 8000 | 0,0135 | 0,0147
Artikel 27, onderdeel c | Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 400 kW, gas (nieuwe gasopwaardeerinstallatie) | 0,0794 | 8000 | 0,0135 | 0,0147
Artikel 27, onderdeel d | Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 400 kW, gas | 0,0722 | 8000 | 0,0135 | 0,0147
Artikel 29, eerste lid | RWZI verbeterde slibgisting, gas | 0,0752 | 8000 | 0,0135 | 0,0147
Artikel 31 | RWZI bestaande slibgisting (nieuwe gasopwaardeerinstallatie) | 0,0319 | 8000 | 0,0135 | 0,0147
Artikel 33, onderdeel a | Biomassavergassing (inclusief B-hout) | 0,0680 | 7500 | 0,0135 | 0,0147
Artikel 33, onderdeel b | Biomassavergassing (exclusief B-hout) | 0,0752 | 7500 | 0,0135 | 0,0147
§ 5 — Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen › § 5.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte
Artikel 91
Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:
a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte en de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;
b. voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte het maximaal aantal vollasturen, bedoeld in artikel 48, vijfde lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;
c. de basisenergieprijs, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en
d. de correcties op het basisbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel, worden voor 2021 vastgesteld op:
1°. voor de energie- of elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, of 47, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;
2°. voor de correcties, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, op € 0 per kWh; en
3°. voor de correcties, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel c, van het besluit, het in de zevende kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag.
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7
Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro/kWh | Vollasturen | Basisenergieprijs in euro/kWh | Voorlopige correctie energieprijs in 2021 in euro/kWh | Andere correctie in 2021 in euro/kWh
Artikel 35, eerste lid, onderdeel a | Zonthermie ≥ 140 kWth en < 1 MWth | 0,0938 | 600 | 0,0275 | 0,0290 | 0,0054
Artikel 35, eerste lid, onderdeel b | Zonthermie ≥ 1 MWth | 0,0800 | 600 | 0,0223 | 0,0238 | 0,0054
Artikel 37, onderdeel a | Allesvergisting, warmte | 0,0624 | 7000 | 0,0223 | 0,0238 | 0,0054
Artikel 37, onderdeel b | Allesvergisting, gecombineerde opwekking | 0,0696 | 7622 | 0,0260 | 0,0274 | 0,0028
Artikel 37, onderdeel c | Monomestvergisting, warmte > 400 kW | 0,0674 | 7000 | 0,0223 | 0,0238 | 0,0054
Artikel 37, onderdeel d | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW | 0,0789 | 7353 | 0,0261 | 0,0275 | 0,0027
Artikel 37, onderdeel e | Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW | 0,1061 | 7000 | 0,0223 | 0,0238 | 0,0054
Artikel 37, onderdeel f | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW | 0,1310 | 6374 | 0,0492 | 0,0506 | 0,0027
Artikel 39, onderdeel a | Allesvergisting verlengde levensduur, warmte | 0,0534 | 7000 | 0,0223 | 0,0238 | 0,0054
Artikel 39, onderdeel b | Allesvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking | 0,0589 | 7622 | 0,0260 | 0,0274 | 0,0028
Artikel 39, onderdeel c | Monomestvergisting verlengde levensduur, warmte ≤ 400 kW | 0,0764 | 7000 | 0,0223 | 0,0238 | 0,0054
Artikel 39, onderdeel d | Monomestvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW | 0,0959 | 6374 | 0,0492 | 0,0506 | 0,0027
Artikel 41, eerste lid, onderdeel a | RWZI verbeterde slibgisting, warmte | 0,0682 | 7000 | 0,0223 | 0,0238 | 0,0054
Artikel 41, eerste lid, onderdeel b | RWZI verbeterde slibgisting, gecombineerde opwekking | 0,0932 | 5729 | 0,0290 | 0,0303 | 0,0021
Artikel 43 | Ketel op vloeibare biomassa | 0,0665 | 7000 | 0,0223 | 0,0238 | 0,0054
Artikel 45, eerste lid | Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa | 0,0586 | 3000 | 0,0223 | 0,0238 | 0,0054
Artikel 47, eerste lid, onderdeel a | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) | 0,0508 | 4500 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054
Artikel 47, eerste lid, onderdeel b | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) | 0,0499 | 5000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054
Artikel 47, eerste lid, onderdeel c | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) | 0,0491 | 5500 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054
Artikel 47, eerste lid, onderdeel d | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) | 0,0484 | 6000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054
Artikel 47, eerste lid, onderdeel e | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) | 0,0478 | 6500 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054
Artikel 47, eerste lid, onderdeel f | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) | 0,0473 | 7000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054
Artikel 47, eerste lid, onderdeel g | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) | 0,0469 | 7500 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054
Artikel 47, eerste lid, onderdeel h | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) | 0,0465 | 8000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054
Artikel 47, eerste lid, onderdeel i | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) | 0,0462 | 8500 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054
Artikel 49, eerste lid | Grote ketel op B-hout | 0,0277 | 7500 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054
Artikel 51, eerste lid | Grote ketel op houtpellets voor gebouwde omgeving | 0,0687 | 6000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054
Artikel 53, eerste lid | Grote stoomketel op houtpellets | 0,0664 | 8500 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054
Artikel 55 | Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen | 0,0519 | 3000 | 0,0201 | 0,0214 | 0,0054
Artikel 57, eerste lid | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa verlengde levensduur | 0,0352 | 8000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054
Artikel 59, eerste lid | Composteringsinstallatie champost | 0,0461 | 5200 | 0,0223 | 0,0238 | 0,0054
Artikel 61, onderdelen a en d | Diepe geothermie < 20MWth, basislast | 0,0518 | 6000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054
Artikel 61, onderdelen b en e | Diepe geothermie ≥ 20MWth, basislast | 0,0455 | 6000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054
Artikel 61, onderdeel c | Diepe geothermie, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0833 | 3500 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054
Artikel 61, onderdeel f | Diepe geothermie, basislast, aanvullende put | 0,0331 | 6000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054
Artikel 61, onderdeel g | Ultradiepe geothermie, basislast | 0,0694 | 7000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054
§ 5 — Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen › § 5.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas
Artikel 92
1 Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:
a. het basisbedrag voor subsidie voor de vermindering van broeikasgas, bedoeld in artikel 55f, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;
b. voor de vermindering van broeikasgas het maximaal aantal vollasturen, bedoeld in artikel 55j, vijfde lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;
c. het basisbroeikasgasbedrag, bedoeld in artikel 55g, eerste lid, van het besluit, voor de vermindering van broeikasgas, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en
d. de correcties op het basisbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel, worden voor 2021 vastgesteld op:
1°. voor de prijs van het primaire product, bedoeld in artikel 55i, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;
2°. voor de correcties, bedoeld in artikel 55i, eerste lid, onderdeel c, van het besluit, op € 0 per kWh; en
3°. voor de correcties, bedoeld in artikel 55i, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, het in de zevende kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag.
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8
Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro/kWh | Vollasturen | Basisbroeikasgasbedrag in euro/kWh | Voorlopige correctie productprijs in 2021 in euro/kWh | Voorlopige correctie ETS in 2021 in euro/kWh | Voorlopige correctie overige correcties in 2021 in euro/kWh
Artikel 63, onderdeel a | Ondiepe geothermie, basislast | 0,0705 | 6000 | 0,0223 | 0,0238 | 0,0054 | 0,0000
Artikel 63, onderdeel b | Ondiepe geothermie voor verwarming gebouwde omgeving | 0,0810 | 3500 | 0,0223 | 0,0238 | 0,0054 | 0,0000
Artikel 65, onderdeel a | Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0667 | 6000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054 | 0,0000
Artikel 65, onderdeel b | Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0823 | 3500 | 0,0275 | 0,0290 | 0,0054 | 0,0000
Artikel 65, onderdeel c | Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, directe toepassing | 0,0584 | 3500 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054 | 0,0000
Artikel 67, eerste lid | Thermische energie uit afvalwater, basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0678 | 6000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054 | 0,0000
Artikel 69, eerste lid | Daglichtkas | 0,0738 | 3850 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054 | 0,0000
Artikel 71, eerste lid | Zon-PVT systeem | 0,0442 | 3500 | 0,0275 | 0,0290 | 0,0054 | 0,0000
Artikel 73, eerste lid | Elektroboiler | 0,0492 | 3000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054 | 0,0000
Artikel 75, eerste lid, onderdeel a | Industriële warmtepomp (gesloten) | 0,0365 | 8000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054 | 0,0000
Artikel 75, eerste lid, onderdeel b | Industriële warmtepomp (open) | 0,0360 | 8000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054 | 0,0000
Artikel 77, eerste lid, onderdeel a | Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth | 0,0188 | 6000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054 | 0,0000
Artikel 77, eerste lid, onderdeel b | Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,30 en < 0,40 km/MWth | 0,0238 | 6000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054 | 0,0000
Artikel 77, eerste lid, onderdeel c | Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,40 en < 0,50 km/MWth | 0,0287 | 6000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054 | 0,0000
Artikel 77, eerste lid, onderdeel d | Benutting restwarmte, transportleiding ≥ 0,50 km/MWth | 0,0337 | 6000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054 | 0,0000
Artikel 77, eerste lid, onderdeel e | Restwarmtebenutting (met warmtepomp) | 0,0391 | 7000 | 0,0135 | 0,0147 | 0,0054 | 0,0000
Artikel 79, eerste lid | Waterstof uit elektrolyse | 0,1013 | 3000 | 0,0242 | 0,0257 | 0,0000 | 0,0000
Artikel 81, eerste lid, onderdeel a | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa | 0,1222 | 8000 | 0,0500 | 0,0577 | 0,0000 | 0,0936
Artikel 81 eerste lid, onderdeel b | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit monomestvergisting | 0,0880 | 8000 | 0,0167 | 0,0179 | 0,0000 | 0,0936
Artikel 81, eerste lid, onderdeel c | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit allesvergisting | 0,0814 | 8000 | 0,0167 | 0,0179 | 0,0000 | 0,0936
Artikel 81, eerste lid, onderdeel d | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, diesel- en benzinevervangers uit hydropyrolyse-olie uit vaste lignocellulose houdende biomassa | 0,1106 | 7500 | 0,0493 | 0,0576 | 0,0000 | 0,0936
Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro/1.000 kg CO2 | Vollasturen | Basisbroeikasgasbedrag in euro/1.000 kg CO2 | Voorlopige correctie productprijs in 2021 in euro/1.000 kg CO2 | Voorlopige correctie ETS in 2021 in euro/1.000 kg CO2 | Voorlopige correctie overige correcties in 2021 in euro/1.000 kg CO2
Artikel 83, eerste lid, onderdeel a | CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, gasvormig transport | 98,2454 | 4000 | 26,6006 | 0,0000 | 26,6006 | 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel b | CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gasvormig transport | 61,5061 | 8000 | 26,6006 | 0,0000 | 26,6006 | 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel c | CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, vloeibaar transport | 71,6077 | 4000 | 26,6006 | 0,0000 | 26,6006 | 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel d | CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, vloeibaar transport | 91,7963 | 8000 | 26,6006 | 0,0000 | 26,6006 | 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel e | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport | 97,7752 | 8000 | 26,6006 | 0,0000 | 26,6006 | 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel f | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport | 124,7259 | 8000 | 26,6006 | 0,0000 | 26,6006 | 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel g | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport | 130,2545 | 8000 | 26,6006 | 0,0000 | 26,6006 | 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel h | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, niet-ETS-bedrijf | 130,2545 | 8000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel i | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport | 156,5234 | 8000 | 26,6006 | 0,0000 | 26,6006 | 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel j | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, niet-ETS-bedrijf | 156,5234 | 8000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel k | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport | 89,7870 | 8000 | 26,6006 | 0,0000 | 26,6006 | 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel l | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport | 114,6757 | 8000 | 26,6006 | 0,0000 | 26,6006 | 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel m | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport | 114,2829 | 8000 | 26,6006 | 0,0000 | 26,6006 | 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel n | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport | 138,8041 | 8000 | 26,6006 | 0,0000 | 26,6006 | 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel o | CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, gasvormig transport, niet ETS-bedrijf | 98,2454 | 4000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000
Artikel 83, eerste lid, onderdeel p | CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, vloeibaar transport, niet ETS-bedrijf | 71,6077 | 4000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel a | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, bestaande transportleiding | 74,1442 | 4000 | 34,5397 | 38,9761 | 0,0000 | 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel b | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport | 133,3971 | 4000 | 34,5397 | 38,9761 | 0,0000 | 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel c | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 127,0015 | 4000 | 34,5397 | 38,9761 | 0,0000 | 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel d | CCU – Bijkomende CO2-afvang bij bestaande installatie, vloeibaar transport | 84,2550 | 4000 | 34,5397 | 38,9761 | 0,0000 | 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel e | CCU – Bijkomende CO2-afvang bij bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 63,1832 | 4000 | 34,5397 | 38,9761 | 0,0000 | 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel f | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, bestaande transportleiding | 67,7699 | 4000 | 34,5397 | 38,9761 | 0,0000 | 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel g | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport | 127,0228 | 4000 | 34,5397 | 38,9761 | 0,0000 | 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel h | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 120,6271 | 4000 | 34,5397 | 38,9761 | 0,0000 | 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel i | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, gasvormig transport, bestaande transportleiding | 142,2112 | 4000 | 34,5397 | 38,9761 | 0,0000 | 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel j | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, vloeibaar transport | 201,4640 | 4000 | 34,5397 | 38,9761 | 0,0000 | 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel k | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 195,0684 | 4000 | 34,5397 | 38,9761 | 0,0000 | 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel l | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassa-installatie tuinbouw, gasvormig | 62,5419 | 4000 | 34,5397 | 38,9761 | 0,0000 | 0,0000
Artikel 85, eerste lid, onderdeel m | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassa-installatie tuinbouw, vloeibaar | 104,9962 | 4000 | 34,5397 | 38,9761 | 0,0000 | 0,0000
2 De feitelijke productie van een productie-installatie als bedoeld in de artikelen 73, eerste lid, en 79, eerste lid, die in aanmerking komt voor subsidie, bedraagt ten hoogste 5000 vollasturen, tenzij de productie bij het respectievelijke aantal vollasturen, in de onderstaande tabel lager is in een bepaald kalanderjaar, dan geldt dat maximum aantal vollasturen.
Jaar | Vollasturen elektroboiler | Vollasturen waterstof uit elektrolyse
2021 | 4.000 | 2.940
2022 | 4.090 | 2.530
2023 | 3.540 | 2.390
2024 | | 4.910
2025 | | 4.930
§ 6 — Slotbepalingen
Artikel 93
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2021.
§ 6 — Slotbepalingen
Artikel 94
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 5, tweede lid (model uitvoeringsovereenkomst) › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de afvang en opslag van koolstofdioxide, de afvang en het gebruik van koolstofdioxide en van activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021
Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de afvang en opslag van koolstofdioxide, de afvang en het gebruik van koolstofdioxide en van activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021
1. De Staat der Nederlanden, (hierna te noemen: de Staat), te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken en Klimaat; en
2. ............, gevestigd te..... (hierna te noemen: Ondernemer);.....
(hierna te samen ook te noemen: Partijen);
overwegen:
a. de Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft blijkens een beschikking met kenmerk....., hierna te noemen Beschikking, waarvan een kopie als Bijlage A bij deze overeenkomst is gevoegd aan de Ondernemer een subsidie verleend voor de afvang en opslag van koolstofdioxide / voor de afvang en gebruik van koolstofdioxide / van meer dan € 400 miljoen op grond van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie;
b. de Beschikking bevat de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na afgifte van de beschikking de onderhavige uitvoeringsovereenkomst, hierna te noemen Uitvoeringsovereenkomst, tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidieontvanger;
c. de Minister van Economische Zaken en Klimaat beoogt door middel van deze Uitvoeringsovereenkomst te verzekeren dat de Ondernemer de productie-installatie bedoeld in de Beschikking tijdig in gebruik zal nemen.
Partijen komen daartoe het volgende overeen:
Bijlage 1 — behorende bij artikel 5, tweede lid (model uitvoeringsovereenkomst) › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de afvang en opslag van koolstofdioxide, de afvang en het gebruik van koolstofdioxide en van activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021 › Artikel 1 — Tijdige ingebruikname van de productie-installatie
Artikel 1 — Tijdige ingebruikname van de productie-installatie
De Ondernemer verplicht zich jegens de Staat de productie-installatie tijdig in gebruik te nemen en wel binnen de in artikel 61 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie bedoelde periode of, indien op grond van artikel 62, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie een ontheffing is verleend, binnen de in de ontheffing opgenomen periode.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 5, tweede lid (model uitvoeringsovereenkomst) › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de afvang en opslag van koolstofdioxide, de afvang en het gebruik van koolstofdioxide en van activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021 › Artikel 2 — Inhoud en omvang van de garantie
Artikel 2 — Inhoud en omvang van de garantie
De Ondernemer verplicht zich om tot zekerheid voor de nakoming van de in artikel 1 bedoelde verplichting, alsmede de bij niet tijdige nakoming verschuldigde boetes, binnen vier weken nadat de Beschikking is afgegeven ten behoeve van de Staat financiële zekerheid te stellen en gesteld houden voor een bedrag groot 2% van de maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de artikelen 16, 33, 49 en 55k van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie, door middel van de afgifte aan de Staat van een door een binnen de Europese Unie gevestigde bank afgegeven bankgarantie welke is opgemaakt onder gebruikmaking van het model bankgarantie.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 5, tweede lid (model uitvoeringsovereenkomst) › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de afvang en opslag van koolstofdioxide, de afvang en het gebruik van koolstofdioxide en van activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021 › Artikel 3 — Vrijval van de garantie
Artikel 3 — Vrijval van de garantie
1. De verplichting de in artikel 2 bedoelde bankgarantie te blijven stellen vervalt uitsluitend door het schriftelijk bericht van de Staat aan de Bank dat de verplichting geheel of gedeeltelijk is vervallen. De Ondernemer ontvangt een kopie van het bericht van verval.
2. Zodra de verplichting geheel is vervallen zal de Staat de bankgarantie retourneren aan de Ondernemer.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 5, tweede lid (model uitvoeringsovereenkomst) › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de afvang en opslag van koolstofdioxide, de afvang en het gebruik van koolstofdioxide en van activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021 › Artikel 4 — Boetes
Artikel 4 — Boetes
1. Indien de Ondernemer de productie-installatie niet binnen de in artikel 1 bedoelde periode in gebruik heeft genomen, is de Ondernemer aan de Staat bij wijze van boete een bedrag verschuldigd groot 0,2% van het beschikte bedrag enkel door het verloop van die termijn en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.
2. Indien de Ondernemer daarna nog in gebreke blijft met het tijdig in gebruik nemen van de productie-installatie is de Ondernemer maandelijks een boete van telkens 0,2% van de maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de artikelen 16, 33, 49 en 55k van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie, verschuldigd voor zover hij de productie-installatie op de eerste van elke volgende maand niet in gebruik heeft genomen.
3. De boetes bedoeld in het eerste en tweede lid, waarvan de som ten hoogste 2% van het beschikte bedrag bedraagt, zijn telkens verschuldigd voor het enkele verloop van de termijn en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.
4. Indien komt vast te staan dat de ondernemer de productie-installatie niet in gebruik zal nemen, dan is de Staat gerechtigd het gehele bedrag van de bankgarantie te innen. De Beschikking kan op deze grond worden ingetrokken.
5. De Ondernemer machtigt bij deze de Staat onherroepelijk tot het innen van de boetes door het inroepen van de bankgarantie voor het bedrag van de boete, telkens wanneer er een boete verschuldigd is geworden.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 5, tweede lid (model uitvoeringsovereenkomst) › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de afvang en opslag van koolstofdioxide, de afvang en het gebruik van koolstofdioxide en van activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021 › Artikel 5 — Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst
Artikel 5 — Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst
1. Deze Uitvoeringsovereenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de Partijen met dien verstande dat de inwerkingtreding wordt opgeschort totdat de Beschikking in werking is getreden en de Staat de Ondernemer daarvan schriftelijk bericht heeft gestuurd.
2. Deze Uitvoeringsovereenkomst eindigt van rechtswege door de teruggave van de bankgarantie door de Staat aan de Ondernemer.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 5, tweede lid (model uitvoeringsovereenkomst) › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de afvang en opslag van koolstofdioxide, de afvang en het gebruik van koolstofdioxide en van activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021 › Artikel 6 — Domiciliekeuze en berichtgevingen
Artikel 6 — Domiciliekeuze en berichtgevingen
1. De Staat kiest voor uitvoering van deze Uitvoeringsovereenkomst domicilie ten kantore van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Hanzelaan 310, 8017 JK Zwolle.
2. Onverminderd het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dienen alle mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten uit hoofde van deze uitvoeringsovereenkomst schriftelijk te worden gedaan.
3. Mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten die niet in overeenstemming met het tweede lid zijn gedaan blijven zonder rechtsgevolg.
4. De Staat is bevoegd eenzijdig van het bepaalde in het eerste lid af te wijken.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 5, tweede lid (model uitvoeringsovereenkomst) › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de afvang en opslag van koolstofdioxide, de afvang en het gebruik van koolstofdioxide en van activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021 › Artikel 7 — Rechtskeuze
Artikel 7 — Rechtskeuze
1. Op deze Uitvoeringsovereenkomst is uitsluitend Nederlands recht van toepassing.
2. Alle geschillen in verband met deze uitvoeringsovereenkomst of met afspraken die daarmee samenhangen zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te Den Haag.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 5, tweede lid (model uitvoeringsovereenkomst) › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de afvang en opslag van koolstofdioxide, de afvang en het gebruik van koolstofdioxide en van activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021 › Artikel 8 — Citeertitel
Artikel 8 — Citeertitel
Deze Uitvoeringsovereenkomst wordt tussen partijen aangeduid als ‘Uitvoeringsovereenkomst duurzame energieproductie en klimaattransitie Staat/.....’.
Aldus overeengekomen en in tweevoud ondertekend
te.....
Ondernemer
te ’s-Gravenhage op.....
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
Bijlage 1 — behorende bij artikel 5, tweede lid (model uitvoeringsovereenkomst) › Model bankgarantie
Model bankgarantie
DE ONDERGETEKENDE,
....., gevestigd te....., hierna te noemen de ‘Bank’,
IN AANMERKING NEMENDE DAT:
A. ......, gevestigd te....., (hierna te noemen de Ondernemer) en de STAAT der NEDERLANDEN, (hierna te noemen: Staat), waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag, te dezen vertegenwoordigd door....., hierbij vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken en Klimaat op..... de ‘Uitvoeringsovereenkomst duurzame energieproductie Staat/.....’ (hierna: uitvoeringsovereenkomst) hebben getekend;
B. de Ondernemer volgens artikel 2 van de overeenkomst binnen vier weken nadat een beschikking van de Minister van Economische Zaken en Klimaat met kenmerk.....is afgegeven ten behoeve van de Staat financiële zekerheid dient te stellen en gesteld houden voor een bedrag groot €.....,– door de afgifte aan de Staat van een door een bank afgegeven bankgarantie;
C. de Bank bereid is de desbetreffende bankgarantie ten gunste van de Staat te stellen onder de hierna te noemen voorwaarden.
VERKLAART ALS VOLGT
1. De Bank stelt zich hierbij als zelfstandige verbintenis tegenover de Staat onherroepelijk en onvoorwaardelijk garant voor al hetgeen de Staat van de Ondernemer op grond van de uitvoeringsovereenkomst te vorderen heeft tot een maximumbedrag van €.....,–.
2. Deze bankgarantie is een abstracte afroepgarantie. De Bank komt in geen geval een beroep toe op de onderliggende rechtsverhouding tussen de Staat en de Ondernemer als vervat in de uitvoeringsovereenkomst.
3. De Bank zal op eerste schriftelijk verzoek van de Staat, zonder opgaaf van redenen te verlangen of nader bewijs te vragen, overgaan tot uitbetaling van al hetgeen de Ondernemer, volgens verklaring van de Staat, verschuldigd is uit hoofde van de Uitvoeringsovereenkomst.
4. Deze bankgarantie vervalt uitsluitend door het schriftelijk bericht van de Staat aan de Bank dat de verplichting geheel of gedeeltelijk is vervallen.
5. De Minister van Economische Zaken en Klimaat zendt de bankgarantie zo spoedig mogelijk nadat deze geheel is vervallen retour aan de Bank.
6. Op deze bankgarantie is uitsluitend Nederlands recht van toepassing. Alle geschillen die mochten ontstaan over of naar aanleiding van deze bankgarantie zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te ’s-Gravenhage.
7. Indien deze bankgarantie dient te worden geretourneerd geschiedt dat door toezending aan adres:.....
Getekend te
op
De Bank
Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 15, 17 en 19 (lijst windsnelheden per gemeente)
Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 15, 17 en 19 (lijst windsnelheden per gemeente) (deel 1)
Gemeentenaam | Provincie | Windcategorie
Ameland | Friesland | ≥ 8,5 m/s
Den Helder | Noord-Holland | ≥ 8,5 m/s
Schiermonnikoog | Friesland | ≥ 8,5 m/s
Terschelling | Friesland | ≥ 8,5 m/s
Texel | Noord-Holland | ≥ 8,5 m/s
Vlieland | Friesland | ≥ 8,5 m/s
Bergen (NH.) | Noord-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s
Het Hogeland | Groningen | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s
Harlingen | Friesland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s
Hollands Kroon | Noord-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s
Noordeast-Fryslân | Friesland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s
Rotterdam Maasvlakte (wijk 23 buurt 8) | Zuid-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s
Schagen | Noord-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s
Súdwest-Fryslân | Friesland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s
Waadhoeke | Friesland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s
Zandvoort | Noord-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s
Achtkarspelen | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Alkmaar | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Appingedam | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Beemster | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Beverwijk | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Bloemendaal | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Castricum | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Dantumadiel | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
De Fryske Marren | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Delfzijl | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Drechterland | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Edam-Volendam | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Enkhuizen | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Goeree-Overflakkee | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Heemskerk | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Heerenveen | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Heerhugowaard | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Heiloo | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Hillegom | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Hoorn | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Katwijk | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Koggenland | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Langedijk | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Leeuwarden | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Lisse | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Loppersum | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Medemblik | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Noord-Beveland | Zeeland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Noordoostpolder | Flevoland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Noordwijk | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Oldambt | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Opmeer | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Opsterland | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Schouwen-Duiveland | Zeeland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Smallingerland | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Stede Broec | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Tytsjerksteradiel | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Uitgeest | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Urk | Flevoland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Veere | Zeeland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Velsen | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Wassenaar | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Westerkwartier | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Westland | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Westvoorne | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s
Aa en Hunze | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Aalsmeer | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Aalten | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Almere | Flevoland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Alphen aan den Rijn | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Altena | Noord-Brabant | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Amstelveen | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Amsterdam | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Assen | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Bodegraven-Reeuwijk | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Borger-Odoorn | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Borsele | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Brielle | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Coevorden | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Culemborg | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Dalfsen | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
De Ronde Venen | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
De Wolden | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Delft | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Diemen | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Dronten | Flevoland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Emmen | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Goes | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Gouda | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Groningen | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Haarlem | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Haarlemmermeer | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Hardenberg | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Hardinxveld-Giessendam | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Heemstede | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Hellevoetsluis | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Hoeksche Waard | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Hoogeveen | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Hulst | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
IJsselstein | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Kaag en Braassem | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Kampen | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Kapelle | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Krimpenerwaard | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Landsmeer | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Lansingerland | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Leiden | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Leiderdorp | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Leidschendam-Voorburg | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Lelystad | Flevoland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Lopik | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Maassluis | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Meppel | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Middelburg | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Midden-Delfland | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Midden-Drenthe | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Midden-Groningen | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Moerdijk | Noord-Brabant | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Molenlanden | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Montfoort | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Nieuwkoop | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Nissewaard | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Noordenveld | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Oegstgeest | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Oost Gelre | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Ooststellingwerf | Friesland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Oostzaan | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Ouder-Amstel | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Oudewater | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Pekela | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Pijnacker-Nootdorp | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Purmerend | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Reimerswaal | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Rijswijk | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Rotterdam-West (wijk 17, wijk 23 excl. buurt 8, en wijk 27) | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
’s-Gravenhage | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Sluis | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Stadskanaal | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Staphorst | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Steenbergen | Noord-Brabant | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Steenwijkerland | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Stichtse Vecht | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Terneuzen | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Teylingen | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Tholen | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Tynaarlo | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Uithoorn | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Veendam | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Vijfheerenlanden | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Vlissingen | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Voorschoten | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Waddinxveen | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Waterland | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Weesp | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
West Betuwe | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Westerveld | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Westerwolde | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Weststellingwerf | Friesland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Woerden | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Wormerland | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Zaanstad | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Zaltbommel | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Zoetermeer | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Zoeterwoude | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Zuidplas | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Zwartewaterland | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Zwolle | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s
Alblasserdam | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Albrandswaard | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Barendrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Bergen op Zoom | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Berkelland | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Beuningen | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Bunnik | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Bunschoten | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Buren | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Capelle aan den IJssel | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 15, 17 en 19 (lijst windsnelheden per gemeente)
Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 15, 17 en 19 (lijst windsnelheden per gemeente) (deel 2)
Dordrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Drimmelen | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Druten | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Duiven | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Etten-Leur | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Geertruidenberg | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Gooise Meren | Noord-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Gorinchem | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Haaksbergen | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Halderberge | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Hattem | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Hellendoorn | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Hendrik-Ido-Ambacht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Houten | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Krimpen aan den IJssel | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Lingewaard | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Maasdriel | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Neder-Betuwe | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Nieuwegein | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Nijkerk | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Oldebroek | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Olst-Wijhe | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Ommen | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Oss | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Oude IJsselstreek | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Overbetuwe | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Papendrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Raalte | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Ridderkerk | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Roosendaal | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Rotterdam (excl. wijk 17, 23 en 27) | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Schiedam | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Simpelveld | Limburg | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Sliedrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Tiel | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Tubbergen | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Twenterand | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Utrecht | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Vlaardingen | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Waalwijk | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
West Maas en Waal | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Wijchen | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Wijdemeren | Noord-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Wijk bij Duurstede | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Winterswijk | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Zeewolde | Flevoland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Zevenaar | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Zundert | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Zwijndrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
Almelo | Overijssel | < 6,75 m/s
Alphen-Chaam | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Amersfoort | Utrecht | < 6,75 m/s
Apeldoorn | Gelderland | < 6,75 m/s
Arnhem | Gelderland | < 6,75 m/s
Asten | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Baarle-Nassau | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Baarn | Utrecht | < 6,75 m/s
Barneveld | Gelderland | < 6,75 m/s
Beek | Limburg | < 6,75 m/s
Beekdaelen | Limburg | < 6,75 m/s
Beesel | Limburg | < 6,75 m/s
Berg en Dal | Gelderland | < 6,75 m/s
Bergeijk | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Bergen (L.) | Limburg | < 6,75 m/s
Bernheze | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Best | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Bladel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Blaricum | Noord-Holland | < 6,75 m/s
Boekel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Borne | Overijssel | < 6,75 m/s
Boxmeer | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Boxtel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Breda | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Bronckhorst | Gelderland | < 6,75 m/s
Brummen | Gelderland | < 6,75 m/s
Brunssum | Limburg | < 6,75 m/s
Cranendonck | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Cuijk | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
De Bilt | Utrecht | < 6,75 m/s
Deurne | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Deventer | Overijssel | < 6,75 m/s
Dinkelland | Overijssel | < 6,75 m/s
Doesburg | Gelderland | < 6,75 m/s
Doetinchem | Gelderland | < 6,75 m/s
Dongen | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Echt-Susteren | Limburg | < 6,75 m/s
Ede | Gelderland | < 6,75 m/s
Eemnes | Utrecht | < 6,75 m/s
Eersel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Eijsden-Margraten | Limburg | < 6,75 m/s
Eindhoven | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Elburg | Gelderland | < 6,75 m/s
Enschede | Overijssel | < 6,75 m/s
Epe | Gelderland | < 6,75 m/s
Ermelo | Gelderland | < 6,75 m/s
Geldrop-Mierlo | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Gemert-Bakel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Gennep | Limburg | < 6,75 m/s
Gilze en Rijen | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Goirle | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Grave | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Gulpen-Wittem | Limburg | < 6,75 m/s
Haaren | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Harderwijk | Gelderland | < 6,75 m/s
Heerde | Gelderland | < 6,75 m/s
Heerlen | Limburg | < 6,75 m/s
Heeze-Leende | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Helmond | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Hengelo | Overijssel | < 6,75 m/s
Heumen | Gelderland | < 6,75 m/s
Heusden | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Hilvarenbeek | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Hilversum | Noord-Holland | < 6,75 m/s
Hof van Twente | Overijssel | < 6,75 m/s
Horst aan de Maas | Limburg | < 6,75 m/s
Huizen | Noord-Holland | < 6,75 m/s
Kerkrade | Limburg | < 6,75 m/s
Laarbeek | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Landerd | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Landgraaf | Limburg | < 6,75 m/s
Laren | Noord-Holland | < 6,75 m/s
Leudal | Limburg | < 6,75 m/s
Leusden | Utrecht | < 6,75 m/s
Lochem | Gelderland | < 6,75 m/s
Loon op Zand | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Losser | Overijssel | < 6,75 m/s
Maasgouw | Limburg | < 6,75 m/s
Maastricht | Limburg | < 6,75 m/s
Meerssen | Limburg | < 6,75 m/s
Meierijstad | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Mill en Sint Hubert | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Montferland | Gelderland | < 6,75 m/s
Mook en Middelaar | Limburg | < 6,75 m/s
Nederweert | Limburg | < 6,75 m/s
Nijmegen | Gelderland | < 6,75 m/s
Nuenen, Gerwen en Nederwetten | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Nunspeet | Gelderland | < 6,75 m/s
Oirschot | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Oisterwijk | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Oldenzaal | Overijssel | < 6,75 m/s
Oosterhout | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Peel en Maas | Limburg | < 6,75 m/s
Putten | Gelderland | < 6,75 m/s
Renkum | Gelderland | < 6,75 m/s
Renswoude | Utrecht | < 6,75 m/s
Reusel-De Mierden | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Rheden | Gelderland | < 6,75 m/s
Rhenen | Utrecht | < 6,75 m/s
Rijssen-Holten | Overijssel | < 6,75 m/s
Roerdalen | Limburg | < 6,75 m/s
Roermond | Limburg | < 6,75 m/s
Rozendaal | Gelderland | < 6,75 m/s
Rucphen | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Scherpenzeel | Gelderland | < 6,75 m/s
’s-Hertogenbosch | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Sint Anthonis | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Sint-Michielsgestel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Sittard-Geleen | Limburg | < 6,75 m/s
Soest | Utrecht | < 6,75 m/s
Someren | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Son en Breugel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Stein | Limburg | < 6,75 m/s
Tilburg | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Uden | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Utrechtse Heuvelrug | Utrecht | < 6,75 m/s
Vaals | Limburg | < 6,75 m/s
Valkenburg aan de Geul | Limburg | < 6,75 m/s
Valkenswaard | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Veenendaal | Utrecht | < 6,75 m/s
Veldhoven | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Venlo | Limburg | < 6,75 m/s
Venray | Limburg | < 6,75 m/s
Voerendaal | Limburg | < 6,75 m/s
Voorst | Gelderland | < 6,75 m/s
Vught | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Waalre | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Wageningen | Gelderland | < 6,75 m/s
Weert | Limburg | < 6,75 m/s
Westervoort | Gelderland | < 6,75 m/s
Wierden | Overijssel | < 6,75 m/s
Woensdrecht | Noord-Brabant | < 6,75 m/s
Woudenberg | Utrecht | < 6,75 m/s
Zeist | Utrecht | < 6,75 m/s
Zutphen | Gelderland | < 6,75 m/s