wetzoeker

Artikel 58 Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen

Behoudens de in artikel 51 genoemde voorwaarden zullen als een uitzondering op de in artikel 50 gegeven algemene regel de ruimte tussen het bovendek en het shelterdek gelegen — gewoonlijk shelterdekruimte genoemd — en andere delen van de bovenbouw van meting in de bruto-inhoud worden vrijgesteld, indien zij krachtens de volgende bepalingen worden geacht open te zijn.

I. Een ruimte zal voor de meting als open beschouwd worden, indien een schot of overkapping slechts bestaat uit metaalgaas of gelijksoortig rasterwerk, of planken met tussenruimten, bij een schot van meer dan 0.076 meter of 0.025 voet, en bij een overkapping

1) Indien zulk een ruimte als een magazijn, werkplaats, enz. wordt gebruikt, zal zij in de bruto inhoud begrepen worden.

van meer dan 0.024 meter of 0.08 voet.

II.

a. Openingen in dekken of in overkappingen

1. Een ruimte zal voor de meting als open worden beschouwd, wanneer zich een opening bevindt in het midden van het boven deze ruimte aangebracht dek of de overkapping boven deze ruimte. De lengte van deze opening mag niet minder zijn dan 1.219 meter of 4 voet en de breedte moet ten minste gelijk zijn aan de breedte van het dichtstbijzijnde ladingluik op hetzelfde dek of in de overkapping.

2. Indien aanspraak wordt gemaakt op vrijstelling van meting in de bruto inhoud voor een shelterdekruimte of een deel ervan, mag de afstand tussen de achterzijde (achterste hoofdplaat) van de dekopening en de achterzijde van de achtersteven niet minder bedragen dan een twintigste van de signalementslengte van het schip, indien de opening zich op het achterschip bevindt. Indien de opening zich op het voorschip bevindt, mag de afstand tussen de voorzijde (voorste hoofdplaat) van de dekopening en de voorzijde van de voorsteven niet minder dan een vijfde van genoemde lengte bedragen.

3. Indien hoofden worden aangebracht, mag hun gemiddelde hoogte boven het dek of de overkapping niet groter zijn dan 0.305 meter of 1 voet. Hekwerk, scepters of potten rondom de opening, moeten op een zodanige wijze worden aangebracht, dat zij elke wijze van schalmen van de opening verhinderen. Slechts wegneembare houten luiken mogen worden gebruikt en deze houten luiken mogen van onderen door middel van sjorringen van touwwerk (geen staaldraad) hennep of gelijksoortig materiaal op hun plaats gehouden worden (zie figuur 83).

4. Tonnage openingen in het dek mogen niet onder een dek, een vast bordes of enige andere gelijksoortige constructie worden aangebracht (zie figuur 84).

b. Openingen in de zijden van het schip of in de zijschotten van een bovenbouw.

1. Een ruimte wordt voor de meting als open beschouwd, indien er één of meer openingen aan beiden zijden in de huid of in de zijschotten aanwezig zijn. Indien er slechts één opening in elke zijde aanwezig is, mag de lengte niet kleiner dan 5.486 meter of 18 voet en de hoogte niet kleiner dan 0.762 meter of 2.5 voet zijn. Indien er meer dan één opening in elke zijde is, mag de hoogte van deze openingen niet kleiner dan 0.762 meter of 2.5 voet en hun totale oppervlak aan elke zijde niet kleiner dan 5.574 vierkante meter of 60 vierkante voet zijn. Geen opening mag in oppervlak kleiner zijn dan 2.323 vierkante meter of 25 vierkante voet. (zie de figuren 85 en 86).

2. Indien tussen dwarsscheepse schotten een kuil aanwezig is, moeten de openingen in de huid of in de zijschotten zo mogelijk een lengte hebben van 5.486 meter of 18 voet of indien zulks niet mogelijk is, moeten zij niet kleiner zijn dan drie vierden van de lengte tussen de dwarsschotten. De hoogte mag niet kleiner zijn dan 0.762 meter of 2.5 voet. Het oppervlak van de opening moet aan elke zijde tenminste 4.181 vierkante meter of 45 vierkante voet bedragen.

3. Alle zijopeningen moeten recht tegenover elkaar in beide zijden van het schip of van de bovenbouw zijn gelegen. Zij mogen van geen enkele vaste afsluiting voorzien worden. De enige toelaatbare middelen tot sluiting van zijopeningen zijn geveling-planken, welke zijn aangebracht tussen kanaalijzers, die aan de huid of de zijschotten zijn gelast of geklonken. Noch de huid of schotten nabij de opening, noch de kanaalijzers, noch de spanten welke ter plaatse van de opening doorlopen, mogen van gaten, scharnieren, oogbouten, klampen of enig ander middel tot sluiten of schalmen van de openingen zijn voorzien.

4. Zijopeningen mogen niet door schotten of andere dergelijke middelen zijn omsloten.

c. Openingen in dwarsscheepse schotten.

1. Een ruimte zal voor de meting als open worden beschouwd:

1°. Indien zich in een van de eindschotten twee tonnage-openingen bevinden, aan elke zijde van het langsscheepse middenvlak één. Indien drempels zijn aangebracht, mogen zij niet hoger zijn dan 0.610 meter of 2 voet. De hoogte der opening mag in geen geval kleiner zijn dan 1.219 meter of 4 voet en de breedte moet tenminste 0.914 meter of 3 voet bedragen.

2°. Indien zich in een van de eindschotten één enkele tonnageopening bevindt van tenminste 1.524 meter of 5 voet hoogte en 1.219 meter of 4 voet breedte, waarbij als voorwaarde geldt, dat, indien de ruimte zich van boord tot boord uitstrekt, de opening zoveel mogelijk in het midden van de desbetreffende ruimte of van het schip is aangebracht (zie de figuren 87, 88 en 89). Indien een drempel aanwezig is, mag hij niet hoger zijn dan 0.610 meter of 2 voet.

2. De openingen mogen slechts gesloten worden hetzij door middel van geveling-planken,

1) In plaats van geveling-planken, mogen ook stukken kanaalijzer of gelijksoortige middelen gebruikt worden.

welke zijn aangebracht tussen kanaalijzers, die aan het schot zijn gelast of geklonken, hetzij door middel van losse platen

2) De platen mogen bedekt zijn met een warmte isolerende bekleding.

die op hun plaats gehouden worden met haakbouten op een onderlinge afstand van niet minder dan 0.305 meter of 1 voet, hart op hart, dan wel met bouten en losse knevelbalken, waarbij de bouten niet door het schot gaan. De schotten of de U-ijzers bij de openingen mogen niet zijn voorzien van gaten, scharnieren, oogbouten, klampen of enig ander middel dat zou kunnen worden benut tot sluiten of schalmen van de openingen.

3. Indien de ruimte door schotten is onderverdeeld moeten deze schotten van openingen zijn voorzien, welke dezelfde afmetingen en middelen tot sluiting hebben als hierboven is aangegeven.

4. Indien enig deel van de bovenbouw op grond van de aanwezigheid van een tonnage opening of openingen in het eindschot is vrijgesteld, mogen er geen andere toegangsmiddelen tot de vrijgestelde ruimte in het schot aanwezig zijn (zie figuur 90).

5. Ruimten, welke van dek tot dek geheel open zijn zonder enig middel tot sluiting, zullen vrijgesteld worden onder voorbehoud, dat de breedte tenminste 0.914 meter of 3 voet bedraagt (zie figuur 91).

d. Algemene bepalingen.

1. Alle tonnage openingen, op grond waarvan aanspraak wordt gemaakt op vrijstelling van meting in de bruto-inhoud, moeten zo gelegen zijn, dat zij aan weer en wind zijn blootgesteld.

2. De afmetingen van bovengenoemde tonnage openingen dienen om het zuivere minimum oppervlak van een opening vast te stellen; derhalve moet de minimum lengte over de totale minimum breedte voorkomen (zie figuur 92) of de minimum hoogte over de totale minimum lengte (zie de figuren 85 en 86).

3. Bij het bepalen van de afmetingen van tonnage-openingen, moet het gedeelte van de opening, dat door staven, stutten, potten of dergelijke onderdelen is bedekt, worden aangemerkt als een verkleining van het zuivere oppervlak van zulke openingen.

In het geval van zij-openingen mogen echter de huidflenzen der spanten in het vrije oppervlak van de opening worden meegerekend (zie de figuren 85 en 86).

Regeling
Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-02-1964
BWB-id
BWBV0005524
Versie
1964-02-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl