wetzoeker

Artikel 57 Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen

De volgende op- en boven het bovendek gelegen ruimten, moeten niet in de bruto-inhoud begrepen worden, mits zij uitsluitend bestemd en ingericht zijn en geheel gebruikt worden voor de hieronder aangegeven doeleinden.

1. Ruimten, welke beschouwd kunnen worden deel uit te maken van de ruimte voor de werktuiglijke voortstuwing of welke dienen voor de toetreding van licht en lucht in zulk een ruimte. De bepalingen van artikel 77 zijn van toepassing wat de behandeling van zulke ruimten betreft.

2. Ruimten welke een soort van werktuigen bevatten, welke geen deel uitmaken van de werktuiglijke inrichting ten behoeve van de voortstuwing. Krachtens dit artikel wordt het volgende als werktuig beschouwd: ankergerei, kettingbak, kaapstand, stuurgerei, pompen, koelinrichtingen en distilleerinstallaties, liften, wasmachines, ketels en machines voor het bereiden van walvisolie of guano, dynamos, accumulatoren-batterijen, brandblusinrichtingen, enz. Hetzelfde voorschrift is van toepassing op hulpketels, welke volgens de artikelen 78 en 79 niet beschouwd worden deel van de werktuiglijke voortstuwing uit te maken.

3. De ruimte voor beschutting van de roerganger (s) (stuurhuis). Indien een ruimte gedeeltelijk wordt gebruikt als stuurhuis en gedeeltelijk als kaartenkamer, moet het deel, dat als stuurhuis wordt gebruikt, vrijgesteld worden van meting in de bruto-inhoud.

4. Ruimten, dienende als kombuizen en bakkerijen, uitgerust met fornuizen of ovens, zonder rekening te houden met de soort van personen, waarvoor zij dienen.

5. Ruimten zoals schijnlichten, koepels en schachten dienende voor het toetreden van licht en lucht naar daaronder gelegen ruimten. Geen deel der ruimte onder de overkoepeling of bedekking in een bovenbouw gelegen zal echter worden vrijgesteld van meting in den bruto inhoud, tenzij er een opening is gelaten in de vloer van de bovenbouw onder het schijnlicht, de koepel of de schacht voor het toetreden van licht en lucht naar ruimten onder deze vloer gelegen (zie de figuren 73 en 74).

6. Ruimten, zoals toegangskappen en toegangsluiken, dienende tot bescherming van traptoegangen, trappen en ladders, die naar beneden gelegen ruimten leiden. Indien een niet afgeschoten traptoegang gelegen is binnen een ruimte, welke voor andere doeleinden gebruikt wordt, zoals een rookkamer, zal slechts dat deel van de ruimte hetwelk onmiddellijk boven de trapopening is gelegen, vrijgesteld worden. Traptoegangen (trappen of ladders) onmiddellijk beneden toegangskappen of luiken gelegen, worden ook vrijgesteld van meting in de bruto inhoud (zie de figuren 75, 76, 77, 78 en 79).

7. Ruimten ingenomen door waterclosets, privaten en urinoirs voor officieren, bemanning en passagiers. Deze vrijstelling zal echter noch verleend worden voor ruimten, voor welker gebruik door de passagiers afzonderlijk betaald moet worden, noch voor zulke ruimten indien zij deel uitmaken van bij elkaar behorende passagiers verblijven.

Indien waterclosets en urinoirs met een wasplaats in één ruimte zijn verenigd, mag de ruimte, welke door de wasplaats is ingenomen, niet worden vrijgesteld, tenzij hare afmetingen klein zijn ten opzichte van de door de waterclosets en urinoirs ingenomen ruimte (zie figuur 80).

8. De tekst van de vertaling is niet beschikbaar.

De vrijstelling van de in de leden 2 tot en met 6 genoemde ruimten hangt af van de voorwaarde, dat zij niet groter zijn dan voor hun doel vereist wordt.

Alle in dit artikel opgesomde ruimten moeten worden gemeten en onder een afzonderlijk hoofd in de metingstaten worden ingeschreven.

De afmetingen van de in de leden 2 tot en met 8 genoemde ruimten moeten uitwendig genomen worden, behalve wanneer zulk een ruimte een gedeelte van de huid of van een schot gemeen heeft met een bovenbouw, waarvan zij deel uitmaken, in welk geval de lengte of breedte tot hetzelfde vlak moeten worden gemeten als bij de bovenbouw (zie de figuren 81 en 82). Voor het overige moeten de desbetreffende bepalingen der artikelen 53 en 54 toegepast worden, aangaande de meting en de berekening van de kubieke inhoud.

Indien zulke ruimten binnen een bovenbouw zijn gelegen, zal het in het algemeen het eenvoudigste zijn om eerst de gehele bovenbouw te meten en daarna afzonderlijk de genoemde ruimten, welke niet in de bruto inhoud worden begrepen (zie figuur 77). De kubieke inhoud van bedoelde ruimten moet van de kubieke inhoud van de gehele bovenbouw worden afgetrokken en de rest zal bij de bruto inhoud worden gevoegd.

In gevallen waarbij het, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, nodig wordt gevonden de vrij te stellen ruimte te verkleinen, omdat deze ruimte overdreven groot is, of omdat zij voor andere doeleinden kan worden benut dan onder 2 tot 6 genoemd, moet de vrijstelling beperkt worden tot de ruimte welke voor het doel strikt nodig is — bij voorbeeld, moet in het geval van werktuigen, de vrijstelling beperkt blijven tot de ruimte welke door deze werktuigen wordt ingenomen en voor hunne bediening strikt nodig is. In het algemeen zal echter de volle hoogte van de ruimte worden genomen.

Indien de vrijstelling beperkt is, moeten de beperkte afmetingen, zowel als de afmetingen van de gehele ruimte op de metingstaten worden vermeld.

Regeling
Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-02-1964
BWB-id
BWBV0005524
Versie
1964-02-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl