Voorschrift 20 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
PASSAGIERSSCHEPEN EN VRACHTSCHEPEN
1 Dit voorschrift is van toepassing op alle schepen. Aan de vereisten van de paragrafen 3.2, 3.3 en 6.2 moet, voor zover uitvoerbaar, worden voldaan op schepen gebouwd vóór 1 juli 1986.
2 Gereedheid voor gebruik
Voordat het schip de haven verlaat en gedurende de gehele reis moeten alle reddingsmiddelen in goede staat verkeren en voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.
3 Onderhoud
3.1 Onderhoud, beproevingen en inspecties van reddingsmiddelen moeten worden uitgevoerd op een wijze waarbij gedegen rekening wordt gehouden met het waarborgen van de bedrijfszekerheid van deze middelen.
3.2 Er moeten instructies zijn zoals omschreven in voorschrift 36 ten aanzien van het onderhoud van de reddingsmiddelen aan boord en het onderhoud moet dienovereenkomstig worden uitgevoerd.
3.3 Ten behoeve van de naleving van de in paragraaf 3.2 voorgeschreven vereisten kan de Administratie een voor het schip opgesteld onderhoudsprogramma aanvaarden, waarin de vereisten van voorschrift 36 zijn opgenomen.
4 Onderhoud van de lopers
Lopers die bij het afvieren worden gebruikt moeten periodiek worden geïnspecteerd, met bijzondere aandacht voor delen die door katrollen lopen, en worden vernieuwd wanneer de lopers gebreken vertonen of met tussenpozen van ten hoogste 5 jaar, naar gelang van welke van beide termijnen het kortst is.
5 Reserveonderdelen en reparatiegereedschap
Er moeten reserveonderdelen en reparatiegereedschap zijn voor de reddingsmiddelen en hun bestanddelen die onderhevig zijn aan uitzonderlijke slijtage of vertering en regelmatig moeten worden vervangen.
6 Wekelijkse inspectie
De volgende beproevingen en inspecties moeten wekelijks worden uitgevoerd en in het logboek moet een verslag van de inspectie worden opgenomen:
.1 visuele inspectie van alle reddingsboten en -vlotten, hulpverleningsboten en tewaterlatingsmiddelen teneinde te verzekeren dat deze gereed zijn voor gebruik. De inspectie omvat, maar is niet beperkt tot, de toestand van haken, de bevestiging ervan aan de reddingsboot en of de belaste ontkoppelingssystemen op deugdelijke wijze geheel in gesloten stand zijn teruggezet;
.2 de motoren in alle reddingsboten en hulpverleningsboten moeten in totaal ten minste 3 minuten lopen, mits de omgevingstemperatuur hoger is dan de minimumtemperatuur vereist om de motor te kunnen starten en te laten lopen. Hierbij moet worden aangetoond dat de tandwielkast en tandwieloverbrenging naar behoren koppelen. Indien de specifieke kenmerken van een buitenboordmotor die is geïnstalleerd op een reddingsboot niet toelaten dat men deze laat lopen anders dan met de schroef in het water gedurende een periode van 3 minuten, mag voor een voldoende hoeveelheid water worden gezorgd. In bijzondere omstandigheden kan de Administratie voor schepen gebouwd vóór 1 juli 1986 ontheffing van deze bepaling verlenen;
.3 reddingsboten, behalve vrije-valreddingsboten, op vrachtschepen moeten, zonder personen aan boord, zover uit hun opstellingsplaats worden verplaatst dat de deugdelijke werking van de tewaterlatingsmiddelen kan worden aangetoond, indien de weersomstandigheden en zeegang zulks mogelijk maken; en
.4 beproeving van het algemene alarmsysteem.
7.1 Alle reddingsboten, behalve vrije-valreddingsboten, moeten zonder personen aan boord vanuit hun opstellingsplaats naar buiten worden gedraaid indien de weersomstandigheden en zeegang zulks mogelijk maken.
7.2 Maandelijkse inspectie
De inspectie van de reddingsmiddelen met inbegrip van de reddingsbootuitrusting moet maandelijks worden uitgevoerd waarbij gebruik moet worden gemaakt van de in voorschrift 36.1 vereiste controlelijst teneinde te verzekeren dat deze volledig zijn en in goede staat verkeren. Een verslag van de inspectie moet in het logboek worden opgenomen.
8 Herkeuring van opblaasbare reddingsvlotten, opblaasbare reddingsvesten, mariene evacuatiesystemen en onderhoud en herstel van hulpverleningsboten in opgeblazen toestand
8.1 Ieder opblaasbaar reddingsvlot, iedere opblaasbare reddingsgordel en ieder marien evacuatiesysteem moet een herkeuring ondergaan:
.1 met tussenpozen van ten hoogste 12 maanden. In gevallen waarin dit onuitvoerbaar is, kan de Administratie deze periode verlengen tot 17 maanden; en
.2 in een goedgekeurd keuringsstation, dat bevoegd is deze herkeuring te verrichten, over passende keuringsvoorzieningen beschikt, en uitsluitend gebruik maakt van daartoe opgeleid personeel.
8.2 Afwisselend gebruik van mariene evacuatiesystemen
Aanvullend op of in combinatie met de onderhoudsperiodes voor mariene evacuatiesystemen vereist in paragraaf 8.1, moeten de mariene evacuatiesystemen van het schip afwisselend worden gebruikt met door de Administratie goed te keuren tussenpozen, op voorwaarde dat elk systeem ten minste eenmaal per zes jaar wordt gebruikt.
8.3 Een Administratie die nieuwe opblaasbare reddingsvlotvoorzieningen of opblaasbare reddingsvlotvoorzieningen van een nieuw ontwerp goedkeurt krachtens voorschrift 4, kan verlenging van de tussenpozen voor herkeuring toestaan onder de volgende voorwaarden:
8.3.1 Het is aangetoond dat de nieuwe reddingsvlotvoorziening of de reddingsvlotvoorziening van een nieuw ontwerp bij de verlengde tussenpozen voor herkeuring blijft voldoen aan dezelfde norm als vereist door de testprocedure.
8.3.2 Het reddingsvlotsysteem wordt aan boord gecontroleerd door bevoegd personeel overeenkomstig paragraaf 8.1.1.
8.3.3 Herkeuring met tussenpozen van ten hoogste 5 jaar moet plaatsvinden overeenkomstig de aanbevelingen van de Organisatie.
8.4 Alle reparaties en onderhoud aan hulpverleningsboten in opgeblazen toestand moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant. Noodreparaties kunnen aan boord van het schip worden uitgevoerd; permanente reparaties echter moeten worden verricht in een goedgekeurd keuringsstation.
8.5 Een Administratie die verlenging van de tussenpozen voor herkeuring van reddingsvlotten overeenkomstig paragraaf 8.3 toestaat, moet de Organisatie daarvan op de hoogte stellen overeenkomstig voorschrift I/5(b).
9 Periodieke herkeuring van automatische hydrostatische ontkoppelingsmechanismen
De herkeuring van hydrostatische ontkoppelingsmechanismen anders dan voor eenmalige toepassing, moet worden verricht:
.1 met tussenpozen van ten hoogste 12 maanden. In gevallen waarin dit onuitvoerbaar is, kan de Administratie deze periode verlengen tot 17 maanden; en
.2 in een keuringsstation dat bevoegd is deze herkeuring te verrichten, over passende keuringsvoorzieningen beschikt, en uitsluitend gebruik maakt van daartoe opgeleid personeel.
10 Markering van plaatsingslocaties
Verpakkingen, beugels, rekken en vergelijkbare plaatsingslocaties voor reddingsmiddelen moeten zijn gemarkeerd met symbolen overeenkomstig de aanbevelingen van de Organisatie, die aangeven welke reddingsmiddelen zich voor dat doel op die locatie bevinden. Indien op een locatie meer dan één middel is geplaatst, moet tevens het aantal middelen worden aangegeven.
11 Onderhoud, grondige inspectie, operationele beproeving, revisie en reparatie van reddingsboten, hulpverleningsboten en snelle hulpverleningsboten, tewaterlatingsmiddelen en ontkoppelingssystemen
11.1 Tewaterlatingsmiddelen:
.1 moeten worden onderworpen aan een grondige inspectie tijdens de jaarlijkse onderzoeken vereist door voorschrift I/7 of I/8, naargelang welk van toepassing is; en
.2 moeten bij beëindiging van de inspectie genoemd in paragraaf 11.1.1 worden onderworpen aan een dynamische test van de lierrem bij maximale strijksnelheid. De toe te passen belasting moet gelijk zijn aan de massa van het groepsreddingsmiddel of de hulpverleningsboot zonder personen aan boord, behoudens dat ten minste eenmaal per vijf jaar de beproeving moet worden uitgevoerd met een proefbelasting van 1,1 maal het gewicht van het groepsreddingsmiddel of de hulpverleningsboot met aan boord de volledige bezetting aan personen en uitrusting.
11.2 Ontkoppelingssystemen van reddingsboten en hulpverleningsboten, met inbegrip van ontkoppelingssystemen voor snelle hulpverleningsboten en vrije val reddingsboten:
.1 moeten worden onderworpen aan een grondige inspectie en operationele beproeving tijdens de jaarlijkse onderzoeken vereist door de voorschriften I/7 en I/8;
.2 moeten in het geval van belaste ontkoppelingssystemen, operationeel worden beproefd met een belasting van 1,1 maal het totale gewicht van de boot met aan boord de volledige bezetting aan personen en uitrusting wanneer het ontkoppelingssysteem wordt gereviseerd. Deze revisie en operationele beproeving moet ten minste eenmaal per vijf jaar plaatsvinden; en
.3 onverminderd paragraaf 11.2.2, geschiedt de operationele beproeving van ontkoppelingssystemen voor vrije val reddingsboten door middel van hetzij tewaterlating door middel van vrije val met uitsluitend de aangewezen bemanning aan boord dan wel een beproeving zonder tewaterlating van de reddingsboten in overeenstemming met de Vereisten voor onderhoud, grondige inspectie, operationele beproeving, revisie en reparatie.
11.3 Automatische ontkoppelingshaken van strijkbare reddingsvlotten:
.1 moeten worden onderworpen aan een grondige inspectie en operationele beproeving tijdens de jaarlijkse onderzoeken vereist door de voorschriften I/7 en I/8; en
.2 moeten operationeel worden beproefd met een belasting van 1,1 maal het totale gewicht van het reddingsvlot met aan boord de volledige bezetting aan personen en uitrusting wanneer de automatische ontkoppelingshaak wordt gereviseerd. Deze revisie en operationele beproeving moet ten minste eenmaal per vijf jaar plaatsvinden.
11.4 Reddingsboten en hulpverleningsboten, met inbegrip van snelle hulpverleningsboten, worden tijdens de jaarlijkse onderzoeken vereist door de voorschriften I/7 en I/8 onderworpen aan een grondige inspectie en operationele beproeving.
11.5 De grondige inspectie, operationele beproeving en revisie vereist door de paragrafen 11.1 tot en met 11.4 en het onderhoud en de reparatie van uitrusting omschreven in de paragrafen 11.1 tot en met 11.4 vindt plaats in overeenstemming met de Vereisten voor onderhoud, grondige inspectie, operationele beproeving, revisie en reparatie en de instructies voor onderhoud aan boord vereist door voorschrift 36.
- Regeling
- Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
- Afkortingen
- SOLAS, SOLAS 1974
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-01-2026
- BWB-id
- BWBV0003264
- Versie
- 2026-01-01_0