Voorschrift 21 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
PASSAGIERSSCHEPEN (AANVULLENDE VEREISTEN)
1. Reddingsboten en -vlotten
1.1 Passagiersschepen die internationale reizen maken die geen korte internationale reizen zijn, moeten aan boord hebben:
.1 aan elke zijde gedeeltelijk of geheel overdekte reddingsboten die voldoen aan de vereisten van sectie 4.5 of 4.6 van de Code en die per zijde gezamenlijk voldoende ruimte bieden aan ten minste 50% van het totale aantal opvarenden. De Administratie kan toestaan dat reddingsboten worden vervangen door reddingsvlotten met dezelfde totale capaciteit met dien verstande dat aan elke zijde van het schip nimmer minder reddingsboten mogen zijn geplaatst dan voldoende is om 37,5% van het totale aantal opvarenden op te nemen. De opblaasbare of vaste reddingsvlotten moeten voldoen aan de vereisten van sectie 4.2 of 4.3 van de Code en moeten door tewaterlatingsmiddelen, gelijkelijk verdeeld over elke zijde van het schip worden bediend; en
.2 bovendien opblaasbare of vaste reddingsvlotten die voldoen aan de vereisten van sectie 4.2 of 4.3 van de Code met gezamenlijk voldoende ruimte voor ten minste 25% van het totale aantal opvarenden. Deze reddingsvlotten moeten worden bediend door ten minste één tewaterlatingsmiddel aan elke zijde, waartoe die welke ingevolge paragraaf 1.1.1 aan boord moeten zijn, kunnen worden gerekend of door als gelijkwaardig goedgekeurde middelen die aan beide zijden kunnen worden gebruikt. De plaatsing van deze reddingsvlotten behoeft echter niet te voldoen aan de vereisten van voorschrift 13.5.
1.2 Passagiersschepen die korte internationale reizen maken, moeten aan boord hebben:
.1 gedeeltelijk of geheel overdekte reddingsboten die voldoen aan vereisten van sectie 4.5 of 4.6 van de Code en die gezamenlijk voldoende ruimte bieden aan ten minste 30% van het totale aantal opvarenden. De reddingsboten moeten, voor zover uitvoerbaar, gelijkelijk zijn verdeeld over beide zijden van het schip. Bovendien moeten er opblaasbare of vaste reddingsvlotten aan boord zijn die voldoen aan vereisten van sectie 4.2 of 4.3 van de Code en gezamenlijk voldoende ruimte bieden opdat te zamen met de capaciteit van de reddingsboten, de reddingsvlotten voldoende ruimte bieden aan het totale aantal opvarenden. De reddingsvlotten moeten worden bediend door tewaterlatingsmiddelen die gelijkelijk zijn verdeeld over beide zijden van het schip; en
.2 bovendien opblaasbare of vaste reddingsvlotten die voldoen aan vereisten van sectie 4.2 of 4.3 van de Code met gezamenlijk voldoende ruimte voor ten minste 25% van het totale aantal opvarenden. Deze reddingsvlotten moeten worden bediend door ten minste één tewaterlatingsmiddel aan elke zijde, waartoe die welke ingevolge paragraaf 1.2.1 aan boord moeten zijn, kunnen worden gerekend of door als gelijkwaardig goedgekeurde middelen die aan beide zijden kunnen worden gebruikt. De plaatsing van deze reddingsvlotten behoeft echter niet te voldoen aan de vereisten van voorschrift 13.5.
1.3 Alle reddingsboten en -vlotten die vereist zijn om het totale aantal opvarenden te ontschepen, moeten met hun totale bezetting aan personen en uitrusting te water kunnen worden gelaten binnen een tijdvak van 30 min gerekend vanaf het tijdstip waarop het sein „schip-verlaten” wordt gegeven.
1.4 Passagiersschepen van minder dan 500 ton en een totaal aantal opvarenden van minder dan 200 kunnen in plaats van voldoen aan het bepaalde in de paragrafen 1.1, 1.2 of 1.3, voldoen aan het volgende:
.1 zij moeten aan elke zijde van het schip opblaasbare of vaste reddingsvlotten hebben, die voldoen aan de vereisten van sectie 4.2 of 4.3 van de Code en gezamenlijk voldoende ruimte bieden aan het totale aantal opvarenden.
.2 tenzij de reddingsvlotten vereist in paragraaf 1.5.1 zijn geplaatst op een locatie vanwaar zij eenvoudig van de ene zijde naar de andere kunnen worden verplaatst op hetzelfde open dek, moeten extra reddingsvlotten worden geplaatst zodat de totale capaciteit die aan elke zijde beschikbaar is, voldoende ruimte biedt voor 150% van het totale aantal opvarenden;
.3 indien de reddingsboot vereist in paragraaf 2.2, tevens een gedeeltelijk of geheel overdekte reddingsboot is, die voldoet aan de vereisten van sectie 4.5 of 4.6 van de Code, mag deze worden gerekend tot de gezamenlijke capaciteit vereist in paragraaf 1.5.1, mits de totale capaciteit die aan elke zijde beschikbaar is, voldoende ruimte biedt voor ten minste 150% van het totale aantal opvarenden, en
.4 ingeval één van de reddingsboten of -vlotten verloren gaat of in het ongerede raakt, moeten er voldoende reddingsboten of -vlotten voor gebruik aan elke zijde beschikbaar zijn, met inbegrip van de reddingsboten en -vlotten die zijn geplaatst op een locatie vanwaar zij eenvoudig van de ene zijde naar de andere zijde kunnen worden verplaatst op hetzelfde open dek, om ruimte te bieden voor het totale aantal opvarenden nadat alle personen zijn verzameld, met aangetrokken reddingvesten.
1.5 Een marien evacuatiesysteem of mariene evacuatiesystemen dat respectievelijk die voldoen aan sectie 6.2 van de Code kan respectievelijk kunnen worden vervangen door reddingsvlotten met een vergelijkbare capaciteit en tewaterlatingsmiddelen vereist door de paragrafen 1.1.1 of 1.2.1.
2. Hulpverleningsboten
2.1 Passagiersschepen van 500 ton en meer moeten aan iedere zijde van het schip ten minste één hulpverleningsboot hebben, die voldoet aan de vereisten van sectie 5.1 van de Code.
2.2 Passagiersschepen van minder dan 500 ton moeten ten minste één hulpverleningsboot aan boord hebben, die voldoet aan de vereisten van sectie 5.1 van de Code.
2.3 Een reddingsboot kan worden aanvaard als hulpverleningsboot mits deze en de voorzieningen voor tewaterlating en terugzetten ervan, ook voldoen aan de vereisten voor een hulpverleningsboot.
3. Begeleiding van reddingsvlotten
3.1 Er moet een voldoende aantal reddingsboten en hulpverleningsboten zijn geplaatst aan boord van passagiersschepen om er bij het ontschepen van het totale aantal opvarenden van verzekerd te zijn dat iedere reddingsboot of hulpverleningsboot niet meer dan zes reddingsvlotten behoeft te begeleiden.
3.2 Er moet een voldoende aantal reddingsboten en hulpverleningsboten zijn geplaatst aan boord van passagiersschepen die korte internationale reizen maken om er bij het ontschepen van het totale aantal opvarenden van verzekerd te zijn dat iedere reddingsboot of hulpverleningsboot niet meer dan negen reddingsvlotten behoeft te begeleiden.
- Regeling
- Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
- Afkortingen
- SOLAS, SOLAS 1974
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-01-2026
- BWB-id
- BWBV0003264
- Versie
- 2026-01-01_0