wetzoeker

Voorschrift 19 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974

PASSAGIERSSCHEPEN EN VRACHTSCHEPEN

1 Dit voorschrift is van toepassing op alle schepen.

2 Vertrouwdheid met de veiligheidsvoorzieningen en verlaatrollen

2.1 Ieder bemanningslid aan wie taken in noodsituaties zijn opgedragen moet vertrouwd zijn met deze taken voordat de reis begint.

2.2 Aan boord van een schip dat een reis maakt waarbij de passagiers volgens planning meer dan 24 uur aan boord blijven, moet de verlaatrol van pas ingescheepte passagiers vóór of direct na de afvaart plaatsvinden. De passagiers moeten worden voorgelicht over het gebruik van reddinggordels en de te verrichten handelingen in geval van nood.

2.3 Steeds wanneer nieuwe passagiers inschepen, moeten de passagiers direct vóór of na de afvaart veiligheidsinstructies krijgen. Deze moet de instructies omvatten die worden vereist door de voorschriften 8.2 en 8.4 en plaatsvinden door middel van een mededeling in één of meer talen waarvan het waarschijnlijk is dat zij worden begrepen door de passagiers. De mededeling moet worden gedaan via het scheepsomroepsysteem of een vergelijkbaar middel dat waarschijnlijk wordt gehoord door ten minste de passagiers die de mededeling nog niet eerder hebben gehoord tijdens de reis. De veiligheidsinstructies mogen worden opgenomen in de verlaatrol vereist door paragraaf 2.2. Informatiekaarten of -posters of videoprogramma’s die worden vertoond op de videoschermen van het schip mogen worden gebruikt ter aanvulling op de veiligheidsinstructies, maar zij mogen niet worden gebruikt als vervanging van de mededeling.

3 Oefeningen

3.1 Voor zover uitvoerbaar moeten de oefeningen worden uitgevoerd alsof er een daadwerkelijke noodsituatie heerst.

3.2 Ieder bemanningslid moet aan ten minste één verlaatrol en één brandrol in de maand deelnemen. De oefeningen voor de bemanning moeten plaatsvinden binnen 24 uur nadat het schip een haven heeft verlaten wanneer meer dan 25% van de bemanning in de voorafgaande maand niet heeft deelgenomen aan verlaat- en brandrollen aan boord van het desbetreffende schip. Wanneer een schip voor het eerst in de vaart wordt genomen, een grote wijziging heeft ondergaan of nadat een nieuwe bemanning is aangesteld, moeten deze oefeningen vóór vertrek plaatsvinden. De Administratie kan andere regelingen die ten minste gelijkwaardig zijn, aanvaarden voor die soorten schepen waarvoor deze onuitvoerbaar zijn.

3.3 Bemanningsleden met verantwoordelijkheid voor het betreden van of redden uit besloten ruimten moeten deelnemen aan een oefening voor het betreden van en redden uit besloten ruimten, die ten minste eenmaal per twee maanden aan boord moet worden gehouden.

3.4 Oefening schip-verlaten

3.4.1 Iedere oefening schip-verlaten moet omvatten:

.1 het oproepen van passagiers en bemanning naar hun verzamelplaatsen door middel van het alarmsysteem vereist in voorschrift 6.4.2, gevolgd door een aankondiging van de oefening via het scheepsomroepsysteem of een ander communicatiesysteem en het zich ervan verzekeren dat zij op de hoogte zijn gebracht van de gang van zaken bij het schip-verlaten, zoals vermeld in de verlaatrol;

.2 het melden bij de verzamelplaatsen en het voorbereiden op de taken genoemd in de verlaatrol;

.3 controle op de passende kleding van passagiers en bemanning;

.4 controle of de reddingsgordels goed zijn aangetrokken;

.5 het afvieren van ten minste één reddingsboot nadat deze voor het afvieren gereed is gemaakt;

.6 het starten en laten draaien van de reddingsbootmotor;

.7 het bedienen van de kranen voor de strijkbare reddingsvlotten;

.8 een oefening met het opsporen en redden van passagiers die vastzitten in hun hutten; en

.9 instructies voor het gebruik van radiomiddelen voor redding.

3.4.2 Voor zover uitvoerbaar moeten bij achtereenvolgende oefeningen verschillende reddingsboten worden afgevierd overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 3.4.1.5.

3.4.3 Behalve in situaties omschreven in de paragrafen 3.4.4 en 3.4.5, moet iedere reddingsboot ten minste eenmaal in de drie maanden tijdens een verlaatrol door de voor de bediening aangewezen bemanning aan boord te water worden gelaten en moet er mee worden gemanoeuvreerd.

3.4.4 In het geval van een reddingsboot die bedoeld is voor tewaterlating door middel van vrije val, gaat de bemanning, tenminste eenmaal per kwartaal tijdens een ontruimingsoefening aan boord van de reddingsboot, bevestigt zich naar behoren op de zitplaats en vangt aan met de procedure voor tewaterlating tot aan, niet tot en met, de feitelijke loskoppeling van de reddingsboot (de ontkoppelingshaak mag niet worden losgemaakt). De reddingsboot wordt vervolgens hetzij door middel van vrije val te water gelaten met uitsluitend de voor de bediening benodigde bemanning aan boord, of door middel van een secundaire voorziening voor tewaterlating in het water geplaatst met of zonder de bemanning voor de bediening aan boord. In beide gevallen moet vervolgens met de reddingsboot door de bemanning voor de bediening in het water worden gemanoeuvreerd. Met tussenpozen van ten hoogste zes maanden moet de reddingsboot hetzij door middel van vrije val te water worden gelaten met uitsluitend de bemanning voor de bediening aan boord, of moet een gesimuleerde tewaterlating plaatsvinden in overeenstemming met de door de Organisatie opgestelde richtsnoeren.

3.4.5 Voor schepen die korte internationale reizen maken kan de Administratie toestaan om de reddingsboten aan één zijde niet te water te laten wanneer de ligplaatsvoorzieningen in de haven en het vaarpatroon het te water laten aan die zijde niet mogelijk maken. Al deze reddingsboten moeten echter ten minste eenmaal per drie maanden afgevierd en jaarlijks te water gelaten worden.

3.4.6 Voor zover dat redelijk en uitvoerbaar is moeten hulpverleningsboten, anders dan reddingsboten die tevens hulpverleningsboten zijn, iedere maand met hun aangewezen bemanning te water worden gelaten en moet er mee worden gemanoeuvreerd in het water. In ieder geval moet ten minste eenmaal in de drie maanden aan deze eis worden voldaan.

3.4.7 Indien oefeningen met het te water laten van de reddingsboot en hulpverleningsboot worden gehouden met een vaartlopend schip, dan moeten deze oefeningen in verband met de gevaren die daaraan verbonden zijn uitsluitend worden uitgevoerd in beschut water en onder toezicht staan van een officier met ervaring in dergelijke oefeningen.

3.4.8 Indien een schip is uitgerust met mariene evacuatiesystemen, moeten de oefeningen de uitvoering van de procedures omvatten voor het gebruik van een dergelijk systeem tot aan het moment dat direct voorafgaat aan het daadwerkelijk gebruik van het systeem. Dit aspect van oefeningen moet worden aangevuld met regelmatige instructies met behulp van de hulpmiddelen voor oefeningen aan boord vereist in voorschrift 35.4. Bovendien moet elk lid van de bemanning van het systeem, voor zover uitvoerbaar, verder worden getraind door middel van deelname in een oefening waarbij een vergelijkbaar systeem volledig wordt gebruikt in het water, hetzij aan boord van een schip hetzij op de wal, met tussenpozen van niet langer dan twee jaar, maar in geen geval langer dan drie jaar. Deze training kan worden gecombineerd met de oefeningen vereist in voorschrift 20.8.2.

3.4.9 De noodverlichting ten behoeve van het verzamelen en het schip-verlaten moet bij iedere verlaatrol worden beproefd.

3.5 Brandrol

3.5.1 Oefeningen in het blussen van brand moeten op zodanige wijze worden gepland dat voldoende rekening wordt gehouden met de gebruikelijke praktijk in de verschillende noodsituaties die zich kunnen voordoen afhankelijk van het type schip en de lading.

3.5.2 Iedere brandrol moet omvatten:

.1 het melden bij de verzamelplaatsen en het voorbereiden op de taken genoemd in de verlaatrol vereist in voorschrift 8;

.2 het in werking stellen van een brandpomp met gebruikmaking van ten minste de twee vereiste waterstralen om aan te tonen dat het systeem in goede staat is voor gebruik;

.3 het controleren van de brandweeruitrustingen en andere persoonlijke reddingsuitrusting;

.4 het controleren van de desbetreffende communicatieapparatuur;

.5 het controleren van de werking van waterdichte deuren, branddeuren, brandkleppen en hoofdin- en uitlaten van ventilatiesystemen in het gebied waar de oefeningen plaatsvinden; en

.6 het controleren van de nodige voorzieningen voor het vervolgens verlaten van het schip.

3.5.3 De uitrusting die gedurende oefeningen wordt gebruikt moet onmiddellijk weer in volledig gebruiksklare staat worden gebracht, en mankementen en storingen die tijdens de oefeningen worden geconstateerd, moeten zo snel mogelijk worden verholpen.

3.6. Oefeningen voor het betreden van en redden uit besloten ruimten

3.6.1 Oefeningen voor het betreden van en redden uit besloten ruimten moeten op veilige wijze worden gepland en uitgevoerd, rekening houdend met, naargelang van toepassing, de richtsnoeren in de door de Organisatie opgestelde aanbevelingen.

3.6.2 Iedere oefening voor het betreden van en redden uit besloten ruimten moet omvatten:

.1 controle en gebruik van persoonlijke beschermende uitrusting die nodig is voor het betreden;

.2 controle en gebruik van communicatieapparatuur en -procedures;

.3 controle en gebruik van instrumenten voor het meten van de atmosfeer in besloten ruimten;

.4 controle en gebruik van reddingsuitrusting en -procedures; en

.5 instructies in eerstehulp- en reanimatietechnieken.

4 Oefening en instructie aan boord

4.1 De oefening aan boord in het gebruik van de reddingsmiddelen van het schip, met inbegrip van de uitrusting van de reddingsboten en -vlotten, en in het gebruik van de brandblusmiddelen, moet zo snel mogelijk worden gegeven echter uiterlijk 2 weken nadat een bemanningslid aan boord is gekomen. Wanneer echter het bemanningslid op een regelmatig aflosschema aan boord is geplaatst, moet deze opleiding worden gegeven binnen 2 weken nadat hij voor het eerst aan boord is gekomen. Met dezelfde tussenpozen als de oefeningen moet instructie in het gebruik van de brandblusmiddelen en reddingsmiddelen van het schip en het overleven op zee worden gegeven. Individuele instructie kan verschillende onderdelen van de reddings- en brandblusmiddelen van het schip omvatten, maar alle reddings- en brandblusmiddelen van het schip moeten binnen een tijdsbestek van 2 maanden zijn behandeld.

4.2 Ieder bemanningslid moet instructie krijgen die ten minste bestaat uit:

.1 bediening en gebruik van opblaasbare reddingsvlotten van het schip;

.2 problemen in verband met hypothermie, eerste hulp bij hypothermie en andere toepasselijke handelingen van eerste hulp;

.3 bijzondere instructies die nodig zijn voor het gebruik van de reddingsmiddelen van het schip bij zwaar weer en hoge zeeën;

.4 bediening en gebruik van brandblusmiddelen; en

.5 risico’s die verband houden met besloten ruimten, en procedures aan boord voor het veilig betreden van deze ruimten, waarbij rekening moet worden gehouden, naargelang van toepassing, met de richtsnoeren in de door de Organisatie opgestelde aanbevelingen.

4.3 Oefeningen aan boord in het gebruik van strijkbare reddingsvlotten op schepen die met dergelijke middelen zijn uitgerust, moeten met tussenpozen van niet meer dan 4 maanden plaatsvinden. Wanneer uitvoerbaar moeten deze het opblazen en het afvieren van een reddingsvlot omvatten. Het reddingsvlot kan een speciaal reddingsvlot zijn dat uitsluitend bestemd wordt voor oefeningen en dat geen deel uitmaakt van de reddingsmiddelen van het schip; een dergelijk speciaal reddingsvlot moet duidelijk als zodanig gemerkt zijn.

5 Aantekening

De data waarop oefeningen worden gehouden, bijzonderheden van de verlaat- en brandrol, oefeningen voor het betreden van en redden uit besloten ruimten oefeningen met andere reddingsmiddelen en opleiding aan boord moeten in het daarvoor door de Administratie voorgeschreven logboek, worden opgetekend. Wanneer een volledige verlaatrol, oefening of instructie niet op de vastgestelde tijd plaatsvindt, dan moet dat worden opgetekend in het logboek, waarbij moet worden vermeld onder welke omstandigheden en in welke mate de rol, oefening of instructie wel is gehouden.

Regeling
Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
Afkortingen
SOLAS, SOLAS 1974
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-01-2026
BWB-id
BWBV0003264
Versie
2026-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl