wetzoeker

Voorschrift 22 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974

PASSAGIERSSCHEPEN (AANVULLENDE VEREISTEN)

1 Reddingsboeien

1.1 Een passagiersschip moet niet minder reddingsboeien die voldoen aan de vereisten van voorschrift 7.1 en sectie 2.1 van de Code aan boord hebben dan is voorgeschreven in de onderstaande tabel:

Lengte van het schip in meters | Minimum aantal reddingsboeien

minder dan 60 | 8

60 en minder dan 120 | 12

120 en minder dan 180 | 18

180 en minder dan 240 | 24

240 en meer | 30

1.2 Niettegenstaande de vereisten van voorschrift 7.1.3, moeten passagiersschepen met een lengte van minder dan 60 m ten minste 6 reddingsboeien voorzien van zelfontbrandend licht aan boord hebben.

2 Reddingsgordels

2.1 Behalve de reddingsgordels voorgeschreven in voorschrift 7.2, moet ieder passagiersschip voor ten minste 5% van het totale aantal opvarenden extra aan reddingsgordels aan boord hebben. Deze reddingsgordels moeten op opvallende plaatsen aan dek of bij de verzamelplaatsen zijn geborgen.

2.2 Indien reddingsgordels voor passagiers zijn opgeborgen in hutten die ver afgelegen zijn van de directe routes tussen de openbare ruimten en verzamelplaatsen, moeten de extra reddingsgordels voor deze passagiers als vereist in voorschrift 7.2.2 worden opgeborgen in de openbare ruimten, op de verzamelplaatsen of op de directe routes daartussen. De reddingsgordels moeten zodanig zijn opgeborgen dat de verdeling en het aantrekken ervan geen belemmering vormt voor een ordelijke verplaatsing naar de verzamel- en inschepingsplaatsen voor de reddingsboten en -vlotten.

3 Lichten op reddingsgordels

3.1 Op alle passagiersschepen moet iedere reddingsgordel zijn voorzien van een licht, dat voldoet aan de vereisten van paragraaf 2.2.3 van de Code.

3.2 Lichten aangebracht op reddingsgordels aan boord van passagiersschepen vóór 1 juli 1998 die niet volledig voldoen aan de vereisten van paragraaf 2.2.3 van de Code kunnen door de Administratie worden aanvaard tot de datum waarop het licht op de reddingsgordels normaal zou worden vervangen of tot de datum van het eerste periodieke onderzoek na 1 juli 2002, welke van beide het eerst is.

4. Overlevingspakken en hulpmiddelen tegen warmteverlies

4.1 Alle passagiersschepen moeten voor iedere reddingsboot aan boord ten minste 3 overlevingspakken hebben die voldoen aan de vereisten van sectie 2.3 van de Code, en daarnaast voor elke persoon waarvoor in de reddingsboot ruimte is berekend en waarvoor geen overlevingspak is een hulpmiddel tegen warmteverlies dat voldoet aan de vereisten van sectie 2.5 van de Code. Deze overlevingspakken en hulpmiddelen tegen warmteverlies behoeven niet aan boord te zijn:

.1 voor personen voor wie in geheel of gedeeltelijk overdekte reddingsboten ruimte is; of

.2 indien het schip voortdurend reizen maakt in gebieden met een warm klimaat waar zij, naar het oordeel van de Administratie, niet nodig zijn.

4.2 De bepalingen van paragraaf 4.1.1 zijn tevens van toepassing op gedeeltelijk of geheel overdekte reddingsboten die niet voldoen aan de vereisten van sectie 4.5 of 4.6 van de Code, indien deze zijn geplaatst op schepen die vóór 1 juli 1986 zijn gebouwd.

Regeling
Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
Afkortingen
SOLAS, SOLAS 1974
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-01-2026
BWB-id
BWBV0003264
Versie
2026-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl