wetzoeker

Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2023

Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 13 juli 2023, nr. WJZ/ 26133830, houdende aanwijzing categorieën van productie-installaties voor de productie van duurzame energieproductie en klimaattransitie in 2023 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2023)

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
05-09-2023
Rechtsgebied
Ondernemingspraktijk
Ministerie
Economische Zaken en Klimaat
BWB-id
BWBR0048477
Versie
2023-09-05_0
SHA-256 bron
dd32774c5aa111a9a6f2dca3b4b3acc8e33c16fed45bb14bf22b79fd10706688

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (106)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 17
  18. Artikel 18
  19. Artikel 19
  20. Artikel 20
  21. Artikel 21
  22. Artikel 22
  23. Artikel 23
  24. Artikel 24
  25. Artikel 25
  26. Artikel 26
  27. Artikel 27
  28. Artikel 28
  29. Artikel 29
  30. Artikel 30
  31. Artikel 31
  32. Artikel 32
  33. Artikel 33
  34. Artikel 34
  35. Artikel 35
  36. Artikel 36
  37. Artikel 37
  38. Artikel 38
  39. Artikel 39
  40. Artikel 40
  41. Artikel 41
  42. Artikel 42
  43. Artikel 43
  44. Artikel 44
  45. Artikel 45
  46. Artikel 46
  47. Artikel 47
  48. Artikel 48
  49. Artikel 49
  50. Artikel 50
  51. Artikel 51
  52. Artikel 52
  53. Artikel 53
  54. Artikel 54
  55. Artikel 55
  56. Artikel 56
  57. Artikel 57
  58. Artikel 58
  59. Artikel 59
  60. Artikel 60
  61. Artikel 61
  62. Artikel 62
  63. Artikel 63
  64. Artikel 64
  65. Artikel 65
  66. Artikel 66
  67. Artikel 67
  68. Artikel 68
  69. Artikel 69
  70. Artikel 70
  71. Artikel 71
  72. Artikel 72
  73. Artikel 73
  74. Artikel 74
  75. Artikel 75
  76. Artikel 76
  77. Artikel 77
  78. Artikel 78
  79. Artikel 79
  80. Artikel 80
  81. Artikel 81
  82. Artikel 82
  83. Artikel 83
  84. Artikel 84
  85. Artikel 85
  86. Artikel 86
  87. Artikel 87
  88. Artikel 88
  89. Artikel 89
  90. Artikel 90
  91. Artikel 91
  92. Artikel 92
  93. Artikel 93
  94. Artikel 94
  95. Bijlage 1 — behorende bij artikel 7, tweede lid (Model Uitvoeringsovereenkomst)
  96. Artikel 1 — Tijdige ingebruikname van de productie-installatie
  97. Artikel 2 — Inhoud en omvang van de garantie
  98. Artikel 3 — Vrijval van de garantie
  99. Artikel 4 — Boetes
  100. Artikel 5 — Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst
  101. Artikel 6 — Domiciliekeuze en berichtgevingen
  102. Artikel 7 — Rechtskeuze
  103. Artikel 8 — Citeertitel
  104. Model bankgarantie
  105. Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 17, eerste lid, onderdeel b, 19 eerste lid, onderdeel b, en 21 eerste lid, onderdeel c (Lijst windsnelheden per gemeente) (deel 1)
  106. Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 17, eerste lid, onderdeel b, 19 eerste lid, onderdeel b, en 21 eerste lid, onderdeel c (Lijst windsnelheden per gemeente) (deel 2)

§ 1 — Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Algemene uitvoeringsregeling: Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;

allesvergisting: biologische afbraakreacties van biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2017, met uitzondering van de nummers 400, 410, 420, 500, 550 tot en met 559, waarvan de biogasopbrengst van de ingaande stroom ten minste 25 Nm3 aardgasequivalent per ton bedraagt;

beschermingszone: beschermingszone als bedoeld in appendix B bij bijlage I bij de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

Besluit SDEK: Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;

Besluit SDE: Besluit stimulering duurzame energieproductie, zoals dit luidde op 31 oktober 2020;

biosyngas: mengsel van gassen dat is geproduceerd door vergassing van biomassa en dat geen nadere bewerking tot methaan heeft ondergaan;

COP-waarde: coëfficiënt van prestatie uitgedrukt in de hoeveelheid afgegeven warmte aan de condensorzijde per hoeveelheid opgenomen elektriciteit bij gemiddelde gebruiksomstandigheden;

domein hoge-temperatuur-warmte: verzameling van de volgende categorieën productie-installaties:

a. categorieën productie-installaties voor al dan niet gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte als bedoeld in de artikelen 41, 43, 45, 47, 49, 51, 53 en 57, onderdeel f; en

b. categorieën productie-installaties voor de vermindering van broeikasgas als bedoeld in de artikelen 71 en 73, onderdelen c en d;

domein lage-temperatuur-warmte: verzameling van de volgende categorieën productie-installaties:

a. categorieën productie-installaties voor de productie van hernieuwbare warmte als bedoeld in de artikelen 33, 35, onderdelen a, c en e, 37, onderdelen a en c, 39, eerste lid, onderdeel a, 55 en 57, onderdelen a tot en met e; en

b. categorieën productie-installaties voor de vermindering van broeikasgas als bedoeld in de artikelen 59, 61, 63, 65, 67, 69, 73, eerste lid, onderdelen a en b, en 75;

domein moleculen: verzameling van de volgende categorieën productie-installaties:

a. categorieën productie-installaties voor de productie van hernieuwbaar gas als bedoeld in de artikelen 25, 27, 29 en 31; en

b. categorieën productie-installaties voor de vermindering van broeikasgas als bedoeld in de artikelen 77 en 79;

doublet: combinatie van naast elkaar liggende diepboringen die ten minste bestaat uit één productieput en één injectieput;

geavanceerde hernieuwbare brandstof: biobrandstof als bedoeld in artikel 2, onderdeel 33, van richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328) en geproduceerd uit grondstoffen als bedoeld in deel A van bijlage IX bij die richtlijn;

gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt, niet zijnde een bouwwerk dat bedoeld is om voor een periode van ten hoogste vijftien jaar op een bepaalde plaats aanwezig te zijn;

ketel: installatie waarin brandstof wordt verstookt waarbij de verbrandingswarmte met een warmtewisselaar wordt overgedragen aan een vloeistof;

monomestvergisting: biologische afbraakreacties van uitsluitend vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren;

minister: Minister voor Klimaat en Energie;

netto P50-waarde vollasturen: aantal vollasturen waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie is bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%;

nominaal elektrisch rendement: uitkomst van de deling van het nominaal elektrisch vermogen en:

a. de som van het nominaal elektrisch vermogen en nominaal warmtevermogen in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een verbrandingsmotor; en

b. het nominaal warmtevermogen van de ketel in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een stoomturbine of een organische rankinecyclus;

nominaal vermogen: maximaal vermogen van een productie-installatie dat onder nominale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte, nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte of hernieuwbaar gas en dat door de leverancier wordt gegarandeerd bij continu gebruik, waarbij in het geval van geothermische productie-installaties het nominale vermogen is bepaald met een waarschijnlijkheid van ten minste 50%;

NTA 8003: 2017: Nederlandse Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassing, uitgegeven door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde op 30 november 2017;

nuttig aangewende warmte: nuttig aangewende warmte als bedoeld in artikel 1 van de Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong;

nuttig aangewende koolstofdioxide: nuttig aangewende koolstofdioxide als bedoeld in artikel 1 van de Algemene uitvoeringsregeling;

nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte: nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte als bedoeld in artikel 1 van de Algemene uitvoeringsregeling;

primaire waterkering: primaire waterkering als bedoeld in appendix B bij bijlage I bij de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

productie-uren: som van de tijdsperioden waarin een productie-installatie in deellast of op vol vermogen produceert;

restwarmte: onvermijdelijke thermische energie die als bijproduct in de bedrijfsvoering van een onderneming wordt opgewekt en die zonder nuttige aanwending ongebruikt terecht zou komen in lucht of water en die op het moment van indienen van de aanvraag niet nuttig wordt aangewend;

richtlijn (EU) 2018/2001: richtlijn nr. (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328);

SBI-code: code, opgenomen in de Standaard Bedrijfs Indeling 2008, Versie 2018, Update 2021;

stadsverwarming: warmtelevering aan een warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet, waarbij de producent de warmte levert voor ruimteverwarming en warmtapwatervoorzieningen van gebouwen door transport van water;

thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa: omzetting van vaste of vloeibare biomassa door:

a. verbranding;

b. een andere thermische behandeling dan bedoeld onder a in het geval de producten daarvan vervolgens worden verbrand; of

c. de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling;

valhoogte: verschil in waterpeil voor en achter een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door waterkracht waarbij het nominale vermogen wordt benut;

verwarming van gebouwde omgeving: stadsverwarming of ruimteverwarming en warmtapwatervoorzieningen in een gebouw, niet zijnde een kas, waarbij de producent de warmte rechtstreeks levert aan dat gebouw;

voorliggende waterkering: voorliggende waterkeringen als genoemd in de paragrafen 5.2.4 tot en met 5.7.4 van bijlage I bij de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

waterstaatswerk: waterstaatswerk als bedoeld in appendix B bij bijlage I bij de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

zeewering of zachte zeewering van Maasvlakte 2: harde zeewering en zachte zeewering van Maasvlakte 2 als bedoeld in bijlage 1 bij de concessie aan het Havenbedrijf Rotterdam N.V. te Rotterdam, bij koninklijk besluit van 23 mei 2008, nr. 08.001524.

§ 2 — Algemene bepalingen

Artikel 2

1 Het subsidieplafond bedraagt € 8.000.000.000 voor het verlenen van subsidies die worden aangevraagd in de periode van 5 september, 9:00 uur, tot 5 oktober, 17:00, voor:

a. de productie van hernieuwbare elektriciteit op grond van artikel 13, 15, 17, 19, 21 of 23;

b. de productie van hernieuwbaar gas op grond van artikel 25, 27, 29 of 31;

c. de productie van hernieuwbare warmte of al dan niet gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte op grond van artikel 33, 35, 37, 39, 41, 43, 45, 47, 49, 51, 53, 55 of 57;

d. de vermindering van broeikasgas op grond van artikel 59, 61, 63, 65, 67, 69, 71, 73, 75, 77, 79, 81, 83 of 85.

2 Per categorie productie-installaties kan in de periode, genoemd in het eerste lid, per adres waarop een productie-installatie wordt geplaatst maximaal één aanvraag worden ingediend.

§ 2 — Algemene bepalingen

Artikel 3

1 Van het subsidieplafond is:

a. € 750.000.000 gereserveerd voor het verlenen van subsidies voor aanvragen binnen het domein hoge-temperatuur-warmte;

b. € 750.000.000 gereserveerd voor het verlenen van subsidies voor aanvragen binnen het domein lage-temperatuur-warmte;

c. € 750.000.000 gereserveerd voor het verlenen van subsidies voor aanvragen binnen het domein moleculen.

2 De minister verdeelt telkens het gereserveerde bedrag voor het verlenen van subsidies binnen een domein, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b of c, in de volgorde van ontvangst van de aanvragen voor subsidies binnen dat domein, tot het gereserveerde bedrag binnen dat domein is bereikt.

3 Indien honorering van alle aanvragen binnen een domein die op één dag zijn ontvangen ertoe zou leiden dat het gereserveerde bedrag voor het verlenen van subsidies binnen dat domein zou worden overschreden, worden telkens de aanvragen voor subsidie binnen dat domein met het laagste rangschikkingsbedrag, uitgedrukt in euro per 1.000 kg vermindering van broeikasgas, geacht eerder te zijn ontvangen. Bij een gelijk rangschikkingsbedrag stelt de minister de volgorde vast door loting.

4 Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor aanvragen binnen een domein als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b of c, lager is dan het voor de aanvragen binnen dat domein gereserveerde bedrag, vervalt de reservering voor het overblijvende bedrag en wordt dat overblijvende bedrag verdeeld op de wijze, bedoeld in artikel 4.

§ 2 — Algemene bepalingen

Artikel 4

De minister verdeelt onverminderd artikel 3 het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van aanvragen voor zowel subsidies buiten de domeinen hoge-temperatuur-warmte, lage-temperatuur-warmte en moleculen, als voor subsidies binnen een van deze domeinen, indien in het betreffende domein het gereserveerde bedrag is bereikt.

§ 2 — Algemene bepalingen

Artikel 5

De maximale vermindering van broeikasgas die in aanmerking komt voor subsidies voor de productie van geavanceerde hernieuwbare brandstof op grond van artikel 79, eerste lid, die worden aangevraagd in de periode, genoemd in artikel 2, eerste lid, komt overeen met 10.300.000.000 kWh, gerekend voor de hele looptijd van de subsidies.

§ 2 — Algemene bepalingen

Artikel 6

1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien:

a. geen toestemming van de eigenaar van de beoogde locatie, geen gedoogplichtbeschikking op grond van artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht voor de beoogde locatie en geen afgesloten voorovereenkomst of grondovereenkomst met het Rijksvastgoedbedrijf kan worden overgelegd voor het vestigen van de productie-installatie op desbetreffende locatie;

b. de subsidieaanvrager voor de investering in de productie-installatie beschikt over een verklaring van de minister dat sprake is van energie-investeringen op grond van artikel 3.42, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001; of

c. voor dezelfde productie-installatie al subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking.

2 Bij het overleggen van de toestemming van de eigenaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt gebruik gemaakt van het middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

§ 2 — Algemene bepalingen

Artikel 7

1 Een subsidie als bedoeld in de artikelen 81, 83 en 85 die is afgegeven op een aanvraag voor subsidie die is ingediend met toepassing van artikel 2, vierde lid, van de Algemene uitvoeringsregeling, of een subsidie van meer dan € 400.000.000,– worden verleend onder de volgende opschortende voorwaarden:

a. binnen twee weken na afgifte van de beschikking tot subsidieverlening is een uitvoeringsovereenkomst tot stand gekomen tussen de Staat en de subsidieontvanger;

b. de subsidieontvanger heeft binnen vier weken na afgifte van de beschikking tot subsidieverlening aangetoond dat een bankgarantie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de uitvoeringsovereenkomst is afgegeven.

2 Voor het opstellen van de uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van het in bijlage 1 opgenomen model.

3 Het eerste lid is niet van toepassing op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, onderdeel a, van de Elektriciteitswet 1998.

4 Indien sprake is van een subsidie voor een productie-installatie voor hernieuwbare warmte of voor hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, wordt voor het berekenen van het bedrag van € 400.000.000, bedoeld in het eerste lid, de subsidie meegeteld die eerder voor de productie-installatie is verstrekt op grond van het Besluit SDEK, het Besluit SDE, de MEP of de OV-MEP, indien de periode waarover de hiervoor bedoelde subsidie wordt verstrekt, nog niet is aangevangen.

5 Indien subsidie wordt verstrekt als bedoeld in artikel 81, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde of zevende lid, of artikel 83, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde of zevende lid, en ook subsidie als bedoeld artikel 85, tweede, derde of vierde lid, worden voor het berekenen van het bedrag van € 400.000.000, bedoeld in het eerste lid, aanhef, beide subsidies bij elkaar opgeteld.

§ 2 — Algemene bepalingen

Artikel 8

1 Als ingrijpend te renoveren productie-installaties waarvoor subsidie kan worden verstrekt als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, onderdeel c, van het Besluit SDEK worden aangewezen:

a. productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 13, onderdeel c;

b. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas uit biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 27, onderdelen a en c;

c. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 37 en 53, eerste lid.

2 Als productie-installaties die als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit SDEK worden aangewezen:

a. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas door biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 27;

b. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 37, 41 en 53, eerste lid;

c. productie-installaties waarmee broeikasgas wordt verminderd als bedoeld in artikel 81, eerste lid, onderdelen c tot en met g, indien deze worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in:

1°. artikel 68, onderdeel c of d, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020;

2°. artikel 83, eerste lid, onderdeel e, f, g, i, k, l, m of n, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021; of

3°. artikel 85, eerste lid, onderdeel c, d, e, f of g, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2022;

d. productie-installaties waarmee broeikasgas wordt verminderd als bedoeld in:

1°. artikel 83, eerste lid, onderdelen c tot en met h, indien deze worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel h of j, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021; of

2°. in artikel 87, eerste lid, onderdeel c, d, e, f, g of h, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2022.

3 Als te renoveren productie-installaties waarvoor subsidie kan worden verstrekt als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit SDEK worden aangewezen:

a. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas door biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 27;

b. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 37.

4 Als productie-installaties waarvoor subsidie wordt verstrekt indien deze geheel of deels bestaat uit gebruikte materialen als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van het Besluit SDEK worden aangewezen:

a. productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 13, onderdeel c;

b. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25, 27, 29, eerste lid, en 31;

c. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 35, 37, 39, eerste lid, 41, 43, 45, 47, 49, eerste lid, 51, 53, eerste lid, en 57, onderdeel e;

d. productie-installaties waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 75;

e. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en permanent opgeslagen als bedoeld in de artikelen 81, eerste lid, en 83, eerste lid;

f. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en gebruikt als bedoeld in artikel 85, eerste lid.

§ 2 — Algemene bepalingen

Artikel 9

1 Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 15, derde en vierde lid, van het Besluit SDEK worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 13, 15, 17, eerste lid, 19, eerste lid, en 21, eerste lid. Het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het Besluit SDEK, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

2 Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 15, derde en vierde lid, van het Besluit SDEK worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 23, eerste lid. Het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het Besluit SDEK, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt. Bij de benutting van de opgetelde kWh, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het Besluit SDEK, wordt de productie verdeeld in een deel netlevering en een deel niet-netlevering op basis van de verhouding tussen de geproduceerde energie die aan het net geleverd is en de energie die niet aan het net geleverd is in het voorgaande jaar.

3 Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 32, derde en vierde lid, van het Besluit SDEK worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25, 27, 29, eerste lid, en 31. Het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 32, vierde lid, van het Besluit SDEK, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

4 Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 48, derde en vierde lid, van het Besluit SDEK worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 33, eerste lid, 35, 37, 39, eerste lid, 41, 43, 45, 47, 49, eerste lid, 51, 53, eerste lid, 55, eerste lid, en 57.

5 Voor de productie-installaties, bedoeld in het vierde lid, wordt het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 48, vierde lid, van het Besluit SDEK, gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

6 Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 55j, derde en vierde lid, van het Besluit SDEK worden aangewezen:

a. productie-installaties waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 59, 61, 63, eerste lid, 65, 67, eerste lid, 69, eerste lid, 73, eerste lid, en 75;

b. productie-installaties waarmee geavanceerde hernieuwbare brandstof wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 79, eerste lid;

c. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en permanent opgeslagen als bedoeld in de artikelen 81, eerste lid, en 83, eerste lid;

d. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en gebruikt als bedoeld in artikel 85, eerste lid.

7 Voor de productie-installatie, bedoeld in het zesde lid, wordt het verschil in kg verminderde broeikasgas dat bij het aantal kg verminderde broeikasgas van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 55j, vierde lid, van het Besluit SDEK, gemaximeerd op 25% van het aantal kg verminderde broeikasgas dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

8 Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 55j, derde lid, van het Besluit SDEK, worden aangewezen:

a. productie-installaties waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikel 71, eerste lid;

b. productie-installaties waarmee waterstof wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 77, eerste lid.

§ 2 — Algemene bepalingen

Artikel 10

1 Als productie-installaties waarvoor het aantal kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 32, zesde lid, van het Besluit SDEK worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25, 27, 29, eerste lid, en 31.

2 Als productie-installaties waarvoor de producent kan aantonen dat hij hernieuwbaar gas heeft geproduceerd waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit is geproduceerd, als bedoeld in artikel 32, zevende lid, van het Besluit SDEK worden productie-installaties aangewezen waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 35, 37 en 39, eerste lid.

§ 2 — Algemene bepalingen

Artikel 11

1 Als productie-installaties waarvoor het aantal kWh kan worden opgeteld waarvoor garanties van oorsprong voor niet-netlevering zijn verstrekt als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van het Besluit SDEK worden productie-installaties aangewezen waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt opgewekt als bedoeld in de artikelen 13, 15, 17, eerste lid, 19, eerste lid, 21, eerste lid, en 23, eerste lid.

2 Als productie-installaties waarvoor het aantal kWh kan worden opgeteld waarvoor garanties van oorsprong voor niet-netlevering zijn verstrekt als bedoeld in artikel 48, zevende lid van het Besluit SDEK worden productie-installaties aangewezen waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 35, onderdelen b, d en f, 37, onderdelen b en d, 39, eerste lid, onderdeel b, 41, 43, 45, 47, 49, eerste lid, 51 en 53, eerste lid.

§ 2 — Algemene bepalingen

Artikel 12

Als productie-installaties waarvoor een gebundelde aanvraag kan worden ingediend als bedoeld in artikel 56, tweede lid, van het Besluit SDEK worden aangewezen:

a. productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, 19, eerste lid, en 21, eerste lid;

b. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25 en 27;

c. productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 35 en 37;

d. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en permanent opgeslagen als bedoeld in de artikelen 81, eerste lid, en 83, eerste lid;

e. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en gebruikt als bedoeld in artikel 85, eerste lid.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.1 — Waterkracht

Artikel 13

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee door hydro-mechanisch-elektrische omzetting hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd uit potentiële of kinetische energie van stromend water dat niet specifiek voor de elektriciteitsproductie omhoog is gepompt:

a. in installaties met een valhoogte kleiner dan 50 centimeter;

b. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter; of

c. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter, die ingrijpend zijn gerenoveerd en waarbij ten minste de turbines nieuw zijn.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.1 — Waterkracht

Artikel 14

1 De subsidie, bedoeld in artikel 13, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.2 — Osmose

Artikel 15

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt gegenereerd door middel van het verschil in zoutconcentratie tussen twee watermassa’s.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.2 — Osmose

Artikel 16

1 De subsidie, bedoeld in artikel 15, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.3 — Wind op land

Artikel 17

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, niet zijnde een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in de artikelen 19 en 21;

a. die is aangesloten op een elektriciteitsnet met een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A; en

b. die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 1 januari 2022, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:

1°. ≥ 8,5 m/s;

2°. ≥ 8,0 en < 8,5 m/s;

3°. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;

4°. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;

5°. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of

6°. < 6,75 m/s.

2 De productie-installatie is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.

3 Indien de productie-installatie wordt opgericht op een locatie waar op het moment van het indienen van de aanvraag een windturbine staat of heeft gestaan, verstrekt de minister de subsidie uitsluitend indien:

a. het nominale en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of

b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging ten minste vijftien jaar op die locatie in gebruik is geweest en op het moment van het indienen van de aanvraag ten minste dertien jaar geleden in gebruik is genomen.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.3 — Wind op land

Artikel 18

1 De subsidie, bedoeld in artikel 17, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.4 — Wind op land met hoogtebeperking

Artikel 19

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie met een tiphoogte kleiner dan of gelijk aan 150 meter;

a. die is aangesloten op een elektriciteitsnet met een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A; en

b. die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 1 januari 2022, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:

1°. ≥ 8,5 m/s;

2°. ≥ 8,0 en < 8,5 m/s;

3°. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;

4°. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;

5°. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of

6°. < 6,75 m/s.

2 De productie-installatie is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.

3 Op de locatie van de productie-installatie is sprake van een hoogterestrictie bij of krachtens landelijke wet- en regelgeving in verband met de aanwezigheid van een luchthaven in de omgeving waardoor de windturbine een tiphoogte heeft van kleiner dan of gelijk aan 150 meter.

4 Indien de productie-installatie wordt opgericht op een locatie waar op het moment van het indienen van een aanvraag een windturbine staat of heeft gestaan, verstrekt de minister de subsidie uitsluitend indien:

a. het nominale en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of

b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging ten minste vijftien jaar op die locatie in gebruik is geweest en op het moment van indienen van de aanvraag ten minste dertien jaar geleden in gebruik is genomen.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.4 — Wind op land met hoogtebeperking

Artikel 20

1 De subsidie, bedoeld in artikel 19, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.5 — Wind op waterkering

Artikel 21

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie:

a. die is opgericht binnen het waterstaatswerk of een beschermingszone van een voorliggende waterkering, dan wel binnen het waterstaatswerk of de zeewaartsgerichte beschermingszone van een primaire waterkering grenzend aan de Noordzee, de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Dollard of de Eems, dan wel in de harde zeewering of zachte zeewering van Maasvlakte 2;

b. die is aangesloten op een elektriciteitsnet met een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A; en

c. die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 1 januari 2022, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:

1°. ≥ 8,5 m/s;

2°. ≥ 8,0 en < 8,5 m/s;

3°. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;

4°. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;

5°. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of

6°. < 6,75 m/s m/s.

2 Indien de productie-installatie wordt opgericht op een locatie waar op het moment van het indienen van de aanvraag een windturbine staat of heeft gestaan, verstrekt de minister de subsidie uitsluitend indien:

a. het nominale en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of

b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging ten minste vijftien jaar op die locatie in gebruik is geweest en op het moment van indienen van de aanvraag ten minste dertien jaar geleden in gebruik is genomen.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.5 — Wind op waterkering

Artikel 22

1 De subsidie, bedoeld in artikel 21, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.6 — Fotovoltaïsche zonnepanelen

Artikel 23

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen, die is aangesloten op een elektriciteitsnet via een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A en:

a. waarbij de zonnepanelen op of aan een gebouw zijn aangebracht, met een totaal nominaal vermogen:

1° gelijk aan of groter dan 15 kWp en kleiner dan 1 MWp; of

2° gelijk aan of groter dan 1 MWp;

b. waarbij de zonnepanelen, niet op of aan een gebouw aangebracht, op water drijven, met een totaal nominaal vermogen;

1° gelijk aan of groter dan 15 kWp en kleiner dan 1 MWp; of

2° gelijk aan of groter dan 1 MWp;

c. waarbij de zonnepanelen, niet op of aan een gebouw aangebracht, op land staan, met een totaal nominaal vermogen;

1° gelijk aan of groter dan 15 kWp en kleiner dan 1 MWp;

2° gelijk aan of groter dan 1 MWp en kleiner dan 20 MWp; of

3° gelijk aan of groter dan 20 MWp;

d. waarbij de zonnepanelen automatisch met de stand van de zon meebewegen door middel van een zonvolgsysteem, met een totaal nominaal vermogen:

1° gelijk aan of groter dan 1 MWp en kleiner dan 20 MWp en waarbij de zonnepanelen, niet op of aan een gebouw aangebracht, op land staan;

2° gelijk aan of groter dan 20 MWp en waarbij de zonnepanelen, niet op of aan een gebouw aangebracht, op land staan; of

3° gelijk aan of groter dan 1 MWp en waarbij de zonnepanelen, niet op of aan een gebouw aangebracht, op water drijven.

2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gebouw ook verstaan een aan de grond gebonden overkapping voor van het tegen weersinvloeden beschermd parkeren van voertuigen.

3 Het additioneel gecontracteerde terugleververmogen voor een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, bedraagt maximaal 50% van het piekvermogen van de zonnepanelen.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.6 — Fotovoltaïsche zonnepanelen

Artikel 24

1 De subsidie, bedoeld in artikel 23, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt een productie-installatie als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, onderdeel b, subonderdeel 1°, en onderdeel c, subonderdeel 1°, binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger neemt een productie-installatie als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

4 De subsidieontvanger neemt een productie-installatie als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2°, onderdeel c, subonderdelen 2° en 3°, en onderdeel d, subonderdelen 1°, 2° en 3°, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

5 Artikel 3, eerste lid, van de Algemene uitvoeringsregeling is niet van toepassing op een productie-installatie als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, onderdeel b, subonderdeel 1°, en onderdeel c, subonderdeel 1°.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.1 — Biomassavergisting

Artikel 25

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd:

a. uitsluitend door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

b. uitsluitend door middel van monomestvergisting met een productie-installatie met een vermogen groter dan 450 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is; of

c. uitsluitend door middel van monomestvergisting met een productie-installatie met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 450 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.1 — Biomassavergisting

Artikel 26

1 De subsidie, bedoeld in artikel 25, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.2 — Biomassavergisting, verlengde levensduur

Artikel 27

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie die ingrijpend wordt gerenoveerd en waarmee:

a. uitsluitend door middel van allesvergisting hernieuwbaar gas wordt geproduceerd met een productie-installatie, waarvoor al subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt als productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare warmte;

b. uitsluitend door middel van allesvergisting hernieuwbaar gas wordt geproduceerd, waarvoor al subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt als productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas en ten minste negen jaar van de periode waarover die subsidie is verstrekt, zijn verstreken op het moment van het indienen van de aanvraag;

c. uitsluitend door middel van monomestvergisting met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 450 kW hernieuwbaar gas wordt geproduceerd, waarvoor al subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt als productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare warmte; of

d. uitsluitend door middel van monomestvergisting met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 450 kW hernieuwbaar gas wordt geproduceerd, waarvoor al subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt als productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas en ten minste negen jaar van de periode waarover die subsidie is verstrekt, zijn verstreken op het moment van het indienen van de aanvraag.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.2 — Biomassavergisting, verlengde levensduur

Artikel 28

1 De subsidie, bedoeld in artikel 27, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 Een subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.3 — Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties

Artikel 29

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij:

a. verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering; en

b. ten minste de installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de aanvullende productie van biogas nieuw zijn.

2 De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de aanvullende productie, worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.3 — Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties

Artikel 30

1 De subsidie, bedoeld in artikel 29, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer hij minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in de productie-installatie met een totaal nominaal vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.4 — Biomassavergassing

Artikel 31

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas, niet zijnde biosyngas, geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas door middel van vergassing, waarbij ten minste de vergasser nieuw is, uit:

a. biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2017; of

b. biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2017, met uitzondering van B-Hout als bedoeld in nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003:2017.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.4 — Biomassavergassing

Artikel 32

1 De subsidie, bedoeld in artikel 31, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte overige biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.1 — Zonthermie voor hernieuwbare warmte

Artikel 33

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie die uitsluitend voorziet in de productie van hernieuwbare warmte uit zonne-energie met een totaal thermisch vermogen:

a. gelijk aan of groter dan 140 kWth en kleiner dan 1 MWth; of

b. gelijk aan of groter dan 1 MWth.

2 Er wordt uitsluitend gebruik gemaakt van afgedekte collectoren waarvan de transparante isolerende laag, niet zijnde beglazing van tuinbouwkassen of fotovoltaïsche zonnepanelen, een geïntegreerd geheel vormt met de collector van een collectorsysteem of met collectoren waarbij het zonlicht met externe spiegels of lenzen wordt geconcentreerd.

3 Het vermogen in kWth van de productie-installatie wordt berekend door de apertuuroppervlakte van de afgedekte collectoren of het aangestraalde oppervlakte van de spiegels of lenzen voor het concentreren van zonlicht in vierkante meter te vermenigvuldigen met een factor 0,7.

4 Voor de productie-installatie is niet al subsidie verstrekt op basis van artikel 4.5.2. van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.1 — Zonthermie voor hernieuwbare warmte

Artikel 34

1 De subsidie, bedoeld in artikel 33, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.2 — Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 35

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie waarmee:

a. hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

b. hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is en het nominale elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt;

c. hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 450 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

d. hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 450 kW, voor elektrisch en thermisch vermogen samen, waarbij ten minste de vergister nieuw is en het nominale elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt;

e. hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 450 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is; of

f. hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 450 kW, voor elektrisch en thermisch vermogen samen, waarbij ten minste de vergister nieuw is en het nominale elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.2 — Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 36

1 De subsidie, bedoeld in artikel 35, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie voor de opwekking van warmte of gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.3 — Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking, verlengde levensduur

Artikel 37

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie die ingrijpend wordt gerenoveerd en waarmee:

a. uitsluitend door middel van allesvergisting hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarvoor al subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en ten minste negen jaar van de periode waarover die subsidie is verstrekt, zijn verstreken op het moment van het indienen van de aanvraag;

b. uitsluitend door middel van allesvergisting hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarvoor al subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en ten minste negen jaar van de periode waarover die subsidie is verstrekt, zijn verstreken op het moment van het indienen van de aanvraag;

c. uitsluitend door middel van monomestvergisting met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 450 kW hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarvoor al subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en ten minste negen jaar van de periode waarover die subsidie is verstrekt, zijn verstreken op het moment van het indienen van de aanvraag; of

d. uitsluitend door middel van monomestvergisting met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 450 kW hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarvoor al subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en ten minste negen jaar van de periode waarover die subsidie is verstrekt, zijn verstreken op het moment van het indienen van de aanvraag.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.3 — Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking, verlengde levensduur

Artikel 38

1 De subsidie, bedoeld in artikel 37, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.4 — Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 39

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij verbeteringen worden doorgevoerd in het productieproces die ertoe leiden dat per ton zuiveringsslib de biogasproductie met ten minste 25% toeneemt vergeleken met de biogasproductie van voor de verbeteringen, en:

a. indien hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, ten minste de installatie-onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie nieuw zijn; of

b. indien hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd, ten minste de installatie-onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie, nieuw zijn.

2 De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie, worden niet in gebruik genomen voordat de subsidie is aangevraagd.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.4 — Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 40

1 De subsidie, bedoeld in artikel 39, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4 De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer de producent minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.

5 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie voor de opwekking van warmte of gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de broeikasgasemissiereductiecriteria bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.5 — Ketel vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 41

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van vloeibare biomassa als bedoeld in de nummers 512, 514, 517, 518, 543, 545, 550 tot en met 579, 587, 594, 595 en 800 tot en met 809 van de NTA 8003:2017 met een brander in een ketel, met een nominaal thermisch vermogen gelijk aan of groter dan 0,5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MW voor:

a. toepassing in stadsverwarming; of

b. overige toepassingen.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.5 — Ketel vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 42

1 De subsidie, bedoeld in artikel 41, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.6 — Kleine ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 43

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2017 met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003:2017 in een ketel, met een nominaal thermisch vermogen gelijk aan of groter dan 0,5 MWth en kleiner dan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.6 — Kleine ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 44

1 De subsidie, bedoeld in artikel 43, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

5 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

6 Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003:2017 draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt gebruikt voor een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw, in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100°C.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.7 — Grote ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 45

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2017 met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003:2017, met een nominaal thermisch vermogen gelijk aan of groter dan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is en het aantal subsidiabele vollasturen:

a. ten hoogste 4.500 vollasturen per jaar bedraagt;

b. ten hoogste 5.000 vollasturen per jaar bedraagt;

c. ten hoogste 5.500 vollasturen per jaar bedraagt;

d. ten hoogste 6.000 vollasturen per jaar bedraagt;

e. ten hoogste 6.500 vollasturen per jaar bedraagt;

f. ten hoogste 7.000 vollasturen per jaar bedraagt;

g. ten hoogste 7.500 vollasturen per jaar bedraagt;

h. ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt; of

i. ten hoogste 8.500 vollasturen per jaar bedraagt.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.7 — Grote ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 46

1 De subsidie, bedoeld in artikel 45, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

5 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 7,5 MW gebruikte vaste biomassa, voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

6 Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003:2017, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt gebruikt voor een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw, in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100°C.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.8 — Grote ketel op B-Hout voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 47

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van biomassa als bedoeld in NTA 8003:2017 met een nominaal thermisch vermogen gelijk aan of groter dan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.8 — Grote ketel op B-Hout voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 48

1 De subsidie, bedoeld in artikel 47, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

5 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 7,5 MW gebruikte vaste biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

6 Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003:2017, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt gebruikt voor een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw, in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100°C.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.9 — Stoomketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 49

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van stoom door middel van verbranding van houtpellets in een ketel, die wordt gebruikt voor een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw, waarbij ten minste de stoomketel nieuw is en het nominale thermische vermogen:

a. gelijk aan of groter is dan 5 MWth en kleiner dan 50 MWth; of

b. gelijk aan of groter is dan 50 MWth.

2 In de ketel worden:

a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017 verbrand;

b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017 van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017 verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of

c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003:2017 verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in de onderdelen a en b.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.9 — Stoomketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 50

1 De subsidie, bedoeld in artikel 49, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

5 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7, van de Algemene uitvoeringsregeling.

6 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt gebruikt voor een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw, in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100°C.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.10 — Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 51

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van houtpellets met een brander in een ketel, oven of fornuis, met een nominaal thermisch vermogen gelijk aan of groter dan 5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MWth, die wordt gebruikt voor een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw, en waarin:

a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017 worden verbrand;

b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017 van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017 worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of

c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003:2017 worden verbrand voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in de onderdelen a en b.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.10 — Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 52

1 De subsidie, bedoeld in artikel 51, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de Algemene uitvoeringsregeling.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.11 — Verlengde levensduur voor ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 53

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003:2017, waarvoor al subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en ten minste negen jaar van de periode waarover die subsidie is verstrekt, zijn verstreken op het moment van het indienen van de aanvraag in een ketel met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 5 MWth.

2 De biomassa die in de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast, is voor ten minste 97% van de energetische waarde biogeen.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.11 — Verlengde levensduur voor ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 54

1 De subsidie, bedoeld in artikel 53, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 7,5 MW gebruikte vaste biomassa, voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

5 Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003:2017, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt gebruikt voor een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw, in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100°C.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.12 — Composteringsinstallatie voor hernieuwbare warmte

Artikel 55

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte die vrijkomt bij het composteren van uitsluitend biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 300 tot en met 329 van de NTA 8003:2017 in een gesloten ruimte voor compostering onder geconditioneerde omstandigheden, met een vermogen van ten minste 500 kWth.

2 De biomassa die in de productie-installatie wordt toegepast, is voor ten minste 97% van de energetische waarde biogeen.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.12 — Composteringsinstallatie voor hernieuwbare warmte

Artikel 56

1 De subsidie, bedoeld in artikel 55, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.13 — Geothermie voor hernieuwbare warmte

Artikel 57

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door:

a. een productie-installatie bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 1.500 meter met een thermisch vermogen:

1°. kleiner dan of gelijk aan 12 MWth;

2°. van ten minste 12 MWth tot ten hoogste 20 MWth; of

3°. groter dan 20 MWth;

b. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 1.500 meter hernieuwbare warmte wordt geproduceerd die wordt aangewend voor de verwarming van gebouwde omgeving, waarbij het aantal vollasturen ten hoogste 5.000 uur bedraagt;

c. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 1.500 meter hernieuwbare warmte wordt geproduceerd die wordt aangewend voor de verwarming van gebouwde omgeving, waarbij het aantal vollasturen ten hoogste 3.500 uur bedraagt;

d. een productie-installatie bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, gebruikmakend van ten minste één olie- of gasput met een diepte van ten minste 1.500 meter, waarbij het thermische vermogen:

1°. kleiner is dan of gelijk is aan 12 MWth;

2°. groter is dan 12 MWth of gelijk is aan 20 MWth; of

3°. groter is dan 20 MWth;

e. een productie-installatie als bedoeld in de onderdelen a en d, waarvoor op het moment van aanvragen al subsidie is verleend op grond van het Besluit SDEK of het Besluit SDE, die wordt uitgebreid met ten minste één aanvullende put met een diepte van ten minste 1.500 meter; of

f. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 4.000 meter.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.13 — Geothermie voor hernieuwbare warmte

Artikel 58

1 De subsidie, bedoeld in artikel 57, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 57, onderdelen a, d, e en f, binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 57, onderdelen b en c, binnen zes jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.1 — Geothermie voor koolstofdioxide-arme warmte

Artikel 59

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent die broeikasgas vermindert door:

a. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 500 meter en kleiner dan 1.500 meter, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd met een compressiewarmtepomp op basis van een halogeenvrij koudemiddel met een COP-waarde van ten minste 3,0 en het nominale thermische vermogen ten minste 500 kWth is;

b. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 500 meter en kleiner dan 1.500 meter, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd met een compressiewarmtepomp op basis van een halogeenvrij koudemiddel met een COP-waarde van ten minste 3,0 en het nominale thermische vermogen ten minste 500 kWth is en de warmte wordt aangewend voor de verwarming van gebouwde omgeving; of

c. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 1.500 meter, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd met een compressiewarmtepomp op basis van een halogeenvrij koudemiddel met een COP-waarde van ten minste 3,0, het nominale thermische vermogen ten minste 500 kWth is en alle geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 90°C in het stookseizoen en de warmte wordt aangewend voor de verwarming van gebouwde omgeving.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.1 — Geothermie voor koolstofdioxide-arme warmte

Artikel 60

1 De subsidie, bedoeld in artikel 59, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 59, onderdeel a, binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 59, onderdelen b en c, binnen zes jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.2 — Thermische energie uit oppervlaktewater

Artikel 61

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte onttrokken uit oppervlaktewater, drinkwater of zeewater, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd door middel van een warmtepomp op basis van een halogeenvrij koudemiddel met een COP-waarde van ten minste 3,0 met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth, waarbij:

a. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 6.000 vollasturen per jaar bedraagt, de productie-installatie beschikt over een seizoensopslag voor warmte en de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving;

b. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 6.000 vollasturen per jaar bedraagt en de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving;

c. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 3.500 vollasturen per jaar bedraagt, de productie-installatie beschikt over een seizoensopslag voor warmte en de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving; of

d. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 3.500 vollasturen per jaar bedraagt en de productie-installatie beschikt over een seizoensopslag voor warmte.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.2 — Thermische energie uit oppervlaktewater

Artikel 62

1 De subsidie, bedoeld in artikel 61, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.3 — Thermische energie uit afvalwater

Artikel 63

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte onttrokken uit afvalwater of drinkwater door middel van een warmtepomp op basis van een halogeenvrij koudemiddel met een COP-waarde van ten minste 3,0 en met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.

2 De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, levert uitsluitend warmte aan gebouwde omgeving en wordt niet gebruikt voor koudelevering.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.3 — Thermische energie uit afvalwater

Artikel 64

1 De subsidie, bedoeld in artikel 63, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.4 — Lucht-water-warmtepomp

Artikel 65

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van een lucht-water-warmtepomp op basis van een halogeenvrij koudemiddel met een COP-waarde van ten minste 3,0.

2 De productie-installatie heeft een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth, waarbij zowel de aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van een verwarmingssysteem als de leveringstemperatuur van de warmtepomp ten minste 70°C bedragen in het stookseizoen.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.4 — Lucht-water-warmtepomp

Artikel 66

1 De subsidie, bedoeld in artikel 65, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte en wordt aangewend voor de verwarming van bestaande gebouwen of bestaande tuinbouwkassen.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.5 — Zonthermie voor warmte met toepassing in daglichtkas

Artikel 67

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte uit zonne-energie die integraal onderdeel uitmaakt van een nieuwe tuinbouwkas.

2 De productie-installatie maakt gebruik van:

a. een optisch en zonvolgend systeem, waarbij zonlicht wordt geconcentreerd op collectorbuizen met een thermisch vermogen dat ten minste vier keer het nominaal thermisch vermogen van de warmtepomp bedraagt; en

b. een warmtepomp op basis van een halogeenvrij koudemiddel met een COP-waarde van ten minste 5,0 en de warmtepomp een nominaal thermisch vermogen heeft van ten minste 500 kWth.

3 De productie-installatie heeft een seizoensopslag van warmte.

4 De productie-installatie wordt niet gebruikt voor koudelevering.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.5 — Zonthermie voor warmte met toepassing in daglichtkas

Artikel 68

1 De subsidie, bedoeld in artikel 67, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.6 — Zonthermie voor warmte door middel van pvt-collectoren

Artikel 69

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte uit zonne-energie en buitenluchtwarmte door middel van zonnecollectoren die warmte en stroom produceren, waarbij de warmte wordt aangewend voor de verwarming van gebouwde omgeving.

2 De productie-installatie maakt gebruik van een water-water-warmtepomp op basis van een halogeenvrij koudemiddel en de water-water-warmtepomp een minimaal nominaal thermisch vermogen van 500 kWth en een COP-waarde van ten minste 3,0 heeft.

3 De oppervlakte aan fotovoltaïsch-thermische panelen bedraagt ten minste 1,2 m2 per kWth nominaal thermisch vermogen van de warmtepomp.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.6 — Zonthermie voor warmte door middel van pvt-collectoren

Artikel 70

1 De subsidie, bedoeld in artikel 69, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.7 — Elektroboiler voor warmte

Artikel 71

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie waarmee elektriciteit in warmte wordt omgezet, waarbij de vrijkomende warmte direct of indirect wordt overgedragen aan een vloeistof voor:

a. toepassing in stadsverwarming; of

b. overige toepassingen.

2 De productie-installatie heeft een nominaal thermisch vermogen van ten minste 2 MWth, waarbij de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100°C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.

3 Het vermogen van de aansluiting op het elektriciteitsnet is ten minste even groot als het gezamenlijke vermogen van de op de locatie aanwezige elektroboilers.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.7 — Elektroboiler voor warmte

Artikel 72

1 De subsidie, bedoeld in artikel 71, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.8 — Industriële warmtepomp

Artikel 73

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van:

a. een elektrisch aangedreven gesloten warmtepomp op basis van een halogeenvrij koudemiddel met een COP-waarde van ten minste 2,3 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth, waarbij het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt;

b. een elektrisch aangedreven gesloten warmtepomp op basis van een halogeenvrij koudemiddel met een COP-waarde van ten minste 2,3 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth, waarbij het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 3.000 vollasturen per jaar bedraagt;

c. een elektrisch aangedreven open warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 2,3 en ten hoogste 12,0 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth, waarbij het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt; of

d. een elektrisch aangedreven open warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 2,3 en ten hoogste 12,0 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth, waarbij het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 3.000 vollasturen per jaar bedraagt.

2 De productie-installatie produceert warmte die op dezelfde locatie wordt gebruikt voor een industriële toepassing, niet zijnde tuinbouw, en levert geen koude.

3 De feitelijke productie van een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en d, bedraagt ten hoogste 4.000 productie-uren per jaar.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.8 — Industriële warmtepomp

Artikel 74

1 De subsidie, bedoeld in artikel 73, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.9 — Restwarmtebenutting

Artikel 75

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie met een thermisch vermogen van ten minste 2 MWth, waarmee restwarmte, niet zijnde stoom, wordt uitgekoppeld en naar een andere locatie wordt getransporteerd, waarbij ten minste de warmtewisselaar bij de uitkoppeling nieuw is, en:

a. de warmte wordt opgewaardeerd met een nieuwe warmtepomp op basis van een halogeenvrij koudemiddel, de warmtepomp een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth en een COP-waarde van ten minste 3,0 heeft en transport plaatsvindt met behulp van een transportleiding met een verhouding van kilometer nieuw aan te leggen transportleiding per MWth outputvermogen van de productie-installatie en andere op de transportleiding invoedende installaties van:

1°. ≥ 0,10 en < 0,20;

2°. ≥ 0,20 en < 0,30;

3°. ≥ 0,30 en < 0,40;

4°. ≥ 0,40; of

b. de warmte niet wordt opgewaardeerd en transport plaatsvindt met behulp van een transportleiding met een verhouding van kilometer nieuw aan te leggen transportleiding per MWth outputvermogen van de productie-installatie en andere op de transportleiding invoedende installaties van:

1°. ≥ 0,10 en < 0,20;

2°. ≥ 0,20 en < 0,30;

3°. ≥ 0,30 en < 0,40;

4°. ≥ 0,40.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.9 — Restwarmtebenutting

Artikel 76

1 De subsidie, bedoeld in artikel 75, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.10 — Waterstof uit elektrolyse

Artikel 77

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van waterstof geproduceerd door een productie-installatie die waterstof produceert met behulp van elektrolyse met een nominale capaciteit van ten minste 500 kW met:

a. een aansluiting op het elektriciteitsnet; of

b. een directe aansluiting op een productie-installatie die elektriciteit produceert met behulp van windenergie of een productie-installatie die elektriciteit produceert uit zonlicht door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen.

2 De productie-installatie is in staat om, terwijl deze gereed is voor gebruik, minder dan 1% elektriciteit te verbruiken van het maximale vermogen van de productie-installatie.

3 Indien sprake is van een productie-installatie met een directe aansluiting als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, wordt de subsidie uitsluitend verstrekt voor de waterstof die is geproduceerd met de elektriciteit die is geproduceerd door een productie-installatie voor wind- of zonne-energie waarvoor geen subsidie voor het produceren van die elektriciteit op grond van deze of een andere regeling is verstrekt.

4 Indien sprake is van een productie-installatie met een directe aansluiting als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, wordt de subsidie uitsluitend verstrekt voor de waterstof die is geproduceerd met elektriciteit die is geproduceerd door de direct aangesloten productie-installatie voor wind- of zonne-energie aangesloten.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.10 — Waterstof uit elektrolyse

Artikel 78

1 De subsidie, bedoeld in artikel 77, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.11 — Geavanceerde hernieuwbare brandstof

Artikel 79

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van geavanceerde hernieuwbare brandstof die wordt geproduceerd door een productie-installatie waarmee:

a. bioethanol wordt geproduceerd uit vaste lignocellulosehoudende biomassa, waarvan maximaal 50% B-Hout is als bedoeld in nummers 170 tot en met 179 van de NTA 8003:2017;

b. biomethanol wordt geproduceerd uit vaste lignocellulosehoudende biomassa, waarvan maximaal 50% B-Hout is als bedoeld in nummers 170 tot en met 179 van de NTA 8003:2017;

c. bioLNG wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting;

d. bioLNG wordt geproduceerd door middel van allesvergisting; of

e. diesel- en benzinevervangers worden geproduceerd uit vaste lignocellulosehoudende biomassa, waarvan maximaal 50% B-Hout is als bedoeld in nummers 170 tot en met 179 van de NTA 8003:2017.

2 De geavanceerde hernieuwbare brandstof wordt in Nederland wordt geleverd aan wegvoertuigen of binnenvaartschepen en wordt ingeboekt in het register hernieuwbare energie vervoer, bedoeld in paragraaf 9.7.5 van de Wet milieubeheer.

3 De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, maakt uitsluitend gebruik van grondstoffen als bedoeld in deel A van bijlage IX bij de richtlijn (EU) 2018/2001.

4 De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en e, maakt uitsluitend gebruik van vaste grondstoffen als bedoeld onder o) met uitzondering van zwart residuloog, bruin residuloog, vezelslib, lignine en tallolie, en q) van deel A van Bijlage IX bij de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.11 — Geavanceerde hernieuwbare brandstof

Artikel 80

1 De subsidie, bedoeld in artikel 79, eerste lid, onderdelen a, b en e, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidie, bedoeld in artikel 79, eerste lid, onderdelen c en d, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

3 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.12 — Vermindering broeikasgas door afvang en permanente opslag van koolstofdioxide voor ETS-bedrijven

Artikel 81

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent die met een productie-installatie koolstofdioxide afvangt en permanent opslaat of doet opslaan door een houder van een vergunning voor het exploiteren van een broeikasgasinstallatie als bedoeld in artikel 16.5 van de Wet milieubeheer in een ondergronds opslagvoorkomen voor koolstofdioxide, waarbij:

a. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt, de koolstofdioxide wordt afgevangen die ontstaat bij een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand proces, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, en ten minste de compressor nieuw is;

2°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de vervloeiingsinstallatie nieuw is; of

3°. vloeibaar transport van koolstofdioxide;

b. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt, de koolstofdioxide wordt afgevangen die ontstaat bij een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand proces, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, en ten minste de compressor nieuw is; of

2°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de vervloeiingsinstallatie nieuw is;

c. de afgevangen koolstofdioxide bij een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand proces wordt gezuiverd, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding en ten minste de installatie voor de zuivering van de afgevangen koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; of

2°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de installatie voor de zuivering van de afgevangen koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

d. de koolstofdioxide wordt afgevangen die ontstaat bij een nieuw productieproces voor de productie van waterstof uit restgassen, de waterstof wordt ingezet in een productieproces voor ondervuring in een ketel, fornuis of warmtekrachtkoppeling, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; of

2°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

e. de koolstofdioxide wordt afgevangen die ontstaat bij een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand verbrandingsproces, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; of

2°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

f. de afgevangen koolstofdioxide in een nieuw proces wordt gezuiverd, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, en ten minste de installatie voor de zuivering van de afgevangen koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; of

2°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de installatie voor de zuivering van de afgevangen koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

g. de afvang van koolstofdioxide gebeurt bij een nieuw verbrandingsproces, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; of

2°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn.

2 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, c, d, e, f of g.

3 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 89, eerste lid, aanhef en onderdeel a, c, d, e, f of g, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2022.

4 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b, c, f, g, h, l of m, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021.

5 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 2°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1° of 2°, onderdeel c, subonderdeel 1° of 2°, onderdeel d, subonderdeel 1° of 2°, onderdeel e, subonderdeel 1° of 2°, onderdeel f, subonderdeel 1° of 2°, of onderdeel g, subonderdeel 1°.

6 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 2°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 89, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdelen 1° of 2°, onderdeel c, subonderdelen 1° of 2°, onderdeel d, subonderdelen 1° of 2°, onderdeel e, subonderdelen 1° of 2°, onderdeel f, subonderdelen 1° of 2°, of onderdeel g, subonderdeel 1°, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2022.

7 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 2°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, c, f, h of l, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021.

8 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°, onderdeel c, subonderdeel 3°, onderdeel d, subonderdeel 3°, onderdeel e, subonderdeel 3°, onderdeel f, subonderdeel 3° of onderdeel g, subonderdeel 2°.

9 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 89, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°, onderdeel c, subonderdeel 3°, onderdeel d, subonderdeel 3°, onderdeel e, subonderdeel 3°, onderdeel f, subonderdeel 3° of onderdeel g, subonderdeel 2°, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2022.

10 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel b, g of m, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.12 — Vermindering broeikasgas door afvang en permanente opslag van koolstofdioxide voor ETS-bedrijven

Artikel 82

1 De subsidie, bedoeld in artikel 81, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen zes jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De afgevangen en permanent opgeslagen koolstofdioxide die voor subsidie in aanmerking komt, komt uitsluitend voort uit:

a. een door de subsidieontvanger uitgevoerde economische activiteit met SBI-code 06, 08 tot en met 33 of 38;

b. een door de subsidieontvanger uitgevoerde economische activiteit met SBI-code 351, indien de koolstofdioxide vrijkomt bij de verbranding van een bijproduct afkomstig van door subsidieontvangers uitgevoerde economische activiteiten met SBI-code 06, 08 tot en met 33, 352, 353 of 38:;

c. een door de subsidieontvanger uitgevoerde economische activiteit met SBI-code 35111, indien het de productie van elektriciteit door een warmtekrachtcentrale betreft die hoofdzakelijk wordt gestookt op aardgas.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.13 — Vermindering broeikasgas door afvang en permanente opslag van koolstofdioxide voor niet-ETS-bedrijven

Artikel 83

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent die niet valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer, en die met een productie-installatie koolstofdioxide afvangt en permanent opslaat of doet opslaan door een houder van een vergunning voor het exploiteren van een broeikasgasinstallatie als bedoeld in artikel 16.5 van de Wet milieubeheer in een ondergronds opslagvoorkomen voor koolstofdioxide, waarbij:

a. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt, de koolstofdioxide wordt afgevangen die ontstaat bij een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand proces, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, en ten minste de compressor nieuw is;

2°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en tenminste de vervloeiingsinstallatie nieuw is; of

3°. vloeibaar transport van koolstofdioxide;

b. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt, de koolstofdioxide wordt afgevangen die ontstaat bij een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand proces, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, en ten minste de compressor nieuw is; of

2°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de vervloeiingsinstallatie nieuw is;

c. de afgevangen koolstofdioxide bij een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand proces wordt gezuiverd, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding en ten minste de installatie voor de zuivering van de afgevangen koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; of

2°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de installatie voor de zuivering van de afgevangen koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

d. de koolstofdioxide wordt afgevangen die ontstaat bij een nieuw productieproces voor de productie van waterstof uit restgassen, de waterstof wordt ingezet in een productieproces voor ondervuring in een ketel, fornuis of warmtekrachtkoppeling, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; of

2°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

e. de koolstofdioxide wordt afgevangen die ontstaat bij een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand verbrandingsproces, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; of

2°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

f. de afvang van koolstofdioxide gebeurt bij een op het moment van indienen van de aanvraag bestaande afvalverbrandingsinstallatie, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; of

2°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

g. de afgevangen koolstofdioxide in een nieuw proces wordt gezuiverd, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, en ten minste de installatie voor de zuivering van de afgevangen koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; of

2°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de installatie voor de zuivering van de afgevangen koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

h. de afvang van koolstofdioxide gebeurt bij een nieuw verbrandingsproces, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; of

2°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn.

2 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, c, d, e, f of g.

3 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 89, eerste lid, aanhef en onderdeel a, c, d, e, f of g van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2022.

4 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b, c, f, g, h, i, j, k, l of m van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021.

5 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 2°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1° of 2°, onderdeel c, subonderdeel 1° of 2°, onderdeel d, subonderdeel 1° of 2°, onderdeel e, subonderdeel 1° of 2°, onderdeel f, subonderdeel 1° of 2°, of onderdeel g, subonderdeel 1°.

6 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 2°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 89, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdelen 1° of 2°, onderdeel c, subonderdelen 1° of 2°, onderdeel d, subonderdelen 1° of 2°, onderdeel e, subonderdeel 1° of 2°, onderdeel f, subonderdeel 1° of 2° of onderdeel g, subonderdeel 1° van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2022.

7 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 2°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, c, f, h, i, k, of l van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021.

8 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°, onderdeel c, subonderdeel 3°, onderdeel d, subonderdeel 3°, onderdeel e, subonderdeel 3°, onderdeel f, subonderdeel 3° of onderdeel g, subonderdeel 2°.

9 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 89, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°, onderdeel c, subonderdeel 3°, onderdeel d, subonderdeel 3°, onderdeel e, subonderdeel 3°, onderdeel f, subonderdeel 3° of onderdeel g, subonderdeel 2° van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2022.

10 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel b, g, j of m van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.13 — Vermindering broeikasgas door afvang en permanente opslag van koolstofdioxide voor niet-ETS-bedrijven

Artikel 84

1 De subsidie, bedoeld in artikel 83, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen zes jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De afgevangen en permanent opgeslagen koolstofdioxide die voor subsidie in aanmerking komt, komt uitsluitend voort uit:

a. een door de subsidieontvanger uitgevoerde economische activiteit met SBI-code 06, 08 tot en met 33 of 38;

b. een door de subsidieontvanger uitgevoerde economische activiteit met SBI-code 351, indien de koolstofdioxide vrijkomt bij de verbranding van een bijproduct afkomstig van door subsidieontvangers uitgevoerde economische activiteiten met SBI-code 06, 08 tot en met 33, 352, 353 of 38;

c. een door de subsidieontvanger uitgevoerde economische activiteit met SBI-code 35111, indien het de productie van elektriciteit door een warmtekrachtcentrale betreft die hoofdzakelijk wordt gestookt op aardgas.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.14 — Vermindering broeikasgas door afvang en gebruik van koolstofdioxide

Artikel 85

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent die met een productie-installatie koolstofdioxide afvangt en gebruikt of doet gebruiken ter vermindering van broeikasgas door middel van nuttig aangewende koolstofdioxide, waarbij:

a. de afgevangen koolstofdioxide bij een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand proces wordt gezuiverd, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding, en ten minste de installatie voor de zuivering van de afgevangen koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;

2°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding, en ten minste de installatie voor de zuivering van de afgevangen koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn, en de transportleiding wordt uitgebreid of nieuw aangelegd; of

3°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de installatie voor de zuivering van de afgevangen koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

b. de koolstofdioxide wordt afgevangen bij een op het moment van indienen van de aanvraag bij een bestaand proces, en gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de vervloeiingsinstallatie nieuw is;

c. de afgevangen koolstofdioxide bij een nieuw proces wordt gezuiverd, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding, en ten minste de installatie voor de zuivering van de afgevangen koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;

2°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding, en ten minste de installatie voor de zuivering van de afgevangen koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn, en de transportleiding wordt uitgebreid of nieuw aangelegd; of

3°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de installatie voor de zuivering van de afgevangen koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

d. de koolstofdioxide die wordt afgevangen ontstaat bij een op het moment van indienen van de aanvraag bestaande verbrandingsproces, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;

2°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn, en de transportleiding wordt uitgebreid of nieuw aangelegd; of

3°. vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

e. de koolstofdioxide die wordt afgevangen ontstaat bij een nieuw verbrandingsproces, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;

2°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn, en de transportleiding wordt uitgebreid of nieuw aangelegd; of

3°. vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

f. de koolstofdioxide wordt afgevangen die ontstaat bij een in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaande afvalverbrandingsinstallatie, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;

2°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn, en de transportleiding wordt uitgebreid of nieuw aangelegd; of

3°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

g. de koolstofdioxide wordt afgevangen bij een biomassaverbrandingsinstallatie, en gebruik wordt gemaakt van:

1°. gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide nieuw is; of

2°. vloeibaar transport van koolstofdioxide, en ten minste de installatie voor de afvang en zuivering van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn.

2 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, c, d, e, f of g, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 81, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1° of artikel 83, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1°.

3 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdelen 1° of 2°, onderdeel c, subonderdelen 1° of 2°, onderdeel d, subonderdelen 1° of 2°, onderdeel e, subonderdelen 1° of 2°, onderdeel f, subonderdelen 1° of 2° of onderdeel g, subonderdeel 1° kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 81, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 2° of artikel 83, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 2°.

4 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°, onderdeel c, subonderdeel 3°, onderdeel d, subonderdeel 3°, onderdeel e, subonderdeel 3°, onderdeel f, subonderdeel 3° of onderdeel g, subonderdeel 2° kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 81, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3° of artikel 83, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 3°.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.14 — Vermindering broeikasgas door afvang en gebruik van koolstofdioxide

Artikel 86

1 De subsidie, bedoeld in artikel 85, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen zes jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 4 — Fasebedragen

Artikel 87

1 Voor de fase, genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel, wordt:

a. de periode waarbinnen de aanvragen moeten zijn ontvangen per fase vastgesteld op de periode, genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel;

b. voor fase 1 tot en met 4 het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, 27, eerste lid, 43a, eerste lid, en 55e, eerste lid, van het Besluit SDEK, per respectievelijke fase vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

c. voor fase 5 het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, 27, eerste lid, 43a, eerste lid, en 55e, eerste lid, van het Besluit SDEK, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, waarbij het fasebedrag voor het fasebedrag voor subsidies voor aanvragen binnen het domein hoge-temperatuur-warmte, het domein lage-temperatuur-warmte of het domein moleculen wordt verhoogd met € 100;

Fase | Periode waarbinnen de aanvragen ontvangen moet zijn, per fase | Fasebedrag in €/1.000 kg broeikasgas

1 | 5 september 2023, 9:00 uur, tot 11 september 2023, 17:00 uur | 90

2 | 11 september 2023, 17:00 uur, tot 18 september 2023, 17:00 uur | 180

3 | 18 september 2023, 17:00 uur, tot 25 september 2023, 17:00 uur | 240

4 | 25 september 2023, 17:00 uur, tot 2 oktober 2023, 17:00 uur | 300

5 | 2 oktober 2023, 17:00 uur, tot 5 oktober 2023, 17:00 uur | 3001

1 verhoging met € 100 voor de aanvragen voor subsidies binnen het domein hoge-temperatuur-warmte, het domein lage-temperatuur-warmte en het domein moleculen.

2 Voor de fase 1 tot en met 5, bedoeld in het eerste lid, wordt in afwijking van het fasebedrag, genoemd in de derde kolom van de tabel in het eerste lid, het omgerekende fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, artikel 27, eerste lid, en 43a, eerste lid en 55e, eerste lid, van het Besluit SDEK, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte en gecombineerde opwekking en vermindering van broeikasgas, vastgesteld op het respectievelijk in de derde, vierde, vijfde, zesde en zevende kolom van onderstaande tabellen genoemde bedrag.

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7

Artikel regeling | Categorie | Fasebedrag in euro/kWh

Fase 1 | Fase 2 | Fase 3 | Fase 4 | Fase 5

Artikel 13, onderdeel a | Waterkracht, valhoogte < 50 cm | 0,1015 | 0,1123 | 0,1195 | 0,1267 | 0,1267

Artikel 13, onderdeel b | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm | 0,1015 | 0,1123 | 0,1195 | 0,1267 | 0,1267

Artikel 13, onderdeel c | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie | 0,1015 | 0,1123 | 0,1195 | 0,1225 | 0,1225

Artikel 15 | Osmose | 0,1015 | 0,1123 | 0,1195 | 0,1267 | 0,1267

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° | Wind op land, ≥ 8,5 m/s | 0,0530 | 0,0530 | 0,0530 | 0,0530 | 0,0530

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° | Wind op land, ≥ 8 en < 8,5 m/s | 0,0533 | 0,0533 | 0,0533 | 0,0533 | 0,0533

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3° | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0585 | 0,0585 | 0,0585 | 0,0585 | 0,0585

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 4° | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0624 | 0,0624 | 0,0624 | 0,0624 | 0,0624

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 5° | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0666 | 0,0666 | 0,0666 | 0,0666 | 0,0666

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 6° | Wind op land, < 6,75 m/s | 0,0712 | 0,0714 | 0,0714 | 0,0714 | 0,0714

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8,5 m/s | 0,0543 | 0,0543 | 0,0543 | 0,0543 | 0,0543

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8 en < 8,5 m/s | 0,0616 | 0,0616 | 0,0616 | 0,0616 | 0,0616

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0689 | 0,0689 | 0,0689 | 0,0689 | 0,0689

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 4° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0712 | 0,0788 | 0,0788 | 0,0788 | 0,0788

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 5° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0712 | 0,0805 | 0,0850 | 0,0850 | 0,0850

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 6° | Wind op land, hoogtebeperkt < 6,75 m/s | 0,0712 | 0,0805 | 0,0866 | 0,0926 | 0,0926

Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° | Wind op waterkering, ≥ 8,5 m/s | 0,0590 | 0,0590 | 0,0590 | 0,0590 | 0,0590

Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° | Wind op waterkering, ≥ 8 en < 8,5 m/s | 0,0611 | 0,0611 | 0,0611 | 0,0611 | 0,0611

Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° | Wind op waterkering, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0665 | 0,0665 | 0,0665 | 0,0665 | 0,0665

Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4° | Wind op waterkering, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0703 | 0,0703 | 0,0703 | 0,0703 | 0,0703

Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5° | Wind op waterkering, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0712 | 0,0758 | 0,0758 | 0,0758 | 0,0758

Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6° | Wind op waterkering, < 6,75 m/s | 0,0712 | 0,0804 | 0,0804 | 0,0804 | 0,0804

Artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° | Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden (net = 50%) | 0,0916 | 0,0916 | 0,0916 | 0,0916 | 0,0916

Artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° | Zon-PV ≥ 1 MWp, gebouwgebonden (net = 50%) | 0,0804 | 0,0804 | 0,0804 | 0,0804 | 0,0804

Artikel 23, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° | Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, drijvend op water (net = 50%) | 0,0916 | 0,0916 | 0,0916 | 0,0916 | 0,0916

Artikel 23, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° | Zon-PV ≥ 1 MWp, drijvend op water (net = 50%) | 0,0811 | 0,0811 | 0,0811 | 0,0811 | 0,0811

Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° | Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, op land (net = 50%) | 0,0916 | 0,0916 | 0,0916 | 0,0916 | 0,0916

Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° | Zon-PV ≥ 1 MWp en < 20 MWp, op land (net = 50%) | 0,0701 | 0,0701 | 0,0701 | 0,0701 | 0,0701

Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° | Zon-PV ≥ 20 MWp, op land (net = 50%) | 0,0667 | 0,0667 | 0,0667 | 0,0667 | 0,0667

Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° | Zon-PV ≥ 1 MWp en < 20 MWp, zonvolgend op land | 0,0633 | 0,0633 | 0,0633 | 0,0633 | 0,0633

Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° | Zon-PV ≥ 20 MWp, zonvolgend op land | 0,0602 | 0,0602 | 0,0602 | 0,0602 | 0,0602

Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° | Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op water | 0,0734 | 0,0734 | 0,0734 | 0,0734 | 0,0734

Artikel 25, onderdeel a | Allesvergisting, gas | 0,0615 | 0,0779 | 0,0889 | 0,0893 | 0,0893

Artikel 25, onderdeel b | Monomestvergisting > 450 kW, gas | 0,0754 | 0,1057 | 0,1066 | 0,1066 | 0,1066

Artikel 25, onderdeel c | Monomestvergisting ≤ 450 kW, gas | 0,0925 | 0,1400 | 0,1523 | 0,1523 | 0,1523

Artikel 27, onderdeel a | Allesvergisting verlengde levensduur, ombouw naar gas | 0,0615 | 0,0777 | 0,0777 | 0,0777 | 0,0777

Artikel 27, onderdeel b | Allesvergisting verlengde levensduur, gas | 0,0615 | 0,0733 | 0,0733 | 0,0733 | 0,0733

Artikel 27, onderdeel c | Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 450 kW, ombouw naar gas | 0,0949 | 0,1309 | 0,1309 | 0,1309 | 0,1309

Artikel 27, onderdeel d | Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 450 kW, gas | 0,0949 | 0,1212 | 0,1212 | 0,1212 | 0,1212

Artikel 29, eerste lid | RWZI verbeterde slibgisting, gas | 0,0615 | 0,0779 | 0,0889 | 0,0999 | 0,1148

Artikel 31, onderdeel a | Biomassavergassing (inclusief B-hout) | 0,0601 | 0,0751 | 0,0797 | 0,0797 | 0,0797

Artikel 31, onderdeel b | Biomassavergassing (exclusief B-hout) | 0,0601 | 0,0751 | 0,0852 | 0,0952 | 0,1120

Artikel 33, eerste lid, onderdeel a | Zonthermie ≥ 140 kWth en < 1 MWth | 0,0873 | 0,1077 | 0,1170 | 0,1170 | 0,1170

Artikel 33, eerste lid, onderdeel b | Zonthermie ≥ 1 MWth | 0,0819 | 0,0986 | 0,0986 | 0,0986 | 0,0986

Artikel 35, onderdeel a | Allesvergisting, warmte | 0,0737 | 0,0737 | 0,0737 | 0,0737 | 0,0737

Artikel 35, onderdeel b | Allesvergisting, gecombineerde opwekking | 0,0853 | 0,0853 | 0,0853 | 0,0853 | 0,0853

Artikel 35, onderdeel c | Monomestvergisting, warmte > 450 kW | 0,0988 | 0,1004 | 0,1004 | 0,1004 | 0,1004

Artikel 35, onderdeel d | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 450 kW | 0,1160 | 0,1180 | 0,1180 | 0,1180 | 0,1180

Artikel 35, onderdeel e | Monomestvergisting, warmte ≤ 450 kW | 0,1234 | 0,1399 | 0,1399 | 0,1399 | 0,1399

Artikel 35, onderdeel f | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 450 kW | 0,1746 | 0,2039 | 0,2039 | 0,2039 | 0,2039

Artikel 37, onderdeel a | Allesvergisting verlengde levensduur, warmte | 0,0679 | 0,0679 | 0,0679 | 0,0679 | 0,0679

Artikel 37, onderdeel b | Allesvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking | 0,0705 | 0,0705 | 0,0705 | 0,0705 | 0,0705

Artikel 37, onderdeel c | Monomestvergisting verlengde levensduur, warmte ≤ 450 kW | 0,0960 | 0,0960 | 0,0960 | 0,0960 | 0,0960

Artikel 37, onderdeel d | Monomestvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking ≤ 450 kW | 0,1427 | 0,1427 | 0,1427 | 0,1427 | 0,1427

Artikel 39, eerste lid, onderdeel a | RWZI verbeterde slibgisting, warmte | 0,0819 | 0,0980 | 0,0980 | 0,0980 | 0,0980

Artikel 39, eerste lid, onderdeel b | RWZI verbeterde slibgisting, gecombineerde opwekking | 0,0959 | 0,1105 | 0,1202 | 0,1299 | 0,1299

Artikel 41, onderdeel a | Ketel op vloeibare biomassa, stadsverwarming | 0,0819 | 0,0826 | 0,0826 | 0,0826 | 0,0826

Artikel 41, onderdeel b | Ketel op vloeibare biomassa, overige toepassing | 0,0819 | 0,0826 | 0,0826 | 0,0826 | 0,0826

Artikel 43 | Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa | 0,0715 | 0,0715 | 0,0715 | 0,0715 | 0,0715

Artikel 45, onderdeel a | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) | 0,0553 | 0,0611 | 0,0611 | 0,0611 | 0,0611

Artikel 45, onderdeel b | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) | 0,0553 | 0,0601 | 0,0601 | 0,0601 | 0,0601

Artikel 45, onderdeel c | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) | 0,0553 | 0,0591 | 0,0591 | 0,0591 | 0,0591

Artikel 45, onderdeel d | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) | 0,0553 | 0,0584 | 0,0584 | 0,0584 | 0,0584

Artikel 45, onderdeel e | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) | 0,0553 | 0,0575 | 0,0575 | 0,0575 | 0,0575

Artikel 45, onderdeel f | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) | 0,0553 | 0,0570 | 0,0570 | 0,0570 | 0,0570

Artikel 45, onderdeel g | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) | 0,0553 | 0,0568 | 0,0568 | 0,0568 | 0,0568

Artikel 45, onderdeel h | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) | 0,0553 | 0,0563 | 0,0563 | 0,0563 | 0,0563

Artikel 45, onderdeel i | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) | 0,0553 | 0,0558 | 0,0558 | 0,0558 | 0,0558

Artikel 47 | Grote ketel op B-hout | 0,0338 | 0,0338 | 0,0338 | 0,0338 | 0,0338

Artikel 49, eerste lid, onderdeel a | Grote stoomketel op houtpellets ≥ 5 MWth en < 50 MWth | 0,0553 | 0,0757 | 0,0830 | 0,0830 | 0,0830

Artikel 49, eerste lid, onderdeel b | Grote stoomketel op houtpellets ≥ 50 MWth | 0,0553 | 0,0757 | 0,0892 | 0,0910 | 0,0910

Artikel 51 | Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen | 0,0635 | 0,0635 | 0,0635 | 0,0635 | 0,0635

Artikel 53, eerste lid | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa verlengde levensduur | 0,0436 | 0,0436 | 0,0436 | 0,0436 | 0,0436

Artikel 55, eerste lid | Composteringsinstallatie, warmte | 0,0563 | 0,0563 | 0,0563 | 0,0563 | 0,0563

Artikel 57, onderdeel a, subonderdeel 1 en onderdeel d, subonderdeel 1 | Diepe geothermie < 12 MWth, basislast | 0,0595 | 0,0595 | 0,0595 | 0,0595 | 0,0595

Artikel 57, onderdeel a, subonderdeel 2 en onderdeel d, subonderdeel 2 | Diepe geothermie ≥ 12 MWth en < 20 MWth, basislast | 0,0531 | 0,0531 | 0,0531 | 0,0531 | 0,0531

Artikel 57, onderdeel a, subonderdeel 3 en onderdeel d, subonderdeel 3 | Diepe geothermie ≥ 20 MWth, basislast | 0,0471 | 0,0471 | 0,0471 | 0,0471 | 0,0471

Artikel 57, onderdeel b | Diepe geothermie, middenlast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0745 | 0,0973 | 0,0973 | 0,0973 | 0,0973

Artikel 57, onderdeel c | Diepe geothermie, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0742 | 0,1134 | 0,1240 | 0,1240 | 0,1240

Artikel 57, onderdeel e | Diepe geothermie, basislast, aanvullende put | 0,0353 | 0,0353 | 0,0353 | 0,0353 | 0,0353

Artikel 57, onderdeel f | Ultradiepe geothermie, basislast | 0,0748 | 0,0814 | 0,0814 | 0,0814 | 0,0814

Artikel 59, onderdeel a | Ondiepe geothermie met warmtepomp, basislast | 0,0698 | 0,0957 | 0,0957 | 0,0957 | 0,0957

Artikel 59, onderdeel b | Ondiepe geothermie met warmtepomp, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0698 | 0,1047 | 0,1279 | 0,1506 | 0,1506

Artikel 59, onderdeel c | Diepe geothermie met warmtepomp, basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0692 | 0,1033 | 0,1089 | 0,1089 | 0,1089

Artikel 61, onderdeel a | Thermische energie uit oppervlaktewater met seizoensopslag, basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0516 | 0,0681 | 0,0792 | 0,0902 | 0,1086

Artikel 61, onderdeel b | Thermische energie uit oppervlaktewater, basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0522 | 0,0695 | 0,0734 | 0,0734 | 0,0734

Artikel 61, onderdeel c | Thermische energie uit oppervlaktewater met seizoensopslag, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0514 | 0,0678 | 0,0788 | 0,0897 | 0,1080

Artikel 61, onderdeel d | Thermische energie uit oppervlaktewater met seizoensopslag, directe toepassing | 0,0523 | 0,0696 | 0,0812 | 0,0872 | 0,0872

Artikel 63, eerste lid | Thermische energie uit afvalwater, basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0522 | 0,0694 | 0,0805 | 0,0805 | 0,0805

Artikel 65, eerste lid | Lucht-water-warmtepomp, geen basislast | 0,0780 | 0,0945 | 0,1054 | 0,1164 | 0,1241

Artikel 67, eerste lid | Daglichtkas | 0,0530 | 0,0709 | 0,0829 | 0,0907 | 0,0907

Artikel 69, eerste lid | Zon-PVT systeem | 0,0530 | 0,0530 | 0,0530 | 0,0530 | 0,0530

Artikel 71, eerste lid, onderdeel a | Elektroboiler, stadsverwarming | 0,0653 | 0,0857 | 0,0954 | 0,0954 | 0,0954

Artikel 71, eerste lid, onderdeel b | Elektroboiler, overige toepassing | 0,0653 | 0,0857 | 0,0954 | 0,0954 | 0,0954

Artikel 73, eerste lid, onderdeel a | Industriële gesloten warmtepomp (8.000 uur) | 0,0523 | 0,0530 | 0,0530 | 0,0530 | 0,0530

Artikel 73, eerste lid, onderdeel b | Industriële gesloten warmtepomp (3.000 uur) | 0,0523 | 0,0695 | 0,0810 | 0,0925 | 0,0970

Artikel 73, eerste lid, onderdeel c | Industriële open warmtepomp (8.000 uur) | 0,0525 | 0,0525 | 0,0525 | 0,0525 | 0,0525

Artikel 73, eerste lid, onderdeel d | Industriële open warmtepomp (3.000 uur) | 0,0538 | 0,0726 | 0,0851 | 0,0977 | 0,1176

Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 1° | Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,10 en < 0,20 km/MWth | 0,0522 | 0,0682 | 0,0682 | 0,0682 | 0,0682

Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 2° | Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth | 0,0522 | 0,0694 | 0,0755 | 0,0755 | 0,0755

Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 3° | Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,30 en < 0,40 km/MWth | 0,0522 | 0,0694 | 0,0808 | 0,0827 | 0,0827

Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 4° | Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,40 km/MWth | 0,0522 | 0,0693 | 0,0808 | 0,0899 | 0,0899

Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 1° | Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,10 en < 0,20 km/MWth | 0,0243 | 0,0243 | 0,0243 | 0,0243 | 0,0243

Artikel 75,onderdeel b, subonderdeel 2° | Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth | 0,0315 | 0,0315 | 0,0315 | 0,0315 | 0,0315

Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 3° | Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0, 30 en < 0,40 km/MWth | 0,0387 | 0,0387 | 0,0387 | 0,0387 | 0,0387

Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 4° | Benutting restwarmte, transportleiding ≥ 0,40 km/MWth | 0,0460 | 0,0460 | 0,0460 | 0,0460 | 0,0460

Artikel 77, eerste lid, onderdeel a | Waterstof uit elektrolyse, netgekoppeld | 0,0840 | 0,1046 | 0,1184 | 0,1321 | 0,1550

Artikel 77, eerste lid, onderdeel b | Waterstof uit elektrolyse, directe lijn met windpark of zonnepark | 0,0840 | 0,1046 | 0,1184 | 0,1321 | 0,1550

Artikel 79, eerste lid, onderdeel a | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa | 0,1211 | 0,1467 | 0,1637 | 0,1657 | 0,1657

Artikel 79, eerste lid, onderdeel b | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, biomethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa | 0,1181 | 0,1407 | 0,1421 | 0,1421 | 0,1421

Artikel 79, eerste lid, onderdeel c | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit monomestvergisting | 0,0893 | 0,1253 | 0,1494 | 0,1589 | 0,1589

Artikel 79, eerste lid, onderdeel d | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit allesvergisting | 0,0753 | 0,0974 | 0,1088 | 0,1088 | 0,1088

Artikel 79, eerste lid, onderdeel e | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, diesel- en benzinevervangers uit vaste lignocellulose houdende biomassa | 0,1171 | 0,1383 | 0,1383 | 0,1383 | 0,1383

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7

Artikel regeling | Categorie | Fasebedrag in euro/1.000 kg CO2

Fase 1 | Fase 2 | Fase 3 | Fase 4 | Fase 5

Artikel 81, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° | CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties, gasvormig transport | 193,2830 | 193,2830 | 193,2830 | 193,2830 | 193,2830

Artikel 81, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° | CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 200,2707 | 265,9978 | 265,9978 | 265,9978 | 265,9978

Artikel 81, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° | CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties, vloeibaar transport | 200,2707 | 219,1409 | 219,1409 | 219,1409 | 219,1409

Artikel 81, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° | CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties, gasvormig transport | 108,8450 | 108,8450 | 108,8450 | 108,8450 | 108,8450

Artikel 81, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° | CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 146,1369 | 146,1369 | 146,1369 | 146,1369 | 146,1369

Artikel 81, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, gasvormig transport | 146,9185 | 146,9185 | 146,9185 | 146,9185 | 146,9185

Artikel 81, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 182,4241 | 182,4241 | 182,4241 | 182,4241 | 182,4241

Artikel 81, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring, gasvormig transport | 191,0295 | 191,0295 | 191,0295 | 191,0295 | 191,0295

Artikel 81, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 199,1907 | 228,8453 | 228,8453 | 228,8453 | 228,8453

Artikel 81, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport | 191,7169 | 191,7169 | 191,7169 | 191,7169 | 191,7169

Artikel 81, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 193,0093 | 226,5740 | 226,5740 | 226,5740 | 226,5740

Artikel 81, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport | 125,9515 | 125,9515 | 125,9515 | 125,9515 | 125,9515

Artikel 81, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport | 165,5532 | 165,5532 | 165,5532 | 165,5532 | 165,5532

Artikel 81, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport | 172,6223 | 172,6223 | 172,6223 | 172,6223 | 172,6223

Artikel 81, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 194,4331 | 205,5177 | 205,5177 | 205,5177 | 205,5177

Artikel 83, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° | CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 81,7436 | 163,4872 | 193,2830 | 193,2830 | 193,2830

Artikel 83, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° | CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 81,3440 | 162,6880 | 216,9173 | 265,9978 | 265,9978

Artikel 83, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° | CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport | 81,3440 | 162,6880 | 216,9173 | 219,1409 | 219,1409

Artikel 83, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° | CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 81,7436 | 108,8450 | 108,8450 | 108,8450 | 108,8450

Artikel 83, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° | CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 81,3440 | 146,1369 | 146,1369 | 146,1369 | 146,1369

Artikel 83, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 81,7436 | 146,9185 | 146,9185 | 146,9185 | 146,9185

Artikel 83, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 81,3440 | 162,6880 | 182,4241 | 182,4241 | 182,4241

Artikel 83, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 80,6636 | 161,3272 | 191,0295 | 191,0295 | 191,0295

Artikel 83, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 80,2640 | 160,5280 | 214,0373 | 228,8453 | 228,8453

Artikel 83, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 74,4822 | 148,9644 | 191,7169 | 191,7169 | 191,7169

Artikel 83, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 74,0826 | 148,1652 | 197,5536 | 226,5740 | 226,5740

Artikel 83, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande afvalverbrandingsinstallatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 67,2005 | 134,4010 | 179,2013 | 216,0474 | 216,0474

Artikel 83, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande afvalverbrandingsinstallatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 66,8009 | 133,6018 | 178,1357 | 222,6696 | 222,6696

Artikel 83, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 82,2928 | 125,9515 | 125,9515 | 125,9515 | 125,9515

Artikel 83, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 81,8932 | 163,7863 | 165,5532 | 165,5532 | 165,5532

Artikel 83, eerste lid, onderdeel h, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 75,9060 | 151,8120 | 172,6223 | 172,6223 | 172,6223

Artikel 83, eerste lid, onderdeel h, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 75,5064 | 151,0128 | 201,3504 | 205,5177 | 205,5177

Artikel 85, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, gasvormig transport | 101,2105 | 101,2105 | 101,2105 | 101,2105 | 101,2105

Artikel 85, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 115,5628 | 115,5628 | 115,5628 | 115,5628 | 115,5628

Artikel 85, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 158,3779 | 158,3779 | 158,3779 | 158,3779 | 158,3779

Artikel 85, eerste lid, onderdeel b | Extra CCU – Bestaande CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 107,9342 | 107,9342 | 107,9342 | 107,9342 | 107,9342

Artikel 85, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport | 71,2260 | 71,2260 | 71,2260 | 71,2260 | 71,2260

Artikel 85, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 85,5783 | 85,5783 | 85,5783 | 85,5783 | 85,5783

Artikel 85, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 130,9846 | 130,9846 | 130,9846 | 130,9846 | 130,9846

Artikel 85, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport | 167,3015 | 167,3015 | 167,3015 | 167,3015 | 167,3015

Artikel 85, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 172,2959 | 181,6538 | 181,6538 | 181,6538 | 181,6538

Artikel 85, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 171,4373 | 225,8159 | 225,8159 | 225,8159 | 225,8159

Artikel 85, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport | 141,2888 | 141,2888 | 141,2888 | 141,2888 | 141,2888

Artikel 85, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 2° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 155,6411 | 155,6411 | 155,6411 | 155,6411 | 155,6411

Artikel 85, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 3° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 172,8611 | 195,2963 | 195,2963 | 195,2963 | 195,2963

Artikel 85, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 1° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij bestaande afvalverbrandingsinstallatie, gasvormig transport | 165,0142 | 195,9294 | 195,9294 | 195,9294 | 195,9294

Artikel 85, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 2° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij bestaande afvalverbrandingsinstallatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 165,0142 | 210,2817 | 210,2817 | 210,2817 | 210,2817

Artikel 85, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 3° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij bestaande afvalverbrandingsinstallatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 164,1556 | 224,6565 | 260,5508 | 260,5508 | 260,5508

Artikel 85, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 1° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij biomassa-installatie tuinbouw, gasvormig | 130,8712 | 130,8712 | 130,8712 | 130,8712 | 130,8712

Artikel 85, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 2° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij biomassa-installatie tuinbouw, vloeibaar, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 171,6209 | 174,7290 | 174,7290 | 174,7290 | 174,7290

3 In afwijking van de fasebedragen, genoemd in de derde, vierde, vijfde, zesde en zevende kolom van de tabel in het tweede lid, geldt voor de productie-installaties, bedoeld in de artikelen 13, 15, 17, eerste lid, 19, eerste lid, 21, eerste lid, 23, eerste lid, 25, 27, 29, eerste lid, 31, 33, eerste lid, 35, eerste lid, 37, 39, eerste lid, 41, eerste lid, 43, 45, 47, 49, 51, 53, eerste lid, 55, eerste lid, 57, 59, eerste lid, 61, 63, eerste lid, 65, eerste lid, 67, eerste lid, 69, eerste lid, 71, eerste lid, 73, eerste lid, 75, eerste lid, 77, eerste lid, en 79, eerste lid, het fasebedrag in euro per kWh in vier decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, indien dat bedrag per kWh lager is dan het fasebedrag dat van toepassing is voor de fase waarin de aanvraag is ingediend.

4 In afwijking van de fasebedragen, genoemd in de derde, vierde, vijfde, zesde of zevende kolom van de tabel in het tweede lid, geldt voor de productie-installaties, bedoeld in de artikelen 81, eerste lid, 83, eerste lid, en 85, eerste lid, het fasebedrag in euro per 1.000 kg broeikasgas in vier decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, indien dat bedrag per 1.000 kg broeikasgas lager is dan het fasebedrag, genoemd in de respectievelijke derde, vierde, vijfde, zesde of zevende kolom van de tabel in het tweede lid, dat van toepassing is voor de fase waarin de aanvraag is ingediend.

§ 4 — Fasebedragen

Artikel 88

1 Het rangschikkingsbedrag, bedoeld voor de vergelijking van de fasebedragen op grond van artikel 58, tweede lid, van het Besluit SDEK, wordt berekend volgens de formule in het tweede lid en voor de uitdrukking in euro per 1.000 kg vermindering van broeikasgas vermenigvuldigd met de factor 1.000 en afgerond op drie decimalen.

2 De formule voor de berekening van het rangschikkingsbedrag luidt:

a. voor productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte of hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit: het quotiënt van het verschil tussen het fasebedrag waarvoor de aanvrager de aanvraag heeft ingediend en de langetermijnenergieprijs als vastgesteld in de derde kolom van de in dit lid opgenomen tabel, en de omrekenfactor als vastgesteld in de vierde kolom van de in dit lid opgenomen tabel;

b. voor productie-installaties voor vermindering van broeikasgas: het quotiënt van het verschil tussen het fasebedrag waarvoor de aanvrager de aanvraag heeft ingediend en het langetermijnbroeikasgasbedrag als vastgesteld in de derde kolom van de in dit lid opgenomen tabel, en de omrekenfactor als vastgesteld in de vierde kolom van de in dit lid opgenomen tabel.

1 | 2 | 3 | 4

Artikel regeling | Categorie | Langetermijn energieprijs of langetermijn broeikasgasbedrag in euro/kWh | Omrekenfactor in kg CO2/kWh

Artikel 13, onderdeel a | Waterkracht, valhoogte < 50 cm | 0,0907 | 0,1200

Artikel 13, onderdeel b | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm | 0,0907 | 0,1200

Artikel 13, onderdeel c | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie | 0,0907 | 0,1200

Artikel 15 | Osmose | 0,0907 | 0,1200

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° | Wind op land, ≥ 8,5 m/s | 0,0620 | 0,1027

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° | Wind op land, ≥ 8 en < 8,5 m/s | 0,0620 | 0,1027

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3° | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0620 | 0,1027

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 4° | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0620 | 0,1027

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 5° | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0620 | 0,1027

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 6° | Wind op land, < 6,75 m/s | 0,0620 | 0,1027

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8,5 m/s | 0,0620 | 0,1027

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8 en < 8,5 m/s | 0,0620 | 0,1027

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0620 | 0,1027

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 4° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0620 | 0,1027

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 5° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0620 | 0,1027

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 6° | Wind op land, hoogtebeperkt < 6,75 m/s | 0,0620 | 0,1027

Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° | Wind op waterkering, ≥ 8,5 m/s | 0,0620 | 0,1027

Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° | Wind op waterkering, ≥ 8 en < 8,5 m/s | 0,0620 | 0,1027

Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° | Wind op waterkering, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0620 | 0,1027

Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4° | Wind op waterkering, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0620 | 0,1027

Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5° | Wind op waterkering, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0620 | 0,1027

Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6° | Wind op waterkering, < 6,75 m/s | 0,0620 | 0,1027

Artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° | Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden (net = 50%) | 0,1003 | 0,0803

Artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° | Zon-PV ≥ 1 MWp, gebouwgebonden (net = 50%) | 0,0923 | 0,0803

Artikel 23, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° | Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, drijvend op water (net = 50%) | 0,0936 | 0,0804

Artikel 23, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° | Zon-PV ≥ 1 MWp, drijvend op water (net = 50%) | 0,0749 | 0,0804

Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° | Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, op land (net = 50%) | 0,0936 | 0,0804

Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° | Zon-PV ≥ 1 MWp en < 20 MWp, op land (net = 50%) | 0,0749 | 0,0804

Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° | Zon-PV ≥ 20 MWp, op land (net = 50%) | 0,0714 | 0,0804

Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° | Zon-PV ≥ 1 MWp en < 20 MWp, zonvolgend op land | 0,0749 | 0,0800

Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° | Zon-PV ≥ 20 MWp, zonvolgend op land | 0,0714 | 0,0800

Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° | Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op water | 0,0749 | 0,0789

Artikel 25, onderdeel a | Allesvergisting, gas | 0,0450 | 0,1830

Artikel 25, onderdeel b | Monomestvergisting > 450 kW, gas | 0,0450 | 0,3374

Artikel 25, onderdeel c | Monomestvergisting ≤ 450 kW, gas | 0,0450 | 0,5279

Artikel 27, onderdeel a | Allesvergisting verlengde levensduur, ombouw naar gas | 0,0450 | 0,1830

Artikel 27, onderdeel b | Allesvergisting verlengde levensduur, gas | 0,0450 | 0,1830

Artikel 27, onderdeel c | Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 450 kW, ombouw naar gas | 0,0450 | 0,5539

Artikel 27, onderdeel d | Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 450 kW, gas | 0,0450 | 0,5539

Artikel 29, eerste lid | RWZI verbeterde slibgisting, gas | 0,0450 | 0,1830

Artikel 31, onderdeel a | Biomassavergassing (inclusief B-hout) | 0,0450 | 0,1674

Artikel 31, onderdeel b | Biomassavergassing (exclusief B-hout) | 0,0450 | 0,1674

Artikel 33, eerste lid, onderdeel a | Zonthermie ≥ 140 kWth en < 1 MWth | 0,0670 | 0,2260

Artikel 33, eerste lid, onderdeel b | Zonthermie ≥ 1 MWth | 0,0616 | 0,2260

Artikel 35, onderdeel a | Allesvergisting, warmte | 0,0616 | 0,2260

Artikel 35, onderdeel b | Allesvergisting, gecombineerde opwekking | 0,0758 | 0,1743

Artikel 35, onderdeel c | Monomestvergisting, warmte > 450 kW | 0,0616 | 0,4128

Artikel 35, onderdeel d | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 450 kW | 0,0822 | 0,3760

Artikel 35, onderdeel e | Monomestvergisting, warmte ≤ 450 kW | 0,0616 | 0,6870

Artikel 35, onderdeel f | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 450 kW | 0,0986 | 0,8445

Artikel 37, onderdeel a | Allesvergisting verlengde levensduur, warmte | 0,0616 | 0,2260

Artikel 37, onderdeel b | Allesvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking | 0,0758 | 0,1743

Artikel 37, onderdeel c | Monomestvergisting verlengde levensduur, warmte ≤ 450 kW | 0,0616 | 0,7218

Artikel 37, onderdeel d | Monomestvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking ≤ 450 kW | 0,0986 | 0,8963

Artikel 39, eerste lid, onderdeel a | RWZI verbeterde slibgisting, warmte | 0,0616 | 0,2260

Artikel 39, eerste lid, onderdeel b | RWZI verbeterde slibgisting, gecombineerde opwekking | 0,0813 | 0,1620

Artikel 41, onderdeel a | Ketel op vloeibare biomassa, stadsverwarming | 0,0616 | 0,2260

Artikel 41, onderdeel b | Ketel op vloeibare biomassa, overige toepassingen | 0,0616 | 0,2260

Artikel 43 | Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa | 0,0616 | 0,2260

Artikel 45, onderdeel a | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) | 0,0350 | 0,2260

Artikel 45, onderdeel b | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) | 0,0350 | 0,2260

Artikel 45, onderdeel c | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) | 0,0350 | 0,2260

Artikel 45, onderdeel d | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) | 0,0350 | 0,2260

Artikel 45, onderdeel e | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) | 0,0350 | 0,2260

Artikel 45, onderdeel f | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) | 0,0350 | 0,2260

Artikel 45, onderdeel g | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) | 0,0350 | 0,2260

Artikel 45, onderdeel h | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) | 0,0350 | 0,2260

Artikel 45, onderdeel i | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) | 0,0350 | 0,2260

Artikel 47 | Grote ketel op B-hout | 0,0350 | 0,2260

Artikel 49, eerste lid, onderdeel a | Grote stoomketel op houtpellets ≥ 5 MWth en < 50 MWth | 0,0350 | 0,2260

Artikel 49, eerste lid, onderdeel b | Grote stoomketel op houtpellets ≥ 50 MWth | 0,0350 | 0,2260

Artikel 51 | Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen | 0,0554 | 0,2260

Artikel 53, eerste lid | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa verlengde levensduur | 0,0350 | 0,2260

Artikel 55, eerste lid | Composteringsinstallatie, warmte | 0,0616 | 0,2260

Artikel 57, onderdeel a, subonderdeel 1 en onderdeel d, subonderdeel 1 | Diepe geothermie < 12 MWth, basislast | 0,0350 | 0,4388

Artikel 57, onderdeel a, subonderdeel 2 en onderdeel d, subonderdeel 2 | Diepe geothermie ≥ 12 MWth en < 20 MWth, basislast | 0,0350 | 0,4418

Artikel 57, onderdeel a, subonderdeel 3 en onderdeel d, subonderdeel 3 | Diepe geothermie ≥ 20 MWth, basislast | 0,0350 | 0,4406

Artikel 57, onderdeel b | Diepe geothermie, middenlast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0350 | 0,4388

Artikel 57, onderdeel c | Diepe geothermie, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0350 | 0,4353

Artikel 57, onderdeel e | Diepe geothermie, basislast, aanvullende put | 0,0350 | 0,4418

Artikel 57, onderdeel f | Ultradiepe geothermie, basislast | 0,0350 | 0,4418

Artikel 59, onderdeel a | Ondiepe geothermie met warmtepomp, basislast | 0,0350 | 0,3871

Artikel 59, onderdeel b | Ondiepe geothermie met warmtepomp, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0350 | 0,3871

Artikel 59, onderdeel c | Diepe geothermie met warmtepomp, basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0350 | 0,3795

Artikel 61, onderdeel a | Thermische energie uit oppervlaktewater met seizoensopslag, basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0350 | 0,1841

Artikel 61, onderdeel b | Thermische energie uit oppervlaktewater, basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0350 | 0,1916

Artikel 61, onderdeel c | Thermische energie uit oppervlaktewater met seizoensopslag, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0350 | 0,1824

Artikel 61, onderdeel d | Thermische energie uit oppervlaktewater met seizoensopslag, directe toepassing | 0,0350 | 0,1924

Artikel 63, eerste lid | Thermische energie uit afvalwater, basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0350 | 0,1911

Artikel 65, eerste lid | Lucht-water-warmtepomp, geen basislast | 0,0616 | 0,1827

Artikel 67, eerste lid | Daglichtkas | 0,0350 | 0,1996

Artikel 69, eerste lid | Zon-PVT systeem | 0,0670 | 0,2068

Artikel 71, eerste lid, onderdeel a | Elektroboiler, stadsverwarming | 0,0450 | 0,2260

Artikel 71, eerste lid, onderdeel b | Elektroboiler, overige toepassingen | 0,0450 | 0,2260

Artikel 73, eerste lid, onderdeel a | Industriële gesloten warmtepomp (8.000 uur) | 0,0350 | 0,1917

Artikel 73, eerste lid, onderdeel b | Industriële gesloten warmtepomp (3.000 uur) | 0,0350 | 0,1917

Artikel 73, eerste lid, onderdeel c | Industriële open warmtepomp (8.000 uur) | 0,0350 | 0,2089

Artikel 73, eerste lid, onderdeel d | Industriële open warmtepomp (3.000 uur) | 0,0350 | 0,2089

Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 1° | Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,10 en < 0,20 km/MWth | 0,0350 | 0,1915

Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 2° | Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth | 0,0350 | 0,1913

Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 3° | Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,30 en < 0,40 km/MWth | 0,0350 | 0,1910

Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 4° | Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,40 km/MWth | 0,0350 | 0,1908

Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 1° | Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,10 en < 0,20 km/MWth | 0,0350 | 0,2258

Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 2° | Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth | 0,0350 | 0,2255

Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 3° | Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0, 30 en < 0, 40 km/MWth | 0,0350 | 0,2253

Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 4° | Benutting restwarmte, transportleiding ≥ 0,40 km/MWth | 0,0350 | 0,2251

Artikel 77, eerste lid, onderdeel a | Waterstof uit elektrolyse, netgekoppeld | 0,0634 | 0,2290

Artikel 77, eerste lid, onderdeel b | Waterstof uit elektrolyse, directe lijn met windpark of zonnepark | 0,0634 | 0,2290

Artikel 79, eerste lid, onderdeel a | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa | 0,0955 | 0,2842

Artikel 79, eerste lid, onderdeel b | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, biomethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa | 0,0955 | 0,2510

Artikel 79, eerste lid, onderdeel c | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit monomestvergisting | 0,0532 | 0,4007

Artikel 79, eerste lid, onderdeel d | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit allesvergisting | 0,0532 | 0,2453

Artikel 79, eerste lid, onderdeel e | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, diesel- en benzinevervangers uit vaste lignocellulose houdende biomassa | 0,0935 | 0,2620

1 | 2 | 3 | 4

Artikel regeling | Categorie | Langetermijn broeikasgasbedrag in euro/1.000 kg CO2 | Emissiefactor in kg CO2/1.000 kg CO2

Artikel 81, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° | CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties, gasvormig transport | 118,9267 | 908,2620

Artikel 81, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° | CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 118,9267 | 903,8220

Artikel 81, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° | CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties, vloeibaar transport | 118,9267 | 903,8220

Artikel 81, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° | CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties, gasvormig transport | 118,9267 | 908,2620

Artikel 81, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° | CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 118,9267 | 903,8220

Artikel 81, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, gasvormig transport | 118,9267 | 908,2620

Artikel 81, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 118,9267 | 903,8220

Artikel 81, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring, gasvormig transport | 118,9267 | 896,2620

Artikel 81, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 118,9267 | 891,8220

Artikel 81, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport | 118,9267 | 827,5800

Artikel 81, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 118,9267 | 823,1400

Artikel 81, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport | 118,9267 | 914,3640

Artikel 81, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport | 118,9267 | 909,9240

Artikel 81, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport | 118,9267 | 843,4000

Artikel 81, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 118,9267 | 838,9600

Artikel 83, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° | CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 0,0000 | 908,2620

Artikel 83, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° | CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 0,0000 | 903,8220

Artikel 83, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° | CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport | 0,0000 | 903,8220

Artikel 83, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° | CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 0,0000 | 908,2620

Artikel 83, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° | CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 0,0000 | 903,8220

Artikel 83, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 0,0000 | 908,2620

Artikel 83, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 0,0000 | 903,8220

Artikel 83, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 0,0000 | 896,2620

Artikel 83, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 0,0000 | 891,8220

Artikel 83, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 0,0000 | 827,5800

Artikel 83, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 0,0000 | 823,1400

Artikel 83, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande afvalverbrandingsinstallatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 0,0000 | 746,6720

Artikel 83, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande afvalverbrandingsinstallatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 0,0000 | 742,2320

Artikel 83, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 0,0000 | 914,3640

Artikel 83, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 0,0000 | 909,9240

Artikel 83, eerste lid, onderdeel h, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 0,0000 | 843,4000

Artikel 83, eerste lid, onderdeel h, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 0,0000 | 838,9600

Artikel 85, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, gasvormig transport | 103,6547 | 843,4750

Artikel 85, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 103,6547 | 843,4750

Artikel 85, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 103,6547 | 833,9350

Artikel 85, eerste lid, onderdeel b | Extra CCU – Bestaande CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 103,6547 | 833,9350

Artikel 85, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport | 103,6547 | 849,3736

Artikel 85, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 103,6547 | 849,3736

Artikel 85, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 103,6547 | 836,4736

Artikel 85, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport | 103,6547 | 762,6800

Artikel 85, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 103,6547 | 762,6800

Artikel 85, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 103,6547 | 753,1400

Artikel 85, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport | 103,6547 | 778,5000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 2° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 103,6547 | 778,5000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 3° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 103,6547 | 768,9600

Artikel 85, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 1° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij bestaande afvalverbrandingsinstallatie, gasvormig transport | 103,6547 | 681,7720

Artikel 85, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 2° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij bestaande afvalverbrandingsinstallatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 103,6547 | 681,7720

Artikel 85, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 3° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij bestaande afvalverbrandingsinstallatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 103,6547 | 672,2320

Artikel 85, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 1° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij biomassa-installatie tuinbouw, gasvormig | 103,6547 | 773,7800

Artikel 85, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 2° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij biomassa-installatie tuinbouw, vloeibaar, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 103,6547 | 755,1800

§ 5 — Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen › § 5.1 — Hernieuwbare elektriciteit

Artikel 89

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het Besluit SDEK, vastgesteld op het in de derde kolom genoemde bedrag;

b. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit het maximaal aantal vollasturen, bedoeld in artikel 15, vijfde lid, van het Besluit SDEK, vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

c. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit de basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Besluit SDEK, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2023 vastgesteld op:

1°. voor de elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit SDEK, het in de zesde kolom genoemde bedrag;

2°. voor de waarde van de garanties van oorsprong, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit SDEK, het in de zevende kolom genoemde bedrag; en

3° voor andere correcties als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit SDEK op € 0 per kWh.

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7

Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro/kWh | Vollasturen | Basiselektriciteitsprijs in euro/kWh | Voorlopige correctie elektriciteitsprijs in 2.023 euro/kWh | Voorlopige correctie waarde garanties van oorsprong in 2.023 euro/kWh

Artikel 13, onderdeel a | Waterkracht, valhoogte < 50 cm | 0,1267 | 3.700 | 0,0605 | 0,2255 | 0,0000

Artikel 13, onderdeel b | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm | 0,1267 | 5.700 | 0,0605 | 0,2255 | 0,0000

Artikel 13, onderdeel c | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie | 0,1225 | 2.600 | 0,0605 | 0,2255 | 0,0000

Artikel 15 | Osmose | 0,1267 | 8.000 | 0,0605 | 0,2255 | 0,0000

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° | Wind op land, ≥ 8,5 m/s | 0,0530 | P50 | 0,0414 | 0,1860 | 0,0020

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° | Wind op land, ≥ 8 en < 8,5 m/s | 0,0533 | P50 | 0,0414 | 0,1860 | 0,0020

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3° | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0585 | P50 | 0,0414 | 0,1860 | 0,0020

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 4° | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0624 | P50 | 0,0414 | 0,1860 | 0,0020

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 5° | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0666 | P50 | 0,0414 | 0,1860 | 0,0020

Artikel 17, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 6° | Wind op land, < 6,75 m/s | 0,0714 | P50 | 0,0414 | 0,1860 | 0,0020

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8,5 m/s | 0,0543 | P50 | 0,0414 | 0,1860 | 0,0020

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8 en < 8,5 m/s | 0,0616 | P50 | 0,0414 | 0,1860 | 0,0020

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0689 | P50 | 0,0414 | 0,1860 | 0,0020

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 4° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0788 | P50 | 0,0414 | 0,1860 | 0,0020

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 5° | Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0850 | P50 | 0,0414 | 0,1860 | 0,0020

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 6° | Wind op land, hoogtebeperkt < 6,75 m/s | 0,0926 | P50 | 0,0414 | 0,1860 | 0,0020

Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° | Wind op waterkering, ≥ 8,5 m/s | 0,0590 | P50 | 0,0414 | 0,1860 | 0,0020

Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° | Wind op waterkering, ≥ 8 en < 8,5 m/s | 0,0611 | P50 | 0,0414 | 0,1860 | 0,0020

Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° | Wind op waterkering, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0665 | P50 | 0,0414 | 0,1860 | 0,0020

Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4° | Wind op waterkering, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0703 | P50 | 0,0414 | 0,1860 | 0,0020

Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5° | Wind op waterkering, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0758 | P50 | 0,0414 | 0,1860 | 0,0020

Artikel 21, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6° | Wind op waterkering, < 6,75 m/s | 0,0804 | P50 | 0,0414 | 0,1860 | 0,0020

Artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° | Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden (net = 50%) | 0,0916 | 800 | Netlevering: 0,0476 | Netlevering: 0,1499 | Netlevering: 0,0020

Niet-netlevering: 0,0920 | Niet-netlevering: 0,1943 | Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° | Zon-PV ≥ 1 MWp, gebouwgebonden (net = 50%) | 0,0804 | 800 | Netlevering: 0,0476 | Netlevering: 0,1499 | Netlevering: 0,0020

Niet-netlevering: 0,0824 | Niet-netlevering: 0,1847 | Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° | Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, drijvend op water (net = 50%) | 0,0916 | 840 | Netlevering: 0,0476 | Netlevering: 0,1499 | Netlevering: 0,0020

Niet-netlevering: 0,0920 | Niet-netlevering: 0,1943 | Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° | Zon-PV ≥ 1 MWp, drijvend op water (net = 50%) | 0,0811 | 840 | Netlevering: 0,0476 | Netlevering: 0,1499 | Netlevering: 0,0020

Niet-netlevering: 0,0824 | Niet-netlevering: 0,1847 | Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° | Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, op land (net = 50%) | 0,0916 | 840 | Netlevering: 0,0476 | Netlevering: 0,1499 | Netlevering: 0,0020

Niet-netlevering: 0,0920 | Niet-netlevering: 0,1943 | Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° | Zon-PV ≥ 1 MWp en < 20 MWp, op land (net = 50%) | 0,0701 | 840 | Netlevering: 0,0476 | Netlevering: 0,1499 | Netlevering: 0,0020

Niet-netlevering: 0,0824 | Niet-netlevering: 0,1847 | Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° | Zon-PV ≥ 20 MWp, op land (net = 50%) | 0,0667 | 840 | Netlevering: 0,0476 | Netlevering: 0,1499 | Netlevering: 0,0020

Niet-netlevering: 0,0824 | Niet-netlevering: 0,1847 | Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° | Zon-PV ≥ 1 MWp en < 20 MWp, zonvolgend op land | 0,0633 | 1.045 | Netlevering: 0,0476 | Netlevering: 0,1499 | Netlevering: 0,0020

Niet-netlevering: 0,0824 | Niet-netlevering: 0,1847 | Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° | Zon-PV ≥ 20 MWp, zonvolgend op land | 0,0602 | 1.045 | Netlevering: 0,0476 | Netlevering: 0,1499 | Netlevering: 0,0020

Niet-netlevering: 0,0824 | Niet-netlevering: 0,1847 | Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° | Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op water | 0,0734 | 1.190 | Netlevering: 0,0476 | Netlevering: 0,1499 | Netlevering: 0,0020

Niet-netlevering: 0,0824 | Niet-netlevering: 0,1847 | Niet-netlevering: 0,0000

§ 5 — Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen › § 5.2 — Hernieuwbaar gas

Artikel 90

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het Besluit SDEK, voor de productie van hernieuwbaar gas vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

b. voor de productie van hernieuwbaar gas het maximaal aantal vollasturen, bedoeld in artikel 32, vijfde lid, van het Besluit SDEK, vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

c. voor de productie van hernieuwbaar gas de basisenergieprijs, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het Besluit SDEK, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2023 vastgesteld op:

1°. voor de energieprijs, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit SDEK het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

2°. voor de waarde van de garanties van oorsprong, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit SDEK, en andere correcties als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit SDEK op € 0 per kWh.

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6

Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro/kWh | Vollasturen | Basisenergieprijs in euro/kWh | Voorlopige correctie energieprijs in 2.023 euro/kWh

Artikel 25, onderdeel a | Allesvergisting, gas | 0,0893 | 8.000 | 0,0300 | 0,0755

Artikel 25, onderdeel b | Monomestvergisting > 450 kW, gas | 0,1066 | 8.000 | 0,0300 | 0,0755

Artikel 25, onderdeel c | Monomestvergisting ≤ 450 kW, gas | 0,1523 | 8.000 | 0,0300 | 0,0755

Artikel 27, onderdeel a | Allesvergisting verlengde levensduur, ombouw naar gas | 0,0777 | 8.000 | 0,0300 | 0,0755

Artikel 27, onderdeel b | Allesvergisting verlengde levensduur, gas | 0,0733 | 8.000 | 0,0300 | 0,0755

Artikel 27, onderdeel c | Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 450 kW, ombouw naar gas | 0,1309 | 8.000 | 0,0300 | 0,0755

Artikel 27, onderdeel d | Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 450 kW, gas | 0,1212 | 8.000 | 0,0300 | 0,0755

Artikel 29, eerste lid | RWZI verbeterde slibgisting, gas | 0,1148 | 8.000 | 0,0300 | 0,0755

Artikel 31, onderdeel a | Biomassavergassing (inclusief B-hout) | 0,0797 | 7.500 | 0,0300 | 0,0755

Artikel 31, onderdeel b | Biomassavergassing (exclusief B-hout) | 0,1120 | 7.500 | 0,0300 | 0,0755

§ 5 — Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen › § 5.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte

Artikel 91

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het Besluit SDEK, voor de productie van hernieuwbare warmte en de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

b. voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte het maximaal aantal vollasturen, bedoeld in artikel 48, vijfde lid, van het Besluit SDEK, vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

c. de basisenergieprijs, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van het Besluit SDEK, voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

d. de correcties op het basisbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel, worden voor 2023 vastgesteld op:

1°. voor de energieprijs, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit SDEK, het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

2°. voor de waarde van garanties van oorsprong, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit SDEK, op € 0 per kWh; en

3°. voor andere correcties als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit SDEK het in de zevende kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag.

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7

Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro/kWh | Vollasturen | Basisenergieprijs in euro/kWh | Voorlopige correctie energieprijs in 2023 in euro/kWh | Andere correctie in 2023 in euro/kWh

Artikel 33, eerste lid, onderdeel a | Zonthermie ≥ 140 kWth en < 1 MWth | 0,1170 | 600 | 0,0485 | 0,1047 | 0,0017

Artikel 33, eerste lid, onderdeel b | Zonthermie ≥ 1 MWth | 0,0986 | 600 | 0,0430 | 0,0993 | 0,0017

Artikel 35, onderdeel a | Allesvergisting, warmte | 0,0737 | 7.000 | 0,0430 | 0,0993 | 0,0174

Artikel 35, onderdeel b | Allesvergisting, gecombineerde opwekking | 0,0853 | 7.625 | 0,0515 | 0,1608 | 0,0089

Artikel 35, onderdeel c | Monomestvergisting, warmte > 450 kW | 0,1004 | 6.000 | 0,0430 | 0,0993 | 0,0174

Artikel 35, onderdeel d | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 450 kW | 0,1180 | 6.060 | 0,0554 | 0,1888 | 0,0051

Artikel 35, onderdeel e | Monomestvergisting, warmte ≤ 450 kW | 0,1399 | 6.500 | 0,0430 | 0,0993 | 0,0174

Artikel 35, onderdeel f | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 450 kW | 0,2039 | 4.989 | 0,0726 | 0,1981 | 0,0063

Artikel 37, onderdeel a | Allesvergisting verlengde levensduur, warmte | 0,0679 | 7.000 | 0,0430 | 0,0993 | 0,0174

Artikel 37, onderdeel b | Allesvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking | 0,0705 | 7.625 | 0,0515 | 0,1608 | 0,0089

Artikel 37, onderdeel c | Monomestvergisting verlengde levensduur, warmte ≤ 450 kW | 0,0960 | 6.500 | 0,0430 | 0,0993 | 0,0174

Artikel 37, onderdeel d | Monomestvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking ≤ 450 kW | 0,1427 | 4.989 | 0,0726 | 0,1981 | 0,0063

Artikel 39, eerste lid, onderdeel a | RWZI verbeterde slibgisting, warmte | 0,0980 | 7.000 | 0,0430 | 0,0993 | 0,0017

Artikel 39, eerste lid, onderdeel b | RWZI verbeterde slibgisting, gecombineerde opwekking | 0,1299 | 5.728 | 0,0557 | 0,1775 | 0,0007

Artikel 41, onderdeel a | Ketel op vloeibare biomassa, stadsverwarming | 0,0826 | 7.000 | 0,0430 | 0,0993 | 0,0017

Artikel 41, onderdeel b | Ketel op vloeibare biomassa, overige toepassingen | 0,0826 | 7.000 | 0,0430 | 0,0993 | 0,0174

Artikel 43 | Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa | 0,0715 | 3.000 | 0,0430 | 0,0993 | 0,0174

Artikel 45, onderdeel a | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) | 0,0611 | 4.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0174

Artikel 45, onderdeel b | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) | 0,0601 | 5.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0174

Artikel 45, onderdeel c | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) | 0,0591 | 5.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0174

Artikel 45, onderdeel d | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) | 0,0584 | 6.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0174

Artikel 45, onderdeel e | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) | 0,0575 | 6.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0174

Artikel 45, onderdeel f | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) | 0,0570 | 7.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0174

Artikel 45, onderdeel g | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) | 0,0568 | 7.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0174

Artikel 45, onderdeel h | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) | 0,0563 | 8.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0174

Artikel 45, onderdeel i | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) | 0,0558 | 8.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0174

Artikel 47 | Grote ketel op B-hout | 0,0338 | 7.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0174

Artikel 49, eerste lid, onderdeel a | Grote stoomketel op houtpellets ≥ 5 MWth en < 50 MWth | 0,0830 | 8.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0174

Artikel 49, eerste lid, onderdeel b | Grote stoomketel op houtpellets ≥ 50 MWth | 0,0910 | 8.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0174

Artikel 51 | Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen | 0,0635 | 3.000 | 0,0387 | 0,0893 | 0,0174

Artikel 53, eerste lid | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa verlengde levensduur | 0,0436 | 8.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0174

Artikel 55, eerste lid | Composteringsinstallatie, warmte | 0,0563 | 5.200 | 0,0430 | 0,0993 | 0,0017

Artikel 57, onderdeel a, subonderdeel 1 en onderdeel d, subonderdeel 1 | Diepe geothermie < 12 MWth, basislast | 0,0595 | 6.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0017

Artikel 57, onderdeel a, subonderdeel 2 en onderdeel d, subonderdeel 2 | Diepe geothermie ≥ 12 MWth en < 20 MWth, basislast | 0,0531 | 6.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0017

Artikel 57, onderdeel a, subonderdeel 3 en onderdeel d, subonderdeel 3 | Diepe geothermie ≥ 20 MWth, basislast | 0,0471 | 6.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0017

Artikel 57, onderdeel b | Diepe geothermie, middenlast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0973 | 5.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0017

Artikel 57, onderdeel c | Diepe geothermie, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,1240 | 3500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0017

Artikel 57, onderdeel e | Diepe geothermie, basislast, aanvullende put | 0,0353 | 6.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0017

Artikel 57, onderdeel f | Ultradiepe geothermie, basislast | 0,0814 | 7.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0174

§ 5 — Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen › § 5.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas

Artikel 92

1 Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabellen genoemde artikel wordt:

a. het basisbedrag voor subsidie voor de vermindering van broeikasgas, bedoeld in artikel 55f, eerste lid, van het Besluit SDEK, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabellen genoemde bedrag;

b. voor de vermindering van broeikasgas het maximaal aantal vollasturen, bedoeld in artikel 55j, vijfde lid, van het Besluit SDEK, vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabellen genoemde aantal uren;

c. het basisbroeikasgasbedrag, bedoeld in artikel 55g, eerste lid, van het Besluit SDEK, voor de vermindering van broeikasgas vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabellen genoemde bedrag; en

d. de correcties op het basisbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabellen genoemde artikel worden voor 2023 vastgesteld op:

1°. voor de prijs van het primaire product, bedoeld in artikel 55i, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit SDEK, het in de zesde kolom van onderstaande tabellen genoemde bedrag;

2°. voor de correcties, bedoeld in artikel 55i, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit SDEK, het in de zevende kolom van onderstaande tabellen genoemde bedrag; en

3°. voor andere correcties als bedoeld in artikel 55i, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit SDEK het in de achtste kolom van onderstaande tabellen genoemde bedrag.

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8

Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro/kWh | Vollasturen | Basisbroeikasgasbedrag in euro/kWh | Voorlopige correctie productprijs in 2023 in euro/kWh | Voorlopige correctie ETS in 2023 in euro/kWh | Voorlopige correctie overige correcties in 2023 in euro/kWh

Artikel 59, onderdeel a | Ondiepe geothermie met warmtepomp, basislast | 0,0957 | 6.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0016 | 0,0000

Artikel 59, onderdeel b | Ondiepe geothermie met warmtepomp, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,1506 | 3.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0016 | 0,0000

Artikel 59, onderdeel c | Diepe geothermie met warmtepomp, basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,1089 | 6.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0016 | 0,0000

Artikel 61, onderdeel a | Thermische energie uit oppervlaktewater met seizoensopslag, basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,1086 | 6.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0016 | 0,0000

Artikel 61, onderdeel b | Thermische energie uit oppervlaktewater met seizoensopslag, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0734 | 6.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0016 | 0,0000

Artikel 61, onderdeel c | Thermische energie uit oppervlaktewater, basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,1080 | 3.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0016 | 0,0000

Artikel 61, onderdeel d | Thermische energie uit oppervlaktewater met seizoensopslag, directe toepassing | 0,0872 | 3.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0130 | 0,0000

Artikel 63, eerste lid | Thermische energie uit afvalwater, basislast, verwarming gebouwde omgeving | 0,0805 | 6.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0016 | 0,0000

Artikel 65, eerste lid, onderdeel e | Lucht-water-warmtepomp, geen basislast | 0,1241 | 3.500 | 0,0430 | 0,0993 | 0,0016 | 0,0000

Artikel 67, eerste lid | Daglichtkas | 0,0907 | 3.850 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0016 | 0,0000

Artikel 69, eerste lid | Zon-PVT systeem | 0,0530 | 3.500 | 0,0485 | 0,1047 | 0,0016 | 0,0000

Artikel 71, eerste lid, onderdeel a | Elektroboiler, stadsverwarming | 0,0954 | 3.600 | 0,0300 | 0,0755 | 0,0061 | 0,0000

Artikel 71, eerste lid, onderdeel b | Elektroboiler, overige toepassingen | 0,0954 | 3.600 | 0,0300 | 0,0755 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 73, eerste lid, onderdeel a | Industriële gesloten warmtepomp (8.000 uur) | 0,0530 | 8.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0125 | 0,0000

Artikel 73, eerste lid, onderdeel b | Industriële gesloten warmtepomp (3.000 uur) | 0,0970 | 3.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0125 | 0,0000

Artikel 73, eerste lid, onderdeel c | Industriële open warmtepomp (8.000 uur) | 0,0525 | 8.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0149 | 0,0000

Artikel 73, eerste lid, onderdeel d | Industriële open warmtepomp (3.000 uur) | 0,1176 | 3.000 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0149 | 0,0000

Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 1° | Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,10 en < 0,20 km/MWth | 0,0682 | 5.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0037 | 0,0000

Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 2° | Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth | 0,0755 | 5.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0037 | 0,0000

Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 3° | Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,30 en < 0,40 km/MWth | 0,0827 | 5.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0037 | 0,0000

Artikel 75, onderdeel a, subonderdeel 4° | Restwarmtebenutting met warmtepomp, transportleiding ≥ 0,40 km/MWth | 0,0899 | 5.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0037 | 0,0000

Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 1° | Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,10 en < 0,20 km/MWth | 0,0243 | 5.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0052 | 0,0000

Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 2° | Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth | 0,0315 | 5.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0052 | 0,0000

Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 3° | Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,30 en < 0,40 km/MWth | 0,0387 | 5.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0052 | 0,0000

Artikel 75, onderdeel b, subonderdeel 4° | Benutting restwarmte, transportleiding ≥ 0,40 km/MWth | 0,0460 | 5.500 | 0,0233 | 0,0588 | 0,0052 | 0,0000

Artikel 77, eerste lid, onderdeel a | Waterstof uit elektrolyse, netgekoppeld | 0,1550 | 3.492 | 0,0448 | 0,1015 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 77, eerste lid, onderdeel b | Waterstof uit elektrolyse, directe lijn met windpark of zonnepark | 0,1550 | 5.448 | 0,0448 | 0,1015 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 79, eerste lid, onderdeel a | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa | 0,1657 | 8.000 | 0,0637 | 0,1074 | 0,0000 | 0,1318

Artikel 79, eerste lid, onderdeel b | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, biomethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa | 0,1421 | 8.000 | 0,0637 | 0,1074 | 0,0000 | 0,1318

Artikel 79, eerste lid, onderdeel c | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit monomestvergisting | 0,1589 | 8.000 | 0,0365 | 0,0871 | 0,0000 | 0,1318

Artikel 79, eerste lid, onderdeel d | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit allesvergisting | 0,1088 | 8.000 | 0,0365 | 0,0871 | 0,0000 | 0,1318

Artikel 79, eerste lid, onderdeel e | Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, diesel- en benzinevervangers uit vaste lignocellulose houdende biomassa | 0,1383 | 8.000 | 0,0624 | 0,1044 | 0,0000 | 0,1318

Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro/1.000 kg CO2 | Vollasturen | Basisbroeikasgasbedrag in euro/1.000 kg CO2 | Voorlopige correctie productprijs in 2023 in euro/1.000 kg CO2 | Voorlopige correctie ETS in 2023 in euro/1.000 kg CO2 | Voorlopige correctie overige correcties in 2023 in euro/1.000 kg CO2

Artikel 81, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° | CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties, gasvormig transport | 193,2830 | 4.000 | 79,2844 | 0,0000 | 79,2844 | 0,0000

Artikel 81, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° | CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 265,9978 | 4.000 | 79,2844 | 0,0000 | 79,2844 | 0,0000

Artikel 81, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° | CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties, vloeibaar transport | 219,1409 | 4.000 | 79,2844 | 0,0000 | 79,2844 | 0,0000

Artikel 81, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° | CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties, gasvormig transport | 108,8450 | 8.000 | 79,2844 | 0,0000 | 79,2844 | 0,0000

Artikel 81, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° | CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 146,1369 | 8.000 | 79,2844 | 0,0000 | 79,2844 | 0,0000

Artikel 81, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, gasvormig transport | 146,9185 | 8.000 | 79,2844 | 0,0000 | 79,2844 | 0,0000

Artikel 81, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 182,4241 | 8.000 | 79,2844 | 0,0000 | 79,2844 | 0,0000

Artikel 81, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring, gasvormig transport | 191,0295 | 8.000 | 79,2844 | 0,0000 | 79,2844 | 0,0000

Artikel 81, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 228,8453 | 8.000 | 79,2844 | 0,0000 | 79,2844 | 0,0000

Artikel 81, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport | 191,7169 | 8.000 | 79,2844 | 0,0000 | 79,2844 | 0,0000

Artikel 81, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 226,5740 | 8.000 | 79,2844 | 0,0000 | 79,2844 | 0,0000

Artikel 81, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport | 125,9515 | 8.000 | 79,2844 | 0,0000 | 79,2844 | 0,0000

Artikel 81, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport | 165,5532 | 8.000 | 79,2844 | 0,0000 | 79,2844 | 0,0000

Artikel 81, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport | 172,6223 | 8.000 | 79,2844 | 0,0000 | 79,2844 | 0,0000

Artikel 81, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 205,5177 | 8.000 | 79,2844 | 0,0000 | 79,2844 | 0,0000

Artikel 83, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° | CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 193,2830 | 4.0.00 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 83, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° | CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 265,9978 | 4.000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 83, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° | CCS – Gedeeltelijke CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport | 219,1409 | 4.000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 83, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1° | CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 108,8450 | 8.000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 83, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2° | CCS – Volledige CO2-opslag bij bestaande installaties niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 146,1369 | 8.000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 83, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 146,9185 | 8.000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 83, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 182,4241 | 8.000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 83, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 191,0295 | 8.000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 83, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang bij waterstofproductie uit restgassen voor ondervuring niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 228,8453 | 8.000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 83, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 191,7169 | 8.000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 83, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 226,5740 | 8.000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 83, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande afvalverbrandingsinstallatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 216,0474 | 8.000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 83, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande afvalverbrandingsinstallatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 222,6696 | 8.000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 83, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 125,9515 | 8.000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 83, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 165,5532 | 8.000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 83, eerste lid, onderdeel h, subonderdeel 1° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, gasvormig transport | 172,6223 | 8.000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 83, eerste lid, onderdeel h, subonderdeel 2° | CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie niet-ETS-bedrijf, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 205,5177 | 8.000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1° | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, gasvormig transport | 101,2105 | 4.000 | 69,1032 | 69,1032 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 115,5628 | 4.000 | 69,1032 | 69,1032 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 158,3779 | 4.000 | 69,1032 | 69,1032 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel b | Extra CCU – Bestaande CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 107,9342 | 4.000 | 69,1032 | 69,1032 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport | 71,2260 | 4.000 | 69,1032 | 69,1032 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 85,5783 | 4.000 | 69,1032 | 69,1032 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° | CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-zuivering, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 130,9846 | 4.000 | 69,1032 | 69,1032 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport | 167,3015 | 4.000 | 69,1032 | 69,1032 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 181,6538 | 4.000 | 69,1032 | 69,1032 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 225,8159 | 4.000 | 69,1032 | 69,1032 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 1° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport | 141,2888 | 4.000 | 69,1032 | 69,1032 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 2° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 155,6411 | 4.000 | 69,1032 | 69,1032 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 3° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 195,2963 | 4.000 | 69,1032 | 69,1032 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 1° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij bestaande afvalverbrandingsinstallatie, gasvormig transport | 195,9294 | 4.000 | 69,1032 | 69,1032 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 2° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij bestaande afvalverbrandingsinstallatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding | 210,2817 | 4.000 | 69,1032 | 69,1032 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel f, subonderdeel 3° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij bestaande afvalverbrandingsinstallatie, vloeibaar transport, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 260,5508 | 4.000 | 69,1032 | 69,1032 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 1° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij biomassa-installatie tuinbouw, gasvormig | 130,8712 | 4.000 | 69,1032 | 69,1032 | 0,0000 | 0,0000

Artikel 85, eerste lid, onderdeel g, subonderdeel 2° | CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij biomassa-installatie tuinbouw, vloeibaar, nieuwe vervloeiingsinstallatie | 174,7290 | 4.000 | 69,1032 | 69,1032 | 0,0000 | 0,0000

2 De feitelijke productie van een productie-installatie als bedoeld in de artikelen 71, eerste lid, en 77, eerste lid, onderdeel a, die in aanmerking komt voor subsidie, bedraagt voor de kalenderjaren 2023 tot en met 2029 ten hoogste de productie bij het respectievelijke aantal productie-uren in de onderstaande tabel in een bepaald kalenderjaar.

Jaar | Productie-uren elektroboiler | Productie-uren waterstof uit elektrolyse

2023 | 2.540 | 2.180

2024 | 2.550 | 2.190

2025 | 3.360 | 2.880

2026 | 3.700 | 3.170

2027 | 4.710 | 4.040

2028 | 6.660 | 4.750

2029 | 8.760 | 5.460

§ 6 — Slotbepalingen

Artikel 93

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2023.

§ 6 — Slotbepalingen

Artikel 94

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2023.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 7, tweede lid (Model Uitvoeringsovereenkomst)

Bijlage 1 — behorende bij artikel 7, tweede lid (Model Uitvoeringsovereenkomst)

Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide, de afvang en het gebruik van koolstofdioxide en van activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2023

1. De Staat der Nederlanden, (hierna te noemen: de Staat), te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken en Klimaat; en

2. .........., gevestigd te.......... (hierna te noemen: Ondernemer);..........

(hierna te samen ook te noemen: Partijen);

overwegen:

a. de Minister voor Klimaat en Energie heeft blijkens een beschikking met kenmerk.........., hierna te noemen Beschikking, waarvan een kopie als Bijlage A bij deze overeenkomst is gevoegd aan de Ondernemer een subsidie verleend voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide / voor de afvang en gebruik van koolstofdioxide / van meer dan € 400 miljoen op grond van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2023;

b. de Beschikking bevat de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na afgifte van de beschikking de onderhavige uitvoeringsovereenkomst, hierna te noemen Uitvoeringsovereenkomst, tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidieontvanger;

c. de Minister voor Klimaat en Energie beoogt door middel van deze Uitvoeringsovereenkomst te verzekeren dat de Ondernemer de productie-installatie bedoeld in de Beschikking tijdig in gebruik zal nemen.

Partijen komen daartoe het volgende overeen:

Bijlage 1 — behorende bij artikel 7, tweede lid (Model Uitvoeringsovereenkomst) › Artikel 1 — Tijdige ingebruikname van de productie-installatie

Artikel 1 — Tijdige ingebruikname van de productie-installatie

De Ondernemer verplicht zich jegens de Staat de productie-installatie tijdig in gebruik te nemen en wel binnen de in artikel 61, eerste lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie bedoelde periode of, indien op grond van artikel 62, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie een ontheffing is verleend, binnen de in de ontheffing opgenomen periode.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 7, tweede lid (Model Uitvoeringsovereenkomst) › Artikel 2 — Inhoud en omvang van de garantie

Artikel 2 — Inhoud en omvang van de garantie

De Ondernemer verplicht zich om tot zekerheid voor de nakoming van de in artikel 1 bedoelde verplichting, alsmede de bij niet tijdige nakoming verschuldigde boetes, binnen vier weken nadat de Beschikking is afgegeven ten behoeve van de Staat financiële zekerheid te stellen en gesteld houden voor een bedrag groot 2% van de maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de artikelen 16, 33, 49 en 55k van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie, door middel van de afgifte aan de Staat van een door een binnen de Europese Unie gevestigde bank afgegeven bankgarantie welke is opgemaakt onder gebruikmaking van het model bankgarantie.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 7, tweede lid (Model Uitvoeringsovereenkomst) › Artikel 3 — Vrijval van de garantie

Artikel 3 — Vrijval van de garantie

1. De verplichting de in artikel 2 bedoelde bankgarantie te blijven stellen vervalt uitsluitend door het schriftelijk bericht van de Staat aan de Bank dat de verplichting geheel of gedeeltelijk is vervallen. De Ondernemer ontvangt een kopie van het bericht van verval.

2. Zodra de verplichting geheel is vervallen zal de Staat de bankgarantie retourneren aan de Ondernemer.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 7, tweede lid (Model Uitvoeringsovereenkomst) › Artikel 4 — Boetes

Artikel 4 — Boetes

1. Indien de Ondernemer de productie-installatie niet binnen de in artikel 1 bedoelde periode in gebruik heeft genomen, is de Ondernemer aan de Staat bij wijze van boete een bedrag verschuldigd groot 0,2% van het beschikte bedrag enkel door het verloop van die termijn en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.

2. Indien de Ondernemer daarna nog in gebreke blijft met het tijdig in gebruik nemen van de productie-installatie is de Ondernemer maandelijks een boete van telkens 0,2% van de maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de artikelen 16, 33, 49 en 55k van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie, verschuldigd voor zover hij de productie-installatie op de eerste van elke volgende maand niet in gebruik heeft genomen.

3. De boetes bedoeld in het eerste en tweede lid, waarvan de som ten hoogste 2% van het beschikte bedrag bedraagt, zijn telkens verschuldigd voor het enkele verloop van de termijn en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.

4. Indien komt vast te staan dat de ondernemer de productie-installatie niet in gebruik zal nemen, dan is de Staat gerechtigd het gehele bedrag van de bankgarantie te innen. De Beschikking kan op deze grond worden ingetrokken.

5. De Ondernemer machtigt bij deze de Staat onherroepelijk tot het innen van de boetes door het inroepen van de bankgarantie voor het bedrag van de boete, telkens wanneer er een boete verschuldigd is geworden.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 7, tweede lid (Model Uitvoeringsovereenkomst) › Artikel 5 — Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst

Artikel 5 — Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst

1. Deze Uitvoeringsovereenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de Partijen met dien verstande dat de inwerkingtreding wordt opgeschort totdat de Beschikking in werking is getreden en de Staat de Ondernemer daarvan schriftelijk bericht heeft gestuurd.

2. Deze Uitvoeringsovereenkomst eindigt van rechtswege door de teruggave van de bankgarantie door de Staat aan de Ondernemer.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 7, tweede lid (Model Uitvoeringsovereenkomst) › Artikel 6 — Domiciliekeuze en berichtgevingen

Artikel 6 — Domiciliekeuze en berichtgevingen

1. De Staat kiest voor uitvoering van deze Uitvoeringsovereenkomst domicilie ten kantore van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Hanzelaan 310, 8017 JK Zwolle.

2. Onverminderd het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dienen alle mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten uit hoofde van deze uitvoeringsovereenkomst schriftelijk te worden gedaan.

3. Mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten die niet in overeenstemming met het tweede lid zijn gedaan blijven zonder rechtsgevolg.

4. De Staat is bevoegd eenzijdig van het bepaalde in het eerste lid af te wijken.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 7, tweede lid (Model Uitvoeringsovereenkomst) › Artikel 7 — Rechtskeuze

Artikel 7 — Rechtskeuze

1. Op deze Uitvoeringsovereenkomst is uitsluitend Nederlands recht van toepassing.

2. Alle geschillen in verband met deze uitvoeringsovereenkomst of met afspraken die daarmee samenhangen zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te Den Haag.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 7, tweede lid (Model Uitvoeringsovereenkomst) › Artikel 8 — Citeertitel

Artikel 8 — Citeertitel

Deze Uitvoeringsovereenkomst wordt tussen partijen aangeduid als ‘Uitvoeringsovereenkomst duurzame energieproductie en klimaattransitie Staat/..........’.

Aldus overeengekomen en in tweevoud ondertekend

te..........

Ondernemer

te ’s-Gravenhage op..........

De Minister voor Klimaat en Energie,

Bijlage 1 — behorende bij artikel 7, tweede lid (Model Uitvoeringsovereenkomst) › Model bankgarantie

Model bankgarantie

DE ONDERGETEKENDE,

.........., gevestigd te.........., hierna te noemen de ‘Bank’,

IN AANMERKING NEMENDE DAT:

A. ..........., gevestigd te.........., (hierna te noemen de Ondernemer) en de STAAT der NEDERLANDEN, (hierna te noemen: Staat), waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag, te dezen vertegenwoordigd door.........., hierbij vertegenwoordigd door de Minister voor Klimaat en Energieop.......... de ‘Uitvoeringsovereenkomst duurzame energieproductie Staat/..........’ (hierna: uitvoeringsovereenkomst) hebben getekend;

B. de Ondernemer volgens artikel 2 van de overeenkomst binnen vier weken nadat een beschikking van de Minister voor Klimaat en Energie met kenmerk..........is afgegeven ten behoeve van de Staat financiële zekerheid dient te stellen en gesteld houden voor een bedrag groot €..........,– door de afgifte aan de Staat van een door een bank afgegeven bankgarantie;

C. de Bank bereid is de desbetreffende bankgarantie ten gunste van de Staat te stellen onder de hierna te noemen voorwaarden.

VERKLAART ALS VOLGT

1. De Bank stelt zich hierbij als zelfstandige verbintenis tegenover de Staat onherroepelijk en onvoorwaardelijk garant voor al hetgeen de Staat van de Ondernemer op grond van de uitvoeringsovereenkomst te vorderen heeft tot een maximumbedrag van €..........,–.

2. Deze bankgarantie is een abstracte afroepgarantie. De Bank komt in geen geval een beroep toe op de onderliggende rechtsverhouding tussen de Staat en de Ondernemer als vervat in de uitvoeringsovereenkomst.

3. De Bank zal op eerste schriftelijk verzoek van de Staat, zonder opgaaf van redenen te verlangen of nader bewijs te vragen, overgaan tot uitbetaling van al hetgeen de Ondernemer, volgens verklaring van de Staat, verschuldigd is uit hoofde van de Uitvoeringsovereenkomst.

4. Deze bankgarantie vervalt uitsluitend door het schriftelijk bericht van de Staat aan de Bank dat de verplichting geheel of gedeeltelijk is vervallen.

5. De Minister voor Klimaat en Energie zendt de bankgarantie zo spoedig mogelijk nadat deze geheel is vervallen retour aan de Bank.

6. Op deze bankgarantie is uitsluitend Nederlands recht van toepassing. Alle geschillen die mochten ontstaan over of naar aanleiding van deze bankgarantie zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te ’s-Gravenhage.

7. Indien deze bankgarantie dient te worden geretourneerd geschiedt dat door toezending aan adres:..........

Getekend te

op

De Bank

Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 17, eerste lid, onderdeel b, 19 eerste lid, onderdeel b, en 21 eerste lid, onderdeel c (Lijst windsnelheden per gemeente)

Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 17, eerste lid, onderdeel b, 19 eerste lid, onderdeel b, en 21 eerste lid, onderdeel c (Lijst windsnelheden per gemeente) (deel 1)

Lijst van gemeenten volgens de gemeentelijk indeling per 1 januari 2022

Gemeentenaam | Provincie | Windcategorie

Ameland | Friesland | ≥ 8,5 m/s

Den Helder | Noord-Holland | ≥ 8,5 m/s

Schiermonnikoog | Friesland | ≥ 8,5 m/s

Terschelling | Friesland | ≥ 8,5 m/s

Texel | Noord-Holland | ≥ 8,5 m/s

Vlieland | Friesland | ≥ 8,5 m/s

Bergen (NH.) | Noord-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Harlingen | Friesland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Het Hogeland | Groningen | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Hollands Kroon | Noord-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Noardeast-Fryslân | Friesland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Rotterdam Maasvlakte (wijk 23, buurt 8) | Zuid-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Schagen | Noord-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Súdwest-Fryslân | Friesland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Waadhoeke | Friesland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Zandvoort | Noord-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Achtkarspelen | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Alkmaar | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Beverwijk | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Bloemendaal | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Castricum | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Dantumadiel | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

De Fryske Marren | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Dijk en Waard | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Drechterland | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Edam-Volendam | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Eemsdelta | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Enkhuizen | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Goeree-Overflakkee | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heemskerk | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heerenveen | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heiloo | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Hillegom | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Hoorn | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Katwijk | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Koggenland | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Leeuwarden | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Lisse | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Medemblik | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Noord-Beveland | Zeeland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Noordoostpolder | Flevoland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Noordwijk | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Oldambt | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Opmeer | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Opsterland | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Purmerend | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Schouwen-Duiveland | Zeeland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Smallingerland | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Stede Broec | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Tytsjerksteradiel | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Uitgeest | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Urk | Flevoland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Veere | Zeeland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Velsen | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Wassenaar | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Westerkwartier | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Westland | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Westvoorne | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Aa en Hunze | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Aalsmeer | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Aalten | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Almere | Flevoland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Alphen aan den Rijn | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Altena | Noord-Brabant | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Amstelveen | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Amsterdam | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Assen | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Bodegraven-Reeuwijk | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Borger-Odoorn | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Borsele | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Brielle | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Coevorden | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Culemborg | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Dalfsen | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

De Ronde Venen | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

De Wolden | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Delft | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Diemen | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Dronten | Flevoland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Emmen | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Goes | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Gouda | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Groningen | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Haarlem | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Haarlemmermeer | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hardenberg | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hardinxveld-Giessendam | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Heemstede | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hellevoetsluis | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hoeksche Waard | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hoogeveen | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hulst | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

IJsselstein | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Kaag en Braassem | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Kampen | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Kapelle | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Krimpenerwaard | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Landsmeer | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Lansingerland | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Leiden | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Leiderdorp | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Leidschendam-Voorburg | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Lelystad | Flevoland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Lopik | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Maassluis | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Meppel | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Middelburg | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Midden-Delfland | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Midden-Drenthe | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Midden-Groningen | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Moerdijk | Noord-Brabant | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Molenlanden | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Montfoort | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Nieuwkoop | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Nissewaard | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Noordenveld | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Oegstgeest | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Oost Gelre | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Ooststellingwerf | Friesland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Oostzaan | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Ouder-Amstel | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Oudewater | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Pekela | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Pijnacker-Nootdorp | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Reimerswaal | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Rijswijk | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Rotterdam-West (wijk 17, wijk 23 excl. buurt 8, en wijk 27) | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

's-Gravenhage | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Sluis | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Stadskanaal | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Staphorst | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Steenbergen | Noord-Brabant | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Steenwijkerland | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Stichtse Vecht | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Terneuzen | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Teylingen | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Tholen | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Tynaarlo | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Uithoorn | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Veendam | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Vijfheerenlanden | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Vlissingen | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Voorschoten | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Waddinxveen | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Waterland | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Weesp | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

West Betuwe | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Westerveld | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Westerwolde | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Weststellingwerf | Friesland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Woerden | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Wormerland | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zaanstad | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zaltbommel | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zoetermeer | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zoeterwoude | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zuidplas | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zwartewaterland | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zwolle | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Alblasserdam | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Albrandswaard | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Barendrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Bergen op Zoom | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Berkelland | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Beuningen | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Bunnik | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Bunschoten | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Buren | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Capelle aan den IJssel | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Dordrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Drimmelen | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Druten | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 17, eerste lid, onderdeel b, 19 eerste lid, onderdeel b, en 21 eerste lid, onderdeel c (Lijst windsnelheden per gemeente)

Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 17, eerste lid, onderdeel b, 19 eerste lid, onderdeel b, en 21 eerste lid, onderdeel c (Lijst windsnelheden per gemeente) (deel 2)

Duiven | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Etten-Leur | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Geertruidenberg | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Gooise Meren | Noord-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Gorinchem | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Haaksbergen | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Halderberge | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Hattem | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Hellendoorn | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Hendrik-Ido-Ambacht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Houten | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Krimpen aan den IJssel | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Lingewaard | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Maasdriel | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Neder-Betuwe | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Nieuwegein | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Nijkerk | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Oldebroek | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Olst-Wijhe | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Ommen | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Oss | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Oude IJsselstreek | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Overbetuwe | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Papendrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Raalte | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Ridderkerk | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Roosendaal | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Rotterdam (excl. wijk 17, wijk 23 en wijk 27) | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Schiedam | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Simpelveld | Limburg | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Sliedrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Tiel | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Tubbergen | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Twenterand | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Utrecht | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Vlaardingen | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Waalwijk | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

West Maas en Waal | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Wijchen | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Wijdemeren | Noord-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Wijk bij Duurstede | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Winterswijk | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Zeewolde | Flevoland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Zevenaar | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Zundert | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Zwijndrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Almelo | Overijssel | < 6,75 m/s

Alphen-Chaam | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Amersfoort | Utrecht | < 6,75 m/s

Apeldoorn | Gelderland | < 6,75 m/s

Arnhem | Gelderland | < 6,75 m/s

Asten | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Baarle-Nassau | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Baarn | Utrecht | < 6,75 m/s

Barneveld | Gelderland | < 6,75 m/s

Beek | Limburg | < 6,75 m/s

Beekdaelen | Limburg | < 6,75 m/s

Beesel | Limburg | < 6,75 m/s

Berg en Dal | Gelderland | < 6,75 m/s

Bergeijk | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Bergen (L.) | Limburg | < 6,75 m/s

Bernheze | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Best | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Bladel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Blaricum | Noord-Holland | < 6,75 m/s

Boekel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Borne | Overijssel | < 6,75 m/s

Boxtel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Breda | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Bronckhorst | Gelderland | < 6,75 m/s

Brummen | Gelderland | < 6,75 m/s

Brunssum | Limburg | < 6,75 m/s

Cranendonck | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

De Bilt | Utrecht | < 6,75 m/s

Deurne | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Deventer | Overijssel | < 6,75 m/s

Dinkelland | Overijssel | < 6,75 m/s

Doesburg | Gelderland | < 6,75 m/s

Doetinchem | Gelderland | < 6,75 m/s

Dongen | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Echt-Susteren | Limburg | < 6,75 m/s

Ede | Gelderland | < 6,75 m/s

Eemnes | Utrecht | < 6,75 m/s

Eersel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Eijsden-Margraten | Limburg | < 6,75 m/s

Eindhoven | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Elburg | Gelderland | < 6,75 m/s

Enschede | Overijssel | < 6,75 m/s

Epe | Gelderland | < 6,75 m/s

Ermelo | Gelderland | < 6,75 m/s

Geldrop-Mierlo | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Gemert-Bakel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Gennep | Limburg | < 6,75 m/s

Gilze en Rijen | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Goirle | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Gulpen-Wittem | Limburg | < 6,75 m/s

Harderwijk | Gelderland | < 6,75 m/s

Heerde | Gelderland | < 6,75 m/s

Heerlen | Limburg | < 6,75 m/s

Heeze-Leende | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Helmond | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Hengelo | Overijssel | < 6,75 m/s

Heumen | Gelderland | < 6,75 m/s

Heusden | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Hilvarenbeek | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Hilversum | Noord-Holland | < 6,75 m/s

Hof van Twente | Overijssel | < 6,75 m/s

Horst aan de Maas | Limburg | < 6,75 m/s

Huizen | Noord-Holland | < 6,75 m/s

Kerkrade | Limburg | < 6,75 m/s

Laarbeek | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Land van Cuijk | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Landgraaf | Limburg | < 6,75 m/s

Laren | Noord-Holland | < 6,75 m/s

Leudal | Limburg | < 6,75 m/s

Leusden | Utrecht | < 6,75 m/s

Lochem | Gelderland | < 6,75 m/s

Loon op Zand | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Losser | Overijssel | < 6,75 m/s

Maasgouw | Limburg | < 6,75 m/s

Maashorst | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Maastricht | Limburg | < 6,75 m/s

Meerssen | Limburg | < 6,75 m/s

Meierijstad | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Montferland | Gelderland | < 6,75 m/s

Mook en Middelaar | Limburg | < 6,75 m/s

Nederweert | Limburg | < 6,75 m/s

Nijmegen | Gelderland | < 6,75 m/s

Nuenen, Gerwen en Nederwetten | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Nunspeet | Gelderland | < 6,75 m/s

Oirschot | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Oisterwijk | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Oldenzaal | Overijssel | < 6,75 m/s

Oosterhout | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Peel en Maas | Limburg | < 6,75 m/s

Putten | Gelderland | < 6,75 m/s

Renkum | Gelderland | < 6,75 m/s

Renswoude | Utrecht | < 6,75 m/s

Reusel-De Mierden | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Rheden | Gelderland | < 6,75 m/s

Rhenen | Utrecht | < 6,75 m/s

Rijssen-Holten | Overijssel | < 6,75 m/s

Roerdalen | Limburg | < 6,75 m/s

Roermond | Limburg | < 6,75 m/s

Rozendaal | Gelderland | < 6,75 m/s

Rucphen | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Scherpenzeel | Gelderland | < 6,75 m/s

's-Hertogenbosch | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Sint-Michielsgestel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Sittard-Geleen | Limburg | < 6,75 m/s

Soest | Utrecht | < 6,75 m/s

Someren | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Son en Breugel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Stein | Limburg | < 6,75 m/s

Tilburg | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Utrechtse Heuvelrug | Utrecht | < 6,75 m/s

Vaals | Limburg | < 6,75 m/s

Valkenburg aan de Geul | Limburg | < 6,75 m/s

Valkenswaard | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Veenendaal | Utrecht | < 6,75 m/s

Veldhoven | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Venlo | Limburg | < 6,75 m/s

Venray | Limburg | < 6,75 m/s

Voerendaal | Limburg | < 6,75 m/s

Voorst | Gelderland | < 6,75 m/s

Vught | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Waalre | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Wageningen | Gelderland | < 6,75 m/s

Weert | Limburg | < 6,75 m/s

Westervoort | Gelderland | < 6,75 m/s

Wierden | Overijssel | < 6,75 m/s

Woensdrecht | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Woudenberg | Utrecht | < 6,75 m/s

Zeist | Utrecht | < 6,75 m/s

Zutphen | Gelderland | < 6,75 m/s