wetzoeker

Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020

Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 17 september 2020, nr. WJZ/ 20210006, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de productie van duurzame energie en klimaattransitie in 2020

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-01-2022
Rechtsgebied
Ondernemingspraktijk
Ministerie
Economische Zaken en Klimaat
BWB-id
BWBR0044108
Versie
2022-01-01_0
SHA-256 bron
c0f0d90a9881519825359d273719bd515f0d39b4b8d0c95d53df5f6225ef6f75

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (88)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 17
  18. Artikel 18
  19. Artikel 19
  20. Artikel 20
  21. Artikel 21
  22. Artikel 22
  23. Artikel 23
  24. Artikel 24
  25. Artikel 25
  26. Artikel 26
  27. Artikel 27
  28. Artikel 28
  29. Artikel 29
  30. Artikel 30
  31. Artikel 31
  32. Artikel 32
  33. Artikel 33
  34. Artikel 34
  35. Artikel 35
  36. Artikel 36
  37. Artikel 37
  38. Artikel 38
  39. Artikel 39
  40. Artikel 40
  41. Artikel 41
  42. Artikel 42
  43. Artikel 43
  44. Artikel 44
  45. Artikel 45
  46. Artikel 46
  47. Artikel 47
  48. Artikel 48
  49. Artikel 49
  50. Artikel 50
  51. Artikel 51
  52. Artikel 52
  53. Artikel 53
  54. Artikel 54
  55. Artikel 55
  56. Artikel 56
  57. Artikel 57
  58. Artikel 58
  59. Artikel 59
  60. Artikel 60
  61. Artikel 61
  62. Artikel 62
  63. Artikel 63
  64. Artikel 64
  65. Artikel 65
  66. Artikel 66
  67. Artikel 67
  68. Artikel 68
  69. Artikel 69
  70. Artikel 70
  71. Artikel 71
  72. Artikel 72
  73. Artikel 73
  74. Artikel 74
  75. Artikel 75
  76. Artikel 76
  77. Artikel 77
  78. Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de afvang en opslag van koolstofdioxide en van activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020
  79. Artikel 1 — Tijdige ingebruikname van de productie-installatie
  80. Artikel 2 — Inhoud en omvang van de garantie
  81. Artikel 3 — Vrijval van de garantie
  82. Artikel 4 — Boetes
  83. Artikel 5 — Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst
  84. Artikel 6 — Domiciliekeuze en berichtgevingen
  85. Artikel 7 — Rechtskeuze
  86. Artikel 8 — Citeertitel
  87. Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 8, 10 en 12 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020 (deel 1)
  88. Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 8, 10 en 12 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020 (deel 2)

§ 1 — Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

algemene uitvoeringsregeling: Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;

allesvergisting: biologische afbraakreacties van biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van de nummers 400, 410, 420, 500, 550 tot en met 559, waarvan de biogasopbrengst van de ingaande stroom ten minste 25 Nm3 aardgasequivalent per ton bedraagt;

beschermingszone: beschermingszone als bedoeld in appendix b bij bijlage I van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

besluit: Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;

Besluit SDE: Besluit stimulering duurzame energieproductie, zoals dit luidde tot 1 november 2020;

biosyngas: mengsel van gassen dat is geproduceerd door vergassing van biomassa en dat geen nadere bewerking tot methaan heeft ondergaan;

COP-waarde: coëfficiënt van prestatie uitgedrukt in de hoeveelheid afgegeven warmte aan de condensorzijde per hoeveelheid opgenomen elektriciteit;

doublet: combinatie van naast elkaar liggende diepboringen die ten minste bestaat uit één productieput en één injectieput;

gebouw: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet niet zijnde een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012;

hernieuwbare warmte: nuttig aangewende warmte als bedoeld in artikel 1 van de Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong;

ketel: installatie waarin brandstof wordt verstookt waarbij de verbrandingswarmte met behulp van een warmtewisselaar wordt overgedragen aan een vloeistof;

koolstofdioxide-arme warmte: nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte als bedoeld in artikel 1 van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;

monomestvergisting: biologische afbraakreacties van uitsluitend vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren;

minister: Minister van Economische Zaken en Klimaat;

netto P50-waarde vollasturen: aantal vollasturen waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%;

nominaal elektrisch rendement: quotiënt van het nominaal elektrisch vermogen en:

a. de som van het nominaal elektrisch vermogen en nominaal warmtevermogen in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een verbrandingsmotor; en

b. het nominaal warmtevermogen van de ketel in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een stoomturbine of een organische rankinecyclus;

nominaal vermogen: maximale vermogen van de productie-installatie dat onder nominale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte, koolstofdioxide-arme warmte of hernieuwbaar gas en dat door de leverancier gegarandeerd wordt bij continu gebruik, waarbij in het geval van geothermische productie-installaties het nominaal vermogen dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van ten minste 50%;

NTA 8003: 2017: Nederlandse Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassing, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde op 31 december 2017;

primaire waterkering: primaire waterkering als bedoeld in appendix b bij bijlage I van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

restwarmte: onvermijdelijke thermische energie die als bijproduct in de bedrijfsvoering van een onderneming wordt opgewekt en die zonder nuttige aanwending ongebruikt terecht zou komen in lucht of water en die ten tijde van het verrichten van de aanvraag niet nuttig wordt aangewend;

richtlijn (EU) 2018/2001: Richtlijn nr. 2018/2001/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328);

stadsverwarming: warmtelevering aan een warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet, waarbij de warmte door een producent wordt geleverd ten behoeve van ruimteverwarming en warmtapwatervoorzieningen van gebouwen;

thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa: omzetting van vaste of vloeibare biomassa door middel van:

a. verbranding;

b. een andere thermische behandeling dan bedoeld onder a ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand; of

c. de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling;

valhoogte: verschil in waterpeil voor en achter de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van waterkracht waarbij het nominaal vermogen wordt benut;

verwarming van gebouwde omgeving: stadsverwarming of ruimteverwarming en warmtapwatervoorzieningen in een gebouw, niet zijnde een kas, waarbij de producent de warmte rechtstreeks levert aan het desbetreffende gebouw;

voorliggende waterkering: voorliggende waterkering als bedoeld in appendix b bij bijlage I van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

waterstaatswerk: waterstaatswerk als bedoeld in appendix b bij bijlage I van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

zeewering of zachte zeewering van Maasvlakte 2: harde zeewering en zachte zeewering van Maasvlakte 2 als bedoeld in bijlage 1 van de concessie aan het Havenbedrijf Rotterdam N.V. te Rotterdam, bij Koninklijk Besluit van 23 mei 2008, nr. 08.001524.

§ 2 — Algemene bepalingen

Artikel 2

1 Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en hernieuwbare warmte en voor de vermindering van broeikasgas op grond van de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 14, eerste lid, 16, eerste lid, 18, 20, 22, eerste lid, 24, 26, eerste lid, 28, eerste lid, 30, 32, 34, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 46, eerste lid, 48, eerste lid, 50, eerste lid, 52, eerste lid, 54, eerste lid, 56, eerste lid, 58, eerste lid, 60, eerste lid, 62, eerste lid, 64, eerste lid, 66 en 68, die wordt aangevraagd in de periode van 24 november 2020, 09:00 uur, tot 17 december 2020, 17:00 uur, bedraagt € 5.000.000.000.

2 Het productieplafond voor het verlenen van subsidie op grond van artikel 68 die wordt aangevraagd in het eerste lid genoemde periode voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide:

a. waarvan koolstofdioxide afkomstig is als bijproduct van producenten uit de sectoren met sbi-codes 6, 8 tot en met 33, 38, 35.2 en 35.3 bedraagt 108.000.000.000 kg; en

b. waarvan koolstofdioxide afkomstig is als bijproduct van producenten uit de sector met sbi-code 35.1 bedraagt 45.000.000.000 kg.

3 De minister verdeelt het bedrag, genoemd in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

4 Per categorie productie-installaties kan in de periode, genoemd in het eerste lid, per adres waarop een productie-installatie wordt geplaatst maximaal één aanvraag worden ingediend.

5 De minister beslist afwijzend op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, indien geen toestemming van de eigenaar van de beoogde locatie kan worden overgelegd met gebruikmaking van het middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld of indien geen gedoogplichtbeschikking op grond van artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht ten aanzien van de beoogde locatie voor het plaatsen van de productie-installatie kan worden overgelegd.

6 Een subsidie als bedoeld in het eerste lid van meer dan € 400.000.000,– alsmede een subsidie als bedoeld in artikel 68, onderdelen c en d, worden verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na afgifte van die beschikking een uitvoeringsovereenkomst overeenkomstig de overeenkomst opgenomen in bijlage 1 tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidieontvanger en onder de opschortende voorwaarde dat de subsidieontvanger binnen vier weken na afgifte van de beschikking heeft aangetoond dat een bankgarantie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de uitvoeringsovereenkomst is afgegeven.

7 Het zesde lid is niet van toepassing op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, onderdeel a, van de Elektriciteitswet 1998.

8 Indien voor dezelfde periode, of gedeeltelijk voor dezelfde periode, meer beschikkingen zijn afgegeven voor dezelfde productie-installatie en dezelfde soort hernieuwbare energie, worden voor de toepassing van het zesde lid de subsidies die de subsidieontvanger ontvangt, bedoeld in artikel 48 van het besluit of het Besluit SDE, van de beschikkingen waarvan de periode waarover subsidie wordt verstrekt nog niet zijn aangevangen bij elkaar opgeteld.

§ 2 — Algemene bepalingen

Artikel 3

1 Productie-installaties als bedoeld in artikel 4, onderdeel c, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, onderdeel c, van het besluit.

2 Productie-installaties als bedoeld in artikel 20, 38, eerste lid, en 50, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het besluit.

3 Productie-installaties als bedoeld in artikel 30, onderdeel f, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van het besluit.

4 Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 18, 20, 22, eerste lid, 24, 26, eerste lid, onderdelen a en b, 30, onderdeel f, 34, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 46, eerste lid, 48, eerste lid, 50, eerste lid, en 68 worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van het besluit.

5 Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, en 14, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 15, derde, vierde en zesde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

6 Productie-installaties als bedoeld in artikel 16, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 15, derde, vierde en zesde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt en dat bij de benutting van de opgetelde kWh, bedoeld in artikel 15, vierde lid van het besluit, geldt dat de productie wordt verdeeld in een deel netlevering en een deel niet-netlevering op basis van de verhouding tussen de geproduceerde energie die aan het net geleverd is en de energie die niet aan het net geleverd is in het voorgaande jaar.

7 Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 18, 20, 22, eerste lid, 24 en 26, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, derde en vierde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 32, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

8 Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 18, 20, 22, eerste lid, 24 en 26, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, zesde lid, van het besluit.

9 Productie-installaties als bedoeld in de artikel 34 en artikel 36, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, zevende lid van het besluit.

10 Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 28, eerste lid, 30, 34, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 46, eerste lid, 48, eerste lid, 50, eerste lid, en 52, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 48, derde en vierde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 48, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

11 Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 34, onderdelen b, d en f, 36, eerste lid, onderdeel b, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 46, eerste lid, 48, eerste lid, en 50, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 48, zevende lid van het besluit.

12 Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 14, eerste lid, 18, 20, en 34, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 56, tweede lid, van het besluit.

13 Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 32, 54, eerste lid, 56, eerste lid, 58, eerste lid, 62, eerste lid, 64, eerste lid, en 68, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 55j, derde en vierde lid, van het besluit, met dien verstande dat het verschil in kg verminderde broeikasgas dat bij het aantal kg verminderde broeikasgas van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 55j, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kg verminderde broeikasgas dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

14 Productie-installaties als bedoeld in artikel 60, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 55j, derde lid, van het besluit, met dien verstande dat het verschil in kg verminderde broeikasgas dat bij het aantal kg verminderde broeikasgas van het volgende jaar kan worden opgeteld ten hoogste 100% bedraagt van het aantal kg verminderde broeikasgas dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

15 Productie-installaties als bedoeld in artikel 66, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 55j, derde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kg verminderde broeikasgas dat bij het aantal kg verminderde broeikasgas van het volgende jaar kan worden opgeteld ten hoogste 100% bedraagt van het aantal kg verminderde broeikasgas dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.1 — Waterkracht

Artikel 4

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee door middel van hydro-mechanisch-elektrische omzetting hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd uit potentiële dan wel kinetische energie van stromend water dat niet specifiek ten behoeve van de elektriciteitsproductie omhoog is gepompt:

a. in installaties met een valhoogte kleiner dan 50 centimeter;

b. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter; of

c. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter, die ingrijpend zijn gerenoveerd en waarbij ten minste de turbines nieuw zijn.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.1 — Waterkracht

Artikel 5

1 Subsidie als bedoeld in artikel 4 wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 4, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.2 — Osmose

Artikel 6

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt gegenereerd door middel van het verschil in zoutconcentratie tussen twee watermassa’s.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.2 — Osmose

Artikel 7

1 Subsidie als bedoeld in artikel 6 wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 6, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.3 — Wind op land

Artikel 8

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, niet zijnde een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in de artikelen 10, 12 of 14, die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2019, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:

a. ≥ 8,5 m/s;

b. ≥ 8,0 en < 8,5 m/s;

c. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;

d. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;

e. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of

f. < 6,75 m/s.

2 De productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.

3 Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:

a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of

b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging vijftien jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.3 — Wind op land

Artikel 9

1 Subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.4 — Wind op land met hoogtebeperking

Artikel 10

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, met een tiphoogte kleiner dan of gelijk aan 150 meter, die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2019, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:

a. ≥ 8,5 m/s;

b. ≥ 8,0 en < 8,5 m/s;

c. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;

d. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;

e. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of

f. < 6,75 m/s.

2 De productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.

3 Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:

a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of

b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging vijftien jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste dertien jaar voordien in gebruik is genomen.

4 De subsidieontvanger toont bij de indiening van de aanvraag aan dat voor de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, op de locatie waar de productie-installatie wordt opgericht, een hoogterestrictie op grond van landelijke wet- en regelgeving in verband met de aanwezigheid van een luchthaven in de omgeving van toepassing is waardoor de tiphoogte van de windturbine beperkt is tot 150 meter of lager.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.4 — Wind op land met hoogtebeperking

Artikel 11

1 Subsidie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 10, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.5 — Wind op waterkering

Artikel 12

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie die is opgericht binnen het waterstaatswerk of een beschermingszone van een voorliggende waterkering, dan wel binnen het waterstaatswerk of de zeewaartsgerichte beschermingszone van een primaire waterkering grenzend aan de Noordzee, de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Dollard of de Eems, dan wel in de harde zeewering of zachte zeewering van Maasvlakte 2, en die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2019, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:

a. ≥ 8,5 m/s;

b. ≥ 8,0 en < 8,5 m/s;

c. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;

d. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;

e. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of

f. < 6,75 m/s.

2 Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:

a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of

b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging vijftien jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.5 — Wind op waterkering

Artikel 13

1 Subsidie als bedoeld in artikel 12, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.6 — Wind in meer

Artikel 14

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, en waarvan de fundering volledig in het water van een meer van minimaal één vierkante kilometer staat, waarbij het hart van de fundering op een afstand van ten minste 25 meter van de waterkant staat.

2 Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:

a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of

b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging vijftien jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.6 — Wind in meer

Artikel 15

1 Subsidie als bedoeld in artikel 14, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 14, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.7 — Fotovoltaïsche zonnepanelen

Artikel 16

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen, die is aangesloten op een elektriciteitsnet via een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A:

a. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 15 kWp en kleiner dan 1 MWp;

b. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen op of aan een gebouw zijn aangebracht;

c. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen, niet met een gebouw verbonden, op land staan;

d. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen, niet met een gebouw verbonden, op land staan, en automatisch met de stand van de zon meebewegen door middel van een zonvolgsysteem;

e. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen drijven op water; of

f. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen drijven op water en automatisch met de stand van de zon meebewegen door middel van een zonvolgsysteem.

2 Voor de werking van dit artikel wordt onder gebouw tevens verstaan een aan de grond gebonden overkapping ten behoeve van het tegen weersinvloeden beschermd parkeren van voertuigen.

§ 3 — Categorieën › § 3.1 — Hernieuwbare elektriciteit › § 3.1.7 — Fotovoltaïsche zonnepanelen

Artikel 17

1 Subsidie als bedoeld in artikel 16 wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, binnen achttien maanden na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

4 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdelen c, d, e en f, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

5 Op aanvragen van een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, is artikel 3, eerste en tweede lid, van de algemene uitvoeringsregeling niet van toepassing.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.1 — Biomassavergisting

Artikel 18

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door:

a. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

b. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is; of

c. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch uitgangsvermogen van de groengasinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.1 — Biomassavergisting

Artikel 19

1 Subsidie als bedoeld in artikel 18 wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 18, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.2 — Biomassavergisting, verlengde levensduur

Artikel 20

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie waarmee uitsluitend door middel van allesvergisting hernieuwbaar gas wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt als productie-installaties voor de productie van elektriciteit of warmte en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch uitgangsvermogen van de groengasinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.2 — Biomassavergisting, verlengde levensduur

Artikel 21

1 Subsidie als bedoeld in artikel 20 wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 20, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.3 — Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties

Artikel 22

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij er verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering en waarbij ten minste de installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de aanvullende productie van biogas nieuw zijn.

2 De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de aanvullende productie, bedoeld in het eerste lid, worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.

3 De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer de producent minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.

4 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch uitgangsvermogen van de groengasinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.3 — Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties

Artikel 23

1 Subsidie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 22, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.4 — Rioolwaterzuiveringsinstallaties bestaande slibgisting

Artikel 24

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib, waarbij ten minste de opwerkinstallatie waarmee biogas op aardgaskwaliteit wordt gebracht nieuw is.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch uitgangsvermogen van de groengasinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.4 — Rioolwaterzuiveringsinstallaties bestaande slibgisting

Artikel 25

1 Subsidie als bedoeld in artikel 24, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 24, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.5 — Biomassavergassing

Artikel 26

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas, niet zijnde biosyngas, geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas door middel van vergassing, waarbij ten minste de vergasser nieuw is, uit:

a. biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017; of

b. biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van B-Hout als bedoeld in nummers 100, 150, 170 t/m 179 van de NTA 8003: 2017.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

3 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch uitgangsvermogen van de groengasinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.2 — Hernieuwbaar gas › § 3.2.5 — Biomassavergassing

Artikel 27

1 Subsidie als bedoeld in artikel 26, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 26, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.1 — Zonthermie voor warmte

Artikel 28

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie die uitsluitend voorziet in de productie van hernieuwbare warmte uit zonne-energie, en waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van afgedekte collectoren waarbij de transparante isolerende laag, niet zijnde beglazing van kassen of fotovoltaïsche zonnepanelen, een geïntegreerd geheel vormt met de collector, met een totaal thermisch vermogen:

a. groter dan of gelijk aan 140 kWth en kleiner dan 1 MWth; of

b. groter dan of gelijk aan 1 MWth.

2 Het vermogen in kWth van de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend door de apertuuroppervlakte in vierkante meter te vermenigvuldigen met een factor 0,7.

3 Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstrekt indien reeds op basis van artikel 4.5.2. van de Regeling nationale EZ-subsidies subsidie is verstrekt.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.1 — Zonthermie voor warmte

Artikel 29

1 Subsidie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 28, eerste lid, binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.2 — Geothermie voor hernieuwbare warmte

Artikel 30

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door:

a. een productie-installatie met een vermogen tot 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen dieper gelegen dan de formatielagen van de Noordzee Groep en met een diepte van ten minste 500 meter;

b. een productie-installatie met een vermogen van ten minste 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen dieper gelegen dan de formatielagen van de Noordzee Groep en met een diepte van ten minste 500 meter;

c. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen dieper gelegen dan de formatielagen van de Noordzee Groep en met een diepte van ten minste 500 meter hernieuwbare warmte wordt geproduceerd die wordt aangewend voor verwarming van de gebouwde omgeving;

d. een productie-installatie met een vermogen tot 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, gebruikmakend van ten minste één olie- of gasput dieper gelegen dan de formatielagen van de Noordzee Groep en met een diepte van ten minste 500 meter;

e. een productie-installatie met een vermogen van ten minste 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, gebruikmakend van ten minste één olie- of gasput dieper gelegen dan de formatielagen van de Noordzee Groep en met een diepte van tenminste 500 meter;

f. een productie-installatie als bedoeld in de onderdelen a, b, d of e, waarvoor op het moment van aanvragen reeds een subsidie is verleend op grond van het Besluit SDE, die wordt uitgebreid met ten minste één aanvullende put dieper gelegen dan de formatielagen van de Noordzee Groep en met een diepte van ten minste 500 meter; of

g. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 4.000 meter.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.2 — Geothermie voor hernieuwbare warmte

Artikel 31

1 Subsidie als bedoeld in artikel 30 wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 30, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.3 — Geothermie voor koolstofdioxide-arme warmte

Artikel 32

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door:

a. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen gelegen in de formatielagen van de Noordzeegroep met een diepte van ten minste 500 meter, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd met een compressiewarmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 en met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth; of

b. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen gelegen in de formatielagen van de Noordzeegroep met een diepte van ten minste 500 meter, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd met een compressiewarmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 en met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth en de warmte wordt aangewend voor de verwarming van de gebouwde omgeving.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.3 — Geothermie voor koolstofdioxide-arme warmte

Artikel 33

1 Subsidie als bedoeld in artikel 32 wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 32, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.4 — Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 34

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door:

a. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

b. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt;

c. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

d. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 400 kW, voor elektrisch en thermisch vermogen samen, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt;

e. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is; of

f. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, voor elektrisch en thermisch vermogen samen, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.4 — Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 35

1 Subsidie als bedoeld in artikel 34 wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 34, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.5 — Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 36

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij er verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering:

a. waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarbij ten minste de installatie-onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie nieuw zijn; of

b. waarmee hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd, waarbij ten minste de installatie-onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie nieuw zijn.

2 De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie, bedoeld in het eerste lid, worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.

3 De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer de producent minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.

4 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.5 — Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 37

1 Subsidie als bedoeld in artikel 36, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 36, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.6 — Ketel vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 38

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MW voor de productie van warmte door middel van verbranding van vloeibare biomassa als bedoeld in de nummers 512, 514, 517, 518, 543, 545, 550 tot en met 579, 587, 594, 595 en 800 tot en met 809 van de NTA 8003: 2017, met een brander in een ketel.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.6 — Ketel vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 39

1 Subsidie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 38, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.7 — Grote ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 40

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is en waarbij het aantal subsidiabele vollasturen:

a. ten hoogste 4.500 vollasturen per jaar bedraagt;

b. ten hoogste 5.000 vollasturen per jaar bedraagt;

c. ten hoogste 5.500 vollasturen per jaar bedraagt;

d. ten hoogste 6.000 vollasturen per jaar bedraagt;

e. ten hoogste 6.500 vollasturen per jaar bedraagt;

f. ten hoogste 7.000 vollasturen per jaar bedraagt;

g. ten hoogste 7.500 vollasturen per jaar bedraagt;

h. ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt; of

i. ten hoogste 8.500 vollasturen per jaar bedraagt.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

3 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte vaste biomassa, voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.7 — Grote ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 41

1 Subsidie als bedoeld in artikel 40, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 40, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.8 — Grote ketel op B-Hout voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 42

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van biomassa als bedoeld in NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

3 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.8 — Grote ketel op B-Hout voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 43

1 Subsidie als bedoeld in artikel 42, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 42, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.9 — Ketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking voor verwarming van gebouwde omgeving

Artikel 44

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 10 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is waarin:

a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;

b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of

c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in onderdelen a en b.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

3 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid, levert de warmte uitsluitend ten behoeve van de verwarming van gebouwde omgeving.

4 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.9 — Ketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking voor verwarming van gebouwde omgeving

Artikel 45

1 Subsidie als bedoeld in artikel 44, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.10 — Stoomketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 46

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte of hernieuwbare elektriciteit en warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van stoom door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de stoomketel nieuw is waarin:

a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;

b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of

c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in onderdelen a en b.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

3 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.10 — Stoomketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 47

1 Subsidie als bedoeld in artikel 46, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 46, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.11 — Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 48

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, door middel van verbranding van houtpellets, met een brander in een ketel, een oven of een fornuis met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MWth waarin:

a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;

b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of

c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in onderdelen a en b.

2 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.11 — Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 49

1 Subsidie als bedoeld in artikel 48, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 48, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.12 — Verlengde levensduur voor ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 50

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 5 MWth, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen.

2 De biomassa die in de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast, is voor ten minste 95% van de energetische waarde biogeen.

3 Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte vaste biomassa, voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.12 — Verlengde levensduur voor ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 51

1 Subsidie als bedoeld in artikel 50, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 50, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.13 — Composteringsinstallatie op champost voor warmte

Artikel 52

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte die vrijkomt bij het composteren van uitsluitend biomassa als bedoeld in nummer 256 van de NTA 8003: 2017, met een vermogen van ten minste 500 kWth.

2 De biomassa die in de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast, is voor ten minste 95% van de energetische waarde biogeen.

§ 3 — Categorieën › § 3.3 — Hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte › § 3.3.13 — Composteringsinstallatie op champost voor warmte

Artikel 53

1 Subsidie als bedoeld in artikel 52, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 52, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.1 — Thermische energie uit oppervlaktewater

Artikel 54

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte onttrokken uit oppervlaktewater en opgewaardeerd door middel van een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.

2 De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid:

a. heeft een seizoensopslag van warmte die niet wordt gebruikt voor koudelevering; en

b. levert uitsluitend warmte aan de gebouwde omgeving;.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.1 — Thermische energie uit oppervlaktewater

Artikel 55

1 Subsidie als bedoeld in artikel 54, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 54, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.2 — Thermische energie uit drink- of afvalwater

Artikel 56

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte onttrokken uit drinkwater of afvalwater door middel van een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 en met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.

2 De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, levert uitsluitend warmte aan de gebouwde omgeving.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.2 — Thermische energie uit drink- of afvalwater

Artikel 57

1 Subsidie als bedoeld in artikel 56, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 56, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.3 — Zonthermie voor warmte met toepassing in daglichtkas

Artikel 58

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte uit zonne-energie die integraal onderdeel uitmaakt van een nieuwe tuinbouwkas.

2 De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid:

a. maakt gebruik van een optisch en zonvolgend systeem waarbij zonlicht wordt geconcentreerd op collectorbuizen met een thermisch vermogen dat ten minste vier keer het nominaal thermisch vermogen van de warmtepomp bedraagt;

b. maakt gebruik van seizoensopslag van warmte die niet wordt gebruikt voor koudelevering; en

c. maakt gebruik van een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 5,0 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.3 — Zonthermie voor warmte met toepassing in daglichtkas

Artikel 59

1 Subsidie als bedoeld in artikel 58, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 58, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.4 — Elektroboiler voor warmte

Artikel 60

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van elektriciteit in een ketel.

2 De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, heeft een nominaal thermisch vermogen van ten minste 5 MWth, waarbij de geproduceerde warmte wordt toegepast in een systeem met een ontwerptemperatuur van ten minste 100 °C.

3 Het vermogen van de aansluiting op het elektriciteitsnet is ten minste even groot als het vermogen van de elektroboiler.

4 Het vermogen van de elektroboiler is niet groter dan het thermisch vermogen van de op de locatie aanwezige boilers die gestookt worden op fossiele brandstoffen.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.4 — Elektroboiler voor warmte

Artikel 61

1 Subsidie als bedoeld in artikel 60, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 60, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.5 — Industriële warmtepomp

Artikel 62

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van:

a. een gesloten warmtepomp of compressiewarmtepomp met een COP-waarde van ten minste 2,3 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth;

b. een open warmtepomp of mechanische damprecompressie-installatie met een COP-waarde van ten minste 2,3 en ten hoogste 8,0 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.

2 De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, produceert warmte ten behoeve van een industriële toepassing en levert geen koude.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.5 — Industriële warmtepomp

Artikel 63

1 Subsidie als bedoeld in artikel 62, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 62, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.6 — Restwarmtebenutting

Artikel 64

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte geproduceerd door een productie-installatie waarmee restwarmte wordt uitgekoppeld met een thermisch vermogen van ten minste 5 MWth en naar een andere locatie wordt getransporteerd waar deze warmte nuttig wordt aangewend, waarbij:

a. transport plaatsvindt met behulp van een transportleiding; of

b. transport plaatsvindt met behulp van een transportleiding en de warmte wordt opgewaardeerd met een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0.

2 De transportleiding, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kent ten minste 0,3833 kilometer transportleiding per MWth gezamenlijk outputvermogen van de productie-installatie en andere op de transportleiding invoedende installaties.

3 De levering van stoom wordt uitgesloten van subsidie.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.6 — Restwarmtebenutting

Artikel 65

1 Subsidie als bedoeld in artikel 64, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 64, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.7 — Waterstof uit elektrolyse

Artikel 66

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van waterstof geproduceerd door een productie-installatie die waterstof produceert met behulp van elektrolyse met een nominale capaciteit van ten minste 500 kW.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.7 — Waterstof uit elektrolyse

Artikel 67

1 Subsidie als bedoeld in artikel 66, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 66, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.8 — Vermindering broeikasgas door afvang en permante opslag van koolstofdioxide

Artikel 68

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent die koolstofdioxide afvangt en permanent opslaat of doet opslaan in een ondergronds opslagvoorkomen voor koolstofdioxide waarbij:

a. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces en ten minste de compressor nieuw is;

b. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces en ten minste de compressor nieuw is;

c. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; of

d. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een nieuw productieproces en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn.

§ 3 — Categorieën › § 3.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas › § 3.4.8 — Vermindering broeikasgas door afvang en permante opslag van koolstofdioxide

Artikel 69

1 Subsidie als bedoeld in artikel 68, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 68, binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 4 — Fasebedragen

Artikel 70

1 Voor de fase genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel wordt:

a. de periode waarbinnen de aanvragen binnen moeten zijn vastgesteld van de datum genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel tot de datum genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel van de daarop volgende fase, de vierde fase sluit op 17 december 2020, 17:00 uur;

b. het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, 27, eerste lid, 43a, eerste lid, en 55e, eerste lid, van het besluit, per respectieve fase vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag.

1 | 2 | 3

fase | periode openstelling | fasebedrag in euro/1000 kg broeikasgas

1 | Van 24 november 2020, 9:00 uur tot 30 november 2020, 17:00 uur | 65

2 | Van 30 november 2020, 17:00 uur tot 7 december 2020, 17:00 uur | 85

3 | Van 7 december 2020, 17:00 uur tot 14 december 2020 17:00 uur | 180

4 | 14 december 2020 17:00 uur tot 17 december 2020 17:00 uur | 300

2 Voor de fase een tot en met vier bedoeld in het eerste lid, wordt in afwijking van het fasebedrag bedoeld in de derde kolom van de tabel in het eerste lid, het omgerekende fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, artikel 27, eerste lid en 43a, eerste lid en 55e, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte en gecombineerde opwekking en vermindering van broeikasgas, vastgesteld op het respectievelijk in de derde, vierde, vijfde en zesde kolom van onderstaande tabellen genoemde bedrag.

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6

Artikel regeling | Categorie | fasebedrag in euro/kWh

Fase 1 | Fase 2 | Fase 3 | Fase 4

Artikel 4, onderdeel a | Waterkracht, valhoogte < 50 cm | 0,0652 | 0,0689 | 0,0867 | 0,1090

Artikel 4, onderdeel b | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm | 0,0652 | 0,0689 | 0,0867 | 0,1090

Artikel 4, onderdeel c | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie | 0,0652 | 0,0689 | 0,0867 | 0,0970

Artikel 6 | Osmose | 0,0652 | 0,0689 | 0,0867 | 0,1090

Artikel 8, eerste lid, onderdeel a | Wind op land, ≥ 8,5 m/s | 0,0400 | 0,0400 | 0,0400 | 0,0400

Artikel 8, eerste lid, onderdeel b | Wind op land, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s | 0,0420 | 0,0420 | 0,0420 | 0,0420

Artikel 8, eerste lid, onderdeel c | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0450 | 0,0450 | 0,0450 | 0,0450

Artikel 8, eerste lid, onderdeel d | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0480 | 0,0480 | 0,0480 | 0,0480

Artikel 8, eerste lid, onderdeel e | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0520 | 0,0520 | 0,0520 | 0,0520

Artikel 8, eerste lid, onderdeel f | Wind op land, < 6,75 m/s | 0,0552 | 0,0560 | 0,0560 | 0,0560

Artikel 10, eerste lid, onderdeel a | Wind op land, ≥ 8,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,0450 | 0,0450 | 0,0450 | 0,0450

Artikel 10, eerste lid, onderdeel b | Wind op land, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,0470 | 0,0470 | 0,0470 | 0,0470

Artikel 10, eerste lid, onderdeel c | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s, hoogtebeperkt | 0,0520 | 0,0520 | 0,0520 | 0,0520

Artikel 10, eerste lid, onderdeel d | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,0550 | 0,0550 | 0,0550 | 0,0550

Artikel 10, eerste lid, onderdeel e | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s, hoogtebeperkt | 0,0552 | 0,0589 | 0,0590 | 0,0590

Artikel 10, eerste lid, onderdeel f | Wind op land, < 6,75 m/s, hoogtebeperkt | 0,0552 | 0,0589 | 0,0630 | 0,0630

Artikel 12, eerste lid, onderdeel a | Wind op waterkeringen, ≥ 8,5 m/s | 0,0430 | 0,0430 | 0,0430 | 0,0430

Artikel 12, eerste lid, onderdeel b | Wind op waterkeringen, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s | 0,0460 | 0,0460 | 0,0460 | 0,0460

Artikel 12, eerste lid, onderdeel c | Wind op waterkeringen, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0490 | 0,0490 | 0,0490 | 0,0490

Artikel 12, eerste lid, onderdeel d | Wind op waterkeringen, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0520 | 0,0520 | 0,0520 | 0,0520

Artikel 12, eerste lid, onderdeel e | Wind op waterkeringen, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0552 | 0,0570 | 0,0570 | 0,0570

Artikel 12, eerste lid, onderdeel f | Wind op waterkeringen, < 6,75 m/s | 0,0552 | 0,0589 | 0,0610 | 0,0610

Artikel 14, eerste lid | Wind in meer, water ≥ 1 km2 | 0,0552 | 0,0589 | 0,0590 | 0,0590

Artikel 16, eerste lid, onderdeel a | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 15 kWp en < 1 MWp, aansluiting 3*80A | 0,0748 | 0,0785 | 0,0800 | 0,0800

Artikel 16, eerste lid, onderdeel b | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, gebouwgebonden | 0,0694 | 0,0731 | 0,0740 | 0,0740

Artikel 16, eerste lid, onderdeel c | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, op land | 0,0595 | 0,0632 | 0,0690 | 0,0690

Artikel 16, eerste lid, onderdeel d | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend op land | 0,0595 | 0,0632 | 0,0690 | 0,0690

Artikel 16, eerste lid, onderdeel e | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, drijvend op water | 0,0595 | 0,0632 | 0,0800 | 0,0800

Artikel 16, eerste lid, onderdeel f | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend op water | 0,0595 | 0,0632 | 0,0800 | 0,0800

Artikel 18, onderdeel a | Allesvergisting, gas | 0,0359 | 0,0396 | 0,0569 | 0,0640

Artikel 18, onderdeel b | Monomestvergisting > 400 kW, gas | 0,0458 | 0,0526 | 0,0680 | 0,0680

Artikel 18, onderdeel c | Monomestvergisting ≤ 400 kW, gas | 0,0458 | 0,0526 | 0,0845 | 0,0880

Artikel 20 | Allesvergisting verlengde levensduur, gas | 0,0359 | 0,0396 | 0,0569 | 0,0640

Artikel 22, eerste lid | Verbeterde slibgisting RWZI, gas | 0,0359 | 0,0396 | 0,0420 | 0,0420

Artikel 24 | RWZI bestaande slibgisting, gas | 0,0300 | 0,0300 | 0,0300 | 0,0300

Artikel 26, eerste lid, onderdeel a | Biomassavergassing (≥95% biogeen) | 0,0359 | 0,0396 | 0,0569 | 0,0730

Artikel 26, eerste lid, onderdeel b | Biomassavergassing (uitgezonderdB-hout) | 0,0359 | 0,0396 | 0,0569 | 0,0790

Artikel 28, eerste lid, onderdeel a | Zonthermie ≥ 140 kW en < 1 MW | 0,0547 | 0,0592 | 0,0807 | 0,0950

Artikel 28, eerste lid, onderdeel b | Zonthermie ≥ 1 MW | 0,0477 | 0,0522 | 0,0737 | 0,0800

Artikel 30, onderdelen a en d | Diepe geothermie < 20 MWth, basislast | 0,0382 | 0,0425 | 0,0440 | 0,0440

Artikel 30, onderdelen b en e | Diepe geothermie ≥ 20 MWth, basislast | 0,0380 | 0,0410 | 0,0410 | 0,0410

Artikel 30, onderdeel c | Diepe geothermie, verwarming gebouwde omgeving | 0,0378 | 0,0421 | 0,0623 | 0,0830

Artikel 30, onderdeel f | Diepe geothermie basislast, aanvullende put | 0,0310 | 0,0310 | 0,0310 | 0,0310

Artikel 30, onderdeel g | Geothermie, diepte ≥ 4.000 meter | 0,0381 | 0,0424 | 0,0631 | 0,0650

Artikel 32, onderdeel a | Ondiepe geothermie, basislast | 0,0438 | 0,0471 | 0,0600 | 0,0600

Artikel 32, onderdeel b | Ondiepe geothermie voor verwarming gebouwde omgeving | 0,0438 | 0,0471 | 0,0629 | 0,0810

Artikel 34,onderdeel a | Allesvergisting, warmte | 0,0477 | 0,0522 | 0,0600 | 0,0600

Artikel 34,onderdeel b | Allesvergisting, gecombineerde opwekking | 0,0565 | 0,0606 | 0,0670 | 0,0670

Artikel 34, onderdeel c | Monomestvergisting, warmte > 400 kW | 0,0576 | 0,0620 | 0,0620 | 0,0620

Artikel 34, onderdeel d | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW | 0,0663 | 0,0735 | 0,0740 | 0,0740

Artikel 34, onderdeel e | Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW | 0,0576 | 0,0652 | 0,0980 | 0,0980

Artikel 34, onderdeel f | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW | 0,0863 | 0,0935 | 0,1210 | 0,1210

Artikel 36, eerste lid, onderdeel a | Verbeterde slibgisting RWZI, warmte | 0,0290 | 0,0290 | 0,0290 | 0,0290

Artikel 36, eerste lid, onderdeel b | Verbeterde slibgisting RWZI, gecombineerde opwekking | 0,0440 | 0,0440 | 0,0440 | 0,0440

Artikel 38, eerste lid | Ketel vloeibare biomassa | 0,0477 | 0,0522 | 0,0690 | 0,0690

Artikel 40, eerste lid, onderdeel a | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0470 | 0,0470

Artikel 40, eerste lid, onderdeel b | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0460 | 0,0460

Artikel 40, eerste lid, onderdeel c | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0460 | 0,0460

Artikel 40, eerste lid, onderdeel d | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0450 | 0,0450

Artikel 40, eerste lid, onderdeel e | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0450 | 0,0450

Artikel 40, eerste lid, onderdeel f | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0440 | 0,0440

Artikel 40, eerste lid, onderdeel g | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0440 | 0,0440

Artikel 40, eerste lid, onderdeel h | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0440 | 0,0440

Artikel 40, eerste lid, onderdeel i | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0440 | 0,0440

Artikel 42, eerste lid | Grote ketel op B-hout | 0,0270 | 0,0270 | 0,0270 | 0,0270

Artikel 44, eerste lid | Ketel stadsverwarming op houtpellets | 0,0387 | 0,0432 | 0,0647 | 0,0660

Artikel 46, eerste lid | Stoomketel op houtpellets | 0,0387 | 0,0432 | 0,0640 | 0,0640

Artikel 48, eerste lid | Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen | 0,0447 | 0,0492 | 0,0520 | 0,0520

Artikel 50, eerste lid | Verlengde levensduur ketel vaste of vloeibare biomassa | 0,0310 | 0,0310 | 0,0310 | 0,0310

Artikel 52, eerste lid | Composteringsinstallatie champost | 0,0430 | 0,0430 | 0,0430 | 0,0430

Artikel 54, eerste lid, | Thermische energie uit oppervlaktewater | 0,0508 | 0,0541 | 0,0699 | 0,0900

Artikel 56, eerste lid | Thermische energie uit drink- of afvalwater | 0,0508 | 0,0541 | 0,0699 | 0,0770

Artikel 58, eerste lid | Daglichtkas | 0,0360 | 0,0397 | 0,0573 | 0,0770

Artikel 60, eerste lid | Elektroboiler | 0,0387 | 0,0432 | 0,0647 | 0,0720

Artikel 62, eerste lid, onderdeel a | Industriële warmtepomp (gesloten) | 0,0352 | 0,0380 | 0,0380 | 0,0380

Artikel 62, eerste lid, onderdeel b | Industriële warmtepomp (open) | 0,0369 | 0,0370 | 0,0370 | 0,0370

Artikel 64, eerste lid, onderdeel a | Restwarmtebenutting (zonder warmtepomp) | 0,0330 | 0,0330 | 0,0330 | 0,0330

Artikel 64, eerste lid, onderdeel b | Restwarmtebenutting (met warmtepomp) | 0,0347 | 0,0380 | 0,0440 | 0,0440

Artikel 66 | Waterstof uit elektrolyse | 0,0512 | 0,0556 | 0,0764 | 0,1030

Artikel regeling | categorie | Maximum fasebedrag in euro/1.000 kg CO2

Fase 1 | Fase 2 | Fase 3 | Fase 4

Artikel 68, onderdeel a | Bestaande afvang koolstofdioxide bij bestaand proces (ten hoogste 4.000 vollasturen) | 86,9640 | 86,9640 | 86,9640 | 86,9640

Artikel 68, onderdeel b | Bestaande afvang koolstofdioxide bij bestaand proces (ten hoogste 8.000 vollasturen) | 62,4760 | 62,4760 | 62,4760 | 62,4760

Artikel 68, onderdeel c | Nieuwe afvang koolstofdioxide bij bestaand proces | 96,1773 | 100,3310 | 100,3310 | 100,3310

Artikel 68, onderdeel d | Nieuwe afvang koolstofdioxide bij nieuw proces | 92,3040 | 92,3040 | 92,3040 | 92,3040

3 In afwijking van de fasebedragen genoemd in de derde, vierde, vijfde en zesde kolom van de tabel in het tweede lid geldt voor de productiecategorieën, bedoeld in de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 14, eerste lid, 16, eerste lid, 18, 20, 22, eerste lid, 24, 26, eerste lid, 28, eerste lid, 30, 32, 34, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 46, eerste lid, 48, eerste lid, 50, eerste lid, 52, eerste lid, 54, eerste lid, 56, eerste lid, 58, eerste lid, 60, eerste lid, 62, eerste lid, 64, eerste lid, en 66 het fasebedrag in euro per kWh in vier decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, mits dat bedrag per kWh lager is dan het fasebedrag dat voor de fase waarin de aanvraag is ingediend van toepassing is.

4 In afwijking van de fasebedragen genoemd in de derde, vierde, vijfde of zesde kolom van de tabel in het tweede lid geldt voor de productiecategorieën, bedoeld in artikel 68 het fasebedrag in euro per 1.000 kg broeikasgas in vier decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, mits dat bedrag per 1.000 kg broeikasgas lager is dan het fasebedrag, genoemd in de respectievelijke derde, vierde, vijfde of zesde kolom van de tabel in het tweede lid dat voor de fase waarin de aanvraag is ingediend van toepassing is.

§ 4 — Fasebedragen

Artikel 71

1 Het rangschikkingsbedrag, bedoeld voor de vergelijking van de fasebedragen op grond van artikel 58, tweede lid, van het besluit wordt berekend volgens de formule in het tweede lid en ten behoeve van de uitdrukking in euro per 1.000 kg vermindering van broeikasgas vermenigvuldigd met de factor 1.000 en afgerond op drie decimalen.

2 De formule voor de berekening van het rangschikkingsbedrag luidt

a. voor productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte of hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit: het quotiënt van het verschil tussen het fasebedrag waarvoor de aanvrager de aanvraag heeft ingediend en de langetermijnenergieprijs als vastgesteld in de derde kolom van de in dit lid opgenomen tabel, en de omrekenfactor vastgesteld in de vierde kolom van de in dit lid opgenomen tabel;

b. voor productie-installaties voor vermindering van broeikasgas: het quotiënt van het verschil tussen het fasebedrag waarvoor de aanvrager de aanvraag heeft ingediend en het langetermijnbroeikasgasbedrag als vastgesteld in de derde kolom van de in dit lid opgenomen tabel, en de omrekenfactor vastgesteld in de vierde kolom van de in dit lid opgenomen tabel.

1 | 2 | 3 | 4

Artikel regeling | Categorie | Langetermijn energieprijs of langetermijnbroeikasgasbedrag in euro/kWh | Omrekenfactor in kg CO2/ kWh

Artikel 4, onderdeel a | Waterkracht, valhoogte < 50 cm | 0,053 | 0,187

Artikel 4, onderdeel b | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm | 0,053 | 0,187

Artikel 4, onderdeel c | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie | 0,053 | 0,187

Artikel 6 | Osmose | 0,053 | 0,187

Artikel 8, eerste lid, onderdeel a | Wind op land, ≥ 8,5 m/s | 0,043 | 0,187

Artikel 8, eerste lid, onderdeel b | Wind op land, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s | 0,043 | 0,187

Artikel 8, eerste lid, onderdeel c | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,043 | 0,187

Artikel 8, eerste lid, onderdeel d | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,043 | 0,187

Artikel 8, eerste lid, onderdeel e | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,043 | 0,187

Artikel 8, eerste lid, onderdeel f | Wind op land, < 6,75 m/s | 0,043 | 0,187

Artikel 10, eerste lid, onderdeel a | Wind op land, ≥ 8,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,043 | 0,187

Artikel 10, eerste lid, onderdeel b | Wind op land, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,043 | 0,187

Artikel 10, eerste lid, onderdeel c | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s, hoogtebeperkt | 0,043 | 0,187

Artikel 10, eerste lid, onderdeel d | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,043 | 0,187

Artikel 10, eerste lid, onderdeel e | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s, hoogtebeperkt | 0,043 | 0,187

Artikel 10, eerste lid, onderdeel f | Wind op land, < 6,75 m/s, hoogtebeperkt | 0,043 | 0,187

Artikel 12, eerste lid, onderdeel a | Wind op waterkeringen, ≥ 8,5 m/s | 0,043 | 0,187

Artikel 12, eerste lid, onderdeel b | Wind op waterkeringen, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s | 0,043 | 0,187

Artikel 12, eerste lid, onderdeel c | Wind op waterkeringen, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,043 | 0,187

Artikel 12, eerste lid, onderdeel d | Wind op waterkeringen, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,043 | 0,187

Artikel 12, eerste lid, onderdeel e | Wind op waterkeringen, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,043 | 0,187

Artikel 12, eerste lid, onderdeel f | Wind op waterkeringen, < 6,75 m/s | 0,043 | 0,187

Artikel 14, eerste lid | Wind in meer, water ≥ 1 km2 | 0,043 | 0,187

Artikel 16, eerste lid, onderdeel a | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 15 kWp en < 1 MWp, aansluiting 3*80A | 0,0626 | 0,187

Artikel 16, eerste lid,, onderdeel b | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, gebouwgebonden | 0,0572 | 0,187

Artikel 16, eerste lid, onderdeel c | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, op land | 0,0473 | 0,187

Artikel 16, eerste lid, onderdeel d | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend op land | 0,0473 | 0,187

Artikel 16, eerste lid, onderdeel e | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, drijvend op water | 0,0473 | 0,187

Artikel 16, eerste lid, onderdeel f | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend op water | 0,0473 | 0,187

Artikel 18, onderdeel a | Allesvergisting, gas | 0,024 | 0,183

Artikel 18, onderdeel b | Monomestvergisting > 400 kW, gas | 0,024 | 0,336

Artikel 18, onderdeel c | Monomestvergisting ≤ 400 kW, gas | 0,024 | 0,336

Artikel 20, | Allesvergisting verlengde levensduur, gas | 0,024 | 0,183

Artikel 22, eerste lid | Verbeterde slibgisting RWZI, gas | 0,024 | 0,183

Artikel 24 | RWZI bestaande slibgisting, gas | 0,024 | 0,183

Artikel 26, eerste lid, onderdeel a | Biomassavergassing (≥95% biogeen) | 0,024 | 0,183

Artikel 26, eerste lid, onderdeel b | Biomassavergassing (uitgezonderd B-hout) | 0,024 | 0,183

Artikel 28, eerste lid, onderdeel a | Zonthermie ≥ 140 kW en < 1 MW | 0,040 | 0,226

Artikel 28, eerste lid, onderdeel b | Zonthermie ≥ 1 MW | 0,033 | 0,226

Artikel 30, onderdelen a en d | Diepe geothermie < 20 MWth, basislast | 0,024 | 0,218

Artikel 30, onderdelen b en e | Diepe geothermie ≥ 20 MWth, basislast | 0,024 | 0,215

Artikel 30, onderdeel c | Diepe geothermie, verwarming gebouwde omgeving | 0,024 | 0,213

Artikel 30, onderdeel f | Diepe geothermie basislast, aanvullende put | 0,024 | 0,218

Artikel 30, onderdeel g | Geothermie, diepte ≥ 4.000 meter | 0,024 | 0,217

Artikel 32, onderdeel a | Ondiepe geothermie, basislast | 0,033 | 0,166

Artikel 32, onderdeel b | Ondiepe geothermie voor verwarming gebouwde omgeving | 0,033 | 0,166

Artikel 34,onderdeel a | Allesvergisting, warmte | 0,033 | 0,226

Artikel 34,onderdeel b | Allesvergisting, gecombineerde opwekking | 0,043 | 0,207

Artikel 34, onderdeel c | Monomestvergisting, warmte > 400 kW | 0,033 | 0,379

Artikel 34, onderdeel d | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW | 0,043 | 0,359

Artikel 34, onderdeel e | Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW | 0,033 | 0,379

Artikel 34, onderdeel f | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW | 0,063 | 0,359

Artikel 36, eerste lid, onderdeel a | Verbeterde slibgisting RWZI, warmte | 0,033 | 0,226

Artikel 36, eerste lid, onderdeel b | Verbeterde slibgisting RWZI, gecombineerde opwekking | 0,047 | 0,202

Artikel 38, eerste lid | Ketel vloeibare biomassa | 0,033 | 0,226

Artikel 40, eerste lid, onderdeel a | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) | 0,024 | 0,226

Artikel 40, eerste lid, onderdeel b | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) | 0,024 | 0,226

Artikel 40, eerste lid, onderdeel c | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) | 0,024 | 0,226

Artikel 40, eerste lid, onderdeel d | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) | 0,024 | 0,226

Artikel 40, eerste lid, onderdeel e | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) | 0,024 | 0,226

Artikel 40, eerste lid, onderdeel f | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) | 0,024 | 0,226

Artikel 40, eerste lid, onderdeel g | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) | 0,024 | 0,226

Artikel 40, eerste lid, onderdeel h | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) | 0,024 | 0,226

Artikel 40, eerste lid, onderdeel i | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) | 0,024 | 0,226

Artikel 42, eerste lid | Grote ketel op B-hout | 0,024 | 0,226

Artikel 44, eerste lid | Ketel stadsverwarming op houtpellets | 0,024 | 0,226

Artikel 46, eerste lid | Stoomketel op houtpellets | 0,024 | 0,226

Artikel 48, eerste lid | Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen | 0,030 | 0,226

Artikel 50, eerste lid | Verlengde levensduur ketel vaste of vloeibare biomassa | 0,024 | 0,226

Artikel 52, eerste lid | Composteringsinstallatie champost | 0,033 | 0,226

Artikel 54, eerste lid, | Thermische energie uit oppervlaktewater | 0,040 | 0,166

Artikel 56, eerste lid | Thermische energie uit drink- of afvalwater | 0,040 | 0,166

Artikel 58, eerste lid | Daglichtkas | 0,024 | 0,185

Artikel 60, eerste lid | Elektroboiler | 0,024 | 0,226

Artikel 62, eerste lid, onderdeel a | Industriële warmtepomp (gesloten) | 0,024 | 0,173

Artikel 62, eerste lid, onderdeel b | Industriële warmtepomp (open) | 0,024 | 0,199

Artikel 64, eerste lid, onderdeel a | Restwarmtebenutting (zonder warmtepomp) | 0,024 | 0,223

Artikel 64, eerste lid, onderdeel b | Restwarmtebenutting (met warmtepomp) | 0,024 | 0,165

Artikel 66 | Waterstof uit elektrolyse | 0,037 | 0,219

Artikel regeling | categorie | Langetermijn broeikasgasbedrag in euro/1.000 kg CO2 | Emissie-factor in kg CO2/1.000 kg CO2

Artikel 68, onderdeel a | Bestaande afvang koolstofdioxide bij bestaand proces (ten hoogste 4.000 vollasturen) | 37,895 | 976,625

Artikel 68, onderdeel b | Bestaande afvang koolstofdioxidebij bestaand proces (ten hoogste 8.000 vollasturen) | 37,895 | 976,625

Artikel 68, onderdeel c | Nieuwe afvang koolstofdioxide bij bestaand proces | 37,895 | 896,650

Artikel 68, onderdeel d | Nieuwe afvang koolstofdioxide bij nieuw proces | 37,895 | 902,549

§ 5 — Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen › § 5.1 — Hernieuwbare elektriciteit

Artikel 72

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de derde kolom genoemde bedrag;

b. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

c. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit de basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2020 vastgesteld op:

1°. voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

2°. voor wat betreft de waarde van de garanties van oorsprong, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, het in de zevende kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

3° voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, van het besluit op € 0 per kWh.

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7

Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro/kWh | Vollasturen | Basiselektriciteitsprijs in euro/kWh | Voorlopige correctie voor elektriciteitsprijs 2020 in euro/kWh | Voorlopige correctie voor waarde garanties van oorsprong 2020 in euro/kWh

Artikel 4, onderdeel a | Waterkracht, valhoogte < 50 cm waaronder vrije stroming en golfenergie | 0,109 | 3.700 | 0,035 | 0,049 | 0

Artikel 4, onderdeel b | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm | 0,109 | 5.700 | 0,035 | 0,049 | 0

Artikel 4, onderdeel c | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie | 0,097 | 2.600 | 0,035 | 0,049 | 0

Artikel 6 | Osmose | 0,109 | 8.000 | 0,035 | 0,049 | 0

Artikel 8, eerste lid, onderdeel a | Wind op land, ≥ 8,5 m/s | 0,040 | netto P50-waarde vollasturen | 0.029 | 0,043 | 0,007

Artikel 8, eerste lid, onderdeel b | Wind op land, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s | 0,042 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007

Artikel 8, eerste lid, onderdeel c | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,045 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007

Artikel 8, eerste lid, onderdeel d | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,048 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007

Artikel 8, eerste lid, onderdeel e | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,052 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007

Artikel 8, eerste lid, onderdeel f | Wind op land, < 6,75 m/s | 0,056 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007

Artikel 10, eerste lid, onderdeel a | Wind op land, ≥ 8,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,045 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007

Artikel 10, eerste lid, onderdeel b | Wind op land, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,047 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007

Artikel 10, eerste lid, onderdeel c | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s, hoogtebeperkt | 0,052 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007

Artikel 10, eerste lid, onderdeel d | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,055 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007

Artikel 10, eerste lid, onderdeel e | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s, hoogtebeperkt | 0,059 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007

Artikel 10, eerste lid, onderdeel f | Wind op land, < 6,75 m/s, hoogtebeperkt | 0,063 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007

Artikel 12, eerste lid, onderdeel a | Wind op waterkeringen, ≥ 8,5 m/s | 0,043 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007

Artikel 12, eerste lid, onderdeel b | Wind op waterkeringen, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s | 0,046 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007

Artikel 12, eerste lid, onderdeel c | Wind op waterkeringen, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,049 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007

Artikel 12, eerste lid, onderdeel d | Wind op waterkeringen, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,052 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007

Artikel 12, eerste lid, onderdeel e | Wind op waterkeringen, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,057 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007

Artikel 12, eerste lid, onderdeel f | Wind op waterkeringen, < 6,75 m/s | 0,061 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007

Artikel 14, eerste lid | Wind in meer, water ≥ 1 km2 | 0,059 | netto P50-waarde vollasturen | 0,029 | 0,043 | 0,007

Artikel 16, eerste lid, onderdeel a | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 15 kWp en < 1 MWp, aansluiting 3*80A | 0,080 | 950 | Netlevering: 0,029 | Netlevering: 0,047 | Netlevering: 0,007

Niet netlevering: 0,060 | Niet netlevering: 0,078 | Niet netlevering: 0

Artikel 16, eerste lid, onderdeel b | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, gebouwgebonden systeem | 0,074 | 950 | Netlevering: 0,029 | Netlevering: 0,047 | Netlevering: 0,007

Niet netlevering: 0,051 | Niet netlevering: 0,069 | Niet netlevering: 0

Artikel 16, eerste lid, onderdeel c | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, niet gebouwgebonden systeem | 0,069 | 950 | Netlevering: 0,029 | Netlevering: 0,047 | Netlevering: 0,007

Niet netlevering: 0,051 | Niet netlevering: 0,069 | Niet netlevering: 0

Artikel 16, eerste lid, onderdeel d | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend niet gebouwgebonden systeem | 0,069 | 1.045 | Netlevering: 0,029 | Netlevering: 0,047 | Netlevering: 0,007

Niet netlevering: 0,051 | Niet netlevering: 0,069 | Niet netlevering: 0

Artikel 16, eerste lid, onderdeel e | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, drijvend op water | 0,080 | 950 | Netlevering: 0,029 | Netlevering: 0,047 | Netlevering: 0,007

Niet netlevering: 0,051 | Niet netlevering: 0,069 | Niet netlevering: 0

Artikel 16, eerste lid, onderdeel f | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend op water | 0,080 | 1190 | Netlevering: 0,029 | Netlevering: 0,047 | Netlevering: 0,007

Niet netlevering: 0,051 | Niet netlevering: 0,069 | Niet netlevering: 0

§ 5 — Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen › § 5.2 — Hernieuwbaar gas

Artikel 73

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbaar gas, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

b. voor de productie van hernieuwbaar gas het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

c. voor de productie van hernieuwbaar gas de basisgasprijs, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2020 vastgesteld op:

1°. voor de energieprijs, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

2°. voor de correcties, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6

Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in eur/kWh | Vollasturen | Basisenergie-prijs in eur/kWh | Voorlopige correctie voor energieprijs 2020 in eur/kWh

Artikel 18, onderdeel a | Allesvergisting | 0,064 | 8.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 18, onderdeel b | Monomestvergisting > 400 kW | 0,068 | 8.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 18, onderdeel c | Monomestvergisting ≤ 400 kW | 0,088 | 8.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 20, eerste lid | Biomassavergisting verlengde levensduur | 0.064 | 8.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 22, eerste lid | Verbeterde slibgisting bij rioolwater-zuiverings-installaties | 0,042 | 8.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 24 | Rioolwaterzuiveringsinstallaties bestaande slibgisting | 0,030 | 8.000 | 0,016 | 0,020

Artikel 26, eerste lid, onderdeel a | Biomassavergassing (≥95% biogeen) | 0,073 | 7.500 | 0,016 | 0,020

Artikel 26, eerste lid, onderdeel b | Biomassavergassing (uitgezonderd B-hout) | 0,079 | 7.500 | 0,016 | 0,020

§ 5 — Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen › § 5.3 — Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte

Artikel 74

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte en de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

b. voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

c. de basisenergieprijs, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

d. de correcties op het basisbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel, worden voor 2020 vastgesteld op:

1°. voor de energie- of elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, of 47, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

2°. voor de correcties, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van het besluit op € 0 per kWh; en

3°. Voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel c, van het besluit het in de zevende kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag.

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7

Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro/kWh | Vollasturen | Basisenergie-prijs in euro/kWh | Voorlopige correctie voor energieprijs 2020 in euro/kWh | Andere correctie 2020 in euro/kWh

Artikel 28, eerste lid, onderdeel a | Zonthermie ≥ 140 kW en < 1 MW | 0,095 | 600 | 0,030 | 0,035 | 0,005

Artikel 28, eerste lid, onderdeel b | Zonthermie ≥ 1 MW | 0,080 | 600 | 0,023 | 0,028 | 0,005

Artikel 30, onderdelen a en d | Diepe geothermie < 20 MWth, basislast | 0,044 | 6.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 30, onderdelen b en e | Diepe geothermie ≥ 20 MWth, basislast | 0,041 | 6.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 30, onderdeel c | Diepe geothermie, verwarming gebouwde omgeving | 0,083 | 3.500 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 30, onderdeel f | Diepe geothermie basislast, aanvullende put | 0,031 | 6.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 30, onderdeel g | Geothermie, diepte ≥ 4.000 meter | 0,065 | 7.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 34,onderdeel a | Allesvergisting, warmte | 0,060 | 7.000 | 0,023 | 0,028 | 0,005

Artikel 34,onderdeel b | Allesvergisting, gecombineerde opwekking | 0,067 | 7.622 | 0,029 | 0,038 | 0,003

Artikel 34, onderdeel c | Monomestvergisting, warmte > 400 kW | 0,062 | 7.000 | 0,023 | 0,028 | 0,005

Artikel 34, onderdeel d | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW | 0,074 | 7.353 | 0,029 | 0,039 | 0,003

Artikel 34, onderdeel e | Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW | 0,098 | 7.000 | 0,023 | 0,028 | 0,005

Artikel 34, onderdeel f | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW | 0,121 | 6.374 | 0,049 | 0,059 | 0,003

Artikel 36, eerste lid, onderdeel a | Verbeterde slibgisting RWZI, warmte | 0,029 | 7.000 | 0,023 | 0,028 | 0,005

Artikel 36, eerste lid, onderdeel b | Verbeterde slibgisting RWZI, gecombineerde opwekking | 0,044 | 5.729 | 0,033 | 0,043 | 0,002

Artikel 38, eerste lid | Ketel vloeibare biomassa | 0,069 | 7.000 | 0,023 | 0,028 | 0,005

Artikel 40, eerste lid, onderdeel a | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) | 0,047 | 4.500 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 40, eerste lid, onderdeel b | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) | 0,046 | 5.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 40, eerste lid, onderdeel c | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) | 0,046 | 5.500 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 40, eerste lid, onderdeel d | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) | 0,045 | 6.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 40, eerste lid, onderdeel e | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) | 0,045 | 6.500 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 40, eerste lid, onderdeel f | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) | 0,044 | 7.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 40, eerste lid, onderdeel g | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) | 0,044 | 7.500 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 40, eerste lid, onderdeel h | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) | 0,044 | 8.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 40, eerste lid, onderdeel i | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) | 0,044 | 8.500 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 42, eerste lid | Grote ketel op B-hout | 0,027 | 7.500 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 44, eerste lid | Ketel stadsverwarming op houtpellets | 0,066 | 6.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 46, eerste lid | Stoomketel op houtpellets | 0,064 | 8.500 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 48, eerste lid | Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen | 0,052 | 3.000 | 0,021 | 0,025 | 0,005

Artikel 50, eerste lid | Verlengde levensduur ketel vaste of vloeibare biomassa | 0,031 | 8.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 52, eerste lid | Composteringsinstallatie champost | 0,043 | 5.200 | 0,023 | 0,028 | 0,005

§ 5 — Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen › § 5.4 — Andere technieken ter vermindering van broeikasgas

Artikel 75

1 Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 55f, eerste lid, van het besluit, voor de vermindering van broeikasgas, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

b. voor de vermindering van broeikasgas het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

c. het basisbroeikasgasbedrag, bedoeld in artikel 55g, eerste lid, van het besluit, voor de vermindering van broeikasgas, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

d. de correcties op het basisbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel, worden voor 2020 vastgesteld op:

1°. voor wat betreft de prijs van het primaire product, bedoeld in artikel 55i, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

2°. voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 55i, eerste lid, onderdeel c, van het besluit op € 0 per kWh; en

3°. voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 55i, eerste lid, onderdeel b, van het besluit het in de zevende kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag.

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6

Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro per kWh | Vollasturen | Basisbroeikasgasbedrag in euro per kWh | Voorlopige correctie productprijs 2020 in euro per kWh | Voorlopige correctie ETS 2020 in euro per kWh

Artikel 54, eerste lid, | Thermische energie uit oppervlaktewater | 0,090 | 3.500 | 0,030 | 0,035 | 0,005

Artikel 56, eerste lid | Thermische energie uit drink- of afvalwater | 0,077 | 6.000 | 0,030 | 0,035 | 0,005

Artikel 58, eerste lid | Daglichtkas | 0,077 | 3.850 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 60, eerste lid | Elektroboiler | 0,072 | 2000 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 62, eerste lid, onderdeel a | Industriële warmtepomp (gesloten) | 0,038 | 8.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 62, eerste lid, onderdeel b | Industriële warmtepomp (open) | 0,037 | 8.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 64, eerste lid, onderdeel a | Restwarmtebenutting (zonder warmtepomp) | 0,033 | 6.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 64, eerste lid, onderdeel b | Restwarmtebenutting (met warmtepomp) | 0,044 | 6.000 | 0,016 | 0,020 | 0,005

Artikel 66 | Waterstof uit elektrolyse | 0,103 | 2.000 | 0,027 | 0,032 | 0,000

Artikel 32, onderdeel a | Ondiepe geothermie, basislast | 0,060 | 6.000 | 0,023 | 0,028 | 0,005

Artikel 32, onderdeel b | Ondiepe geothermie voor verwarming gebouwde omgeving | 0,081 | 3.500 | 0,023 | 0,028 | 0,005

Artikel regeling | Categorie | Basisbedrag in euro per 1.000 kg broeikasgas | Vollasturen | Basisbroeikasgasbedragin euro per 1.000 kg broeikasgas | Voorlopige correctie productprijs 2020 in euro per 1.000 kg broeikasgas | Voorlopige correctie ETS 2020 in euro per 1.000 kg broeikasgas

Artikel 68, onderdeel a | Afvang en permanente opslag koolstofdioxide (ten hoogste 4.000 vollasturen) | 86,964 | 4.000 | 25,264 | 0 | 25,264

Artikel 68, onderdeel b | Afvang en permanente opslag koolstofdioxide (ten hoogste 8.000 vollasturen) | 62,476 | 8.000 | 25,264 | 0 | 25,264

Artikel 68, onderdeel c | Afvang en permanente opslag koolstofdioxide (bestaand proces, nieuwe installatie) | 100,331 | 8.000 | 25,264 | 0 | 25,264

Artikel 68, onderdeel d | Afvang en permanente opslag koolstofdioxide (nieuw proces, nieuwe installatie) | 92,304 | 8.000 | 25,264 | 0 | 25,264

2 De feitelijke productie van een productie-installatie als bedoeld in de artikelen, 60, eerste lid, en 66, die in aanmerking komt voor subsidie bedraagt in de kalenderjaren 2021 tot en met 2026 ten hoogste de productie bij het respectievelijke aantal vollasturen, bedoeld in de onderstaande tabel.

Jaar | Vollasturen elektroboiler | Vollasturen waterstof uit elektrolyse

2021 | 1.490 | 0

2022 | 1.670 | 0

2023 | 1.790 | 1.490

2024 | 1.860 | 1.590

2025 | | 1.820

2026 | | 2.330

§ 6 — Slotbepalingen

Artikel 76

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2020.

§ 6 — Slotbepalingen

Artikel 77

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, zesde lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020 › Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de afvang en opslag van koolstofdioxide en van activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020

Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de afvang en opslag van koolstofdioxide en van activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020

1. De Staat der Nederlanden, (hierna te noemen: de Staat), te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken en Klimaat; en

2. ............, gevestigd te..... (hierna te noemen: Ondernemer);

.....

(hierna te samen ook te noemen: Partijen);

overwegen:

a. de Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft blijkens een beschikking met kenmerk....., hierna te noemen Beschikking, waarvan een kopie als Bijlage A bij deze overeenkomst is gevoegd aan de Ondernemer een subsidie verleend voor de afvang en opslag van koolstofdioxide / van meer dan € 400 miljoen op grond van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie.

b. de Beschikking bevat de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na afgifte van de beschikking de onderhavige uitvoeringsovereenkomst, hierna te noemen Uitvoeringsovereenkomst, tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidieontvanger;

c. de Minister van Economische Zaken en Klimaat beoogt door middel van deze Uitvoeringsovereenkomst te verzekeren dat de Ondernemer de productie-installatie bedoeld in de Beschikking tijdig in gebruik zal nemen.

Partijen komen daartoe het volgende overeen:

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, zesde lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020 › Artikel 1 — Tijdige ingebruikname van de productie-installatie

Artikel 1 — Tijdige ingebruikname van de productie-installatie

De Ondernemer verplicht zich jegens de Staat de productie-installatie tijdig in gebruik te nemen en wel binnen de in artikel 61 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie bedoelde periode of, indien op grond van artikel 62, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie een ontheffing is verleend, binnen de in de ontheffing opgenomen periode.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, zesde lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020 › Artikel 2 — Inhoud en omvang van de garantie

Artikel 2 — Inhoud en omvang van de garantie

De Ondernemer verplicht zich om tot zekerheid voor de nakoming van de in artikel 1 bedoelde verplichting, alsmede de bij niet tijdige nakoming verschuldigde boetes, binnen vier weken nadat de Beschikking is afgegeven ten behoeve van de Staat financiële zekerheid te stellen en gesteld houden voor een bedrag groot 2% van de maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de artikelen 16, 33, 49 en 55k van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie, door middel van de afgifte aan de Staat van een door een binnen de Europese Unie gevestigde bank afgegeven bankgarantie welke is opgemaakt onder gebruikmaking van het model bankgarantie.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, zesde lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020 › Artikel 3 — Vrijval van de garantie

Artikel 3 — Vrijval van de garantie

1. De verplichting de in artikel 2 bedoelde bankgarantie te blijven stellen vervalt uitsluitend door het schriftelijk bericht van de Staat aan de Bank dat de verplichting geheel of gedeeltelijk is vervallen. De Ondernemer ontvangt een kopie van het bericht van verval.

2. Zodra de verplichting geheel is vervallen zal de Staat de bankgarantie retourneren aan de Ondernemer.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, zesde lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020 › Artikel 4 — Boetes

Artikel 4 — Boetes

1. Indien de Ondernemer de productie-installatie niet binnen de in artikel 1 bedoelde periode in gebruik heeft genomen, is de Ondernemer aan de Staat bij wijze van boete een bedrag verschuldigd groot 0,2% van het beschikte bedrag enkel door het verloop van die termijn en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.

2. Indien de Ondernemer daarna nog in gebreke blijft met het tijdig in gebruik nemen van de productie-installatie is de Ondernemer maandelijks een boete van telkens 0,2% van de maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de artikelen 16, 33, 49 en 55k van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie, verschuldigd voor zover hij de productie-installatie op de eerste van elke volgende maand niet in gebruik heeft genomen.

3. De boetes bedoeld in het eerste en tweede lid, waarvan de som ten hoogste 2% van het beschikte bedrag bedraagt, zijn telkens verschuldigd voor het enkele verloop van de termijn en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.

4. Indien komt vast te staan dat de ondernemer de productie-installatie niet in gebruik zal nemen, dan is de Staat gerechtigd het gehele bedrag van de bankgarantie te innen. De Beschikking kan op deze grond worden ingetrokken.

5. De Ondernemer machtigt bij deze de Staat onherroepelijk tot het innen van de boetes door het inroepen van de bankgarantie voor het bedrag van de boete, telkens wanneer er een boete verschuldigd is geworden.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, zesde lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020 › Artikel 5 — Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst

Artikel 5 — Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst

1. Deze Uitvoeringsovereenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de Partijen met dien verstande dat de inwerkingtreding wordt opgeschort totdat de Beschikking in werking is getreden en de Staat de Ondernemer daarvan schriftelijk bericht heeft gestuurd.

2. Deze Uitvoeringsovereenkomst eindigt van rechtswege door de teruggave van de bankgarantie door de Staat aan de Ondernemer.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, zesde lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020 › Artikel 6 — Domiciliekeuze en berichtgevingen

Artikel 6 — Domiciliekeuze en berichtgevingen

1. De Staat kiest voor uitvoering van deze Uitvoeringsovereenkomst domicilie ten kantore van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Hanzelaan 310, 8017 JK Zwolle.

2. Onverminderd het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dienen alle mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten uit hoofde van deze uitvoeringsovereenkomst schriftelijk te worden gedaan.

3. Mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten die niet in overeenstemming met het tweede lid zijn gedaan blijven zonder rechtsgevolg.

4. De Staat is bevoegd eenzijdig van het bepaalde in het eerste lid af te wijken.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, zesde lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020 › Artikel 7 — Rechtskeuze

Artikel 7 — Rechtskeuze

1. Op deze Uitvoeringsovereenkomst is uitsluitend Nederlands recht van toepassing.

2. Alle geschillen in verband met deze uitvoeringsovereenkomst of met afspraken die daarmee samenhangen zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te Den Haag.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, zesde lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020 › Artikel 8 — Citeertitel

Artikel 8 — Citeertitel

Deze Uitvoeringsovereenkomst wordt tussen partijen aangeduid als ‘Uitvoeringsovereenkomst duurzame energieproductie en klimaattransitie Staat/.....’.

Aldus overeengekomen en in tweevoud ondertekend

te.....

Ondernemer

te 's-Gravenhage op.....

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

Model bankgarantie

DE ONDERGETEKENDE,

....., gevestigd te....., hierna te noemen de ‘Bank’,

IN AANMERKING NEMENDE DAT:

A. ......, gevestigd te....., (hierna te noemen de Ondernemer) en de STAAT der NEDERLANDEN, (hierna te noemen: Staat), waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag, te dezen vertegenwoordigd door....., hierbij vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken en Klimaat op..... de ‘Uitvoeringsovereenkomst duurzame energieproductie Staat/.....’ (hierna: uitvoeringsovereenkomst) hebben getekend;

B. de Ondernemer volgens artikel 2 van de overeenkomst binnen vier weken nadat een beschikking van de Minister van Economische Zaken en Klimaat met kenmerk.....is afgegeven ten behoeve van de Staat financiële zekerheid dient te stellen en gesteld houden voor een bedrag groot €.....,– door de afgifte aan de Staat van een door een bank afgegeven bankgarantie;

C. de Bank bereid is de desbetreffende bankgarantie ten gunste van de Staat te stellen onder de hierna te noemen voorwaarden.

VERKLAART ALS VOLGT

1. De Bank stelt zich hierbij als zelfstandige verbintenis tegenover de Staat onherroepelijk en onvoorwaardelijk garant voor al hetgeen de Staat van de Ondernemer op grond van de uitvoeringsovereenkomst te vorderen heeft tot een maximumbedrag van €.....,–.

2. Deze bankgarantie is een abstracte afroepgarantie. De Bank komt in geen geval een beroep toe op de onderliggende rechtsverhouding tussen de Staat en de Ondernemer als vervat in de uitvoeringsovereenkomst.

3. De Bank zal op eerste schriftelijk verzoek van de Staat, zonder opgaaf van redenen te verlangen of nader bewijs te vragen, overgaan tot uitbetaling van al hetgeen de Ondernemer, volgens verklaring van de Staat, verschuldigd is uit hoofde van de Uitvoeringsovereenkomst.

4. Deze bankgarantie vervalt uitsluitend door het schriftelijk bericht van de Staat aan de Bank dat de verplichting geheel of gedeeltelijk is vervallen.

5. De Minister van Economische Zaken en Klimaat zendt de bankgarantie zo spoedig mogelijk nadat deze geheel is vervallen retour aan de Bank.

6. Op deze bankgarantie is uitsluitend Nederlands recht van toepassing. Alle geschillen die mochten ontstaan over of naar aanleiding van deze bankgarantie zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te ’s-Gravenhage.

7. Indien deze bankgarantie dient te worden geretourneerd geschiedt dat door toezending aan adres:.....

Getekend te

op

De Bank

Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 8, 10 en 12 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020

Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 8, 10 en 12 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020 (deel 1)

Lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling per 31 december 2019

Gemeentenaam | Provincie | Windcategorie

Ameland | Friesland | ≥ 8,5 m/s

Den Helder | Noord-Holland | ≥ 8,5 m/s

Schiermonnikoog | Friesland | ≥ 8,5 m/s

Terschelling | Friesland | ≥ 8,5 m/s

Texel | Noord-Holland | ≥ 8,5 m/s

Vlieland | Friesland | ≥ 8,5 m/s

Bergen (NH.) | Noord-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Het Hogeland | Groningen | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Harlingen | Friesland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Hollands Kroon | Noord-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Noordeast-Fryslân | Friesland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Rotterdam Maasvlakte (wijk 23 buurt 8) | Zuid-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Schagen | Noord-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Súdwest-Fryslân | Friesland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Waadhoeke | Friesland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Zandvoort | Noord-Holland | ≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Achtkarspelen | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Alkmaar | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Appingedam | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Beemster | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Beverwijk | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Bloemendaal | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Castricum | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Dantumadiel | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

De Fryske Marren | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Delfzijl | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Drechterland | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Edam-Volendam | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Enkhuizen | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Goeree-Overflakkee | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heemskerk | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heerenveen | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heerhugowaard | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heiloo | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Hillegom | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Hoorn | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Katwijk | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Koggenland | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Langedijk | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Leeuwarden | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Lisse | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Loppersum | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Medemblik | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Noord-Beveland | Zeeland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Noordoostpolder | Flevoland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Noordwijk | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Oldambt | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Opmeer | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Opsterland | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Schouwen-Duiveland | Zeeland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Smallingerland | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Stede Broec | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Tytsjerksteradiel | Friesland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Uitgeest | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Urk | Flevoland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Veere | Zeeland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Velsen | Noord-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Wassenaar | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Westerkwartier | Groningen | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Westland | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Westvoorne | Zuid-Holland | ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Aa en Hunze | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Aalsmeer | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Aalten | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Almere | Flevoland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Alphen aan den Rijn | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Altena | Noord-Brabant | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Amstelveen | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Amsterdam | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Assen | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Bodegraven-Reeuwijk | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Borger-Odoorn | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Borsele | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Brielle | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Coevorden | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Culemborg | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Dalfsen | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

De Ronde Venen | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

De Wolden | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Delft | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Diemen | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Dronten | Flevoland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Emmen | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Goes | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Gouda | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Groningen | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Haarlem | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Haarlemmermeer | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hardenberg | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hardinxveld-Giessendam | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Heemstede | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hellevoetsluis | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hoeksche Waard | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hoogeveen | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hulst | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

IJsselstein | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Kaag en Braassem | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Kampen | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Kapelle | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Krimpenerwaard | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Landsmeer | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Lansingerland | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Leiden | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Leiderdorp | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Leidschendam-Voorburg | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Lelystad | Flevoland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Lopik | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Maassluis | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Meppel | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Middelburg | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Midden-Delfland | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Midden-Drenthe | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Midden-Groningen | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Moerdijk | Noord-Brabant | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Molenlanden | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Montfoort | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Nieuwkoop | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Nissewaard | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Noordenveld | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Oegstgeest | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Oost Gelre | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Ooststellingwerf | Friesland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Oostzaan | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Ouder-Amstel | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Oudewater | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Pekela | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Pijnacker-Nootdorp | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Purmerend | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Reimerswaal | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Rijswijk | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Rotterdam-West (wijk 17, wijk 23 excl. buurt 8, en wijk 27) | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

's-Gravenhage | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Sluis | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Stadskanaal | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Staphorst | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Steenbergen | Noord-Brabant | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Steenwijkerland | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Stichtse Vecht | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Terneuzen | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Teylingen | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Tholen | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Tynaarlo | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Uithoorn | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Veendam | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Vijfheerenlanden | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Vlissingen | Zeeland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Voorschoten | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Waddinxveen | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Waterland | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Weesp | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

West Betuwe | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Westerveld | Drenthe | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Westerwolde | Groningen | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Weststellingwerf | Friesland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Woerden | Utrecht | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Wormerland | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zaanstad | Noord-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zaltbommel | Gelderland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zoetermeer | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zoeterwoude | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zuidplas | Zuid-Holland | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zwartewaterland | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zwolle | Overijssel | ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Alblasserdam | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Albrandswaard | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Barendrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Bergen op Zoom | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Berkelland | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Beuningen | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Bunnik | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Bunschoten | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Buren | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 8, 10 en 12 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020

Bijlage 2 — behorende bij de artikelen 8, 10 en 12 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2020 (deel 2)

Capelle aan den IJssel | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Dordrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Drimmelen | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Druten | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Duiven | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Etten-Leur | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Geertruidenberg | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Gooise Meren | Noord-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Gorinchem | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Haaksbergen | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Halderberge | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Hattem | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Hellendoorn | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Hendrik-Ido-Ambacht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Houten | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Krimpen aan den IJssel | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Lingewaard | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Maasdriel | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Neder-Betuwe | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Nieuwegein | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Nijkerk | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Oldebroek | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Olst-Wijhe | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Ommen | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Oss | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Oude IJsselstreek | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Overbetuwe | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Papendrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Raalte | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Ridderkerk | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Roosendaal | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Rotterdam (excl. wijk 17, 23 en 27) | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Schiedam | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Simpelveld | Limburg | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Sliedrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Tiel | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Tubbergen | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Twenterand | Overijssel | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Utrecht | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Vlaardingen | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Waalwijk | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

West Maas en Waal | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Wijchen | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Wijdemeren | Noord-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Wijk bij Duurstede | Utrecht | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Winterswijk | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Zeewolde | Flevoland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Zevenaar | Gelderland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Zundert | Noord-Brabant | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Zwijndrecht | Zuid-Holland | ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Almelo | Overijssel | < 6,75 m/s

Alphen-Chaam | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Amersfoort | Utrecht | < 6,75 m/s

Apeldoorn | Gelderland | < 6,75 m/s

Arnhem | Gelderland | < 6,75 m/s

Asten | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Baarle-Nassau | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Baarn | Utrecht | < 6,75 m/s

Barneveld | Gelderland | < 6,75 m/s

Beek | Limburg | < 6,75 m/s

Beekdaelen | Limburg | < 6,75 m/s

Beesel | Limburg | < 6,75 m/s

Berg en Dal | Gelderland | < 6,75 m/s

Bergeijk | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Bergen (L.) | Limburg | < 6,75 m/s

Bernheze | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Best | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Bladel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Blaricum | Noord-Holland | < 6,75 m/s

Boekel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Borne | Overijssel | < 6,75 m/s

Boxmeer | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Boxtel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Breda | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Bronckhorst | Gelderland | < 6,75 m/s

Brummen | Gelderland | < 6,75 m/s

Brunssum | Limburg | < 6,75 m/s

Cranendonck | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Cuijk | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

De Bilt | Utrecht | < 6,75 m/s

Deurne | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Deventer | Overijssel | < 6,75 m/s

Dinkelland | Overijssel | < 6,75 m/s

Doesburg | Gelderland | < 6,75 m/s

Doetinchem | Gelderland | < 6,75 m/s

Dongen | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Echt-Susteren | Limburg | < 6,75 m/s

Ede | Gelderland | < 6,75 m/s

Eemnes | Utrecht | < 6,75 m/s

Eersel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Eijsden-Margraten | Limburg | < 6,75 m/s

Eindhoven | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Elburg | Gelderland | < 6,75 m/s

Enschede | Overijssel | < 6,75 m/s

Epe | Gelderland | < 6,75 m/s

Ermelo | Gelderland | < 6,75 m/s

Geldrop-Mierlo | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Gemert-Bakel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Gennep | Limburg | < 6,75 m/s

Gilze en Rijen | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Goirle | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Grave | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Gulpen-Wittem | Limburg | < 6,75 m/s

Haaren | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Harderwijk | Gelderland | < 6,75 m/s

Heerde | Gelderland | < 6,75 m/s

Heerlen | Limburg | < 6,75 m/s

Heeze-Leende | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Helmond | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Hengelo | Overijssel | < 6,75 m/s

Heumen | Gelderland | < 6,75 m/s

Heusden | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Hilvarenbeek | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Hilversum | Noord-Holland | < 6,75 m/s

Hof van Twente | Overijssel | < 6,75 m/s

Horst aan de Maas | Limburg | < 6,75 m/s

Huizen | Noord-Holland | < 6,75 m/s

Kerkrade | Limburg | < 6,75 m/s

Laarbeek | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Landerd | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Landgraaf | Limburg | < 6,75 m/s

Laren | Noord-Holland | < 6,75 m/s

Leudal | Limburg | < 6,75 m/s

Leusden | Utrecht | < 6,75 m/s

Lochem | Gelderland | < 6,75 m/s

Loon op Zand | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Losser | Overijssel | < 6,75 m/s

Maasgouw | Limburg | < 6,75 m/s

Maastricht | Limburg | < 6,75 m/s

Meerssen | Limburg | < 6,75 m/s

Meierijstad | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Mill en Sint Hubert | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Montferland | Gelderland | < 6,75 m/s

Mook en Middelaar | Limburg | < 6,75 m/s

Nederweert | Limburg | < 6,75 m/s

Nijmegen | Gelderland | < 6,75 m/s

Nuenen, Gerwen en Nederwetten | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Nunspeet | Gelderland | < 6,75 m/s

Oirschot | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Oisterwijk | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Oldenzaal | Overijssel | < 6,75 m/s

Oosterhout | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Peel en Maas | Limburg | < 6,75 m/s

Putten | Gelderland | < 6,75 m/s

Renkum | Gelderland | < 6,75 m/s

Renswoude | Utrecht | < 6,75 m/s

Reusel-De Mierden | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Rheden | Gelderland | < 6,75 m/s

Rhenen | Utrecht | < 6,75 m/s

Rijssen-Holten | Overijssel | < 6,75 m/s

Roerdalen | Limburg | < 6,75 m/s

Roermond | Limburg | < 6,75 m/s

Rozendaal | Gelderland | < 6,75 m/s

Rucphen | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Scherpenzeel | Gelderland | < 6,75 m/s

's-Hertogenbosch | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Sint Anthonis | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Sint-Michielsgestel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Sittard-Geleen | Limburg | < 6,75 m/s

Soest | Utrecht | < 6,75 m/s

Someren | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Son en Breugel | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Stein | Limburg | < 6,75 m/s

Tilburg | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Uden | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Utrechtse Heuvelrug | Utrecht | < 6,75 m/s

Vaals | Limburg | < 6,75 m/s

Valkenburg aan de Geul | Limburg | < 6,75 m/s

Valkenswaard | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Veenendaal | Utrecht | < 6,75 m/s

Veldhoven | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Venlo | Limburg | < 6,75 m/s

Venray | Limburg | < 6,75 m/s

Voerendaal | Limburg | < 6,75 m/s

Voorst | Gelderland | < 6,75 m/s

Vught | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Waalre | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Wageningen | Gelderland | < 6,75 m/s

Weert | Limburg | < 6,75 m/s

Westervoort | Gelderland | < 6,75 m/s

Wierden | Overijssel | < 6,75 m/s

Woensdrecht | Noord-Brabant | < 6,75 m/s

Woudenberg | Utrecht | < 6,75 m/s

Zeist | Utrecht | < 6,75 m/s

Zutphen | Gelderland | < 6,75 m/s