Besluit rechtspositie College voor de rechten van de mens
Besluit van 28 augustus 2012, houdende regels over de rechtspositie van de leden van het College voor de rechten van de mens en de tot het bureau behorende ambtenaren (Besluit rechtspositie College voor de rechten van de mens)
- Soort
- AMvB
- Geldend vanaf
- 01-01-2020
- Rechtsgebied
- Internationaal publiekrecht, Mensenrechten, Staats- en bestuursrecht, Staatsrecht
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- BWB-id
- BWBR0031966
- Versie
- 2020-01-01_0
- SHA-256 bron
- 56d13c359a32b8f24d32147754e1bdc472ecf04a1f89483143faaefc2c24310e
Inhoud (15)
§ 1 — Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. rijksambtenaren: degenen die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn;
b. College: College voor de rechten van de mens, genoemd in artikel 1 van de wet;
c. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;
d. wet: Wet College voor de rechten van de mens.
§ 2 — Rechtspositie van de leden en plaatsvervangende leden
Artikel 2
1 Een lid of een plaatsvervangend lid van het College legt voorafgaand aan de datum van indiensttreding de eed of belofte af volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in de bijlage bij dit besluit.
2 De voorzitter van het College legt de eed of belofte af ten overstaan van Onze Minister. De andere leden en de plaatsvervangende leden van het College leggen de eed of belofte af ten overstaan van de voorzitter van het College.
3 Het formulier, bedoeld in het eerste lid, wordt na het afleggen van de eed of belofte ondertekend door het lid of plaatsvervangend lid van het College en degene te wiens overstaan de eed of belofte is afgelegd.
§ 2 — Rechtspositie van de leden en plaatsvervangende leden
Artikel 3
Onze Minister verstrekt aan een lid of plaatsvervangend lid van het College afschrift van het koninklijk besluit waarbij hij is benoemd tot voorzitter, ondervoorzitter of lid onderscheidenlijk plaatsvervangend lid. Voorts doet Onze Minister aan een lid van het College schriftelijk mededeling van de standplaats, het salaris en de arbeidsduur waarvoor hij wordt aangesteld.
§ 2 — Rechtspositie van de leden en plaatsvervangende leden
Artikel 4
1 Een lid van het College wordt door Onze Minister aangesteld voor een arbeidsduur van ten hoogste gemiddeld 36 uren per week.
2 Op eigen verzoek kan de arbeidsduur waarvoor een lid van het College is aangesteld, door Onze Minister worden gewijzigd.
3 Onze Minister neemt een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid niet dan nadat hij hierover het advies heeft ingewonnen van de voorzitter van het College.
4 Het derde lid is niet van toepassing voorzover het de aanstelling van de voorzitter van het College betreft.
§ 2 — Rechtspositie van de leden en plaatsvervangende leden
Artikel 5
De voorzitter van het College verdeelt de werkzaamheden van de leden en de plaatsvervangende leden van het College.
§ 2 — Rechtspositie van de leden en plaatsvervangende leden
Artikel 6
De leden van het College hebben aanspraak op vakantie en verlof overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. De bevoegdheden die op grond van de eerste volzin van toepassing zijn, worden uitgeoefend door de voorzitter van het College.
§ 2 — Rechtspositie van de leden en plaatsvervangende leden
Artikel 7
1 Een lid van het College kan worden verplicht te gaan wonen of te blijven wonen in of nabij de gemeente die hem als standplaats is aangewezen, indien dit naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van zijn ambt.
2 Het lid aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, voldoet daaraan zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd.
§ 2 — Rechtspositie van de leden en plaatsvervangende leden
Artikel 8
1 Indien de voorzitter van het College wegens ziekte of om andere redenen verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, geeft hij daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan Onze Minister. Indien een ander lid verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, geeft hij daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan de voorzitter.
2 Ten aanzien van de leden van het College is hetgeen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren, is bepaald met betrekking tot bedrijfsgeneeskundige begeleiding alsmede rechten en verplichtingen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid van overeenkomstige toepassing. De bevoegdheden die op grond van de eerste volzin van overeenkomstige toepassing zijn, worden uitgeoefend door de voorzitter van het College.
§ 2 — Rechtspositie van de leden en plaatsvervangende leden
Artikel 9
Aan een lid of een plaatsvervangend lid van het College wordt, behoudens in geval van herbenoeming, geacht ontslag te zijn verleend zodra zijn benoemingstermijn is verstreken.
§ 2 — Rechtspositie van de leden en plaatsvervangende leden
Artikel 10
Ten aanzien van de leden van het College is het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «betrokkene» wordt verstaan: het lid van het College dat ten gevolge van ontslag, niet zijnde ontslag op eigen verzoek, of ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet.
§ 2 — Rechtspositie van de leden en plaatsvervangende leden
Artikel 11
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een lid van het College wordt door Onze Minister een overlijdensuitkering uitbetaald overeenkomstig hetgeen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren is overeengekomen.
§ 3 — Rechtspositie van de tot het bureau behorende ambtenaren
Artikel 12
Vervallen
§ 4 — Slotbepalingen
Artikel 13
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rechtspositie College voor de rechten van de mens.
§ 4 — Slotbepalingen
Artikel 14
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop hoofdstuk 3 van de wet in werking treedt.
Bijlage — als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit rechtspositie College voor de rechten van de mens › Formulier voor het afleggen van de eed of belofte door een lid of plaatsvervangend lid van het College voor de rechten van de mens
Formulier voor het afleggen van de eed of belofte door een lid of plaatsvervangend lid van het College voor de rechten van de mens
Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal onderhouden en nakomen.
Ik zweer/verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van een benoeming aan iemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.
Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij betrokken is of zal zijn bij een onderzoek waarbij mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen.
Ik zweer/beloof dat ik gegevens waarover ik bij de uitoefening van mijn ambt de beschikking krijg en waarvan ik het vertrouwelijke karakter ken of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens voorzover enig wettelijk voorschrift mij tot mededeling verplicht of uit mijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit, geheim zal houden.
Ik zweer/beloof dat ik mijn ambt met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zal uitoefenen en mij in deze uitoefening zal gedragen zoals een lid/plaatsvervangend lid van het College voor de rechten van de mens betaamt.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!
Op ........................, werd te .....................
ten overstaan van (1) ..............................
door (2) .............................
de bovenvermelde eed/belofte afgelegd.
(1) .............................
(2) .............................