Regeling spoorwegpersoneel 2011
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 01-04-2019
- Rechtsgebied
- Vervoersrecht
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- BWB-id
- BWBR0030563
- Versie
- 2019-04-01_0
- SHA-256 bron
- 0d2cffb92fd8d8fffdd310cfa7f0ae84340c3173a69197ad6c84a72bb4af077d
Inhoud (175)
- Artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 5
- Artikel 6
- Artikel 6a
- Artikel 7
- Artikel 8
- Artikel 9
- Artikel 10
- Artikel 11
- Artikel 12
- Artikel 13
- 1 — Algemeen
- Algemene opmerkingen
- Gezichtsscherpte
- Contrastgevoeligheid
- Nabijzien en intermediair zien
- Ongecorrigeerde gezichtsscherpte (bij correctie)
- Maximaal toegestane sterkte bril/contactlenzen
- Orthokeratologie-lenzen (nachtlenzen)
- Gekleurde glazen/lenzen
- UV-coating
- Fotochromatische glazen
- LASIK, LASEK, PRK, RK
- Intra-oculaire lens (IOL)
- Afakie
- Kleurenonderscheidingsvermogen
- Gezichtsvelden
- Nacht- en schemerzien
- Het binoculaire gezichtsvermogen
- Progressieve oogziekten
- Wanneer nadere beoordeling door de arts-deskundige?
- Initieel
- Tijdens de dienstbetrekking
- Algemeen overzicht van auditieve taken
- Factoren die de veiligheidsgeschiktheid kunnen beïnvloeden
- Onderzoek
- Wanneer overleg en/of nadere beoordeling door de arts-deskundige?
- Ongeschikt
- Eigen verantwoordelijkheid
- Basisgegeven bij hartaandoeningen
- Ischemische hartziekten
- Hypertensie
- Linker Ventrikel Hypertrofie (LVH)
- Hartfalen
- Hypertrofische cardiomyopathie (HOCM)
- Gedilateerde cardiomyopathie
- Harttransplantatie
- Klepaandoening, inclusief klepchirurgie
- Aneurysma Aortae
- Ritme en geleidingsstoornissen
- Pacemakers
- ICD
- Restgroep
- Algemeen
- Eigen verantwoordelijkheid
- Na één insult
- Meerdere insulten
- TIA/CVA
- Andere ziekten die in principe tot ongeschiktheid leiden
- Cerebrale Aneurysma’s en andere vaatanomalieën
- Eigen verantwoordelijkheid
- Diabetes Mellitus
- Schildklier
- Keuringsnormen
- Normaal bloedsuikergehalte
- Gestoorde glucosetolerantie
- Algemene voorwaarden voor geschiktheid bij Diabetes Mellitus
- Diabetes type 2
- Onbehandelde diabetes mellitus
- Hyperglycemie
- Ernstige hypoglycemieën
- Hypoglycemia unawareness
- Diabetes Mellitus type 1
- Diabetes complicaties
- Schildklierstoornis
- Onbehandelde schildklierstoornis
- Klachten als gevolg van een primaire schildklierstoornis ondanks adequate behandeling
- Andere Endocrinologische aandoeningen
- 7 — Syncope
- Eigen verantwoordelijkheid
- Eenmalige syncope:
- Meer dan 1 syncope binnen 3 maanden:
- Eigen verantwoordelijkheid
- Inleiding
- De beoordeling van veiligheidsgeschiktheid bij medicijngebruik
- Gele sticker
- Beoordeling en advies
- Gewenning
- Alcohol/drugs
- Bij aangetoonde alcoholafhankelijkheid
- Bij aangetoond druggebruik
- 10 — Psychiatrische aandoeningen
- 11 — Andere aandoeningen
- 1 — Algemeen
- Algemene opmerkingen
- Gezichtsscherpte
- Gezichtsvelden
- Refractiechirurgie
- Kleurenzien
- Het binoculaire gezichtsvermogen
- Progressieve oogziekten
- Gevoeligheid voor laag contrast
- Nabij- en intermediair zien
- Algemene opmerkingen
- Minimumeisen
- Expertiseonderzoek
- Algemene opmerkingen
- Basaal onderzoek om te screenen
- Eigen verantwoordelijkheid
- Ischemische hartziekten
- Hypertensie
- Hartfalen
- Cardiomyopathieën
- Klepaandoening, inclusief klepchirurgie
- Geopereerde congenitale hartaandoeningen
- Ritme- en geleidingsstoornissen
- Pacemakers
- ICD
- Restgroep
- Algemene opmerkingen
- Basaal onderzoek om te screenen
- Basisonderzoek
- Aanvullend onderzoek
- Epilepsie
- CVA/TIA
- Cerebrale Aneurysma’s en andere vaatanomalieën
- Chronische en progressieve ziekten
- Migraine
- Algemene opmerkingen
- Diabetes Mellitus
- Algemene voorwaarden voor goedkeuring:
- Keurling niet bekend met Diabetes Mellitus
- Keurling met een bekende Diabetes Mellitus
- Algemeen
- Gezonde keurling
- Onderzoeksmethoden bij schildklieraandoeningen
- Algemene opmerkingen
- Basaal onderzoek om te screenen
- Oriënterend onderzoek bij syncope
- Algemene opmerkingen
- Basaal onderzoek om te screenen
- Algemeen opmerkingen
- Basaal onderzoek om te screenen
- Informatiebronnen
- Beoordeling en advies
- Halfwaardetijd en stapeling
- Gewenning
- Alcohol/drugs
- Algemene opmerkingen
- 1 — Algemeen
- 2.1 — Algemene opmerkingen
- 2.2 — Visusafwijkingen en gezichtsveld
- 2.3 — Bril/correctie
- 2.4 — Kleuren zien
- 2.5 — Adaptatie
- 2.6 — Nader oordeel aangewezen gespecialiseerde keuringsarts
- 3 — Audiologie
- 4 — Hart en vaatziekten
- Niet geschikt
- Twijfelachtig geschikt
- 5 — Neurologie
- 6 — Orthopaedie
- 7.1 — Diabetes Mellitus:
- Geschikt:
- Geschikt onder voorwaarden
- Ongeschikt
- 7.2 — Schildklieraandoeningen:
- 8 — Overige ziekten
- 9 — Psychiatrie
- 10 — Medicijn-/alcohol-/druggebruik
- Psychologische eisen veiligheidsfuncties hoofdspoorweginfrastructuur
- Dimensies
§ 1 — Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
arts-deskundige: arts die deskundig is op het medische terrein, bedoeld in het betreffende onderdeel van bijlage 1, 2 of 3 bij deze regeling;
Besluit: Besluit spoorwegpersoneel 2011;
Minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
§ 2 — Eisen inzake de medische en psychologische geschiktheid
Artikel 2
1 De eisen inzake de medische geschiktheid van personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid, machinist met beperkte bevoegdheid of rangeerder uitoefenen, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, van het Besluit, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1.
2 De eisen inzake de medische geschiktheid van personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van treindienstleider met volledige bevoegdheid uitoefenen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van het Besluit, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2.
3 De eisen inzake de medische geschiktheid van personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van treindienstleider met minimale bevoegdheid uitoefenen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van het Besluit, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 3.
§ 2 — Eisen inzake de medische en psychologische geschiktheid
Artikel 3
De eisen inzake de psychologische geschiktheid van personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem een veiligheidsfunctie uitoefenen, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, van het Besluit, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4.
§ 2 — Eisen inzake de medische en psychologische geschiktheid
Artikel 4
Indien de keurling in geringe mate niet aan één of meerdere ingevolge artikel 2 vastgestelde medische eisen voldoet, kan de keurling desondanks ten aanzien van de desbetreffende eis of eisen zonder voorwaarden of beperkingen worden goedgekeurd, indien:
a. de keuringsarts vaststelt dat de keuringseis waaraan niet wordt voldaan voldoende wordt gecompenseerd;
b. een veilige uitvoering van de functie hierdoor niet wordt belemmerd; en
c. een arts-deskundige aan de keuringsarts schriftelijk heeft geadviseerd om de keurling ten aanzien van deze keuringseis goed te keuren.
§ 2 — Eisen inzake de medische en psychologische geschiktheid
Artikel 5
De verklaring van medische geschiktheid en de verklaring van psychologische geschiktheid, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het Besluit, bevatten ten minste de volgende gegevens:
a. naam van het keuringsinstituut;
b. keuringsdatum;
c. naam en geboortedatum van de keurling;
d. veiligheidsfunctie waarvoor de keuring heeft plaatsgevonden;
e. termijn waarvoor de keurling geschikt is bevonden;
f. eventuele beperkingen of voorwaarden ten aanzien van de geschiktheid.
§ 3 — Aanvraagformulier verlening of wijziging machinistenvergunning
Artikel 6
1 Voor een aanvraag tot verlening of wijziging van een machinistenvergunning wordt gebruik gemaakt van een door de Minister vastgesteld aanvraagformulier.
2 Een aanvraag gaat vergezeld van de documenten zoals aangegeven op het aanvraagformulier, bedoeld in het eerste lid.
§ 3a — Aanwijzing baanvakken voor grensoverschrijdende treindiensten
Artikel 6a
De volgende baanvakken worden aangewezen als baanvakken voor grensoverschrijdende treindiensten als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Besluit:
a. Bad Nieuweschans – Duitse grens;
b. Oldenzaal – Duitse grens;
c. Enschede – Duitse grens;
d. Zevenaar – Duitse grens;
e. Valburg – Duitse grens;
f. Venlo – Duitse grens;
g. Heerlen – Duitse grens;
h. Maastricht – Belgische grens, richting Visé;
i. Roosendaal – Belgische grens;
j. Terneuzen – Belgische grens; en
k. Breda – Belgische grens.
§ 4 — Erkenning EU-beroepskwalificaties
Artikel 7
Deze paragraaf is van toepassing op een aanvraag van een migrerende beroepsbeoefenaar tot het verkrijgen van een erkenning van beroepskwalificaties voor de toegang tot de uitoefening van:
a. een veiligheidsfunctie als bedoeld in artikel 2, onderdelen c tot en met f, van het Besluit;
b. de functie van examinator, bedoeld in artikel 7a, tweede lid, van het Besluit.
§ 4 — Erkenning EU-beroepskwalificaties
Artikel 8
1 Een aanvraag als bedoeld in artikel 33 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties wordt ingediend bij de Minister.
2 De aanvraag voor een erkenning als bedoeld in artikel 7, aanhef en onderdeel a, bevat de documenten, bedoeld in de artikelen 13, eerste lid, onderdelen a tot en met d, en 15 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.
3 De aanvraag voor een erkenning als bedoeld in artikel 7, aanhef en onderdeel b, bevat de documenten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.
§ 4 — Erkenning EU-beroepskwalificaties
Artikel 9
1 Indien de documenten, bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, niet aantonen dat de migrerende beroepsbeoefenaar bij de aanvraag voor een erkenning tot de uitoefening van een veiligheidsfunctie of functie van examinator voldoet aan de Nederlandse eisen voor het uitoefenen van de veiligheidsfunctie respectievelijk beschikt over grondige kennis van de relevante examenmethodes en examendocumenten, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b, van Besluit 2011/765/EU, stelt de Minister vast op welk gebied hij een aanpassingsstage doorloopt of een proeve van bekwaamheid aflegt, alsmede de termijn waarbinnen dit geschiedt.
2 De Minister kan ten behoeve van het afgeven van de erkenning bepalen dat de aanpassingsstage of de proeve van bekwaamheid wordt beoordeeld door een door hem aan te wijzen examencommissie.
§ 4 — Erkenning EU-beroepskwalificaties
Artikel 10
De migrerende beroepsbeoefenaar maakt zijn keuze voor een aanpassingsstage of proeve van bekwaamheid vooraf kenbaar aan de Minister.
§ 4 — Erkenning EU-beroepskwalificaties
Artikel 11
Een aanvraag als bedoeld in artikel 8, eerste lid, wordt afgewezen indien de aanpassingsstage, dan wel de proeve van bekwaamheid, als onvoldoende is beoordeeld.
§ 5 — Slotbepalingen
Artikel 12
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit in werking treedt.
§ 5 — Slotbepalingen
Artikel 13
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling spoorwegpersoneel 2011.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 1 — Algemeen
1 — Algemeen
Indien bij de onderstaande keuringseisen meerdere niveaus zijn aangegeven, geldt:
a. niveau 1 voor de veiligheidsfunctie van rangeerder;
b. niveau 2 voor de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Algemene opmerkingen
Algemene opmerkingen
Voor de bepaling van de gezichtsscherpte mag alleen gebruik gemaakt worden van de Landolt-C visuskaart onder de juiste condities.
Voor de bepaling van het kleurenonderscheidingsvermogen mag alleen gebruik gemaakt worden van de Ishihara-test, 38 platen-editie; bij de afname van de Ishihara-test is het gebruik van gekleurde glazen of lenzen niet toegestaan.
Voor de bepaling van het gezichtsveld volstaan de anamnese (centrale defecten) en de confrontatiemethode volgens Donders (perifere defecten).
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Gezichtsscherpte
Gezichtsscherpte
Niveau 1
Beide ogen tezamen: | minimaal 0,8 | zo nodig met correctie
Minste oog: | minimaal 0,3 | zo nodig met correctie
Niveau 2
Beide ogen tezamen: | minimaal 1,0 | zo nodig met correctie
Minste oog: | minimaal 0,5 | zo nodig met correctie
NB: Indien de vereiste gezichtsscherpte alleen met behulp van een bril of contactlenzen gehaald kan worden dient op de keuringsuitslag vermeld te worden: ‘Geschikt met verplichte bril of contactlenzen’.
Indien tijdens de dienstbetrekking met optimale correctie aan deze eisen niet meer kan worden voldaan: nadere beoordeling door de arts-deskundige.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Contrastgevoeligheid
Contrastgevoeligheid
De contrastgevoeligheid wordt anamnestisch bepaald en moet goed zijn.
Indien uit de anamnese blijkt dat er sprake is van een verminderd vermogen om details waar te nemen of van de continue aanwezigheid van een grijze waas met een verminderde kleurperceptie dient men bedacht te zijn op het bestaan van een verminderde contrastgevoeligheid.
Indien tijdens de dienstbetrekking aan deze eis niet meer kan worden voldaan: nadere beoordeling door de arts-deskundige.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Nabijzien en intermediair zien
Nabijzien en intermediair zien
Niveau 1
Geen eisen
Niveau 2
Nabijheidspunt van accommodatie | Maximaal 40 cm (zo nodig met correctie)
OF:
Visus op 40 cm en 60 cm | Minimaal 0,8 (zo nodig met correctie)
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Ongecorrigeerde gezichtsscherpte (bij correctie), maximaal toegestane correctie en gekleurde glazen/lenzen › Ongecorrigeerde gezichtsscherpte (bij correctie)
Ongecorrigeerde gezichtsscherpte (bij correctie)
Geen eisen
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Ongecorrigeerde gezichtsscherpte (bij correctie), maximaal toegestane correctie en gekleurde glazen/lenzen › Maximaal toegestane sterkte bril/contactlenzen
Maximaal toegestane sterkte bril/contactlenzen
Hypermetropie: maximaal +5
Myopie: maximaal –8
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Ongecorrigeerde gezichtsscherpte (bij correctie), maximaal toegestane correctie en gekleurde glazen/lenzen › Orthokeratologie-lenzen (nachtlenzen)
Orthokeratologie-lenzen (nachtlenzen)
Niet toegestaan
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Ongecorrigeerde gezichtsscherpte (bij correctie), maximaal toegestane correctie en gekleurde glazen/lenzen › Gekleurde glazen/lenzen
Gekleurde glazen/lenzen
Niveau 1
Toegestaan, mits niet te uitgesproken van kleur (met name geel)
Niveau 2
Getinte lenzen niet toegestaan
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Ongecorrigeerde gezichtsscherpte (bij correctie), maximaal toegestane correctie en gekleurde glazen/lenzen › UV-coating
UV-coating
Toegestaan
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Ongecorrigeerde gezichtsscherpte (bij correctie), maximaal toegestane correctie en gekleurde glazen/lenzen › Fotochromatische glazen
Fotochromatische glazen
Niet toegestaan
Indien tijdens de dienstbetrekking aan deze eisen niet meer kan worden voldaan: nadere beoordeling door de arts-deskundige.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Refractiechirurgie › LASIK, LASEK, PRK, RK
LASIK, LASEK, PRK, RK
Toegestaan bij voldoende gezichtsscherpte en indien er geen klachten zijn.
Jaarlijks controle gezichtsscherpte en anamnese.
NB: De eerste 10 dagen na de laserbehandeling is de gezichtsscherpte verminderd.
De optimale gezichtsscherpte is na ongeveer 1 maand bereikt.
De sterkte kan tot 3 maanden na de ingreep nog licht fluctueren.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Refractiechirurgie › Intra-oculaire lens (IOL)
Intra-oculaire lens (IOL)
Toegestaan bij voldoende gezichtsscherpte en indien er geen klachten zijn.
Jaarlijks controle gezichtsscherpte en anamnese.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Refractiechirurgie › Afakie
Afakie
Geschiktheid afhankelijk van restvisus en daarbij benodigde sterkte van correctie
In geval van afakie, klachten of onvoldoende gezichtsvermogen na refractiechirurgie, ontstaan tijdens de dienstbetrekking: nadere beoordeling door de arts-deskundige.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Kleurenonderscheidingsvermogen
Kleurenonderscheidingsvermogen
Geschikt indien maximaal 3 fouten (13/16 goed)
Bij >3 fouten (<13/16 goed) nadere beoordeling door de arts-deskundige
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Gezichtsvelden
Gezichtsvelden
Niveau 1
Anamnestisch geen uitval, binoculair gezichtsveld tenminste 140° continu.
Niveau 2
Volledig
Indien tijdens de dienstbetrekking een gezichtsvelddefect of monoculus: nadere beoordeling door de arts-deskundige.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Nacht- en schemerzien
Nacht- en schemerzien
Geschikt indien anamnestisch geen klachten m.b.t. donkeradaptatie, verblindingsgevoeligheid en nachtmyopie
Indien tijdens de dienstbetrekking aan deze eis niet meer kan worden voldaan: nadere beoordeling door de arts-deskundige.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Het binoculaire gezichtsvermogen
Het binoculaire gezichtsvermogen
Ongeschikt bij het bestaan van dubbelbeelden (diplopie)
Indien de storing van het binoculaire zien is ontstaan tijdens de dienstbetrekking: nadere beoordeling door de arts-deskundige.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Progressieve oogziekten
Progressieve oogziekten
Niet toegestaan
Indien de progressieve oogziekte is ontstaan tijdens de dienstbetrekking: nader onderzoek door de arts-deskundige.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Wanneer nadere beoordeling door de arts-deskundige?
Wanneer nadere beoordeling door de arts-deskundige?
Er bestaat een verplichting tot overleg met en/of nadere beoordeling door de arts-deskundige in geval van:
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Wanneer nadere beoordeling door de arts-deskundige? › Initieel
Initieel
• Onvoldoende kleurenonderscheidingsvermogen
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 2 — Oogheelkundige eisen › Wanneer nadere beoordeling door de arts-deskundige? › Tijdens de dienstbetrekking
Tijdens de dienstbetrekking
• Onvoldoende kleurenonderscheidingsvermogen
• Onvoldoende gezichtsscherpte bij optimale correctie
• Verminderde contrastgevoeligheid
• Klachten of onvoldoende gezichtsvermogen na refractiechirurgie
• Afakie
• Gezichtsvelddefect(en)
• Monoculus
• Klachten over nacht- en schemerzien
• Diplopie
• Cataract
• Maculadegeneratie
• Glaucoom
• Retinitis pigmentosa
• Aandoening van de nervus opticus
• Overige progressieve oogziekten
• Diabetes mellitus: bij vastgestelde of vermoede retinopathie
• Hypertensie: bij vastgestelde of vermoede retina-afwijkingen
• Neurologische aandoeningen met klachten van het zien
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 3 — Auditieve eisen › Algemeen overzicht van auditieve taken
Algemeen overzicht van auditieve taken
Verbaal | Non-verbaal
Spraakverstaan | Het horen van waarschuwingssignalen
Het voeren van een gesprek | Het horen, lokaliseren en onderscheiden van informatieve signalen
Het deelnemen aan een vergadering | Het horen van procesgeluiden en materiaal.
Communicatie via telefoon, intercom | Lokalisatie van voertuigen op de werkplek
Het ontvangen van instructies | Ruimtelijke oriëntatie en richtinghoren
Het spraakverstaan in lawaai | Het horen van verkeer
Evaluatie door de arts-deskundige kan bestaan uit beoordeling van functietests met gebruik van model signaal-ruis en multidisciplinaire bespreking.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 3 — Auditieve eisen › Factoren die de veiligheidsgeschiktheid kunnen beïnvloeden
Factoren die de veiligheidsgeschiktheid kunnen beïnvloeden
Factoren zoals achtergrondrumoer en stress of emotie zijn van invloed op het adequaat kunnen verrichten van veiligheidstaken en kunnen bij de beoordeling meegewogen worden. Ook ervaring speelt hierbij een belangrijke rol.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 3 — Auditieve eisen › Onderzoek
Onderzoek
Om te beoordelen of een persoon voldoet aan de auditieve normen dient er een audiogram te worden gemaakt.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 3 — Auditieve eisen › Wanneer overleg en/of nadere beoordeling door de arts-deskundige?
Wanneer overleg en/of nadere beoordeling door de arts-deskundige?
• Bij een hoortoestel drager
• Bij een somverlies aan het beste oor bij 1,2 en 4Khz van ≥80dB
• Bij een somverlies aan het slechtste oor bij 1,2 en 4Khz van ≥100dB
• Bij een verschil in somscores tussen rechter en linkeroor groter dan 60dB
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 3 — Auditieve eisen › Ongeschikt
Ongeschikt
Bij een somverlies bij 1,2 en 4Khz van het beste oor (met of zonder hoortoestel) dat 120dB overschrijdt. Nader overleg met de arts-deskundige is aangewezen indien er aanwijzingen zijn dat de hoorrevalidatie niet optimaal lijkt (niet optimaal ingesteld hoortoestel, niet optimale medische behandeling).
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 4 — Hart en vaataandoeningen › Eigen verantwoordelijkheid
Eigen verantwoordelijkheid
De machinist met een hartaandoening moet bij de eerste signalen van een dreigende handelingsonbekwaamheid de trein stilzetten. Er moet een zeker ziekte inzicht c.q. capaciteit om adequaat te handelen aanwezig zijn.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 4 — Hart en vaataandoeningen › Basisgegeven bij hartaandoeningen
Basisgegeven bij hartaandoeningen
Voor een goede beoordeling van de veiligheidsgeschiktheid van de persoon met een hartaandoening zijn een aantal basisgegevens nodig.
Deze basisgegevens zijn: Diagnose van de aandoening, de uitwendige belastbaarheid, de hartfunctie, de aan of afwezigheid van ischemie, de aan of afwezigheid van ritmestoornissen, klachten, co-morbiditeit (Diabetes), familiaire belasting, lengte, gewicht, vetspectrum, rookgedrag, bloeddruk, ecg en medicatie. Indien een persoon met een van onderstaande aandoeningen geschikt is, zal er jaarlijks een evaluatie moeten plaatsvinden.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 4 — Hart en vaataandoeningen › Ischemische hartziekten
Ischemische hartziekten
Ongeschikt indien:
• Klachten, NYHA klasse 2–4
• Slechte hartfunctie, EF < 40%
• Verminderde belastbaarheid: < 7 MET
• Bloeddruk > 140/90
• Aanwezigheid van (stille) ischemie bij inspanning
• Stenose in de hoofdstam of proximaal in de LAD > 50% of 70% in de andere vaten
• Het risicoprofiel op basis van de risicofactoren kan meewegen bij de geschiktheidbeoordeling. Indien het risico door deze factoren groter dan 2% per jaar is, kan dit doorslaggevend zijn. Vooral roken zal snel tot ongeschiktheid leiden daar naast het lange termijn effect van roken op de arteriosclerose er ook sprake is van acute effecten op de coronaire doorbloeding, endotheelfunctie, bloeddruk en hartritme.
• Andere diskwalificerende factoren, bijv. ritmestoornissen, etc.
Indien de persoon op grond van bovenstaande criteria niet ongeschikt is, kan er een beoordeling worden gevraagd van de arts-deskundige.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 4 — Hart en vaataandoeningen › Hypertensie
Hypertensie
De bloeddruk moet lege artis worden gemeten. Bij te hoge bloeddruk moeten er minstens drie metingen worden verricht. De systolische bloeddruk wordt zwaarder gewogen dan de diastolische bloeddruk.
• Direct ongeschikt bij bloeddruk ≥ 200/110
• Ongeschikt bij bloeddruk > 140/90 indien door combinatie van de andere risicofactoren de 10 jaar’s mortaliteit > 10% is
1 Zie risicotabellen in de Multidisciplinaire richtlijn cardiovasculair risicomanagement 2006. www.cbo.nl.
• Ongeschikt bij een geïsoleerde hypertensie ≥ 180/110 tenzij de bloeddruk binnen 3 maanden door adequate behandeling < 150/95 is geworden en er wordt voldaan aan de onder punt 2 genoemde eisen
• Ongeschikt bij bloeddruk > 140/90 in combinatie met orgaanschade of bij andere hartaandoeningen
Indien na verbetering van bovenstaande situaties de persoon geschikt wordt, dient de bloeddruk halfjaarlijks te worden gecontroleerd.
Bij een adequate behandeling, een goede leefstijl en therapietrouw is de verwachting dat de ongeschiktheid t.g.v. hypertensie slechts van tijdelijke aard is.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 4 — Hart en vaataandoeningen › Linker Ventrikel Hypertrofie (LVH)
Linker Ventrikel Hypertrofie (LVH)
Ongeschikt indien:
• Er onderliggende pathologie wordt gevonden (cardiomyopathieën)
• Bloeddruk ≥ 140/90
• Bij repolarisatiestoornissen op het ecg
Er kan een indicatie bestaan voor aanvullend onderzoek zoals Holter onderzoek om complexe ventriculaire ritmestoornissen uit te sluiten.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 4 — Hart en vaataandoeningen › Hartfalen
Hartfalen
Ongeschikt indien:
• Klachten, NYHA klasse 2–4
• EF < 40%
• Belastbaarheid ≤ 7 MET
• Positief iecg
• (Orthostatische) hypotensie
• Verhoogde BNP waarden
• Op de Holter registratie complexe ventriculaire ritmestoornissen worden gevonden
• De oorzaak van het hartfalen kan een reden voor ongeschiktheid zijn
Indien de persoon op grond van bovenstaande criteria niet ongeschikt is, kan er een evaluatie worden gevraagd aan de arts-deskundige.
Er moet jaarlijkse een evaluatie plaatsvinden van bovengenoemde criteria.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 4 — Hart en vaataandoeningen › Hypertrofische cardiomyopathie (HOCM)
Hypertrofische cardiomyopathie (HOCM)
Ongeschikt
In lichte gevallen kan er een beoordeling worden gevraagd van de arts-deskundige.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 4 — Hart en vaataandoeningen › Gedilateerde cardiomyopathie
Gedilateerde cardiomyopathie
Ongeschikt
In lichte gevallen kan er een beoordeling worden gevraagd van de arts-deskundige.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 4 — Hart en vaataandoeningen › Harttransplantatie
Harttransplantatie
Ongeschikt
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 4 — Hart en vaataandoeningen › Klepaandoening, inclusief klepchirurgie
Klepaandoening, inclusief klepchirurgie
Ongeschikt indien:
• NYHA klasse 2–4
• Belastbaarheid < 7 MET
• Verminderde hemodynamiek
• EF < 40%
• Schade aan de linker ventrikel (LVH, dilatatie, hartfunctie)
• Ritmestoornissen
• Abnormale bloeddruk
• Bij cerebrale complicaties
• Bij pulmonale hypertensie
Indien de persoon op grond van bovenstaande criteria niet ongeschikt is, kan er een evaluatie worden gevraagd aan de arts-deskundige.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 4 — Hart en vaataandoeningen › Aneurysma Aortae
Aneurysma Aortae
Ongeschikt indien:
• Diameter van aneurysma > 5 cm
• Positieve familie anamnese van aneurysma ruptuur
• Bloeddruk >140/90
• Roken
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 4 — Hart en vaataandoeningen › Ritme en geleidingsstoornissen
Ritme en geleidingsstoornissen
Ongeschikt indien:
• Aanwezigheid van klachten
• Bewustzijnsstoornissen
• Verminderde hartfunctie (EF < 40%)
• Verminderde belastbaarheid (< 7 MET)
• Bij onderliggend hartlijden
De volgende vragen moeten beantwoord en beoordeeld zijn door de arts-deskundige:
• Wat is de specifieke diagnose?
• Zijn eventuele klachten gecorreleerd aan de ritmestoornis?
• Is er een specifieke provocatie?
• Wat is de kans op optreden van de ritmestoornis?
• Wat is de kans op handelingsonbekwaamheid bij het optreden van de ritmestoornis?
• Wat is de kans op een ongeval bij handelingsonbekwaamheid?
• Wat is de kans over langere tijd?
In het algemeen is een RBTB bij een in principe gezonde persoon geen reden voor verder onderzoek, dit in tegenstelling tot een LBTB, een tweede graads AV Block type Mobitz 2 en een derde graads AV Block. Hierbij moet altijd in overleg met de arts-deskundige verder onderzoek worden verricht.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 4 — Hart en vaataandoeningen › Pacemakers
Pacemakers
Ongeschikt bij pacemakerafhankelijkheid
Indien er bij dragers van pacemakers geen pacemakerafhankelijkheid bestaat moet er een beoordeling worden gevraagd van de arts-deskundige.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 4 — Hart en vaataandoeningen › ICD
ICD
Ongeschikt
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 4 — Hart en vaataandoeningen › Restgroep
Restgroep
Ongeschikt bij:
• Brugada syndroom
• Lange QT syndroom
• Pulmonale hypertensie
• Arytmogene rechter ventrikeldysplasie (ARVD)
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 5 — Neurologische aandoeningen › Algemeen
Algemeen
Door neurologische aandoeningen kunnen stoornissen ontstaan in het bewustzijn, coördinatievermogen, spierkracht, spier- en bewegingscontrole, mobiliteit, geheugen, oordeelsvorming, concentratie en gedrag, welke allen een belemmering van de veiligheidsgeschiktheid kunnen veroorzaken.
Indien niet wordt voldaan aan vastgestelde normen, of er twijfel is over de functiegeschiktheid bij een initiële of periodieke keuring, dient de keurend arts contact op te nemen voor advies door de arts-deskundige.
Dit geldt vooral voor het ‘grijze gebied’ tussen geschikt en twijfel over geschiktheid, maar ook indien de keurend arts en/of werkgever wenst af te wijken van de norm, en ook als er sprake is van een voorgestelde aangepaste functie-inhoud of werktijd.
Speciale aandacht behoeft het gebruik van al dan niet voorgeschreven medicatie. Deze kan leiden tot de veiligheidsgeschiktheid beïnvloedende (bij)werkingen, soms ook door interactie met andere medicatie.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 5 — Neurologische aandoeningen › Eigen verantwoordelijkheid
Eigen verantwoordelijkheid
De machinist met neurologische aandoeningen moet instructies krijgen om bij de eerste tekenen van dreigende oordeels- of handelingsonbekwaamheid de trein stil te zetten. Er moet een zeker ziekte-inzicht c.q. capaciteit om adequaat te handelen aanwezig zijn. Bij neurologische aandoeningen waarbij cognitieve stoornissen kunnen ontstaan zal dit gegeven extra aandacht gegeven moeten worden.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 5 — Neurologische aandoeningen › Epilepsie/insulten › Na één insult
Na één insult
Indien een duidelijke, behandelbare en behandelde oorzaak voor een symptomatisch insult wordt gevonden, waardoor een recidiefkans ontstaat die vergelijkbaar is met de niet zieke populatie, is 12 maanden na de succesvolle behandeling en insultvrije periode toegestaan om (weer) een veiligheidsfunctie te verrichten.
Indien ondanks genoemde schijnbaar effectieve behandeling toch uit voorzorg anti-epileptische medicatie wordt gegeven, is betrokkene alsnog ongeschikt te achten.
Indien na één insult geen epileptische EEG afwijkingen worden gevonden op het standaard-, slaaponthoudings- en slaap EEG, maar géén duidbare aanleiding/oorzaak is gevonden (dus unprovoked), én geen medicatie wordt ingesteld, is het 2 jaar na dat eerste en niet herhaalde insult toegestaan om (weer) een veiligheidsfunctie te verrichten.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 5 — Neurologische aandoeningen › Epilepsie/insulten › Meerdere insulten
Meerdere insulten
Meer dan één insult leidt over het algemeen tot de diagnose epilepsie en is gezien de risico’s van acute uitval van bewustzijn, cognitieve en fysieke handelings-onbekwaamheid aanleiding betrokkene permanent (veiligheids)ongeschikt te achten.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 5 — Neurologische aandoeningen › TIA/CVA
TIA/CVA
Na een TIA, RIND of CVA is een persoon per definitie ongeschikt voor een periode van 5 jaar. Indien na deze periode na beoordeling door de arts-deskundige blijkt dat betrokkene vrij is van lichamelijke of geestelijke functiestoornissen en het cardiovasculaire risico kleiner of gelijk is dan 2% per jaar zal er een gericht neuropsychologisch onderzoek verricht moeten worden door een neuropsycholoog, met kennis van spoorwegveiligheid, om tot een oordeel over de geschiktheid te komen.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 5 — Neurologische aandoeningen › Andere ziekten die in principe tot ongeschiktheid leiden
Andere ziekten die in principe tot ongeschiktheid leiden
• Zenuw en spierziekten zoals MS, Dystrofieën, Myasthenie, M.Alzheimer, Dementie en de ziekte van Parkinson
• Intracraniële of intrathecale tumoren
• Schedel-hersenletsels zoals een contusio cerebri en andere letsels
• Een ongecompliceerde commotio cerebri zal over het algemeen niet leiden tot langdurige of blijvende ongeschiktheid.
• Pijnsyndromen die de aandacht verstoren zodat de veiligheid daardoor gevaar loopt
• Stationaire defecttoestanden, zoals (traumatische) dwarslaesie, spasticiteit, resttoestanden na hemiplegie, hyperkinetische syndromen, enz.
Bij twijfel kan overlegd worden met de arts-deskundige.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 5 — Neurologische aandoeningen › Cerebrale Aneurysma’s en andere vaatanomalieën
Cerebrale Aneurysma’s en andere vaatanomalieën
De persoon is (in overeenstemming met de aanbevelingen van de Gezondheidsraad) met een cerebraal aneurysma of vergelijkbare vaatafwijking in principe ongeschikt.
Indien symptoomloos én (dus) ‘bij toeval’ ontdekt én < 5 mm én niet op een riskante plaats zoals uit beeldvormend neurologisch onderzoek blijkt, kan betrokkene geschikt worden geacht.
Indien operatief behandeld én direct zonder neurologische restverschijnselen, is hij na 6 maanden weer geschikt.
Indien geopereerd, doch met aanvankelijk wel restverschijnselen die pas later verdwijnen, kan betrokkene indien er 5 jaar geen restverschijnselen meer (geweest) zijn, opnieuw beoordeeld worden. Indien na beoordeling door de arts-deskundige blijkt dat betrokkene vrij is van lichamelijke of geestelijke functiestoornissen en het cardiovasculaire risico kleiner of gelijk is dan 2% per jaar zal er een gericht neuropsychologisch onderzoek verricht moeten worden door een neuropsycholoog, met kennis van spoorwegveiligheid, om tot een oordeel over de geschiktheid te komen.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 6 — Endocrinologische aandoeningen › Eigen verantwoordelijkheid
Eigen verantwoordelijkheid
De machinist met een endocrinologische aandoening moet bij de eerste signalen van een dreigende handelingsongeschiktheid de trein stilzetten. Er moet een zeker ziekte inzicht c.q. capaciteit om adequaat te handelen aanwezig zijn.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 6 — Endocrinologische aandoeningen › Basisgegeven bij endocrinologische ziekten › Diabetes Mellitus
Diabetes Mellitus
Voor een goede beoordeling van de veiligheidsgeschiktheid zijn de onderstaande basisgegevens nodig:
• Bloedglucose (de laatste 4-punts dagcurve)
• HbA1c
• Bloeddruk
• Vetspectrum
• Heup/tailleratio (of BMI)
• Roken
• Alcohol
• Lichaamsbeweging
• Voedingspatroon
• Anamnestisch klachtenpatroon op het gebied van hypoglycemie, (frequentie, aard en ernst) en unawareness
• Familieanamnese diabetes en hart- en vaatziekten
• Complicaties op cardiovasculair, oogheelkundig of neurologisch gebied?
• Medicatie
• Wie is behandelaar (huisarts of internist)
• Is er regelmatig oogheelkundig onderzoek verricht
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 6 — Endocrinologische aandoeningen › Basisgegeven bij endocrinologische ziekten › Schildklier
Schildklier
Voor een goede beoordeling van de veiligheidsgeschiktheid bij schildklieraandoeningen zijn de onderstaande basisgegevens nodig:
• Serum TSH en vrij T4
• Anamnestisch geen beperkingen op cognitief gebied
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 6 — Endocrinologische aandoeningen › Basisgegeven bij endocrinologische ziekten › Keuringsnormen
Keuringsnormen
(zie voor overzicht tabel 2)
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 6 — Endocrinologische aandoeningen › Basisgegeven bij endocrinologische ziekten › Normaal bloedsuikergehalte
Normaal bloedsuikergehalte
Geschikt bij een niet-nuchtere capillaire bloedglucosespiegel ≤ 7,7 mmol/l. Bij eventueel herhalen is een nuchtere bepaling betrouwbaarder; norm hierbij is ≤ 5,5. (zie tabel 1 voor referentiewaarden)
Tabel 1. Referentiewaarde voor het stellen van de diagnose diabetes mellitus en gestoorde nuchtere glucose (mmol/l)
Glucose | Capp. Volbloed | Veneus plasma
Normaal | Nuchter | < 5,6 | < 6,1
Niet nuchter | < 7,8 | < 7,8
Gestoord | Nuchter | > 5,6 en < 6,0 | > 6,1 en < 6,9
Diabetes | Nuchter | > 6,0 | > 6,9
Niet nuchter | > 11,0 | > 11,0
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 6 — Endocrinologische aandoeningen › Basisgegeven bij endocrinologische ziekten › Gestoorde glucosetolerantie
Gestoorde glucosetolerantie
Indien er sprak is van een gestoorde glucosetolerantie (een gestoorde nuchtere glucose) moet na 3 maanden de glucosebepaling herhaald worden. Als de diagnose diabetes mellitus niet kan worden gesteld, wordt de werknemer jaarlijks gecontroleerd.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 6 — Endocrinologische aandoeningen › Basisgegeven bij endocrinologische ziekten › Diabetes mellitus › Algemene voorwaarden voor geschiktheid bij Diabetes Mellitus
Algemene voorwaarden voor geschiktheid bij Diabetes Mellitus
Persoonlijke gedragskenmerken zijn essentieel bij de individuele risico inschatting. Wie zorgvuldig is in de controle van zijn diabetes, reguleert zijn suiker goed en is beter in staat onder de druk van het leven en werk de bloedsuikers te reguleren dan iemand met een onregelmatig eetpatroon die onregelmatig bloedsuikers controleert.
Er is sprake van een normoglycemie waarbij waarden boven de 7,7 kunnen voorkomen en incidentele uitschieters tot 10 mmol/l. zijn toegestaan.
Betrokkene is goed geïnformeerd over zijn aandoening en weet hoe hij een verslechtering van de glucoseregulatie kan herkennen.
Er wordt minstens drie keer per jaar een bloedglucose bepaald.
Betrokkene informeert de bedrijfsarts spontaan over veranderingen van medicatie, instelling en complicaties.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 6 — Endocrinologische aandoeningen › Basisgegeven bij endocrinologische ziekten › Diabetes type 2
Diabetes type 2
Indien behandeld met orale antidiabetica die geen hypo kunnen veroorzaken:
Biguaniden (Metformine), a-glucosidaseremmer (Acarbose) en Thiazolidinedionderivaten (Rosiglitazon en Pioglitazon):
Geschikt
Indien behandeld met orale antidiabetica die wel een hypo kunnen veroorzaken:
Sulfonylureumderivaten (Tolbutamide, Glipizide, Gliclazide, Glibenclamide, Glimepiride)
Meglitiniden (Repaglitinide, Nateglinide)
Nadere beoordeling door de arts-deskundige
Indien behandeld met orale anti-diabetica en insuline of alleen insuline
Ongeschikt
N.B. Er kan nadere beoordeling door de arts-deskundige worden aangevraagd indien aan onderstaande voorwaarden is voldaan:
• Korter dan 2 jaar insulinegebruik
• Stabiel ingestelde diabetes mellitus
• Regelmatige (zelf)controle
• Geen complicaties als gevolg van diabetes
• Geen hypoglycemieën
• Goed ziekte-inzicht en therapietrouw
• Geen hypoglycemia unawareness
• Betrouwbaar, spontaan melden bij bedrijfsarts van wijzigingen
• Instemming van de behandelaar
• Passende lifestyle gemeten aan tailleomvang, bewegen en roken
• Jaarlijkse beoordeling bedrijfsarts en schriftelijk voorleggen aan arts-deskundige
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 6 — Endocrinologische aandoeningen › Basisgegeven bij endocrinologische ziekten › Onbehandelde diabetes mellitus
Onbehandelde diabetes mellitus
Ongeschikt
Indien er sprake is van een onbehandelde diabetes mellitus is de werknemer veiligheidsongeschikt vanwege het effect van hyperglycemie op het cognitief functioneren naast het verhoogde cardiovasculaire risico.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 6 — Endocrinologische aandoeningen › Basisgegeven bij endocrinologische ziekten › Hyperglycemie
Hyperglycemie
Ongeschikt
Een patroon van structureel hoge bloedsuikers (>15 mmol/l) leidt tot veiligheidsongeschikt.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 6 — Endocrinologische aandoeningen › Basisgegeven bij endocrinologische ziekten › Ernstige hypoglycemieën
Ernstige hypoglycemieën
Ongeschikt
Het gaat hierbij om plotselinge en/of onverwachte bewustzijnsdaling dan wel bewustzijnsverlies door een hypoglycemie.
N.B. Iemand kan weer geschikt worden verklaard als duidelijk is dat de waarschuwingssignalen weer aanwezig zijn en het zelfzorggedrag door de behandelaar(s) als adequaat wordt ingeschat.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 6 — Endocrinologische aandoeningen › Basisgegeven bij endocrinologische ziekten › Hypoglycemia unawareness
Hypoglycemia unawareness
Ongeschikt
Een verminderde of afwezige hypoglycemia awareness leidt tot een onaanvaardbaar verhoogd risico op plotselinge en/of onverwachte hypo’s en daardoor onveilige situaties.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 6 — Endocrinologische aandoeningen › Basisgegeven bij endocrinologische ziekten › Diabetes Mellitus type 1
Diabetes Mellitus type 1
Ongeschikt
Het verhoogde relatieve risico op ongevallen bij type 1 diabetes, de mogelijk aanwezige hypoglycemia unawareness en kans op ernstige hypoglycemieën zijn niet te verenigen met veiligheidstaken op het spoor.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 6 — Endocrinologische aandoeningen › Basisgegeven bij endocrinologische ziekten › Diabetes complicaties
Diabetes complicaties
(Retinopathie, Neuropathie, Nefropathie, Cardiovasculair)
Ongeschikt
Bij twijfel kan een beoordeling worden gevraagd bij de arts-deskundige betreffende diabetes en de arts-deskundige betreffende het aangedane orgaansysteem.
Tabel 2 Overzicht keuringsnormen bij Diabetes Mellitus
Geschikt | Geschikt na overleg | Ongeschikt
Geen behandeling | | | X
Lifestyle adviezen | X
Orale medicatieA | X
Orale medicatieB | | X
DM 2 met insuline | | X
DM 1 met insuline | | | X
A Behandeling met orale antidiabetica die geen hypo kunnen veroorzaken
B Behandeling met orale antidiabetica die een hypo kunnen veroorzaken
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 6 — Endocrinologische aandoeningen › Schildklierstoornis
Schildklierstoornis
Geschikt indien:
Er sprake is van een klachtenvrije, behandelde primaire schildklierstoornis met een klinisch-chemische euthyreoidie en er geen sprake is van stoornissen van aandacht, concentratie, geheugen, reactievermogen en snelheid van informatieverwerking en stemming. Het is voldoende om laatstgenoemde voorwaarden anamnestisch te screenen.
Bij twijfel over het cognitief functioneren of aanwezigheid van een stemmingsstoornis zal er een gericht neuropsychologisch onderzoek verricht moeten worden door een neuropsycholoog, met kennis van spoorwegveiligheid, om tot een oordeel over de geschiktheid te komen.
Dit zou aangevuld kunnen worden met een praktijktest waar de direct leidinggevende betrokken is. In deze praktijktest kunnen (routine-)taken worden verricht binnen de relevante context.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 6 — Endocrinologische aandoeningen › Schildklierstoornis › Onbehandelde schildklierstoornis
Onbehandelde schildklierstoornis
Ongeschikt
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 6 — Endocrinologische aandoeningen › Schildklierstoornis › Klachten als gevolg van een primaire schildklierstoornis ondanks adequate behandeling
Klachten als gevolg van een primaire schildklierstoornis ondanks adequate behandeling
Ongeschikt
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 6 — Endocrinologische aandoeningen › Schildklierstoornis › Andere Endocrinologische aandoeningen
Andere Endocrinologische aandoeningen
Bij andere endocrinologische aandoeningen, zoals Acromegalie, Bijnierschorsinsufficientie, Cushingsyndroom, Diabetes Insipidus, Groeihormoondeficientie, Hypercalciaemie, Hyperprolactinemie, Insulinoom, Hypofyseadenoom, Pheochromocytoom moet de geschiktheid op individuele basis worden beoordeeld.
Beoordeling door de arts-deskundige is aangewezen.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 7 — Syncope
7 — Syncope
Bij iedere syncope moet worden gezocht naar de mogelijke oorzaak.
Indien die is gevonden dient een passende therapie te worden aangeboden.
Indien aldus behandelbaar gebleken én behandeld, is de recidiefkans te beoordelen en daarmee de veiligheidsgeschiktheid en inzetbaarheid.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 7 — Syncope › Eigen verantwoordelijkheid
Eigen verantwoordelijkheid
De machinist met syncopes moet instructies krijgen om bij de eerste signalen van een dreigende handelingsongeschiktheid de trein stil te zetten. Er moet een zeker ziekte inzicht c.q. capaciteit om adequaat te handelen aanwezig zijn.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 7 — Syncope › Eenmalige syncope:
Eenmalige syncope:
1. Onverklaarde syncopes maken een machinist ongeschikt gedurende 1 maand.
2. Indien er wel een oorzaak wordt gevonden is de geschiktheid afhankelijk van deze oorzaak. Op basis van de oorzaak en de recidiefkans wordt de geschiktheid beoordeeld.
3. Indien er in de werkuitvoering provocerende factoren voor de syncope aanwezig zijn is betrokkene ongeschikt.
4. Betrokkene is drie maanden ongeschikt na een vasovagale syncope tijdens zitten.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 7 — Syncope › Meer dan 1 syncope binnen 3 maanden:
Meer dan 1 syncope binnen 3 maanden:
1. Onverklaarde syncopes maken een machinist ongeschikt totdat duidelijkheid is over de oorzaak. Op basis van de oorzaak en de recidiefkans wordt de geschiktheid beoordeeld. Indien geschikt pas na 3 maanden aanvalsvrij.
2. Ongeschikt bij onbekende of onbehandelbare oorzaak. Pas geschikt na 1 jaar aanvalsvrij.
3. In ieder geval onderzoek naar cardiologische, neurologische en endocriene oorzaken.
Bij twijfel kan beoordeling gevraagd worden aan de arts-deskundige.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 8 — Obstructief Slaap Apnoe syndroom (OSA) › Eigen verantwoordelijkheid
Eigen verantwoordelijkheid
De persoon met een OSA moet instructies krijgen om bij recidief slaperigheid geen veiligheidstaken uit te voren. Er moet een zeker ziekte inzicht zijn om therapietrouw te garanderen. Bij het vermoeden op een slaapapnoe syndroom moet er eerst specialistisch onderzoek worden gedaan. (zowel polysomnografisch als wel onderzoek naar cognitief functioneren)
Ongeschikt indien:
1. de diagnose is gesteld, bij een AHI > 30
2. er klachten zijn van slaperigheid of herhaalde kortstondige aandachtsvermindering overdag
N.B. Na behandeling met CPAP en bij gebleken therapietrouw is de machinist geschikt.
Het is van belang dat de bloeddruk < 140/90 is en de BMI 30 < kg/m2.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 9 — Geneesmiddelen, alcohol en drugs › Inleiding
Inleiding
Voor de beoordeling van veiligheidsgeschiktheid is het van belang te weten of de persoon al dan niet regelmatig gebruik maakt van geneesmiddelen die de rijgeschiktheid nadelig kunnen beïnvloeden. Het dient bedrijfsbeleid te zijn (en dus bekend bij management en personen met een veiligheidsfunctie) dat geneesmiddelengebruik bij de bedrijfsarts moet worden gemeld, zodat deze over de veiligheidsgeschiktheid kan adviseren. Vooral medicatie die een dempende of stimulerende werking heeft op het centrale zenuwstelsel, maar ook antihistaminica en andere geneesmiddelen kunnen belemmerend en gevaarlijk zijn.
Speciale aandacht behoeven combinatie en mogelijke interacties van meerdere geneesmiddelen die elkaar, ook in hun bijwerkingen, kunnen beïnvloeden.
Ook de combinatie van geneesmiddelen en alcohol en/of drugs kan een extra negatief effect op de rijvaardigheid geven.
• Indien medicatie de veiligheidsgeschiktheid kan beïnvloeden, zal veelal een gele (‘kan het reactievermogen verminderen’) sticker op de verpakking worden geplakt door de apotheek (dit is echter geen verplichting!). Deze sticker en informatie uit het Farmacotherapeutisch Kompas (www.fk.cvz.nl) of www.geneesmiddeleninhetverkeer.nl kunnen dergelijke beïnvloeding aannemelijk maken.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 9 — Geneesmiddelen, alcohol en drugs › De beoordeling van veiligheidsgeschiktheid bij medicijngebruik
De beoordeling van veiligheidsgeschiktheid bij medicijngebruik
• Als eerste moet de bedrijfsarts zich een beeld vormen over de reden voor verstrekking, de gezondheidstoestand van de medewerker, die op zich (met of zonder medicatie) al een reden tot beperkte geschiktheid of ongeschiktheid kan zijn.
• Vervolgens beoordeelt de bedrijfsarts of de medicatie de veiligheidsgeschiktheid negatief kan beïnvloeden.
• Speciale aandacht behoeven hierbij de volgende categorieën:
○ Amfetaminen
○ Analgetica en NSAID’s
○ Antidepressiva
○ Anti-emetica en reisziektemedicatie
○ Anti-epileptica
○ Antihistaminica
○ Antihypertensiva en andere cardiovasculaire geneesmiddelen
○ Anxiolytica
○ Bloedsuikerverlagende middelen
○ Parkinsonmedicatie
○ Psychostimulantia
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 9 — Geneesmiddelen, alcohol en drugs › Gele sticker
Gele sticker
Indien medicatie is voorzien van een gele sticker, of medicatie is voorgeschreven waarbij in de bijsluiter staat dat het ‘kan leiden tot verminderd reactie- en concentratievermogen’ of dat het ‘de rijvaardigheid kan beïnvloeden’, moet de bedrijfsarts een uitspraak doen over de veiligheids- en dus functiegeschiktheid. Om een goed advies te geven kan een (bedrijfs)arts vanaf eind mei 2008 gebruik maken van de KNMP-WINAp informatie betreffende ‘Contra-indicatie Verkeersdeelname’, te vinden op www.geneesmiddeleninhetverkeer.nl die per geneesmiddel meer en gerichter informatie geeft dan het Farmacotherapeutisch Kompas.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 9 — Geneesmiddelen, alcohol en drugs › Beoordeling en advies
Beoordeling en advies
Indien daarover gegevens bekend zijn, kan de bedrijfsarts uit de combinatie van de halfwaardetijd en de verwachte beïnvloeding het effect van een geneesmiddel inschatten.
Bij twijfel is beoordeling noodzakelijk door de arts-deskundige.
Beoordeling kan op indicatie en advies van de arts-deskundige mede geschieden door het doen verrichten van een valide psychologisch veiligheidsgeschiktheidsonderzoek gericht op aandacht, concentratie en geheugen.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 9 — Geneesmiddelen, alcohol en drugs › Gewenning
Gewenning
Er kan met enige terughoudendheid rekening worden gehouden met een zekere gewenning aan het geneesmiddel. Hierbij is van belang dat de objectieve beleving van gewenning vooral tot uiting komt in vermindering van sufheid en loom gevoel en toename van het reactievermogen. Subjectief treedt echter slechts weinig gewenning op met betrekking tot vigilantietaken. Dit gegeven maakt dat een subjectieve gewenning van de patiënt geen garantie biedt voor geschiktheid voor veiligheidstaken! Bij sommige geneesmiddelen (en b.v. alcohol) zal zelfs overschatting optreden van de door betrokkene zelf ervaren rijgeschiktheid.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 9 — Geneesmiddelen, alcohol en drugs › Alcohol/drugs
Alcohol/drugs
Aangetoond overmatig alcoholgebruik c.q. misbruik, alsmede druggebruik, leidt altijd tot (tijdelijke) ongeschiktheid. Geschiktverklaring na behandeling vindt plaats na beoordeling van het behandelingsresultaat en het terugvalrisico.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 9 — Geneesmiddelen, alcohol en drugs › Alcohol/drugs › Bij aangetoonde alcoholafhankelijkheid
Bij aangetoonde alcoholafhankelijkheid
Ongeschikt
Alcoholafhankelijkheid kan blijken uit de anamnese. Indien bij verdenking op alcoholafhankelijkheid betrokkene ontkent, kan volgens de door het CBR ontwikkelde methodiek een klinische beoordeling volgen. Deze klinische beoordeling houdt in een gestructureerde psychiatrische beoordeling, alsmede bloedonderzoek naar leverfuncties en CDT.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 9 — Geneesmiddelen, alcohol en drugs › Alcohol/drugs › Bij aangetoond druggebruik
Bij aangetoond druggebruik
Ongeschikt
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 10 — Psychiatrische aandoeningen
10 — Psychiatrische aandoeningen
Doorgemaakte psychosen of, meer in het algemeen, perioden met ernstige oordeels- en kritiekstoornissen, al dan niet samenhangend met een bipolaire stoornis of manie in engere zin, maken meestal ongeschikt voor de uitoefening van een veiligheidsfunctie. Overleg met dan wel nader onderzoek door een arts-deskundige is noodzakelijk.
Bijlage 1 — behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van rangeerder, machinist met volledige bevoegdheid en machinist met beperkte bevoegdheid › 11 — Andere aandoeningen
11 — Andere aandoeningen
Bij aandoeningen die niet genoemd zijn in de vorige hoofdstukken en waarbij de mogelijkheid bestaat dat deze zouden kunnen leiden tot:
• plotseling bewustzijnsverlies;
• vermindering van de waakzaamheid of het concentratievermogen;
• plotselinge arbeidsongeschiktheid;
• verlies van het evenwichts- of coördinatievermogen;
• groot verlies van de beweeglijkheid;
• verlies van waarnemingsvermogen;
moet altijd worden overlegd met de arts-deskundige.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 1 — Algemeen
1 — Algemeen
Treindienstleiders mogen niet lijden aan een medische aandoening en geen medicatie, drugs of stoffen tot zich nemen die zouden kunnen leiden tot:
• vermindering van het cognitief functioneren
• verlies van waarnemingsvermogen
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 2 — Oogheelkunde › Algemene opmerkingen
Algemene opmerkingen
Voor het goed en voldoende veilig kunnen functioneren als treindienstleider moeten eisen worden gesteld aan de volgende modaliteiten van het zien:
Gezichtsscherpte (inclusief sommige correctiemiddelen), gezichtsvelden, contrastgevoeligheid, kleurenzien, de binoculaire functies en progressieve oogziekten.
Voor nacht- en schemerzien, stereoscopisch zien en verblindingsgevoeligheid hoeven geen keuringscriteria worden vastgesteld omdat deze modaliteiten geen rol spelen bij de uitoefening van de functie van treindienstleider, zoals is gebleken uit de werkplekbezoeken en de gesprekken met de treindienstleiders.
Voor de bepaling van de gezichtsscherpte mag iedere gangbare optotypenkaart worden gebruikt onder de juiste condities; de Landolt-C kaart verdient echter de voorkeur.
Voor de bepaling van de gezichtsvelden wordt de confrontatiemethode volgens Donders en de anamnese gebruikt.
Voor de bepaling van het kleurenonderscheidingsvermogen mag alleen gebruik gemaakt worden van de Ishihara-test, 38 platen-editie; bij de afname van de Ishihara-test is het gebruik van gekleurde glazen of lenzen niet toegestaan.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 2 — Oogheelkunde › Gezichtsscherpte
Gezichtsscherpte
Beide ogen tezamen: | 0,8 zo nodig met correctie.
Minste oog: | 0,3 zo nodig met correctie
Indien met optimale correctie aan deze eisen niet kan worden voldaan: nader onderzoek door de arts-deskundige.
Maximaal toegestane sterkte bril | Hypermetropie: maximaal +5 Myopie: maximaal –8, bij sterkere correctie overleg met arts-deskundige.
Maximaal toegestane sterkte contactlenzen | Geen eisen
Orthokeratologie-lenzen (nachtlenzen) | Niet toegestaan
Gekleurde glazen/lenzen | Toegestaan, mits niet te uitgesproken van kleur (met name geel)
UV-coating | Toegestaan
Fotochromatische glazen | Toegestaan
NB: Indien de vereiste gezichtsscherpte alleen met behulp van een bril of contactlenzen gehaald kan worden dient op de keuringsuitslag vermeld te worden: ‘Geschikt met verplichte bril of contactlenzen’.
Indien tijdens de dienstbetrekking de maximaal toegestane sterkte van de bril wordt overschreden: nader onderzoek door de arts-deskundige.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 2 — Oogheelkunde › Gezichtsvelden
Gezichtsvelden
Binoculair gezichtsveld | tenminste 140° continu.
In geval van een (vermoeden van een) gezichtsvelddefect of monoculus (bij een in dienst zijnde treindienstleider): perimetrisch onderzoek en nader onderzoek door de arts-deskundige.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 2 — Oogheelkunde › Refractiechirurgie
Refractiechirurgie
Anamnestisch bepalen van mogelijke complicaties (verblindingsgevoeligheid, halo’s, contrastgevoeligheid, strooilichteffecten of andere klachten).
LASIK, LASEK, PRK, RK | Toegestaan bij voldoende gezichtsscherpte. NB: De eerste 10 dagen na de laserbehandeling is de gezichtsscherpte verminderd. De optimale gezichtsscherpte is na ongeveer 1 maand bereikt. De gezichtsscherpte kan tot 3 maanden na de ingreep nog licht fluctueren.
Intra-oculaire lens | Toegestaan bij voldoende gezichtsscherpte en indien er geen klachten zijn.
Afakie | Geschiktheid afhankelijk van restvisus en daarbij benodigde sterkte van correctie
In geval van afakie, klachten of onvoldoende gezichtsvermogen, ontstaan tijdens de dienstbetrekking: nader onderzoek door de arts-deskundige.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 2 — Oogheelkunde › Kleurenzien
Kleurenzien
Tot en met 3 fouten (13/16 goed) | Geschikt.
Bij > 3 fouten (< 13/16 goed): een praktijktest op de (toekomstige) werkplek; bij twijfel met betrekking tot de veiligheidsgeschiktheid: nader onderzoek door de arts-deskundige.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 2 — Oogheelkunde › Het binoculaire gezichtsvermogen
Het binoculaire gezichtsvermogen
Onderzoek van de binoculaire gezichtsscherpte; de stand van de ogen, oogbewegingen en de anamnese.
Dubbelbeelden (diplopie): | Ongeschikt
Indien de storing van het binoculaire zien is ontstaan tijdens de dienstbetrekking: nader onderzoek door de arts-deskundige.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 2 — Oogheelkunde › Progressieve oogziekten
Progressieve oogziekten
Ongeschikt
Bij twijfel of indien de progressieve oogziekte is ontstaan tijdens de dienstbetrekking: nader onderzoek door de arts-deskundige.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 2 — Oogheelkunde › Gevoeligheid voor laag contrast
Gevoeligheid voor laag contrast
Onderzoek van de gezichtsscherpte en de anamnese. In geval van een voldoende gezichtsscherpte zonder visuele klachten kan ervan worden uitgegaan dat de contrastgevoeligheid goed is.
Contrastgevoeligheid: | Goed
Indien uit de anamnese bijvoorbeeld blijkt dat er sprake is van een verminderd vermogen om details waar te nemen in de schemering of het donker of van de continue aanwezigheid van een minder contrastrijk beeld met een verminderde kleurperceptie dient men bedacht te zijn op het bestaan van een verminderde contrastgevoeligheid
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 2 — Oogheelkunde › Nabij- en intermediair zien
Nabij- en intermediair zien
Onderzoek met leeskaartje en meetlint of visustest nabij (bijvoorbeeld Fits indicator) alleen bij treindienstleiders vanaf 40 jaar:
Nabijheidspunt van accommodatie | Maximaal 40 cm (z.n. met correctie)
OF:
Visus 40 cm en 60 cm | Minimaal 0,8 (z.n. met correctie)
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 3 — Auditieve eisen › Algemene opmerkingen
Algemene opmerkingen
Het onderzoek naar het auditief vermogen zal vooral gericht moeten zijn op het spraakverstaan. Het horen van een signaal is eveneens een eis, maar zal in de praktijk geen probleem opleveren. Richtinghoren is nauwelijks relevant.
Een KNO anamnese en audiometrie moeten worden verricht.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 3 — Auditieve eisen › Minimumeisen
Minimumeisen
Er bestaat twijfel over het auditieve vermogen als bij de frequenties 0.5, 1, 2 en 4kH meer dan 40 dB verlies is. Een praktijkbeoordeling is onlosmakelijk verbonden met deze screening. Is betrokkene in staat te telefoneren? Bij onvoldoende resultaat is overleg aangewezen met arts-deskundige van PMA. Indien betrokkene hoortoesteldrager is moet een expertise plaatsvinden.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 3 — Auditieve eisen › Expertiseonderzoek
Expertiseonderzoek
Expertise vindt plaats bij twijfel, hoortoesteldragers of onvoldoende resultaat in de basale keuring.
Minimumeisen auditief functioneren treindienstleider bij expertiseonderzoek
Spraak stilte | Spraak rumoer
100% bij 60 dB | SRT stationair vrije veld < –3dB
70–80% discriminatie spraakaudiogram | SNR95% in relatie met STI
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 4 — Hart- en vaatziekten › Algemene opmerkingen
Algemene opmerkingen
Bij een aantal cardiale aandoeningen zal er na overleg met de door IVW aangewezen arts-deskundige een neuropsychologisch onderzoek (NPO) moeten plaatsvinden door een neuropsycholoog, bekend met de functie. Om tot dit besluit te komen is er een aantal cardiale criteria geformuleerd die de basis vormen voor de indicatie voor een NPO. Deze zijn in de desbetreffende hoofdstukken terug te vinden.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 4 — Hart- en vaatziekten › Basaal onderzoek om te screenen
Basaal onderzoek om te screenen
De initiële keuring hoort te bestaan uit:
1. Anamnese:
a. Is of was er sprake van een hartaandoening?
b. Angineuze klachten, dyspnoe klachten, moeheidklachten, hartkloppingen, duizeligheid, syncopes
c. Medicijngebruik
d. Roken, alcohol, bewegingsactiviteiten, familie anamnese (voorkomen van hartaandoeningen in de eerste graads familie voor het 60ste levensjaar
2. Bloeddrukmeting. Bij te hoge bloeddruk meerdere metingen
3. Lichamelijk onderzoek: ictus, souffles, oedemen, lever
4. Een volledig vetspectrum (totaal cholesterol, HDL, LDL en triglyceriden) en glucose moet worden bepaald bij:
a. ischemische hartaandoeningen
b. hypertensie
c. een leeftijd > 60 jaar
d. rokende mannen > 50 jaar
e. rokende vrouwen > 55 jaar
f. mannen en vrouwen > 45 jaar met een belaste familie anamnese.
Op grond hiervan kan het cardiovasculair risico worden bepaald. Bij een, volgens de CBO richtlijn CVRM gemeten, cardiovasculair risico >10% moet er overleg plaats vinden met de arts-deskundige om te evalueren of een NPO geïndiceerd is.
5. Een ecg moet worden gemaakt bij:
• elke bestaande hartaandoening
• klachten
• afwijkingen bij het lichamelijk onderzoek
• hypertensie
• cardiovasculair risico > 10%
• mannen > 40 jaar en vrouwen > 50 jaar
Het periodiek onderzoek bestaat uit:
1. Anamnese (zie bij initiële keuring).
2. Bloeddruk meting. Bij te hoge bloeddruk meerdere metingen.
3. Ecg: Bij mannen > 40 jaar en vrouwen > 50 jaar.
Verder onderzoek als bij initiële keuring.
Indien er sprake is van in dit hoofdstuk genoemde aandoeningen dan moet er overleg worden gepleegd met de arts-deskundige.
Harde indicatie voor een neuropsychologisch onderzoek bij:
• Hartfalen
• Status na reanimatie
Relatieve indicatie voor een neuropsychologisch onderzoek bij:
• Hypertensie met secundaire orgaanschade.
• Bij hartritmestoornissen bij mensen > 60 jaar.
• Bij ischemische hartaandoeningen met een cardiovasculair risico >10% .
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 4 — Hart- en vaatziekten › Eigen verantwoordelijkheid
Eigen verantwoordelijkheid
Elke treindienstleider met een hart-vaataandoening moet instructies krijgen om bij het optreden van acute klachten het werk direct over te dragen aan collega’s. Hiertoe moet er sprake zijn van een zeker ziekte-inzicht. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat veel hartpatiënten moeite hebben met de voorgeschreven medicatie. Het hoort bij de eigen verantwoordelijkheid van de treindienstleider dat hij therapietrouw is en dit is als een voorwaarde voor veiligheidsgeschiktheid te beschouwen.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 4 — Hart- en vaatziekten › Ischemische hartziekten
Ischemische hartziekten
Bij een cardiovasculair risico > 10% mortaliteit in 10 jaar (CBO richtlijn) moet er overleg plaatsvinden met de arts-deskundige om te bepalen of verder onderzoek (bijv. een NPO) geïndiceerd is.
NYHA klasse III en IV zijn ongeschikt.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 4 — Hart- en vaatziekten › Hypertensie
Hypertensie
Afkapwaarden hypertensie per meetmethode. Uit CBO richtlijn Cardiovasculair Risico Management 2010
Soort meting | SBD | DBD
Spreekkamer | 140 | 90
Thuis, protocollair | 130–135 | 85
Ambulant, 24 uur | 125–130 | 80
Ambulant, dag | 130–135 | 85
Ambulant, nacht | 120 | 70
SBD = systolische bloeddruk
DBD = diastolische bloeddruk
Bij een lege artis vastgestelde hypertensie met een cardiovasculair risico >10% of bij secundaire orgaanschade moet er overleg plaats vinden met de arts-deskundige om te om te bepalen of verder onderzoek (bijv. een NPO) geïndiceerd is.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 4 — Hart- en vaatziekten › Hartfalen
Hartfalen
NYHA klasse III en IV zijn ongeschikt.
Hartfalenpatiënten in NYHA klasse I en II moeten worden verwezen naar de arts-deskundige en er moet een NPO plaatsvinden.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 4 — Hart- en vaatziekten › Cardiomyopathieën
Cardiomyopathieën
Een cardiomyopathie is geen reden voor ongeschiktheid voor treindienstleider. Indien de cardiomyopathie gepaard gaat met hartfalen, ritmestoornissen of andere ernstige klachten dan wordt naar het desbetreffende hoofdstuk verwezen voor verder beleid.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 4 — Hart- en vaatziekten › Klepaandoening, inclusief klepchirurgie
Klepaandoening, inclusief klepchirurgie
In principe is een klepafwijking geen contraindicatie voor de functie van treindienstleider, tenzij er sprake is van situaties, genoemd in de hoofdstukken hartfalen, geopereerde congenitale afwijkingen en/of ritmestoornissen.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 4 — Hart- en vaatziekten › Geopereerde congenitale hartaandoeningen
Geopereerde congenitale hartaandoeningen
Meestal zullen geopereerde congenitale aandoeningen een rol spelen bij de initiële keuring en zal er extra aandacht gegeven moeten worden aan het reguliere psychologische onderzoek. Daar deze groep in het verloop van het leven een grotere kans heeft op het optreden van ritmestoornissen zal er, in tegenstelling tot de normale gang van zaken, periodiek ook op jonge leeftijd geëvalueerd moeten worden middels anamnese en ecg.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 4 — Hart- en vaatziekten › Ritme- en geleidingsstoornissen
Ritme- en geleidingsstoornissen
Overlevers van een hartstilstand moeten worden verwezen naar de arts-deskundige om te evalueren of een NPO geïndiceerd is.
De meeste hartritmestoornissen hebben geen consequenties voor de uitvoering van de veiligheidskritische taken. Treindienstleiders met hartritmestoornissen moeten wel de instructie krijgen dat er tijdens het optreden van hartritmestoornissen, die niet direct tot een collaps leiden, maar wel op dat moment de cognitie kunnen beïnvloeden, geen veiligheidskritische activiteiten mogen worden uitgevoerd. Treindienstleiders met atriumfibrillatie die ouder zijn dan 60 jaar moeten worden verwezen naar de arts-deskundige.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 4 — Hart- en vaatziekten › Pacemakers
Pacemakers
Pacemakers die goed functioneren zijn geen belemmering voor de functie van treindienstleider. Wel is het aan te bevelen om communicatieapparatuur (telefoons) op 40 cm van de pacemaker te houden. Dat betekent dat de telefoon niet aan de kant van de geïmplanteerde pacemaker gehouden moet worden. Bij problemen t.g.v. de onderliggende pathologie zullen die mede beoordeeld moeten worden.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 4 — Hart- en vaatziekten › ICD
ICD
Het hebben van een ICD is meestal geen belemmering voor de functie van treindienstleider.
Wel is het aan te bevelen om communicatieapparatuur (telefoons) op 40 cm van de ICD te houden. Dat betekent dat de telefoon niet aan de kant van de geïmplanteerde ICD gehouden moet worden. Bij problemen t.g.v. de onderliggende pathologie zullen die mede beoordeeld moeten worden.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 4 — Hart- en vaatziekten › Restgroep
Restgroep
Voor cardiale aandoeningen, hier niet genoemd, zoals bijv. het Brugada-syndroom, lange QT syndroom, pulmonale hypertensie, een status na harttransplantatie enz. zal er overleg moeten plaatsvinden met de arts-deskundige.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 5 — Neurologische aandoeningen › Algemene opmerkingen
Algemene opmerkingen
Neurologische aandoeningen kunnen een negatieve invloed uitoefenen op cognitieve functies, in het bijzonder aandacht, concentratie maar ook op fysieke handelingsbekwaamheid.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 5 — Neurologische aandoeningen › Basaal onderzoek om te screenen
Basaal onderzoek om te screenen
Doel van zowel het primaire als het periodieke vervolgonderzoek is het vaststellen of uitsluiten van neurologische aandoeningen die de veiligheidsgeschiktheid negatief kunnen beïnvloeden.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 5 — Neurologische aandoeningen › Basaal onderzoek om te screenen › Basisonderzoek
Basisonderzoek
• Anamnese (bij reeds bekende ziekten ook specialistische informatie)
• Specifieke aandacht voor:
○ Wegrakingen (epilepsie, collaps)
○ Kracht en sensibiliteitsstoornissen
○ Schedel-hersenletsels
○ Medicatie
• Globaal lichamelijk onderzoek
• Proef van Romberg, vingerneusproef
• Globaal: kracht, li/re verschillen
• Reflexen: li/re verschillen
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 5 — Neurologische aandoeningen › Basaal onderzoek om te screenen › Aanvullend onderzoek
Aanvullend onderzoek
Indien het basisonderzoek daartoe aanleiding geeft moet aanvullend onderzoek worden verricht.
• Uitgebreide neurologische anamnese (inclusief informatie behandelende sector)
• Specifiek aanvullend onderzoek, en desgewenst specialistische expertise, zoals EEG, EMG en beeldvormend onderzoek
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 5 — Neurologische aandoeningen › Epilepsie
Epilepsie
Zowel bij de initiële keuring, als na elk grand mal insult, moet er een neuropsychologisch onderzoek plaatsvinden om de cognitieve vaardigheden te laten (her)beoordelen om vast te stellen of betrokkene aan de veiligheidseisen voldoet. Ook minder opvallende epileptische fenomenen zoals ‘absences’ (kortdurende epilepsieaanvallen met bewustzijnsdaling of -verlies zonder trekkingen) zijn riskant omdat ze niet direct opvallen en toch kunnen leiden tot niet tijdig en adequaat waarnemen en reageren op veiligheidskritische signalen, waardoor riskante situaties op het spoor kunnen ontstaan. Omdat absences zich feitelijk altijd al in de jeugd manifesteren zal dit gegeven bekend worden tijdens afname van de anamnese (Wegrakingen gehad?). Het beleid is conform het algemene beleid bij epilepsie.
Naast deze diagnosegebonden twijfel over veiligheidsgeschiktheid voor de functie van treindienstleider, is het bij epilepsie gebruikelijk medicatie voor te schrijven ter beteugeling van insulten. Alle medicijnen in dit domein vallen onder de ICADTS categorieën II of III (zie hoofdstuk Geneesmiddelen, alcohol en drugs), met effect op de veiligheidsgeschiktheid vergelijkbaar met een alcohol niveau van resp 0,5–0,8 en >0,8 promille alcohol. Gebruik van medicatie vallend onder ICADTS categorie III is onverenigbaar met de functie van treindienstleider.
De combinatie van epilepsie behandeld met medicatie vallend onder categorie II maakt betrokkene bij een initiële veiligheidskeuring ongeschikt. Bij een periodieke keuring kan hiervan worden afgeweken, mits betrokkene bij het dan ook verplicht te herhalen PO goed scoort. Indien ondanks de medicatie epileptische aanvallen optreden moet advies gevraagd worden aan de arts-deskundige.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 5 — Neurologische aandoeningen › CVA/TIA
CVA/TIA
• Betrokkene is minstens een jaar ongeschikt voor veiligheidskritische activiteiten
• Na een jaar herbeoordeling van resterende afwijkingen/klachten die indicatief kunnen zijn voor blijvende ongeschiktheid
• Zo niet, dus indien min of meer restloos genezen:
• Informatie inwinnen bij behandelend neuroloog
• Verzamelen gegevens mbt cardiovasculair risico: ECG, tensie, vetspectrum, BMI, familieanamnese, rookgedrag, lichamelijke activiteiten
• Met deze gegevens verwijzen voor advies van de arts-deskundige
• Neuropsychologisch onderzoek
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 5 — Neurologische aandoeningen › Cerebrale Aneurysma’s en andere vaatanomalieën
Cerebrale Aneurysma’s en andere vaatanomalieën
Een (aspirant) treindienstleider is in principe ongeschikt indien een vaatanomalie zoals een aneurysma symptomatisch is, wat het geval kan zijn bij grotere of ongunstig liggende aneurysma’s.
Veel aneurysma’s zijn symptoomloos (ongeveer 2% van de normale populatie blijkt een aneurysma te hebben) en worden ‘bij toeval’ gevonden. In dat geval is een aneurysma met een diameter van < 5 mm, mits symptoomloos en niet op een riskante plaats, indien het specialistisch onderzoek gunstig is, geen reden betrokkene af te keuren.
Indien een patiënt aan een aneurysma is geopereerd (meestal middels clipping of een endovasculaire coil), zal deze, indien er geen neurologische functiestoornissen meer zijn, moeten worden verwezen naar de arts-deskundige, die mede aan de hand van eventuele cardiovasculaire risico’s en een neuropsychologisch onderzoek kan adviseren over veiligheidsgeschiktheid.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 5 — Neurologische aandoeningen › Chronische en progressieve ziekten
Chronische en progressieve ziekten
De meeste patiënten die lijden aan chronische of progressieve neurologische aandoeningen zullen door duidelijk duidbare beperkingen niet voldoen aan de veiligheidseisen voor de functie van treindienstleider. Patiënten met ernstige stationaire defecttoestanden, zoals hersenletsel na trauma capitis, (traumatische) dwarslaesie, spasticiteit, resttoestanden na hemiplegie, hyperkinetisch syndromen, Parkinson enz. zijn in de regel ongeschikt. Indien de beperkingen gering zijn en inzet wordt overwogen moet altijd de arts-deskundige geraadpleegd worden.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 5 — Neurologische aandoeningen › Migraine
Migraine
Bij migraine is men alleen ongeschikt voor de veiligheid tijdens een aura en een aanval (per definitie variërend van 4–72u).
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 6 — Endocrinologie › Algemene opmerkingen
Algemene opmerkingen
Endocrinologische aandoeningen kunnen dusdanig van invloed zijn op het cognitieve handelen en waarnemen dat het veiligheidsrisico onacceptabel toeneemt.
Endocrinologische aandoeningen kunnen leiden tot acute of chronische stoornissen in het bewustzijn, coördinatievermogen, spierkracht, spier- en bewegingscontrole, mobiliteit en cognitieve functies zoals aandacht, waarnemingsvermogen, oordeelsvorming, concentratie, geheugen en gedrag. Allen zijn het aspecten die de veiligheidsgeschiktheid in negatieve zin kunnen beïnvloeden.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 6 — Endocrinologie › Diabetes Mellitus
Diabetes Mellitus
De veiligheidsgeschiktheid van treindienstleiders met Diabetes Mellitus kan door verschillende factoren negatief beïnvloed worden:
• Hyperglycemie
• Hypoglycemie
• Hypoglycemia unawareness
Ongeschikt indien;
• Onbehandelde Diabetes Mellitus
• Ongecontroleerde hyperglycemie (een patroon van structureel verhoogde bloedsuikers > 15 mmol/l)
• Hypoglycemia unawareness
Geschikt indien;
• Geen Diabetes Mellitus of gestoorde glucosetolerantie
• Goed ingestelde en behandelde Diabetes Mellitus
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 6 — Endocrinologie › Algemene voorwaarden voor goedkeuring:
Algemene voorwaarden voor goedkeuring:
• Goed ziekte-inzicht en therapietrouw
• Betrouwbaar, spontaan melden bij bedrijfsarts van wijzigingen (van medicatie en/of klachten)
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 6 — Endocrinologie › Basaal onderzoek om te screenen › Keurling niet bekend met Diabetes Mellitus
Keurling niet bekend met Diabetes Mellitus
Glucosemeting nuchter
Referentiewaarde voor het stellen van de diagnose Diabetes Mellitus en gestoord nuchtere glucose (mmol/l)
Glucose | Veneus plasma
Normaal | Nuchter | < 6,1
Niet nuchter | < 7,8
Gestoord | Nuchter | > 6,1 en < 6,9
Diabetes | Nuchter | > 6,9
Niet nuchter | > 11,0
Een gestoorde nuchtere glucose wijst op een grotere kans op de ontwikkeling van Diabetes Mellitus en doorgaans op een verhoogd cardiovasculair risico. Bij een niet nuchtere waarde tussen 7,8 en 11,0 mmol/l is geen duidelijke conclusie mogelijk. Aanbevolen wordt de glucosebepaling altijd in nuchtere toestand te herhalen.De omrekenformule voor veneus plasma naar capillair bloed die kan worden gehanteerd is –15%. Indien HbA1c wordt gebruikt is een waarde > 6,5% diagnostisch voor diabetes mellitus.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 6 — Endocrinologie › Basaal onderzoek om te screenen › Keurling met een bekende Diabetes Mellitus
Keurling met een bekende Diabetes Mellitus
Glucosemeting nuchter
Anamnese naar hypoglycemie, (frequentie, aard en ernst) en hypoglycemia (un)awareness. Bij het uitvragen van hypoglycemie-unawareness kan eventueel gebruik gemaakt worden van een daarvoor bestemde vragenlijst.
Informatie van de behandelaar opvragen. Voor een goede beoordeling van de veiligheidsgeschiktheid van de treindienstleider met Diabetes is een aantal basisgegevens nodig:
• Bloedglucose (een recente nuchtere glucose)
• HbA1c
• Bloeddruk
• Vetspectrum
• Microalbuminurie
• Zijn er complicaties op cardiovasculair, oogheelkundig of neurologisch gebied?
• Medicatie
• Hypoglycemia unawareness
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 6 — Endocrinologie › Schildklieraandoeningen › Algemeen
Algemeen
Een goede schildklierfunctie is essentieel voor de normale ontwikkeling en behoud van de cognitieve functie gedurende het leven. Een verminderde schildklierfunctie vermindert en verslechtert de cognitie en de stemming. Een bestaande schildklierfunctiestoornis, met name hypothyreoïdie, voorkomt dat het brein adequaat van energie (glucose) wordt voorzien. Energie die nodig is voor essentiële hersenfuncties.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 6 — Endocrinologie › Schildklieraandoeningen › Basaal onderzoek om te screenen › Gezonde keurling
Gezonde keurling
Anamnese naar schildklierfunctiestoornis
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 6 — Endocrinologie › Schildklieraandoeningen › Basaal onderzoek om te screenen › Keurling met een bekende schildklierstoornis › Onderzoeksmethoden bij schildklieraandoeningen
Onderzoeksmethoden bij schildklieraandoeningen
• Serum TSH/T4
Voor volwassenen wordt voor TSH , afhankelijk van de gebruikte laboratoriummethode, meestal 0,4–4,0 mU/l als referentiegebied voor euthyreoïdie gehanteerd. Een TSH-concentratie binnen de referentiewaarden sluit een schildklierfunctiestoornis vrijwel uit (negatief voorspellende waarde 99.7%)
• Neuropsychologisch onderzoek op indicatie door een 2e lijns gespecialiseerde neuropsycholoog, waarbij ook complexe aandacht wordt getest
Ongeschikt indien:
• Onbehandelde schildklierstoornis gepaard gaan met neurocognitieve klachten en beperkingen
Geschikt na overleg indien:
Als de uitkomst van de anamnese en/of laboratoriumonderzoek twijfelachtig of onvoldoende zijn of als de klachten persisteren bij adequate behandeling (euthyreoïdie), is nader gericht neuropsychologisch onderzoek door een 2e lijns gespecialiseerde neuropsycholoog geïndiceerd, waarbij ook complexe aandacht wordt getest. Dit zou aangevuld kunnen worden met een praktijktest waar de direct leidinggevende betrokken is. In deze praktijktest kunnen (routine-)taken worden verricht binnen de relevante context.
Geschikt indien
• Behandelde en klachtenvrije schildklierstoornis. Er is sprake van klinisch-chemische euthyreoïdie gemeten aan TSH èn vrij T4.
• Voorwaarde voor veiligheidsgeschiktheid is een anamnestisch screening van aandacht, concentratie, geheugen, reactievermogen en snelheid van informatieverwerking en stemming.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 7 — Syncope › Algemene opmerkingen
Algemene opmerkingen
De aanpak bij een syncope is gericht op het vaststellen of de syncope een gevolg is van afwijkingen die naast het veroorzaken van syncopes ook cognitieve stoornissen kunnen veroorzaken. In ieder geval moet onderzoek gedaan worden naar cardiologische, neurologische en endocriene oorzaken. Bij twijfel kan beoordeling gevraagd worden aan de arts-deskundige.
Als het duidelijk een vasovagale collaps of reflexsyncope is, is betrokkene als de mogelijke oorzaak is weggenomen (angst, warmte, ...), in principe kort na de syncope, maar meestal uiterlijk de volgende dag weer functie- en arbeidsgeschikt.
Als dat niet duidelijk is, maakt de syncope een treindienstleider ongeschikt totdat er wel duidelijkheid is over de oorzaak. Zodra deze is vastgesteld wordt op basis van die oorzaak, de mogelijke invloed daarvan op het cognitief functioneren en de recidiefkans de geschiktheid beoordeeld.
Indien geen medische oorzaak is vast te stellen is overleg met de arts-deskundige gewenst. Een neuropsychologisch onderzoek kan dan worden overwogen, zeker bij frequent optredende syncopes.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 7 — Syncope › Basaal onderzoek om te screenen
Basaal onderzoek om te screenen
De syncope is een gezondheidsgebeurtenis die bij een eerste keuring (sollicitant) alleen kan blijken uit de anamnese. Als een of meerdere syncopes worden gemeld, moet achterhaald worden welke oorzaak of aanleiding tot de syncope heeft geleid. Afhankelijk van de uitkomst daarvan dient bij het desbetreffende orgaansysteem vastgesteld worden of andere uitingsvormen van die ‘oorzaak’ zouden kunnen leiden tot onveilig gedrag, bijvoorbeeld als gevolg van cognitieve stoornissen.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 7 — Syncope › Oriënterend onderzoek bij syncope
Oriënterend onderzoek bij syncope
• Algemene oriëntatie d.m.v. de anamnese:
• Houdingsafhankelijk
• Orthostatisch
• Hoesten of verslikken
• Mictie
• Cardiaal
• Neurologisch
• Hyperventilatie
• Vertigo c.q. evenwichtsstoornissen
• Diabetes Mellitus
• Alcohol/drugs/medicijngebruik
• Eetpatroon
• Slaapstoornissen (denk aan relatie met onregelmatige dienst)
• Prodromen
• Klachten in herstelperiode
• Amnesie
• Onderzoek:
• Bloeddruk liggend en staand
• Auscultatie hart en longen
• Rust-ECG
• Bloedglucose
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 8 — Obstructief Slaap Apnoe syndroom (OSAS) › Algemene opmerkingen
Algemene opmerkingen
Men spreekt van een obstructief slaapapnoesyndroom als er een abnormaal adempatroon is tijdens de slaap waardoor deze herhaaldelijk wordt verstoord. Het syndroom kan er toe leiden dat men overdag slaperig is, met verminderde vigilantie en cognitief functioneren.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 8 — Obstructief Slaap Apnoe syndroom (OSAS) › Basaal onderzoek om te screenen
Basaal onderzoek om te screenen
De diagnostiek van OSAS berust op de anamnese, een aantal mogelijke indicatieve onderzoeken en specialistisch onderzoek.
Anamnese:
• vermoeidheid en slaapaanvalletjes overdag
• verminderde concentratie
• snurken
• niet-verfrissende slaap
• verstikkingsgevoel tijdens de slaap
• apnoes (hetero-anamnestisch)
• onrustige slaap of herhaald nachtelijk ontwaken
• prikkelbaarheid of verandering in de persoonlijkheid
• nycturie
• verminderde libido
De Epworth Sleepiness Scale (ESS vragenlijst) kan worden gebruikt.
Indicatieve onderzoeken die het vermoeden op OSAS kunnen ondersteunen:
Halsomtrek:
• Meet de halsomtrek in centimeters
• Indien sprake is van hypertensie, tel daar 4 cm bij op
• Indien er sprake is van snurken, tel daar 3 centimeter bij op
• Indien er sprake is van choking of gasping, tel er nogmaals 3 centimeter bij op
Interpretatie:
• < 43 cm : kleine kans op OSAS
• 43–48 cm : matige kans op OSAS
• > 48 cm : grote kans op OSAS
STOP-assessment:
• Is er sprake van Snoring?
• Is de patiënt Tired?
• Zijn er Observaties van ademhalingsstops?
• Is er sprake van high bloodPressure?
Bij twee of meer keer ‘Ja’ gecombineerd met één of meer van onderstaande:
• Hoge BMI
• Leeftijd > 50 jr
• Nekomtrek > 40cm en mannelijk geslacht
• Is er grote kans op OSAS
Specialistisch onderzoek:
Polysomnografie/ambulante monitoring ter bepaling van AHI’s
Apnoe/hypopnoe index (AHI)
Ernst van de OSAS | AHI (episodes/uur slaap)
Mild | 5–15
Matig | 15–30
Ernstig | > 30
Bij het vermoeden op OSAS op basis van de anamnese, ondersteund door een of meer van de indicatieve metingen, moet specialistisch onderzoek worden gedaan (zowel polysomnografisch of ambulant). Na behandeling moeten de metingen worden herhaald en moet ter uitsluiting van cognitieve stoornissen een neuropsychologisch onderzoek gedaan worden.
De geschiktheidcriteria bij OSAS zijn:
• Ongeschikt indien:
• De diagnose is gesteld bij een AHI > 30
• ESS > 11
• Slaperigheid of herhaalde kortstondige aandachtsvermindering overdag
• Na behandeling geschikt indien:
• Behandeld (bij voorkeur met CPAP) en bij gebleken therapietrouw, en
• AHI < 15, en
• Positief neuropsychologisch onderzoek, en
• Begeleid gestreefd wordt naar een ‘normale’ bloeddruk (≤140/90) en BMI (< 30 kg/m2)
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 9 — Geneesmiddelen, alcohol en drugs › Algemeen opmerkingen
Algemeen opmerkingen
Medicatie, alcohol en drugs kunnen acuut of bij voortduring aanleiding geven tot bewustzijns-stoornissen of -verlies, vermindering van de waakzaamheid of het concentratievermogen, handelingsonbekwaamheid, verlies van het evenwichts- of coördinatievermogen en verlies van waarnemingsvermogen. De functie van treindienstleider omvat veel van deze elementen en is dus ‘at risk’ bij medicijn- of drugsgebruik.
Voor de beoordeling van veiligheidsgeschiktheid is het van belang te weten of de (aspirant) treindienstleider al dan niet regelmatig gebruik maakt van geneesmiddelen die de veiligheidsgeschiktheid nadelig kunnen beïnvloeden. Het is raadzaam (of bij voorkeur verplicht te stellen) dat geneesmiddelengebruik bij de bedrijfsarts wordt gemeld, zodat deze over de veiligheidsgeschiktheid en dus inzetbaarheid kan adviseren. Vooral medicatie die een dempende of stimulerende werking heeft op het centrale zenuwstelsel, maar ook antihistaminica en andere geneesmiddelen kunnen belemmerend en gevaarlijk zijn. Speciale aandacht behoeft een combinatie en daardoor mogelijke interactie van meerdere geneesmiddelen die elkaar, ook in hun bijwerkingen, kunnen beïnvloeden.
Ook de combinatie van geneesmiddelen en alcohol en/of drugs kan een extra negatief effect op de veiligheidsgeschiktheid geven. Indien medicatie de veiligheidsgeschiktheid kan beïnvloeden, zal veelal een gele (‘kan het reactievermogen verminderen’) sticker op de verpakking worden geplakt door de apotheek.
Deze stickers en informatie uit het Farmacotherapeutisch Kompas (www.fk.cvz.nl), uit ‘Contra-indicatie Verkeersdeelname’ van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie, KNMP (www.geneesmiddeleninhetverkeer.nl) en van de International Council on Alcohol, Drugs and Traffic Safety (ICADTS – www.icadts.nl/reports/medicinaldrugs2.pdf) kunnen beïnvloeding aannemelijk maken.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 9 — Geneesmiddelen, alcohol en drugs › Basaal onderzoek om te screenen
Basaal onderzoek om te screenen
• Als eerste moet de bedrijfsarts vaststellen of er sprake is van voorgeschreven of zelfverschaft medicijngebruik.
• Vervolgens moet de bedrijfsarts zich een beeld vormen over de reden voor verstrekking of gebruik en de gezondheidstoestand van de medewerker, die op zich (met of zonder medicatie) ook al aanleiding tot beperkte geschiktheid of ongeschiktheid kan zijn.
• Belangrijk, maar niet bepalend is de vraag naar mogelijk ervaren bijwerkingen. Indien die aanwezig zijn zal dat het oordeel en advies mede beïnvloeden.
• Indien er meerdere medicijnen worden gebruikt moet gelet worden op mogelijke interacties die extra risico kunnen opleveren en dus tot ongeschiktheid kunnen leiden.
• Aan de hand van bovenvermelde gegevens beoordeelt de bedrijfsarts of de medicatie de veiligheidsgeschiktheid negatief kan beïnvloeden.
• Speciale aandacht behoeven hierbij de volgende categorieën:
• Amfetaminen
• Analgetica en NSAID’s
• Antidepressiva
• Anti-emetica en reisziektemedicatie
• Anti-epileptica
• Antihistaminica
• Antihypertensiva en andere cardiovasculaire geneesmiddelen
• Anxiolytica
• Bloedsuikerverlagende middelen
• Parkinsonmedicatie
• Psychostimulantia
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 9 — Geneesmiddelen, alcohol en drugs › Informatiebronnen
Informatiebronnen
Een goede actuele informatiebron is de eerder genoemde KNMP-WINAp informatie betreffende ‘Contra-indicatie Verkeersdeelname’ (www.geneesmiddeleninhetverkeer.nl) die per geneesmiddel meer en gerichtere informatie geeft dan het Farmacotherapeutisch Kompas, en die ten aanzien van zijn informatie en advisering is gelieerd aan de gegevens van de ICADTS. Medicijnen worden ten aanzien van rijgevaarlijke effecten ingedeeld in drie categorieën, op basis van het (acute) effect op de rijvaardigheid (aandacht, concentratie, reactievermogen) bij het starten van een geneesmiddel. Hierbij is uitgegaan van een normale, therapeutische dosering voor volwassenen bij de hoofdindicatie.
Categorie I: Weinig negatieve invloed op de rijvaardigheid. Dit is vergelijkbaar met een bloedalcoholconcentratie van < 0,5 g/l (< 0,5‰).
Categorie II: Licht tot matig negatieve invloed op de rijvaardigheid. Dit is vergelijkbaar met een bloedalcoholconcentratie van 0,5 tot 0,8 g/l (0,5–0,8‰).
Categorie III: Ernstige of potentieel gevaarlijke invloed op de rijvaardigheid. Dit is vergelijkbaar met een bloedalcoholconcentratie van > 0,8 g/l (> 0,8‰).
Ter vergelijking: de limiet voor deelname aan het verkeer is voor alcohol 0,5‰ (0,2‰ voor de beginnende bestuurder).
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 9 — Geneesmiddelen, alcohol en drugs › Beoordeling en advies
Beoordeling en advies
Indien daarover gegevens bekend zijn, kan de bedrijfsarts uit de combinatie van de halfwaardetijd en de verwachte beïnvloeding het effect van een geneesmiddel inschatten. Denk aan interacties. Bij twijfel is overleg noodzakelijk met een arts-deskundige. Beoordeling kan op indicatie en advies van de arts-deskundige mede geschieden door het doen verrichten van een valide psychologisch veiligheidsgeschiktheidsonderzoek gericht op aandacht, concentratie, geheugen en reactievermogen. Indien de voorgeschreven medicatie de veilige inzetbaarheid van de treindienstleider belemmert, is overleg met de voorschrijvende instantie gewenst om de medicatie zo mogelijk aan te passen en uitval te voorkomen of te beperken.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 9 — Geneesmiddelen, alcohol en drugs › Halfwaardetijd en stapeling
Halfwaardetijd en stapeling
De halfwaardetijd maakt een beoordeling mogelijk van de werkingsduur en een mogelijk stapelingseffect. Inname met een tussentijd van ongeveer de halfwaardetijd leidt tot een feitelijke dosis van 1,5 maal de ingenomen dosis. Inname met een tussentijd van de halve halfwaardetijd leidt tot een feitelijke dosis van 2,5 maal de ingenomen dosis.
Voorbeeld:
dosis inname 1 dd 10 mg met een T1/2 van 15–25 uur > feitelijke dosis is 15 mg
dosis inname 2 dd 10 mg met een T1/2 van 15–25 uur > feitelijke dosis is 25 mg
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 9 — Geneesmiddelen, alcohol en drugs › Gewenning
Gewenning
Er kan met enige terughoudendheid rekening worden gehouden met een zekere gewenning aan het geneesmiddel. Hierbij is van belang dat de objectieve beleving van gewenning vooral tot uiting komt in vermindering van sufheid en loom gevoel en toename van het reactievermogen. Subjectief treedt echter slechts weinig gewenning op met betrekking tot vigilantie-taken. Dit gegeven maakt dat een subjectieve gewenning van de patiënt geen garantie biedt voor geschiktheid voor veiligheidstaken! Bij sommige geneesmiddelen (en b.v. alcohol) zal zelfs overschatting optreden van de door betrokkene zelf ervaren (rij)geschiktheid.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 9 — Geneesmiddelen, alcohol en drugs › Alcohol/drugs
Alcohol/drugs
Aangetoond overmatig alcoholgebruik c.q. misbruik, alsmede druggebruik, leidt tot ongeschiktheid voor veiligheidsdienst. Vermoeden op alcohol/drugafhankelijkheid kan blijken uit de (hetero)anamnese. Indien betrokkene aannemelijk of aantoonbaar is gestopt met misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat deze door middel van een herkeuring – op basis van een specialistisch rapport – geschikt kan worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen opleveren voor de spoorwegveiligheid. Indien betrokkene bij verdenking op alcohol/drugafhankelijkheid ontkent, kan volgens de door het CBR ontwikkelde methodiek een (poli)klinische beoordeling volgen. Deze beoordeling houdt een gestructureerde psychiatrische beoordeling in, alsmede bloedonderzoek naar leverfuncties en CDT.
Bijlage 2 — behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met volledige bevoegdheid › 10 — Psychiatrische aandoeningen › Algemene opmerkingen
Algemene opmerkingen
Psychiatrische aandoeningen kunnen treindienstleiders belemmeren in adequaat handelen. In de praktijk zijn twee situaties denkbaar.
1. De treindienstleider ervaart beperkingen in aandacht en concentratie en heeft zich om die reden ziekgemeld.
De beoordeling en begeleiding van de inzetbaarheid wordt door de eigen bedrijfsarts gedaan. Tijdens de reïntegratie dient de leidinggevende toezicht te houden op adequaat functioneren. Bij twijfel is een psychologisch onderzoek aangewezen.
2. De treindienstleider heeft een psychiatrische aandoening met beperkingen in het persoonlijk functioneren, in het bijzonder aandacht- en concentratiestoornissen, maar doet zijn taken. Het uitvoeren van die taken kan disfunctioneel zijn. Het gaat hierbij om fouten in veiligheidkritische situaties. Bij het signaleren van dergelijke situaties is een onderzoek door een arts-deskundige aangewezen.
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 1 — Algemeen
1 — Algemeen
Treindienstleiders mogen niet lijden aan een medische aandoening en geen medicatie, drugs of stoffen tot zich nemen die zouden kunnen leiden tot:
– vermindering van het cognitief functioneren
– verlies van waarnemingsvermogen
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 2 — Oogheelkunde › 2.1 — Algemene opmerkingen
2.1 — Algemene opmerkingen
– Vrij van progressieve afwijkingen
– Gezonde oogleden/traanwegen
– Geen dubbelbeelden
– Geen afakie
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 2 — Oogheelkunde › 2.2 — Visusafwijkingen en gezichtsveld
2.2 — Visusafwijkingen en gezichtsveld
– (Gecorrigeerd) beide ogen tenminste : 0,8
– (Gecorrigeerd) minste oog tenminste : 0,2
– Tenminste 80°T & 60°N.
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 2 — Oogheelkunde › 2.3 — Bril/correctie
2.3 — Bril/correctie
– Geen beperkingen
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 2 — Oogheelkunde › 2.4 — Kleuren zien
2.4 — Kleuren zien
(test volgens Ishihara):
– 16/16–11/16 (0 t/m 5 fouten): geschikt
– 10/16–4/16 (6 t/m 12 fouten): nader oordeel
– 3/16–0/16 (> 12 fouten): ongeschikt
Indien een veiligheidsfunctie alleen buiten lichtseingebied wordt uitgeoefend, dan hoeft niet aan bovenstaande eis te worden voldaan. Echter om andere redenen dan veiligheid kan het gewenst zijn dat de treindienstleider toch goed kleuronderscheidingsvermogen bezit (in verband met kleursignalering op de monitor). In dat geval moet wel voldaan worden aan de bovenstaande normen.
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 2 — Oogheelkunde › 2.5 — Adaptatie
2.5 — Adaptatie
– Ongestoord.
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 2 — Oogheelkunde › 2.6 — Nader oordeel aangewezen gespecialiseerde keuringsarts
2.6 — Nader oordeel aangewezen gespecialiseerde keuringsarts
– Kleuren zien
– Afwijkingen gezichtsvelden
– Intra-oculaire lenzen
– Gestoorde adaptatie
– Oogoperatie in anamnese
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 3 — Audiologie
3 — Audiologie
De aangegeven waarden mogen worden bereikt met behulp van een gehoorapparaat, als daarvan geen nadeel voor de taakvervulling uitgaat.
– Geschikt : somverlies (bij 1 en bij 2 kHz, L+R) < 100 dB
– Ongeschikt : somverlies (bij 1 en bij 2 kHz, L+R) > 140 dB
Deze afwijzing kan tijdelijk zijn indien het gehoorverlies het gevolg is van een behandelbare afwijking.
Daartussen, alsmede bij sterk éénzijdig gehoorverlies: advies arts-deskundige
Ook met betrekking tot geschiktheid voor communicatieve functies in (achtergrond)lawaai, die hetzij tot misverstanden, hetzij ook tot riskante situaties aanleiding kan geven, zijn eisen geformuleerd. In dat geval is gehoorverlies in de frequenties van 2–4 kHz van belang.
– Geschikt : Somverlies (bij 2 en bij 4 kHz, L+R) < 100 dB
– Ongeschikt : Somverlies (bij 2 en bij 4 kHz, L+R) > 140 dB
Deze afwijzing kan tijdelijk zijn indien het gehoorverlies het gevolg is van een behandelbare afwijking.
Daartussen : Oordeel arts van een aangewezen deskundige instantie
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 4 — Hart en vaatziekten
4 — Hart en vaatziekten
Hieronder vallen alle hartafwijkingen die gepaard gaan met een verminderde hartfunctie en/of een verhoogd risico hebben op acute circulatiestoornissen.
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 4 — Hart en vaatziekten › Niet geschikt
Niet geschikt
Er zijn geen cardiologische aandoeningen die betrokkene onvoorwaardelijk ongeschikt maken voor deze functie.
Bij niet te beïnvloeden tensiewaarden ≥ 180/110 is betrokkene ongeschikt.
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 4 — Hart en vaatziekten › Twijfelachtig geschikt
Twijfelachtig geschikt
Overleg met de aangewezen gespecialiseerde keuringsarts is noodzakelijk.
Het betreft ziekten/afwijkingen die de aandacht/concentratie kunnen verstoren, veelal onaangekondigd en daarmee leidend tot risico's voor betrokkene, bedrijf en derden.
– Hypertrofische cardiomyopathie
– Ritmestoornissen:
– 3e graads AV-block
– Ventrikeltachycardie
Ten aanzien van aangeboren hartafwijkingen en (verworven) klepgebreken, moet beoordeeld zijn of er een te objectiveren verstoring is van de haemodynamische toestand (Linker Ventrikel-functie, drukgradiënt c.q. mate van insufficiëntie).
– LBTB, afhankelijk van de oorzaak
– WPW-syndroom, afhankelijk van het aanwezig zijn van klachten en de duur van de refractaire periode van de accessoire bundel
– Paroxysmale supraventriculaire tachycardie en Atriumfibrilleren, continue of paroxysmaal, afhankelijk van de oorzaak, klachten en prognose.
Bij tensiewaarden > 160/95 (lege artis bepaald, gemiddelde van tenminste 3 metingen, eventueel door de huisarts gemeten) moet secundaire orgaanschade uitgesloten worden (hart, nieren, oog).
Bij orgaanschade wordt de arts-deskundige geraadpleegd.
Bij coronairlijden, al dan niet na infarcering is raadpleging van de arts-deskundige nodig. De geschiktheid hangt af van de belastbaarheid (minimaal 7 MET's (zuurstoftransportcapaciteit, overeenkomend met 3,5 ml O2/kg/minuut), goede hartfunctie, normale bloeddruk in rust en bij inspanning) en inschatting van risico's voor met name het optreden van ritmestoornissen en/of (recidief-)infarcering. Angiografische en andere specialistische gegevens moeten voorhanden zijn.
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 5 — Neurologie
5 — Neurologie
Hierna niet genoemde ziekten van het centrale/perifere zenuwstelsel, zoals MS, diplopie, status na hersenoperatie c.q. schedeltrauma en dergelijke, dienen geïndividualiseerd beoordeeld te worden, afhankelijk van de symptomen en eventuele recidiefkansen. Bij twijfel is raadpleging van de artsdeskundige noodzakelijk. Deze kan in zijn oordeel mede de uitkomsten van een psychologisch onderzoek betrekken.
Epilepsie en TIA maken, evenals Migraine, Méniere, wegrakingen e.c.i. en ernstige hyperventilatie, maken twijfelachtig geschikt. Overleg met een aangewezen gespecialiseerde keuringsarts is noodzakelijk.
Met betrekking Epilepsie en TIA moet betrokkene minstens twee jaren zonder medicatie en aanvalsvrij zijn.
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 6 — Orthopaedie
6 — Orthopaedie
De betrokkene moet het bewegingsapparaat (naast de overige eisen die de functie stelt) zo kunnen gebruiken dat zelfstandig van (soms moeilijke) vluchtwegen gebruik kan worden gemaakt.
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 7 — Endocrinologie › 7.1 — Diabetes Mellitus:
7.1 — Diabetes Mellitus:
Beoordeling vindt plaats door bepaling van de bloedglucosewaarde.
Van Diabetes is sprake bij een niet-nuchtere waarde van ≥ 11,1 of nuchter ≥ 6,7.
Een gestoorde glucose tolerantie wordt niet als diabetes beschouwd (niet-nuchtere waarden van 7,8 tot en met 11 en nuchter boven de 5,5 en beneden de 6,7).
Complicaties (zoals bijvoorbeeld visus-afname) worden aan de hand van de desbetreffende functie-eisen beoordeeld.
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 7 — Endocrinologie › 7.1 — Diabetes Mellitus: › Geschikt:
Geschikt:
Geen diabetes of Gestoorde Glucose Tolerantie:
Een niet-nuchtere capillaire bloedglucosespiegel ≤ 7,7 mmol/l. Bij eventueel herhalen is een nuchtere bepaling betrouwbaarder; norm hierbij is ≤ 5,5 (in veneus bloed zijn de waarden plus/minus 19% hoger).
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 7 — Endocrinologie › 7.1 — Diabetes Mellitus: › Geschikt onder voorwaarden
Geschikt onder voorwaarden
Diabetes mellitus die wordt behandeld met orale medicatie is toegestaan, mits:
– betrokkene goed is ingesteld op medicatie
– er sprake is van normoglycaemie waarbij waarden boven de 7,7 kunnen voorkomen en incidentele uitschieters tot 10 mmol/l. zijn toegestaan
Voorwaarden zijn dat:
– betrokkene goed is geïnformeerd over zijn aandoening en weet hoe hij een verslechtering van de glucoseregulatie kan herkennen
– er minstens twee keer per jaar een bloedglucose wordt bepaald
– betrokkene de keuringsarts hierover informeert en spontaan veranderingen van medicatie meldt.
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 7 — Endocrinologie › 7.1 — Diabetes Mellitus: › Ongeschikt
Ongeschikt
Insuline-afhankelijke diabetes maakt ongeschikt voor de functie.
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 7 — Endocrinologie › 7.2 — Schildklieraandoeningen:
7.2 — Schildklieraandoeningen:
Onbehandelde schildklierstoornissen beïnvloeden de belastbaarheid voor deze functie nadelig en leiden dus meestal tot ongeschiktheid.
Een keurling moet (al dan niet behandeld) euthyreotisch zijn. Is iemand anderhalf jaar medicamenteus stabiel ingesteld en zijn er met name geen cardiovasculaire complicaties opgetreden, dan moet hij als sollicitant normaal belastbaar worden geacht, ook voor lichamelijk zwaar werk.
Indien de laatste bepaling van de TSH en de T4 bij schildklierpatiënten langer dan een half jaar geleden is verricht, dient deze in verband met de keuring opnieuw te worden bepaald.
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 8 — Overige ziekten
8 — Overige ziekten
Overige, mogelijk de aandacht en waakzaamheid beïnvloedende ziekten, vergen een geïndividualiseerde aanpak en beoordeling. Toetsing van de functionele belasting aan de belastbaarheid bepaalt, als altijd, de inzetbaarheid en daarmee de functiegeschiktheid.
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 9 — Psychiatrie
9 — Psychiatrie
Doorgemaakte psychosen of, meer in het algemeen, perioden met ernstige oordeels- en kritiekstoornissen, al dan niet samenhangend met een bipolaire stoornis of manie in engere zin, maken meestal ongeschikt. Overleg met dan wel nader onderzoek door een arts-deskundige is noodzakelijk.
Bijlage 3 — behorende bij artikel 2, derde lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Medische eisen veiligheidsfuncties van treindienstleider met minimale bevoegdheid › 10 — Medicijn-/alcohol-/druggebruik
10 — Medicijn-/alcohol-/druggebruik
Medicijngebruik mag geen invloed hebben op de veiligheidsgeschiktheid. Bij twijfel is overleg met een aangewezen gespecialiseerde keuringsarts noodzakelijk. Beoordeling zal dan mede (kunnen) geschieden op basis van vigilantie-tests, uitgevoerd door een psychologische keuringsinstantie.
Aangetoond overmatig alcoholgebruik c.q. misbruik, alsmede druggebruik, leidt altijd tot (tijdelijke) ongeschiktheid. Geschiktverklaring na behandeling vindt plaats na beoordeling van het behandelingsresultaat en het terugvalrisico. Hiertoe kan het oordeel van een psychologische keuringsinstantie worden ingeroepen.
Bijlage 4 — behorende bij artikel 3 van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Psychologische eisen veiligheidsfuncties hoofdspoorweginfrastructuur
Psychologische eisen veiligheidsfuncties hoofdspoorweginfrastructuur
Personen met een veiligheidsfunctie moeten op de in de tabel aangegeven dimensie voldoen aan het in de tabel aangegeven niveau
dimensie | Machinist met volledige bevoegdheid | Machinist met beperkte bevoegdheid | Rangeerder | Treindienstleider met volledige bevoegdheid | Treindienstleider met minimale bevoegdheid
1 | midden | midden | laag | hoog | midden
2 | hoog | midden | laag | hoog | midden
3 | hoog | midden | laag | hoog | midden
4 | hoog | midden | laag | laag | laag
5 | hoog | midden | midden | midden | laag
6 | hoog | midden | laag | hoog | laag
7 | hoog | midden | midden | midden | midden
8 | hoog | hoog | midden | hoog | laag
9 | hoog | hoog | midden | midden | laag
10 | hoog | laag | n.v.t. | midden | n.v.t.
11 | hoog | midden | midden | hoog | laag
Bijlage 4 — behorende bij artikel 3 van de Regeling spoorwegpersoneel 2011 › Psychologische eisen veiligheidsfuncties hoofdspoorweginfrastructuur › Dimensies
Dimensies
1. Algemeen verstandelijk niveau – Intelligentie, leervermogen, nodig voor leren en begrijpen van regelgeving en voor het overzicht over en het kunnen inschatten van de situatie.
2. Zelfstandigheid – Relatieve onafhankelijkheid van steun van anderen, eigen beslissingen kunnen nemen.
3. Verantwoordelijkheidsgevoel – Reëel inzicht hebben in c.q. serieus kunnen afwegen van de consequenties van eigen handelen. Consciëntieus omgaan met gestelde taken.
4. Bestand tegen solistische taak – Bestand zijn tegen de effecten van alleenwerken, geen collega's aanwezig.
5. Bestand tegen onregelmatige diensten – Bestand zijn tegen de effecten van werken buiten kantoortijd: 's morgens vroeg, 's avonds laat en 's nachts.
(*) Deze dimensie is niet van toepassing op personeel dat niet in onregelmatige diensten werkt
6. Emotionele stabiliteit – Stressbestendigheid, incasseringsvermogen, emotionele problemen van zich af kunnen zetten, niet gauw aangeslagen zijn en op de langere termijn bestand zijn tegen belastende omstandigheden in de functie.
7. Concentratievermogen – Vermogen om zich te kunnen concentreren op de opgedragen taak.
8. Selectieve aandacht – Vermogen om zich te kunnen richten op relevante signalen, waarbij niet relevante signalen moeten worden genegeerd.
9. Reactievermogen – Vermogen om zonder aarzelen te reageren op bepaalde signalen.
10. Verlengde aandacht – Vermogen om langdurig oplettend te blijven en alert te blijven reageren in relatief monotone situaties.
11. Totaaloordeel – Dit betreft het totaaloordeel over de geschiktheid voor de betreffende functie op basis van alle informatie over het cognitief functioneren, de aandachtsfuncties, de psychomotorische functies en persoonlijkheidseigenschappen.