wetzoeker

Artikel 13 Verdrag nopens de vrijheid van de doorvoer met Statuut

Ieder geschil dat met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van dit Statuut tusschen de Staten mocht rijzen en dat niet tusschen hen onderling geregeld wordt, zal voor het Permanente Hof van Internationale Justitie worden gebracht, tenzij met toepassing van een bijzonder Verdrag of van eene algemeene arbitrageclausule, wordt overgegaan tot eene regeling van het geschil door arbitrage of op eenige andere wijze.

Het beroep wordt ingesteld op de wijze zooals voorzien bij artikel 40 van het Statuut van het Permanente Hof van Internationale Justitie.

Teneinde evenwel zooveel mogelijk die geschillen in der minne te schikken, verbinden de Verdragstaten zich om, alvorens eene gerechtelijke behandeling in te leiden en onder voorbehoud van de rechten en bevoegdheden van den Raad en van de Vergadering, die geschillen, ter verkrijging van een raadgevend advies, te onderwerpen aan het orgaan, dat als raadgevend en technisch orgaan van de Leden van den Volkenbond, door dezen zal zijn aangewezen voor zaken van verkeer en doorvoer. In dringende gevallen kan een voorloopig advies eene aanbeveling tot het nemen van alle voorloopige maatregelen inhouden, die in het bijzonder beoogen den vrijen doorvoer de faciliteiten te hergeven in het genot waarvan deze was vóór de behandeling of het feit dat aanleiding tot het geschil heeft gegeven.

Regeling
Verdrag nopens de vrijheid van de doorvoer met Statuut
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
16-07-1924
BWB-id
BWBV0006229
Versie
1924-07-16_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl