wetzoeker

Artikel 27 Overeenkomst betreffende onderling strijdige aanspraken op buiten Duitsland gelegen Duitse bezittingen

Interpretatie en toepassing

A Geen der bepalingen van deze Overeenkomst zal een Partij verplichten tot erkenning van:

I) een overdracht van of een andere transactie met betrekking tot een vijandelijk Duits belang, welke heeft plaats gevonden na het treffen van noodmaatregelen voor oorlogtijd door die Partij of na de Duitse inval op haar grondgebied;

II) een overdracht van zich in Duitsland bevindende niet vijandelijke vermogensbestanddelen aan vijandelijke Duitsers of een verkrijging van de zeggingschap door vijandelijke Duitsers van niet-vijanden over zich in Duitsland bevindende vermogensbestanddelen, indien deze overdracht of verkrijging onder druk van de Duitse Regering zonder voldoende vergoeding vóór of na 1 September 1939 heeft plaats gehad. De bepalingen van deze subparagraaf zullen alleen toepasselijk zijn op vermogensbestanddelen, toebehorende aan — of beheerst door — niet-vijanden, die onderdanen van Partijen waren ten tijde van de overdracht der vermogensbestanddelen of van de verkrijging van de zeggingschap daarover.

B Bij de beslissing of een vermogensbestanddeel toebehoort aan — of wordt beheerst door — een vijandelijke Duitser, zal geen rekening worden gehouden met een overdracht aan of transacties met een vijandelijke Duitser, welke volgens de bepalingen van de Inter-Geallieerde Verklaring inzake Berovingsdaden van 5 Januari 1943 het karakter hebben van plundering of gedwongen eigendomsoverdracht.

Regeling
Overeenkomst betreffende onderling strijdige aanspraken op buiten Duitsland gelegen Duitse bezittingen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
24-01-1951
BWB-id
BWBV0005692
Versie
1951-01-24_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl