wetzoeker

Artikel 26 Overeenkomst betreffende onderling strijdige aanspraken op buiten Duitsland gelegen Duitse bezittingen

Interpretatie en toepassing

A Geen der Partijen zal verplicht zijn tot vrijgave van een vijandelijk belang in bepaalde vermogensbestanddelen aan een andere Partij of aan een onderneming, opgericht volgens de wetten van die andere Partij, behalve voor zover dit belang door de verkrijgende Partij direct of indirect als vijandelijk Duits zou worden beschouwd.

B Een Partij, die op grond van deze Overeenkomst verplicht is vermogensbestanddelen vrij te geven, zal niet gehouden zijn liquidatiemaatregelen in de vorm van verkoop, aflossing of anderszins ongedaan te maken. Voor de toepassing van deze bepalingen zullen naasting, onder beheerstelling of inbeslagneming niet als liquidatie worden beschouwd.

C Behoudens uitdrukkelijk afwijkende bepalingen in de Overeenkomst, dient de Partij, die gehouden is vermogensbestanddelen vrij te geven, indien deze geliquideerd zijn, de liquidatie-opbrengst af te geven.

D Behoudens uitdrukkelijk afwijkende bepalingen in de Overeenkomst is de tot vrijgave van vermogensbestanddelen gehouden Partij verplicht tot vrijgave van renten, dividenden of andere inkomsten (in geld of anderszins), welke zijn ontvangen door deze Partij of door personen, die binnen haar grondgebied op haar gezag optraden met betrekking tot die vermogensbestanddelen.

E De Partij, aan wie op grond van deze Overeenkomst vermogensbestanddelen zijn vrijgegeven, is verplicht het bestaan te erkennen van verbanden of pandrechten, welke daarop te goeder trouw binnen het grondgebied van de vrijgevende Partij zijn verkregen en welke van kracht werden vóór de datum, waarop door de ontvangende Partij noodmaatregelen voor oorlogstijd werden uitgevaardigd om het vestigen van verbanden of pandrechten op zodanige vermogensbestanddelen te verhinderen of de datum van de Duitse inval op het grondgebied van de ontvangende Partij, mits deze rechten onder de vóór zulk een datum binnen het grondgebied van de ontvangende partij geldende wetten van kracht waren. De vrijgevende Partij zal op grond van deze bepalingen niet gehouden zijn maatregelen te nemen tot betwisting van te goeder trouw gevestigde en op grond van haar wetten van kracht zijnde verbanden of pandrechten, die opkwamen of gevestigd werden a) vóór de datum, waarop door de vrijgevende Partij noodmaatregelen voor oorlogstijd werden uitgevaardigd om het vestigen van verbanden of pandrechten op de vermogensbestanddelen in quaestie te verhinderen, of b) na zulk een datum met vergunning of een ander soort machtiging van deze Partij.

F Administratiekosten en kosten gemaakt tot behoud en liquidatie van vermogensbestanddelen, zullen worden gedragen door de ontvangende Partij, tenzij deze van de vrijgevende Partij vraagt hiervan een deel te dragen. In dit geval zal de verplichting van de afgevende Partij niet verder reiken, dan het bedrag van renten, dividenden of andere inkomsten, welke — naar de ontvangende Partij aantoont — op grond van deze Overeenkomst werden ontvangen en behouden door de vrijgevende Partij of door personen, die binnen haar grondgebied op haar gezag handelend optraden met betrekking tot de betreffende vrijgegeven vermogensbestanddelen.

G Indien de bepalingen van deze Overeenkomst de vrijgave van vermogensbestanddelen voorschrijven, dienen de wijze van overdracht en de betaling van overdrachtkosten onderling door de betrokken Partijen geregeld te worden.

H

I) Geen der Partijen is op grond van de bepalingen van deze Overeenkomst verplicht tot vrijgave van vermogensbestanddelen ten aanzien waarvan een gerechtelijke of administratieve actie is aanhangig gemaakt, zolang deze actie gaande is binnen het grondgebied van:

a) de vrijgevende Partij, indien de procedure het vasthouden van deze vermogensbestanddelen door de Partij noodzakelijk maakt of kan eindigen met de beslissing, dat de vermogensbestanddelen niet direct of indirect aan vijandelijke Duitsers toebehoorden of door dezen werden beheerst;

b) de verkrijgende Partij, indien de procedure kan eindigen met de beslissing, dat de vermogensbestanddelen niet direct of indirect aan vijandelijke Duitse personen toebehoorden of door dezen werden beheerst, welke beslissing zou beletten, dat de vrijgegeven vermogensbestanddelen door deze Partij als vijandelijk-Duits worden behandeld.

II) Indien, na de afgifte van vermogensbestanddelen op grond van de Overeenkomst:

a) de ontvangende Partij als gevolg van een binnen haar grondgebied gevoerd rechtsgeding verplicht is het beheer over vermogensbestanddelen op te heffen, is het aan de vrijgevende Partij toegestaan deze vermogensbestanddelen opnieuw onder beheer te stellen, teneinde het onderwerp van proces aan een zelfstandige beoordeling te onderwerpen;

b) de vrijgevende Partij, als gevolg van een binnen haar grondgebied gevoerd rechtsgeding verplicht is, op een bepaalde wijze over vermogensbestanddelen te beschikken, aan welke verplichting zij door het vrijgeven niet heeft kunnen voldoen, is het aan deze Partij toegestaan de betreffende vermogensbestanddelen weder onder beheer te stellen, teneinde aan de uit het rechtsgeding voortspruitende verplichting te voldoen.

Indien de vrijgevende Partij op grond van deze subparagraaf het beheer over de betrokken vermogensbestanddelen dient te herstellen, is de ontvangende Partij verplicht passende maatregelen te nemen, teneinde het herstel van het beheer te vergemakkelijken.

III) Voorafgaand aan de vrijgave van de vermogensbestanddelen en op verzoek van de vrijgevende Partij zal de ontvangende Partij alle passende maatregelen treffen:

a) teneinde aan de vrijgevende Partij de mogelijkheid te verzekeren van herstel van het beheer over de vermogensbestanddelen zelf, hun opbrengst uit verkoop of liquidatie of hun waarde, ingeval de bepalingen van bovenstaande subparagraaf II) dit noodzakelijk maken;

b) tot vergoeding van lasten en kosten, welke de afgevende Partij met betrekking tot vrijgegeven vermogensbestanddelen schuldig wordt na de dag van afgifte.

I De vrijgave van vermogensbestanddelen op grond van de bepalingen van deze Overeenkomst zal geen einde maken aan — of op andere wijze van invloed zijn op — de beschikbaarstelling van octrooien aan het publiek, het plaatsen van octrooien in het publiek domein of het al of niet tegen vergoeding verlenen van licentierechten op octrooien, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1 en 2 van de te Londen op 27 Juli 1946 getekende Overeenkomst inzake Duitse octrooien of van een andere overeenkomst, indien deze maatregelen zijn genomen vóór het tijdstip van de vrijgave der vermogensbestanddelen.

J Partijen behouden het recht om de aanvaarding van op grond van de bepalingen van deze Overeenkomst vrijgegeven vermogensbestanddelen te weigeren. In dit geval zijn zij niet verplicht tot betaling van de lasten en kosten, genoemd in de paragrafen F en G en subparagraaf III) van paragraaf H van dit artikel.

Regeling
Overeenkomst betreffende onderling strijdige aanspraken op buiten Duitsland gelegen Duitse bezittingen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
24-01-1951
BWB-id
BWBV0005692
Versie
1951-01-24_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl