wetzoeker

Artikel 12 Overeenkomst betreffende onderling strijdige aanspraken op buiten Duitsland gelegen Duitse bezittingen

Vermogensbestanddelen toebehorende aan ondernemingen, opgericht volgens de wetten van een der Partijen.

Behoudens de uitzonderingen, welke in de onderhavige Overeenkomst zijn voorzien, moeten alle vermogensbestanddelen, welke zich binnen het secundaire land bevinden en aan een primaire vennootschap worden vrijgegeven en het secundaire land zal het recht hebben van het primaire land als vergoeding een bedrag te ontvangen, dat het deel van de waarde van de zich in het secundaire land bevindende vermogensbestanddelen vertegenwoordigt, dat overeenkomt met het percentage van de directe of indirecte vijandelijke Duitse belangen in de primaire vennootschap op de peildatum. In ieder afzonderlijk geval zal de afgifte plaatsvinden, zodra de betrokken landen overeenstemming hebben bereikt betreffende de vraag, of de zich binnen het secundaire land bevindende vermogensbestanddelen dan wel de primaire vennootschap zelf als door Duitsers beheerst dienen te worden beschouwd, als ook ten aanzien van de begrenzing en de methode van berekening van het percentage van het direct of indirect vijandelijk Duits belang in de primaire vennootschap op de peildatum. Indien de binnen een secundair land gelegen vermogensbestanddelen en de primaire vennootschap zelf niet door Duitsers worden beheerst, zullen de vermogensbestanddelen onmiddellijk zonder vergoeding worden vrijgegeven.

Regeling
Overeenkomst betreffende onderling strijdige aanspraken op buiten Duitsland gelegen Duitse bezittingen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
24-01-1951
BWB-id
BWBV0005692
Versie
1951-01-24_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl