wetzoeker

Artikel 73 Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen

De meting en de berekening van de kubieke inhoud der in artikel 61 tot en met 63 en 66 tot en met 70 behandelde ruimten moet worden uitgevoerd als in de artikelen 53 en 54 is aangegeven. Bijgevolg worden de hoogten tot de onderzijde van het daarover gaande dek gemeten, door de plafond beschieting heen, indien deze is aangebracht. De horizontale afmetingen van deze ruimten moeten genomen worden tussen de schotten en de beschietingen, voorzover deze aanwezig zijn, tot de binnenkant der spanten, of tot de binnenkant van de op normale afstand uit elkaar geplaatste schotstijlen tot waar de afmetingen bij de meting van de bruto inhoud zijn genomen. Elke ruimte moet afzonderlijk worden gemeten en op de metingstaat moet het doel worden aangegeven, waartoe de ruimte is bestemd. Indien slechts gedeelten van een ruimte zijn afgetrokken, moeten de afmetingen van de gehele ruimte en tevens die van het afgetrokken gedeelte op de metingstaten worden vermeld (zie figuur 98).

De meting van piektanks en andere waterballastruimten, welke zich van boord tot boord uitstrekken, buiten de dubbele bodem en onder het meetdek of het doorgestrookte vlak van dit dek gelegen, moet worden uitgevoerd volgens de voorschriften voor meting van de ruimte onder het meetdek. De lengte moet aan de bovenzijde van de tank worden gemeten (zie de figuren 96 en 97). Dwarsdoorsneden moeten op de gewone wijze op het midden van de lengte en haar eindpunten worden gemeten, doch men neemt slechts vijf breedten in elke doorsnee. Indien een waterballastruimte gedeeltelijk onder en gedeeltelijk boven het meetdek of het doorgestrookte vlak van dit dek is gelegen (b.v. een achterpiektank, welke doorloopt tot de onderkant van een verhoogd achterdek), moet het deel onder het meetdek of het doorgetrookte vlak van dit dek gelegen, worden gemeten, als boven is aangegeven; het overblijvende deel wordt als een bovenbouw gemeten.

Van alle tanks, die zich van boord tot boord uitstrekken, moet de afstand van het eindschot of de schotten tot de juiste plaats van de dichtstbijzijnde dwarsdoorsnede der ruimte onder het meetdek worden bepaald en op de metingsstaten worden vermeld.

De meting van waterballastruimten, die zich niet van boord tot boord uitstrekken en onder het meetdek en buiten de dubbele bodem zijn gelegen, zal als volgt uitgevoerd worden. Meet eerst de lengte van de tank. Deze lengte moet verdeeld worden, als in artikel 21 is aangegeven, doch indien deze lengte niet meer dan 9.14 meter of 30 voet bedraagt, zal zij slechts in twee gelijke delen worden verdeeld.

Dwarsdoorsneden worden in dit geval aan de eindpunten van de lengte en op haar deelpunten gemeten. Indien de hier bedoelde ruimten betrekkelijk niet hoog zijn en door nagenoeg rechte vlakken worden begrensd, mogen zij ook worden gemeten als bepaald is in artikel 53. Indien een tank onregelmatig van vorm is, zal zij in delen worden gemeten.

Waterballastruimten boven het meetdek of het doorstrookte vlak van dit dek gelegen, moeten worden gemeten als aangegeven in artikel 53.

De kubieke inhoud van elke waterballastruimte wordt verkregen door toepassing van de desbetreffende bepalingen, in deze voorschriften gegeven voor de vaststelling van de kubieke inhoud der ruimte onder het meetdek en van de bovenbouw.

Regeling
Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-02-1964
BWB-id
BWBV0005524
Versie
1964-02-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl