wetzoeker

Artikel 81 Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen

a. Lengte der ruimten onder de bovenkant van de hoofdruimte.

1. Indien bij het meten der ruimten voor de werktuiglijke voortstuwing blijkt, dat de lengte van zulk een ruimte meer bedraagt dan nodig is voor het behoorlijk werken van de hoofdvoortstuwingsinrichting en voor de daarbij behorende hulpwerktuigen, zal deze lengte, behoudens het bepaalde onder 4, worden beperkt.

2. Bij stoomschepen moet de volgende werkwijze in acht worden genomen:

1°. Indien de vuurroosters in langsscheepse richting liggen, kan een lengte gelijk aan die van de vuurroosters vermeerderd met ongeveer 0.305 meter of 1 voet aan de voorzijde van de vuurroosters worden toegelaten voor het stoken en bedienen van de vuren doch er is geen extra lengte nodig, indien de ketels met de vuurroosters dwarsscheeps geplaatst zijn.

1) Hetzelfde voorbehoud geldt, indien de hoofdketels geheel of gedeeltelijk boven het bovendek zijn gelegen.

2°. Bij schepen, voortbewogen door overige machines, ligt het punt tot waar de achterste begrenzing van de lengte der ruimte voor de voortstuwing mag worden gemeten, niet verder achter de achterste cilinder, schuifkast of ander deel van de hoofdvoortstuwingsinrichting dan voor goede bediening nodig is, doch, zonder bijzondere opdracht van de nationale centrale scheepsmetingsautoriteit mag in geen geval het werkelijke punt, van waar gemeten wordt, meer dan 1.219 meter of 4 voet achter een dergelijk machinedeel, als bovengenoemd, zijn gelegen.

3. Voor turbineschepen zullen de beperkingen volgens paragraaf a, onder 2 op de meting van ketelruimten van toepassing zijn.

4. De beperkingen, genoemd in de leden 1, 2 en 3 van paragraaf a zijn slechts van toepassing in de gevallen, waarbij de kubieke inhoud van de ruimte voor de werktuiglijke voortstuwing — waarop de aftrek voor werktuiglijke voortstuwing is gebaseerd — bij schroefschepen 20 % of meer van de bruto inhoud bedraagt of bij raderschepen 30 % of meer van de bruto inhoud, doch deze beperkingen zullen in geen geval, hoe groot de ruimte voor de werktuiglijke voortstuwing ook moge zijn, van toepassing zijn op vissers- en walvisjachtschepen, sleepboten als omschreven in artikel 75, schepen die uitsluitend gebouwd en ingericht zijn als ijsbreker of jachten.

5. Indien het in verband met het grote vermogen der machines of tengevolge van een of andere bijzonderheid in de opstelling der werktuigen noodzakelijk blijkt van een der bovengenoemde voorschriften betreffende de lengte af te wijken, moet de betrokken nationale centrale scheepsmetingsautoriteit, aan wie alle benodigde bijzonderheden en plannen moeten worden aangeboden, beslissen welke lengte voor de berekening van de kubieke inhoud, gebruikt moet worden.

b. Astunnels in schroefschepen, vluchtkokers.

1. Stuwblokruimte. Indien het stuwblok zich niet in een gewone stuwblokruimte bevindt en indien krachtens dit artikel de lengte van de voortstuwingsruimte beperkt is, en voorts het stuwblok zich bevindt binnen de hoofdruimte en buiten het beperkte deel, zal de hoogte, welke wordt toegelaten voor de ruimte van het stuwblok in geen geval meer zijn dan nodig geacht wordt voor inspectie en kleine herstellingen (zie figuur 111).

2. Indien er geen ingebouwde tunnel is:

1°. mag bij enkelschroefschepen de als tunnel toe te laten ruimte niet groter zijn dan gebruikelijk is; indien het achterschot van de voortstuwingsruimte een nis vormt, mag de hoogte van de toe te laten ruimte boven de as niet groter zijn dan nodig is voor de bediening, de inspectie en kleine herstellingen (zie de figuren 111 en 112).

2°. Zijn bij schepen met twee of meer schroeven, in het algemeen dezelfde voorschriften van kracht; doch indien onmiddellijk achter de hoofdruimte een grote ruimte of nis, welke van boord tot boord reikt, aanwezig is, mag de bij de voortstuwingsruimte te voegen ruimte niet groter zijn, dan nodig geweest zou zijn voor elk der asleidingen met astunnels van normale afmetingen (zie figuur 113).

3. In schepen met twee of meer schroeven en ingebouwde astunnels, mag de achtertunnel onmiddellijk voor de schroefaskokers gelegen, niet groter zijn dan redelijk geacht wordt voor onderzoek en uitnemen der asleiding, waarbij rekening gehouden moet worden met de algemene inrichting van dat deel van het schip (zie figuur 114).

4. Vluchtkokers moeten beschouwd worden als zijnde een deel van de voortstuwingsruimte, mits zij niet groter zijn dan nodig is voor toegang tot en het verlaten van de tunnel.

Alle twijfelachtige gevallen zullen met de nodige bijzonderheden ter beslissing aan de nationale centrale scheepsmetingsautoriteit worden voorgelegd.

c. Ruimten tussen de bovenkant van de hoofdruimten en het bovendek.

In het algemeen mogen uitsluitend de onder a genoemde beperkingen worden toegepast.

d. Ruimten op- of boven het bovendek.

Teneinde te bepalen of deze ruimten „redelijk van grootte” zijn, dient men er op te letten, dat:

1. Voorzover het ruimten betreft, welke buiten de grenzen van de ruimte voor werktuiglijke voortstuwing zijn gelegen, of buiten de daarboven gelegen schachten, en zijn ingericht met werktuigen, welke overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 78 en 79 beschouwd mogen worden als deel van de werktuiglijke voortstuwing, dergelijke ruimten niet groter mogen zijn dan nodig is voor behoorlijk behandelen van genoemde werktuigen.

2. Voorzover het ruimten betreft, welke dienen voor het toetreden van licht en lucht tot de ruimte voor werktuiglijke voortstuwing:

1°. hun totale lengte niet groter is dan de lengte van de daaronder gelegen voortstuwingsruimte (zie figuur 115), en indien enig deel door een gesloten platform is overdekt, de lengte van het beplate deel in de desbetreffende laag van de volle lengte wordt afgetrokken (zie figuur 116);

2°. de breedte, welke in rekening wordt gebracht, niet groter is dan de helft van de grootste onderdeks gemeten breedte, waarbij deze beperking met betrekking tot de breedte echter niet van toepassing is op het deel onder een verhoogd dek of verhoogd achterdek als bedoeld in artikel 76 (zie de figuren 100 en 101).

Regeling
Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-02-1964
BWB-id
BWBV0005524
Versie
1964-02-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl