wetzoeker

Artikel 80 Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen

De meting van ruimten voor de werktuiglijke voortstuwing moet als volgt worden uitgevoerd:

1. Ruimten onder de bovenkant van de hoofdruimte, bedoeld in artikel 76 onder onderdeel a, worden gemeten door het bepalen van:

1°. de lengte;

2°. drie, vijf of zonodig zeven holten;

3°. drie, vijf of zonodig zeven breedten;

De lengte der ruimte tussen haar eindschotten wordt gemeten; deze lengte wordt dan in twee, vier of zes gelijke delen verdeeld al naar gelang er drie, vijf of zeven holten gemeten moeten worden.

De holte wordt in het langsscheepse middenvlak gemeten van de bovenkant der hoofdruimte tot de bovenkant van de dubbele bodem,c.q. bovenkant vrang of buikdenning, aan de eindpunten van de lengte en op haar deelpunten. Elke hoogte wordt zo nodig gecorrigeerd wegens tilling of valling van de dubbele bodem, als bedoeld in artikel 28.

Vervolgens wordt op het midden van elke holte, de breedte gemeten tussen de zijschotten (of tussen de binnenkanten der spanten in de zijden van het schip, c.q. daarop aangebrachte wegering) in de zijden van het schip.

Het aantal te nemen holten en breedten hangt af van de lengte der ruimte en haar ligging.

Voor een grote machineruimte, welke in het achterschip is gelegen en zich van boord tot boord uitstrekt, zal de meting van vijf en zeven holten en vijf of zeven breedten nodig zijn. Indien de machineruimte midscheeps is gelegen, zullen echter in de regel drie holten en drie breedten voldoende zijn.

Indien in de ruimte voor de voortstuwing een of meer onderbrekingen in de dubbele bodem voorkomen of indien bij een schip met enkele bodem een plotselinge verandering in de vranghoogte optreedt of indien de zijschotten van de machineruimte een gebogen of gebroken grenslijn hebben (b.v. zijschotten van brandstofruimten) of in het algemeen indien de ruimte voor de voortstuwing onregelmatig gevormd is, moet zij in delen gemeten worden, waarbij elke ruimte behandeld wordt, zoals voor de meting van de gehele ruimte is vastgesteld. Indien de ruimte een rechthoekige parallelopipedum is, kan volstaan worden met de meting van één holte en één breedte.

Alle gemeten holten en breedten moeten ingeschreven worden op de metingstaten met een aantekening tot waar zij gemeten zijn, tot de bovenkant van de dubbele bodem of tot de bovenkant der normale vrangen, tot de binnenkant der spanten of tot de wegering.

Bij meting van ruimten onder de bovenkant van de hoofdruimte moet voldoende aandacht geschonken worden aan aanwezige verzonken of verhoogde gedeelten van de dubbele bodem of van de vrangen, zoals in artikel 29, paragraaf 1 is vermeld.

De figuren 103 tot en met 110 laten bijzonderheden zien van de meting van ruimten voor de werktuiglijke voortstuwing.

2. De in artikel 76 onder de onderdelen b, c en d bedoelde ruimten worden wat betreft lengte, breedte en hoogte gemeten, zoals onder 1 van dit artikel is aangegeven. In de meeste gevallen zal echter de meting van één hoogte en één breedte voldoende zijn, tenzij de desbetreffende ruimte van boord tot boord gaat (b.v. een uitbouw aan de achterzijde van de machineruimte onder een verblijf bij de schroefaskoker op een klein schip), in welk geval drie of vijf breedten gemeten moeten worden.

Ruimten, welke boven de bovenkant van de hoofdruimte gelegen zijn, zullen laag voor laag gemeten worden. Elke ruimte wordt afzonderlijk gemeten en de afmetingen worden tussen hare begrenzingsschotten genomen zonder rekening te houden met de stijlen.

3. Bij het vaststellen van de kubieke inhoud van de in dit artikel behandelde ruimten, dient men er op te letten, dat ruimten, welke niet geacht worden tot die voor de werktuiglijke voortstuwing te behoren, of ruimten, als bedoeld in artikel 78 A, 5, waarvan de gehele of gedeeltelijke bijvoeging niet kan geschieden, voordat de bruto-inhoud van het schip is bepaald, niet moeten worden medegerekend. Teneinde dit te bereiken, is het in de meeste gevallen het eenvoudigste, afzonderlijk de uiterste uitwendige afmetingen te meten van de ruimten, welke door zulke, niet tot de werktuiglijke voortstuwing behorende machines, installaties of toestellen worden ingenomen en daarna hare kubieke inhouden van de kubieken inhoud der gehele ruimte af te trekken (zie figuren 103 en 110).

Indien zulke werktuigen, inrichtingen, toestellen enz. door schotten zijn omgeven, wordt de kubieke inhoud der gehele afgeschoten ruimte bepaald.

De afmetingen van de ruimten, ingenomen door werktuigen, inrichtingen, toestellen, enz., welke niet tot de werktuiglijke voortstuwing behoren, hetzij zij door schotten zijn omgeven of niet, behoren op de metingstaten te worden ingeschreven.

Indien het nodig is de afmetingen van de werktuiglijke voortstuwingsruimte overeenkomstig de bepalingen van artikel 81 te beperken, moeten de beperkte, zowel als de werkelijke afmetingen van de ruimte op de metingstaten worden ingeschreven.

Regeling
Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-02-1964
BWB-id
BWBV0005524
Versie
1964-02-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl