wetzoeker

Artikel 19 Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen

Wanneer het, zoals meestal het geval is, onmogelijk is de meetlengte rechtstreeks tussen de eindpunten te meten, nadat deze punten bepaald en op het meetdek aangetekend zijn, dienen de voorste en achterste delen van de lengte van de eindpunten af tot een schot, luikhoofd, enz., zoals het beste uitkomt, gemeten te worden.

Bij schepen met een normale zeeg wordt het overblijvende deel van de lengte gemeten door een meetlint op het meetdek te leggen, of door middel van een lijn welke zo strak mogelijk van voor tot achter wordt gespannen. Deze lengte wordt gemeten tussen de schotten, luikhoofden, enz., tot waartoe de voorste en achterste delen van de lengte zijn gemeten. Het meetlint wordt gelegd of de lijn wordt gespannen vrij van alle beletselen, en evenwijdig met het langsscheeps middenvlak, op of boven het meetdek of de lijn in het verlengde van dit dek. Wanneer een lijn gebruikt wordt (hetgeen altijd gedaan moet worden als er veel zeeg is), moet deze van voor tot achter gespannen worden. De lengte van de lijn wordt gemeten door middel van meetlatten of een meetlint. De meetlengte verkrijgt men door bij de lengte van het voorste deel de lengte van het deel dat gemeten is met het meetlint of op de lijn, en de lengte van het achterste deel te voegen.

Regeling
Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-02-1964
BWB-id
BWBV0005524
Versie
1964-02-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl