wetzoeker

Artikel 38 Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen

De onderste breedte ter hoogte van het laagste eindpunt van de meetholte moet op de bovenkant van de vrangen of van de buikdenning, indien deze is aangebracht, c.q. van de dubbele bodem gemeten worden, in overeenstemming met de volgende voorschriften:

1. In schepen met een dubbele bodem, waarvan de bovenkant horizontaal is dan wel van het langsscheepse middenvlak naar de zijden op- of afloopt wordt de breedte gemeten tussen de kniklijnen van. de kantplaten (zie de figuren 45, 46, 47 en 48). Indien echter de bovenkant van de kimknieën, welke de dubbele bodem met de spanten verbinden in het verlengde van de bovenkant van de dubbele bodem ligt (zie figuur 49), wordt de breedte tot de binnenkant van de spanten, c.q. van de wegering, gemeten. Deze methode moet ook worden toegepast, indien de bovenkant van de dubbele bodem doorloopt tot de zijden van het schip en de knieeën op meer dan twee spantafstanden van elkaar zijn geplaatst (zie figuur 50): indien echter de knieën dichter bij elkaar geplaatst zijn, moet de breedte gemeten worden tot de snijpunten van de knieën met de bovenkant van de dubbele bodem (zie figuur 51).

2. Bij schepen met een enkele bodem moet de onderste breedte worden genomen tussen de punten tot waar de bovenkant van de vrangen, c.q. van de buikdenning, horizontaal is (zie de figuren 52, 53, 54, 55 en 56.

Regeling
Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
01-02-1964
BWB-id
BWBV0005524
Versie
1964-02-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl