Artikel Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten
Gemeenschappelijke protocollen en verklaringen betreffende de Aanvullende Overeenkomst
De uitdrukking „Duitse wetgeving inzake noodweer (Notwehr)” in artikel 12, tweede lid, wordt uitgelegd overeenkomstig de volgende Duitse interpretatie van artikel 53 van het Duitse Wetboek van Strafrecht:
(a) Artikel 53 van het Duitse Wetboek van Strafrecht luidt als volgt:
„Niet strafbaar is hij die een feit begaat dat door noodweer geboden wordt”.
Noodweer is die verdediging die noodzakelijk is om een onmiddellijk dreigende wederrechtelijke aanranding van zichzelf of een ander af te wenden.
Noodweerexces is niet strafbaar indien de dader de grenzen van verdediging heeft overschreden als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, vrees of schrik.
(b) Bij de interpretatie van artikel 53 van het Duitse Wetboek van Strafrecht heeft de jurisprudentie sinds lang enige vaste beginselen ontwikkeld, die als volgt kunnen worden samengevat:
(i) Onder „aanranding” wordt begrepen iedere handeling die gericht is op schending van eens anders rechtsgoederen.
(ii) De aard van de rechtsgoederen die door de aanranding worden bedreigd doet niet ter zake. Een aanranding kan niet slechts gericht zijn tegen lijf of leven doch ook tegen alle wettelijk beschermde belangen, zoals vrijheid, eerbaarheid, eer, eigendom, bezit of jachtrechten.
(iii) De te verdedigen beschermde belangen behoeven niet toe te behoren aan de verdediger ervan; zij kunnen ook toebehoren aan een ander. In het laatstbedoelde geval spreekt men van hulp in geval van nood (Nothilfe).
(iv) Iedere aanranding die de aangerande niet gehouden is te dulden, wordt beschouwd als een wederrechtelijke aanranding. Mitsdien is noodweer niet alleen geoorloofd tegenover een dader aan wie schuld kan worden verweten, doch ook tegen een ontoerekeningsvatbare, een geesteszieke, een kind of iemand die handelt in onvermijdbare dwaling.
(v) Een aanranding wordt beschouwd als een dreigende aanranding indien zij onmiddellijk dreigende is of aan de gang is of voortduurt; een toekomstige of beëindigde aanranding wordt niet beschouwd als een dreigende aanranding. Of een aanranding al dan niet dreigend is, wordt bepaald door de objectieve feiten en niet door het subjectieve oordeel van de persoon die in noodweer handelt.
(vi) Een aanranding wordt geacht voort te duren en is derhalve dreigende totdat het gevaar dat daaruit voortvloeit ten aanzien van de bedreigde wettelijk beschermde belangen, hetzij volledig voorbij is hetzij - omgekeerd - totdat de aanranding heeft geresulteerd in een onherstelbaar verlies van een zodanig belang. Bijvoorbeeld, indien een dief vlucht met een gestolen voorwerp of een stroper met het gestroopte wild, is noodweer geoorloofd gedurende de onmiddellijke achtervolging en zolang het voorwerp in kwestie, uit het oogpunt van de dader, niet in veiligheid is gebracht.
(vii) Noodweer moet noodzakelijk zijn om een aanranding af te wenden. Deze noodzakelijkheid wordt van geval tot geval vastgesteld door toepassing van objectieve maatstaven. In beginsel wordt de mate van geoorloofde noodweer bepaald door de ernst en de hardnekkigheid van de aanranding en door de middelen die de aangerande persoon voor zijn verdediging ter beschikking staan.
(viii) Een wettelijk beschermd belang van de aanrander wordt geacht zonder noodzaak te zijn aangetast, indien de door de aanranding bedreigde persoon in staat is de aanranding te ontwijken zonder van zijn eigen belangen afstand te doen.
(ix) In het algemeen is het niet noodzakelijk dat de waarde van de wettelijk beschermde belangen van de aangerande persoon worden afgewogen tegen het verlies dat de aanrander zou kunnen lijden (beginsel van evenredigheid). Dit beginsel is echter onderworpen aan beperkingen. Het doden van een dief is niet een vereiste (noodzakelijke) daad van verdediging indien de voorwerpen die de aangerande persoon dreigt te verliezen slechts van geringe waarde zijn (over dit beginsel bestaat verschil van mening).
(x) Het is voldoende dat de noodweer wordt vereist om een aanranding van de eigen of eens anders persoon af te wenden. Het is niet noodzakelijk dat de aanranding is gericht tegen een bloedverwant in de zin van artikel 52, tweede lid van het Duitse Wetboek van Strafrecht.
(xi) Slechts voorzover een verdedigingshandeling is gericht tegen de aanrander, wordt een verdedigingshandeling beschouwd als noodweer ter afwering van een wederrechtelijke aanranding.
Handelingen die rechtsgoederen van derden die er niet bij betrokken zijn schenden worden niet door noodweer als zodanig gedekt. Onder bepaalde omstandigheden kunnen de daders van zodanige handelingen ongestraft blijven op grond van overmacht (Notstand).
- Regeling
- Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 05-06-1998
- BWB-id
- BWBV0005381
- Versie
- 1998-06-05_0