wetzoeker

Artikel Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten

Gemeenschappelijke protocollen en verklaringen betreffende de Aanvullende Overeenkomst

1 Uitwijzing kan slechts geschieden in overeenstemming met de bepalingen van de Duitse wetgeving inzake het toezicht van de politie op vreemdelingen (Ausländerpolizeirecht).

2 In hoeverre de bepalingen van de thans van kracht zijnde Duitse Politieverordening inzake vreemdelingen (Ausländerpolizeiverordnung) van 22 augustus 1938 inhoudsloos zijn geworden, wordt hieronder aangegeven:

(a) De volgende in de tekst van de verordening voorkomende uitdrukkingen worden als volgt vervangen:

(i) „Rijksgebied” door „Bondsgebied”;

(ii) „Rijk” door „Bond”;

(iii) „Rijksgrens” door „Bondsgrens”;

(iv) „Districtspolitiebestuur” (Kreispolizeiverwaltung) door de overeenkomstig het recht van een Land ingestelde „Stads- of Districtsbesturen” (Stadt-, Kreisverwaltungen) voorzover zij de functies van het Districtspolitiebestuur hebben overgenomen;

(v) „Rijksmark” door „Duitse Mark”;

(vi) „Rijksminister van Binnenlandse Zaken” door „Bondsminister van Binnenlandse Zaken”.

(b) ad artikel 5, eerste lid, onder (a ):

De uitdrukking „volksgemeenschap” (Volksgemeinschaft) wordt geacht te zijn geschrapt krachtens artikel II van de Wet nr. 1 van de Controleraad, dat als volgt luidt: „Geen wettelijke Duitse maatregelen, ongeacht hoe of wanneer zij tot stand zijn gekomen, worden door een rechterlijke of bestuurlijke instantie toegepast, indien deze toepassing onrecht of een ongelijke behandeling tot gevolg zou hebben, hetzij

(a) door een persoon op grond van zijn betrekkingen met nationaal Socialistische Duitse Arbeiders Partij, haar afdelingen, met deze partij verbonden verenigingen of met door deze partij gecontroleerde organisaties te bevoordelen, hetzij

(b) door een persoon wegens zijn ras, nationaliteit, religieuze overtuiging of oppositie tegen de Nationaal Socialistische Duitse Arbeiders Partij of haar leerstellingen te benadelen.”

(c) Ad artikel 5, eerste lid, onder (c):

De wettelijke gronden om castratie te doen uitvoeren (artikel 42a, ten 5° en artikel 42k van het Wetboek van Strafrecht) zijn vervallen krachtens artikel I van de Wet nr. 11 van de Controleraad, Bovendien is castratie niet geoorloofd krachtens het gestelde in artikel 2, tweede lid, eerste volzin, van de Grondwet, die als volgt luidt: „Een ieder heeft recht op het leven en op lichamelijke onschendbaarheid.”

(d) artikel 5, eerste lid, onder (g ):

De uitdrukking „ras” (Rassezugehörigkeit) wordt geacht te zijn vervallen krachtens artikel II van de Wet nr. 1 van de Controleraad (vide onder (b )) en krachtens het gestelde in artikel 3, derde lid, van de Grondwet, dat als volgt luidt:

„Niemand mag nadeel ondervinden van of bevoorrecht worden door zijn geslacht, afstamming, ras, taal, vaderland en herkomst, geloof of godsdienstige of politieke opvattingen.”

(e) Ad artikel 5, eerste lid, onder (h ):

De uitdrukking „zigeuner” wordt geacht te zijn vervallen krachtens artikel II van de Wet nr. 1 van de Controleraad (vide onder (b )) en krachtens artikel 3, derde lid, van de Grondwet (vide onder (d ).

(f) Ad artikel 7, eerste lid, onder (c ):

Ingevolge artikel 16, tweede lid, tweede volzin, van de Grondwet genieten personen die om politieke redenen worden vervolgd, het recht van asiel. Dit recht wordt niet aangetast door artikel 7, eerste lid van de Duitse Politieverordening inzake vreemdelingen. Hetzelfde is van toepassing op buitenlandse vluchtelingen in de zin van de Overeenkomst inzake de rechtspositie van vluchtelingen van 28 juli 1951 (Bundesgesetzblatt 1953, deel II, blz. 559).

(g) Ad artikel 7, vierde lid en vijfde lid, tweede volzin:

Zowel Duitsers als vreemdelingen kunnen slechts gevangen gehouden worden met inachtneming van de volgende bepalingen van artikel 104, tweede en vierde lid, van de Grondwet:

„2. Over de toelaatbaarheid of het voortduren van een vrijheidsberoving kan alleen de rechter beslissen. Indien een vrijheidsberoving niet rust; op een bevel van een rechter, moet onverwijld een rechterlijke beslissing worden verkregen. De politie kan niemand op eigen gezag langer dan tot het einde van de dag na die van de arrestatie bij zich in arrest houden. Bijzonderheden worden bij de wet geregeld.

4. Een bloedverwant of een vertrouwensman van de gearresteerde persoon moet onverwijld in kennis gesteld worden van elke rechterlijke beslissing inzake vrijheidsberoving of verlenging daarvan”.

(h) Ad artikel 7, vijfde lid:

Het gestelde onder (f ) en (g ) is van toepassing.

(i) Ad artikel 9, tweede en vierde lid:

Arrestatie voorafgaand aan uitwijzing is eveneens slechts toegestaan in overeenstemming met artikel 104, tweede en vierde lid, van de Grondwet (vide onder (g ).

(j) Ad artikel 11, eerste lid, laatste volzin, tweede lid, laatste volzin, en vijfde en zesde lid:

Deze bepalingen worden geacht te zijn vervallen of niet meer van toepassing te zijn krachtens het gestelde in artikel 19, vierde lid, van de Grondwet dat als volgt luidt: „Ieder wiens recht door het openbare gezag wordt geschonden, heeft het recht van beroep op de rechter. Indien geen andere rechter bevoegd is, kan beroep op de gewone rechter worden gedaan”.

Dezelfde bepalingen zijn vervat in de wetten van de Länder inzake administratieve rechtspraak (bijvoorbeeld voor de Länder behorende tot de voormalige Britse bezettingszone - Verordening nr. 165 van het Britse Militair Gezag inzake Rechtsmacht van Administratieve Rechtbanken in de Britse zone - Verordnungsblatt, British Zone 1948, blz. 263).

(k) Ad artikel 11, vierde lid:

De werking van deze bepaling is beperkt voorzover - ingevolge artikel 19, vierde lid van de Grondwet (vide onder (j ) - het beroep kan worden gedaan op de Administratieve Rechtbank tegen weigering van de opschortende werking van een klacht.

(l) Ad artikel 14:

De bepaling is inhoudsloos door het verstrijken van de tijd.

(m) Ad artikel 15, eerste lid:

In verband met deze bepaling dient rekening te worden gehouden met het gestelde in artikel 116, eerste lid, van de Grondwet, dat als volgt luidt:

„Tenzij anders bij de wet wordt bepaald, is een Duitser in de zin van de Grondwet een ieder die de Duitse nationaliteit bezit, of die is toegelaten in het gebied van het Duitse Rijk, zoals dat bestond op 31 december 1937, als vluchteling of verdrevene van Duitse herkomst (Volkszugehörigkeit) of als de echtgenoot of afstammeling van een zodanige persoon”.

(n) Ad artikel 17, tweede lid:

De machtiging om verordeningen niet kracht van wet of van algemene administratieve voorschriften uit te vaardigen is krachtens artikel 129, derde lid, van de Grondwet niet meer van kracht.

3 De bepalingen van de Duitse wetgeving betreffende uitwijzing en in het bijzonder artikel 5, eerste lid, van de Politieverordening inzake vreemdelingen is slechts van toepassing indien de daar vermelde gronden voor uitwijzing niet onverenigbaar zijn met de bepalingen van het NAVO-Status Verdrag en van de Aanvullende Overeenkomst.

Regeling
Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
05-06-1998
BWB-id
BWBV0005381
Versie
1998-06-05_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl