BIJLAGE VIIa — Overeengekomen regelingen ter opheldering van verschillende kwesties samenhangende met Bijlage VII Overeenkomst nopens Duitse buitenlandse schulden
Overeengekomen regelingen ter opheldering van verschillende kwesties samenhangende met Bijlage VII
Aan de Voorzitter van de Drie Mogendheden Commissie
voor Duitse schulden,
29, Chesham Place,
Londen, S.W. 1.
Londen, 9 Februari 1953.
Mijnheer de Voorzitter,
Wij refereren aan onze brief van 21 November 1952, waarbij vier briefwisselingen waren gevoegd, bestemd om verschillende kwesties op te helderen in verband met de overeenkomst van 21 November 1952 over verplichtingen in goudmark en Rijksmark met goudclausule, die een specifiek buitenlands karakter dragen.
Voorgesteld werd om ter vereenvoudiging deze vier briefwisselingen in een enkel document samen te vatten, hetwelk bij de bovengenoemde overeenkomst van 21 November 1952 gevoegd zou worden. Wij zijn het thans eens geworden over de tekst van deze bijlage en wij hebben de eer U deze in het Engels en Duits te zenden, met het verzoek haar als bijlage bij de bedoelde overeenkomst te voegen.
Met de meeste hoogachting enz.
(w.g.) Hermann J. ABS
Hoofd van de Duitse delegatie voor de
Buitenlandse schulden.
(w.g.) N. J. F. LEGGETT
Voorzitter van de Onderhandelingscommissie B
van de Conferentie over de Duitse buitenlandse
schulden.
Bijlage bij de Overeenkomst van 21 November 1952 over verplichtingen in goudmark en Rijksmark met goud-clausule
De navolgende bepalingen zullen een bijlage bij de Overeenkomst van 21 November 1952 vormen:
1. Bevestigd wordt, dat de transfer van bedragen, welke verschuldigd zijn voor de betaling van vorderingen luidende in goudmark of Rijksmark met goud-clausule of goudoptie volgens de bijlagen 3 en 4 van het rapport van de Conferentie over de Duitse buitenlandse schulden, zo behandeld moet worden, alsof deze bedragen moesten worden betaald in een niet-Duitse valuta in het buitenland overeenkomstig Artikel 11 lid 1 letter (a) van het ontwerp voor de Intergouvernementele Overeenkomst nopens Duitse buitenlandse schulden.
2. Overeengekomen is, dat het bestaan van een „Treuhandvertrag”, als bedoeld in de laatste alinea van artikel I, 2, van de Overeenkomst van 21 November 1952, niet alleen door een contract of door brieven, die betrekking hebben op de ,,Treuhandschaft”, bewezen kan worden, doch ook door de behandeling, welke een buitenlandse geldgever als crediteur jaren achtereen van de bevoegde Duitse instanties, welke de deviezencontrole moesten handhaven, heeft ondervonden.
3. Overeengekomen is, dat bij hypotheken (i.e. alle zekerheid op onroerend goed), die als zekerheid dienen voor vorderingen luidende in niet-Duitse valuta, welke omgezet worden in de verhouding van 1 Duitse mark = 1 Rijksmark of 1 Rijksmark met goud-clausule of goudoptie overeenkomstig artikel 1, lid 2, cijfers 1, 2 en 5 van de 40ste Uitvoeringsverordening van de Wet op de munthervorming, deze omzetting definitief is; om deze reden is dit geval niet begrepen onder de Overeenkomst van 21 November 1952.
4. Bij artikel V van de Overeenkomst van 21 November 1952 hebben de crediteuren zich het recht voorbehouden, ten aanzien van hun vorderingen (met inbegrip van zekerheid op onroerend goed) op secundaire debiteuren een definitieve regeling te verlangen van de omzetting in de verhouding van 1 Duitse mark = 1 goudmark of 1 Rijksmark met goud-clausule of goudoptie, voor het geval dat de door een bepaalde Duitse primaire debiteur aangeboden zekerheid ter regeling van zijn verplichting door de crediteur als onvoldoende wordt beschouwd. In dit verband zal de Voorzitter van de Duitse schulden-delegatie, de heer Hermann J. Abs, trachten de respectievelijke primaire debiteuren te bewegen onmiddellijk aan hun buitenlandse crediteuren voorstellen voor een regeling te doen, die, wanneer zij aangenomen worden, de crediteuren in een positie zullen brengen, welke in generlei opzicht ongunstiger is dan hun tegenwoordige positie, zoals deze is bepaald in de 40ste Uitvoeringsverordening van de Wet op de munthervorming. Wanneer een dergelijk aanbod wordt gedaan en aangenomen, zal worden overwogen, dat de crediteuren het door hen in het genoemde artikel V gemaakte voorbehoud terugnemen, voor zover dit betreft de omzetting van hun vorderingen tegen secundaire debiteuren.
Het bedoelde voorbehoud heeft weliswaar strikt genomen slechts betrekking op crediteuren, die onder de 40ste Uitvoeringsverordening van de Wet op de munthervorming en onder artikel 15 van deze Wet (volgens de bij de Wet 46 gewijzigde tekst) vallen, d.w.z. op onderdanen van de Verenigde Naties, doch men is het er over eens, dat dit voorbehoud volgens het principe van non-discriminatie en gelijke behandeling van alle crediteuren, ook moet gelden voor vorderingen tegen secundaire debiteuren van crediteuren, die geen onderdaan van de Verenigde Naties zijn.
- Regeling
- Overeenkomst nopens Duitse buitenlandse schulden
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-08-1958
- BWB-id
- BWBV0005325
- Versie
- 1958-08-01_0