Artikel III Overeenkomst nopens Duitse buitenlandse schulden
Overeengekomen aanbevelingen voor de regeling van Duitse schulden met middellange en lange looptijd uit particuliere kapitaaltransacties
1 Deze Overeenkomst is van toepassing op alle buiten Duitsland uitgegeven leningen of opgenomen credieten indien:
(a) de lening of het crediet voor 8 Mei 1945 werd verstrekt; en
(b) de lening of het crediet volgens de oorspronkelijke overeenkomst voor minstens 5 jaar werd verstrekt; en
(c) de debiteur een vereniging naar burgerlijk- of handelsrecht is, een rechtspersoon, een bond, een firma, bank, weldadigheidsinstelling, een andere niet-openbare instelling of een kerkelijke organisatie; en
(d) de debiteur op 1 Januari 1953 of op een later tijdstip, waarop zijn crediteuren een voorstel voor een regeling verlangen, in de Bondsrepubliek Duitsland of in Berlijn (West) gevestigd is; en
(e) de lening of het crediet luidt in een andere als Duitse valuta of in Duitse valuta met een deviezen- of goud-clausule.
2 Onverminderd de bepalingen van lid 1 van dit artikel wordt deze Overeenkomst niet toegepast op:
(i) de volgende categorieën van schulden, welke een afzonderlijke behandeling vereisen:
(a) schulden van openbare nutsbedrijven gelegen in het gebied van en gecontroleerd door de stad Berlijn;
(b) schulden aan een of meerdere personen, die direct of indirect eigendomsrechten hebben op de debiteur;
(c) schulden met betrekking tot leningen, waarvan het oorspronkelijke bedrag volgens de op 1 Juli 1952 geldende wisselkoers minder dan U.S.-$ 40.000 heeft bedragen;
(d) schulden uit de Zwitsers-Duitse overeenkomsten van 6 December 1920 en 25 Maart 1923 (de zgn. „Frankengrundschulden”);
(ii) de schulden van de Duits-Zwitserse op de grens gelegen krachtstations. Er zijn 3 leningen in obligaties en 2 andere leningen, ten aanzien waarvan Duitse maatschappijen de debiteur zijn van Zwitserse obligatiehouders en andere crediteuren. Ten gevolge van bijzondere omstandigheden, welke samenhangen met de exploitatie van gemeenschappelijke krachtstations langs de Rijn, hangt de regeling van deze verplichtingen samen met de regeling van andere aangelegenheden. Gezien deze omstandigheden wordt de definitieve regeling (welke op het ogenblik nog niet kan worden getroffen) overgelaten aan rechtstreekse onderhandelingen tussen Zwitserland en de Bondsrepubliek Duitsland. De Crediteuren verklaren echter reeds thans dat zij bij de definitieve regeling voor de eerste 5 jaar na 1 Januari 1953 geen betaling zullen verlangen van een jaarlijks bedrag, dat de som van 5.000.000 Zwitserse francs te boven gaat.
3 Geen schuld mag uitgesloten worden uitsluitend omdat een nieuwe debiteur de aansprakelijkheid daarvoor overneemt of overgenomen heeft op grond van een wet of op andere wijze voor of na 8 Mei 1945; zo mag geen schuld van een onderneming, welke valt onder de wet No. 27 van de Geallieerde Hoge Commissie „Reorganisatie van de Duitse kolen-, ijzer- en staalindustrie”, uitgesloten worden wegens overneming door een nieuwe onderneming of een andere onderneming die de oorspronkelijke is opgevolgd.
4 Deze Overeenkomst wordt niet toegepast op obligaties of coupons, die moeten worden gecertificeerd op grond van de Duitse wet op de certificatie van effecten van 19 Augustus 1949 (Wirtschaftsgesetzblatt S 295) en de wet op de certificatie van Duitse buitenlandse obligaties van Augustus 1952, zolang deze obligaties of coupons niet zijn gecertificeerd overeenkomstig de bepalingen van die wetten of van bilaterale verdragen, welke eventueel met het land van uitgifte zijn afgesloten met betrekking tot een dergelijke wet.
5 De schulden van de Duitse Rentenbank-Kreditanstalt vormen om verschillende redenen een moeilijk probleem. Als gevolg van de splitsing van Duitsland zijn de vermogenswaarden, die belegd zijn in Oost-Duitsland, op het ogenblik aan de beschikking van de Bank onttrokken; in overeenkomstige mate is het bedrag van de onder deze Overeenkomst vallende schulden gereduceerd, zoals zulks in bijzonderheden is vastgelegd in bestaand regelingen, waarbij het percentage in de afzonderlijke gevallen verschilt en tussen 20 % en 67 % van de uitstaande leningen varieert. De Duitse vertegenwoordigers hebben verklaard, dat het op het ogenblik niet in de macht van de Bondsregering ligt aan deze toestand, die in het bijzonder ontstaan is door de desbetreffende wettelijke bepalingen inzake de munthervorming, iets te veranderen. Overeengekomen is echter, dat de Bondsregering alles zal doen om de regeling van de schulden van de Bank en de betaling van de rente- en amortisatietermijnen volgens de bedoelde wetten en verordeningen te vergemakkelijken.
De vertegenwoordigers van crediteuren behouden voor de door hen vertegenwoordigde crediteuren het recht voor, iedere mogelijkheid voor een actie aan te grijpen, om een regeling te wijzigen, die naar hun mening hun belangen schaadt en een discriminatie betekent van bepaalde groepen van crediteuren.
Er is overeengekomen dat de Bank aansprakelijk blijft voor de verplichtingen, welke zijn gedekt door vermogenswaarden in Oost-Duitsland en dat zij deze verplichtingen weer zal nakomen, wanneer deze vermogenswaarden weer tot haar beschikking staan.
Dezelfde beginselen zullen worden toegepast ten aanzien van verschillende andere instellingen, die in eenzelfde positie verkeren.
6 Bij de behandeling van de Kali-lening volgens de bepalingen van deze Overeenkomst moet rekening worden gehouden met het bijzondere karakter van die lening.
- Regeling
- Overeenkomst nopens Duitse buitenlandse schulden
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-08-1958
- BWB-id
- BWBV0005325
- Versie
- 1958-08-01_0