wetzoeker

Artikel 11 Protocol inzake het verbod of de beperking van het gebruik van mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen, zoals gewijzigd op 3 mei 1996 (Protocol II zoals gewijzigd op 3 mei 1996), gehecht aan het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben

1 Elke Hoge Verdragsluitende Partij verplicht zich ertoe een zo ruim mogelijke uitwisseling van uitrustingen, materieel en wetenschappelijke en technische informatie inzake de toepassing van dit Protocol en van mijnruimmiddelen te bevorderen en heeft het recht te participeren in een dergelijke uitwisseling. In het bijzonder leggen de Hoge Verdragsluitende Partijen geen onredelijke beperkingen op inzake het leveren van uitrustingen voor het ruimen van mijnen en daarmee verband houdende technologische informatie voor humanitaire doeleinden.

2 Elke Hoge Verdragsluitende Partij verbindt zich ertoe informatie te verstrekken ten behoeve van de databank inzake mijnruiming die in het kader van de Verenigde Naties is ingesteld, in het bijzonder informatie betreffende diverse mijnruimmiddelen en -technieken, alsmede lijsten van deskundigen, gespecialiseerde organisaties of nationale contactpunten inzake mijnruiming.

3 Elke Hoge Verdragsluitende Partij die daartoe in staat is, verleent bijstand ten behoeve van mijnruiming via organen van de Verenigde Naties, andere internationale organisaties of op bilaterale basis, of stort een financiële bijdrage in het Vrijwillig Mijnruimingsfonds van de Verenigde Naties (United Nations Voluntary Trust Fund for Assistance in Mine Clearance).

4 Verzoeken van de Hoge Verdragsluitende Partijen om bijstand, onderbouwd met relevante informatie, kunnen worden gericht tot de Verenigde Naties, tot andere daarvoor in aanmerking komende organisaties of tot andere staten. De verzoeken kunnen worden ingediend bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die deze doorzendt naar alle Hoge Verdragsluitende Partijen en naar de bevoegde internationale organisaties.

5 Wanneer verzoeken tot de Verenigde Naties worden gericht, kan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, binnen de hem ter beschikking staande mogelijkheden, de nodige maatregelen nemen om de situatie te beoordelen en, in samenwerking met de verzoekende Hoge Verdragsluitende Partij, bepalen welke bijstand ten behoeve van mijnruiming dient te worden verleend of op welke wijze uitvoering aan het Protocol dient te worden gegeven. De Secretaris-Generaal kan tevens verslag uitbrengen aan de Hoge Verdragsluitende Partijen over elk van deze beoordelingen en over de aard en de omvang van de verzochte bijstand.

6 Onverminderd hun constitutionele en andere wettelijke bepalingen verplichten de Hoge Verdragsluitende Partijen zich tot samenwerking en overdracht van technologie ter vergemakkelijking van de uitvoering van de in dit Protocol vermelde relevante verboden en beperkingen.

7 Elke Hoge Verdragsluitende Partij heeft het recht, desgewenst, te trachten technische bijstand te verkrijgen van een andere Hoge Verdragsluitende Partij en deze te ontvangen met betrekking tot specifieke relevante technologie, anders dan op het gebied van wapens, voor zover noodzakelijk en mogelijk, teneinde de periode van opschorting van de naleving van bepaalde bepalingen, zoals in de Technische Bijlage bepaald, te bekorten.

Regeling
Protocol inzake het verbod of de beperking van het gebruik van mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen, zoals gewijzigd op 3 mei 1996 (Protocol II zoals gewijzigd op 3 mei 1996), gehecht aan het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
25-09-1999
BWB-id
BWBV0004938
Versie
1999-09-25_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl