wetzoeker

Voorschrift 3 Verdrag inzake de uitoefening van de visserij op de Noordatlantische Oceaan

ANDERE DOOR VISSERSVAARTUIGEN TE GEBRUIKEN SEINEN

1 Vissersvaartuigen bezig met het vissen met zegens moeten twee amberkleurige lichten tonen die zich loodrecht boven elkaar bevinden. Deze lichten moeten een flikkerlicht geven met een periode van ongeveer een seconde, en wel zodanig dat wanneer het onderste uit is het bovenste aan is en omgekeerd. Deze lichten mogen alleen worden getoond wanneer het vissersvaartuig door zijn vis tuig wordt belemmerd in zijn bewegingen, om andere vaartuigen te waarschuwen dat zij afstand moeten houden.

2 Dit voorschrift behoeft niet te worden toegepast op vissersvaartuigen van minder dan 85 voet (25,90 m) lengte. Deze uitzonderingen, alsmede de gebieden waar aldus uitgezonderde vissersvaartuigen in groten getale kunnen optreden, dienen ter kennis te worden gebracht van de bevoegde autoriteiten van de andere Verdragsluitende Partijen die hier vermoedelijk belang bij hebben.

Regeling
Verdrag inzake de uitoefening van de visserij op de Noordatlantische Oceaan
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
26-09-1976
BWB-id
BWBV0004531
Versie
1976-09-26_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl