wetzoeker

Voorschrift 2 Verdrag inzake de uitoefening van de visserij op de Noordatlantische Oceaan

ANDERE DOOR VISSERSVAARTUIGEN TE GEBRUIKEN SEINEN

1 Vissersvaartuigen die de treilvisserij bedrijven, ongeacht of zij de bodemtreil of de midwatertreil gebruiken, dienen te voeren:

(i) bij het uitzetten van het vistuig:

twee zich loodrecht boven elkaar bevindende witte lichten;

(ii) bij het halen van het vistuig:

één wit licht dat in een verticale lijn boven één rood licht is aangebracht;

(iii) wanneer het net aan een obstakel is vastgeraakt:

twee zich in een verticale lijn boven elkaar bevindende rode lichten.

2 Vissersvaartuigen die de drijfnetvisserij beoefenen, mogen de onder 1 hierboven voorgeschreven lichten voeren.

3 Elk vissersvaartuig dat bezig is de treilvisserij in span te beoefenen dient te voeren:

(i) overdag: de vlag „T” - „Houd afstand. Ik ben bezig met de treilvisserij in span”, aan de voormast gehesen;

(ii) des nachts: een zoeklicht dat schuin naar voren en in de richting van het andere vissersvaartuig van het span schijnt;

(iii) wanneer het net wordt uitgezet of gehaald of wanneer het net aan een obstakel is vastgeraakt: de lichten zoals die zijn voorgeschreven onder 1 hierboven.

4 Dit voorschrift behoeft niet te worden toegepast op vissersvaartuigen van minder van 65 voet (19,80 m) lengte. Deze uitzonderingen, alsmede de gebieden die door aldus uitgezonderde vissersvaartuigen in groten getale kunnen optreden, dienen ter kennis te worden gebracht van de bevoegde autoriteiten van de andere Verdragsluitende Partijen die hier vermoedelijk belang bij hebben.

Regeling
Verdrag inzake de uitoefening van de visserij op de Noordatlantische Oceaan
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
26-09-1976
BWB-id
BWBV0004531
Versie
1976-09-26_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl