Bijlage — - Aanhangsel 1 (deel 1) Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR)
- Aanhangsel 1
I. DEFINITIES
In dit aanhangsel wordt verstaan:
a. onder „controle-apparaat” een apparaat dat is bestemd om in wegvoertuigen te worden ingebouwd om gegevens betreffende het rijden van deze voertuigen en bepaalde werktijden van hun bestuurders aan te geven en automatisch of semi-automatisch te registreren;
b. onder „registratieblad” een blad dat is ontworpen om aantekeningen op te nemen en te registreren, dat dient te worden aangebracht in het controle-apparaat en waarop de schrijfstiften van dit apparaat continu de diagrammen van de te registreren gegevens optekenen;
c. onder „constante van het controle-apparaat” het getal dat de waarde aangeeft van het ingangssignaal dat nodig is ter aanduiding en registratie van een afgelegde afstand van 1 km; deze constante moet hetzij in omwentelingen per kilometer (k = ...omw/km), hetzij in impulsen per kilometer (k = ...imp/km) worden uitgedrukt;
d. onder „kenmerkende coëfficiënt van het voertuig” het getal dat de waarde aangeeft van het uitgangssignaal van het op het voertuig aangebrachte onderdeel voor de aansluiting op het controle-apparaat (in sommige gevallen aftakas van de versnellingsbak, soms ook wiel van het voertuig), wanneer het voertuig de afstand van een km aflegt, gemeten onder normale beproevingsomstandigheden (zie hoofdstuk VI, vierde lid, van dit aanhangsel). De kenmerkende coëfficiënt wordt hetzij in omwentelingen per kilometer (w = ...omw/uur), hetzij in impulsen per kilometer (w = ... imp/km) uitgedrukt;
e. onder „effectieve omtrek der wielbanden” het gemiddelde der afstanden, afgelegd door elk der het voertuig aandrijvende wielen (aandrijfwielen) bij een volledige omwenteling. Het meten van deze afstanden moet geschieden onder normale beproevingsomstandigheden (zie hoofdstuk VI, vierde lid, van dit aanhangsel) en wordt als volgt uitgedrukt: 1 = ... mm”.
II. ALGEMENE KENMERKEN EN FUNCTIES VAN HET CONTROLE-APPARAAT
Het controle-apparaat moet onderstaande gegevens registreren:
1. afstand, afgelegd door het voertuig;
2. snelheid van het voertuig;
3. rijtijd;
4. overige werktijden en beschikbaarheidstijden;
5. arbeidsonderbrekingen en dagelijkse rusttijden;
6. opening van de kast die het registratieblad bevat;
7. voor elektronische controle-apparaten die functioneren op basis van signalen die elektrisch worden overgebracht door de afstand- en snelheidsreceptor: elke onderbreking van meer dan 100 milliseconden van de toevoer van het apparaat (met uitzondering van de verlichting), van de toevoer van de afstands- en snelheidsreceptor en elke onderbreking van het signaal van de afstands- en snelheidsreceptor.
Bij voertuigen die worden gebruikt door twee bestuurders moeten de onder 3, 4 en 5 genoemde gegevens gelijktijdig en onderscheidbaar op twee aparte bladen door het apparaat kunnen worden geregistreerd.
III. CONSTRUCTIE-EISEN VAN HET CONTROLE-APPARAAT
A. ALGEMEEN
1. De volgende inrichtingen zijn voor het controle-apparaat voorgeschreven:
a. inrichtingen waarop kan worden afgelezen:
- de afgelegde afstand (totaalteller),
- de snelheid (tachometer),
- de tijd (uurwerk);
b. registreerinrichtingen, te weten:
- een registreertoestel voor de afgelegde afstand,
- een registreertoestel voor de snelheid,
- een of meer registreertoestellen voor de tijd, die voldoen aan de in hoofdstuk III, C, onder 4, gestelde eisen;
c. een merkinrichting die op het registratieblad afzonderlijk aangeeft:
- elk openen van de kast die dit blad bevat,
- voor de elektronische controle-apparaten als bedoeld in punt 7 van hoofdstuk II: elke onderbreking van de toevoer van meer dan 100 milliseconden van het apparaat (met uitzondering van de verlichting), uiterlijk op het moment dat er weer toevoer is,
- voor de elektronische controle-apparaten als bedoeld in punt 7 van hoofdstuk II: elke onderbreking van de toevoer van meer dan 100 milliseconden van de afstands- en snelheidsreceptor en elke onderbreking van het signaal van de afstands- en snelheidsreceptor.
2. Indien in het apparaat andere inrichtingen dan de bovengenoemde aanwezig zijn, mogen deze de juiste werking der verplichte inrichtingen niet schaden en het aflezen daarvan niet bemoeilijken. Wanneer het controle-apparaat ter goedkeuring wordt aangeboden, dienen deze eventuele andere inrichtingen te zijn aangebracht.
3. Materiaal
a. Alle samenstellende delen van het controle-apparaat moeten zijn uitgevoerd in materiaal van voldoende stabiliteit en mechanische sterkte en met onveranderlijke elektrische en magnetische eigenschappen.
b. Elke wijziging van een samenstellend deel van het controleapparaat of in de aard van het materiaal dat voor de vervaardiging ervan is gebruikt, moet worden goedgekeurd door de autoriteit die het apparaat heeft goedgekeurd.
4. Meting van de afgelegde afstand
De afgelegde afstanden kunnen worden opgeteld en geregistreerd:
- hetzij bij vooruitrijden en achteruitrijden
- hetzij uitsluitend bij vooruitrijden.
Het eventueel registreren der achteruitrijmanoeuvres mag beslist geen invloed uitoefenen op de duidelijkheid en de nauwkeurigheid van de overige registraties.
5. Meting van de snelheid
a. Het meetbereik van de snelheidsmeter is vastgelegd in het modelgoedkeuringscertificaat.
b. De eigen frequentie en het dempingsorgaan van het meetmechanisme moeten zodanig zijn, dat de aflees- en registreerinrichtingen van de snelheid in het meetbereik, binnen de maximaal toelaatbare toleranties, versnellingen kunnen volgen tot 2 m/s2.
6. Tijdmeting (uurwerk)
a. De aandrijving van het bijstelorgaan moet zich bevinden binnenin de kast welke het registratieblad bevat en waarvan elk openen automatisch wordt opgetekend op het registratieblad.
b. Indien het voortbewegingsmechanisme van het registratieblad door het uurwerk wordt aangedreven, moet de tijd gedurende welke het geheel opgewonden uurwerk juist aanwijst ten minste 10% langer zijn dan de tijd waarin geregistreerd kan worden op het grootste aantal bladen dat het apparaat kan bevatten.
7. Verlichting en bescherming
a. De afleesinrichtingen van het controle-apparaat moeten zijn voorzien van een afdoende, niet-verblindende verlichting.
b. Alle inwendige delen van het apparaat moeten voor normale gebruiksomstandigheden beschermd zijn tegen vocht en stof. Verder moeten zij door middel van omhulsels die kunnen worden verzegeld, beschermd zijn tegen ingrepen van buitenaf.
B. AFLEESINRICHTINGEN
1. Afleesinrichting voor de afgelegde afstand (totaalteller)
a. De afleeseenheid voor de afgelegde afstand moet 0,1 km zijn. De cijfers die hectometers aangeven moeten nauwkeurig kunnen worden onderscheiden van de cijfers die het aantal hele kilometers aangeven.
b. De cijfers van de totaalteller moeten duidelijk leesbaar zijn en een hoogte van ten minste 4 mm hebben.
c. De totaalteller moet kunnen aanwijzen tot ten minste 99.999,9 km.
2. Afleesinrichting voor de snelheid (tachometer)
a. Binnen het meetbereik moet de snelheidsschaal gelijkelijk zijn ingedeeld in 1, 2, 5 of 10 km/u. De snelheidswaarde van een onderverdeling (tussenruimte tussen twee achtereenvolgende deelstreepjes) mag niet meer bedragen dan 10% van de hoogste snelheid die op het eind van de schaal is aangegeven.
b. Het aanwijsbereik boven het meetbereik behoeft niet te zijn becijferd.
c. De afstand tussen twee achtereenvolgende deelstreepjes overeenkomend met een snelheidsverschil van 10 km/u mag niet minder bedragen dan 10 mm.
d. Op een afleesinrichting met een wijzer mag de afstand tussen de wijzer en de wijzerplaat niet groter zijn dan 3 mm.
3. Afleesinrichting voor de tijd (uurwerk)
De afleesinrichting voor de tijd moet aan de buitenkant van het controle-apparaat zichtbaar zijn en moet duidelijk, gemakkelijk en ondubbelzinnig afleesbaar zijn.
C. REGISTREERINRICHTINGEN
1. Algemeen
- Regeling
- Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR)
- Afkortingen
- AETR
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 23-04-2022
- BWB-id
- BWBV0004455
- Versie
- 2022-04-23_0