Artikel 3a Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF)
§ 1 Voertuigen in dienst gesteld of op de markt overeenkomstig de van toepassing zijnde wetgeving van de Europese Unie (EU) en de desbetreffende nationale wetgeving worden geacht door alle Verdragsstaten overeenkomstig deze Uniforme Regelen te zijn toegelaten voor gebruik:
a. indien de bepalingen van de van toepassing zijnde TSI’s en de desbetreffende UTP’s volledig met elkaar overeenstemmen,
b. mits de reeks van toepassing zijnde TSI’s op grond waarvan het voertuig is toegelaten, betrekking heeft op alle aspecten van de desbetreffende subsystemen die deel uitmaken van het voertuig,
c. mits deze TSI’s geen open punten ter zake van de technische compatibiliteit met de infrastructuur bevatten,
d. mits op het voertuig geen afwijking van toepassing is;
e. mits voor het voertuig geen specifieke gevallen gelden die de voorwaarden van toelating of vergunning voor indienststelling of het in de handel brengen beperken.
Indien niet aan de voorwaarden van a tot en met e wordt voldaan, is artikel 6, § 4 van toepassing.
§ 2 Uitsluitend ten behoeve van het verlenen van spoorwegdiensten worden voertuigen die zijn toegelaten voor gebruik overeenkomstig deze Uniforme Regelen geacht in de Lidstaten van de Europese Unie vergunning voor het in de handel brengen te hebben verkregen alsmede in de Staten die het Unierecht ingevolge internationale overeenkomsten met de Europese Unie toepassen:
a. indien de bepalingen in de van toepassing zijnde UTP’s en de desbetreffende TSI’s volledig met elkaar overeenstemmen,
b. mits de reeks van toepassing zijnde UTP’s op grond waarvan het voertuig is toegelaten, betrekking heeft op alle aspecten van de desbetreffende subsystemen die deel uitmaken van het voertuig,
c. mits deze UTP’s geen open punten ter zake van de technische compatibiliteit met de infrastructuur bevatten,
d. mits op het voertuig geen afwijking van toepassing is;
e. mits voor het voertuig geen specifieke gevallen gelden die de voorwaarden van toelating of vergunning voor indienststelling of het in de handel brengen beperken.
Alvorens te worden gebruikt in de Lidstaten van de Europese Unie, is op voertuigen die voor gebruik zijn toegelaten met toepassing van deze paragraaf, artikel 23 van Richtlijn (EU) 2016/797 van toepassing.
Indien niet aan de voorwaarden van a tot en met e wordt voldaan, moet het voertuig worden goedgekeurd overeenkomstig de wetgeving die van toepassing is in de Lidstaten van de Europese Unie en in de Staten die het Unierecht ingevolge internationale overeenkomsten met de Europese Unie toepassen.
§ 3 De vergunning voor het in de handel brengen, het rijden en het onderhoud van uitsluitend voor gebruik in de Lidstaten van de Europese Unie beoogde voertuigen worden geregeld in het van toepassing zijnde Unie- en nationale recht. Deze bepaling is tevens van toepassing op Verdragsstaten die het relevante Unierecht ingevolge internationale overeenkomsten met de Europese Unie toepassen. Voor spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders die binnen de EU werkzaam zijn heeft het Unierecht voorrang boven de bepalingen van deze Uniforme Regelen.
§ 4 §§ 1 tot en met 2 zijn van overeenkomstige toepassing op toelatingen en goedkeuringen van voertuigtypes.
§ 5 Een met het onderhoud belaste entiteit (ECM), die voldoet aan de bepalingen van artikel 15, § 2, wordt geacht te voldoen aan de van toepassing zijnde wetgeving van de Europese Unie en vice versa, ingeval van volledige overeenstemming tussen de in de Europese Unie geldende regels en de in artikel 15, § 2 bedoelde regels van het COTIF.
De Commissie van technisch deskundigen is bevoegd om de overeenstemming tussen de in de Europese Unie geldende regels en de in artikel 15, § 2 bedoelde regels van het COTIF vast te stellen.
- Regeling
- Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF)
- Afkortingen
- COTIF
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-01-2025
- BWB-id
- BWBV0004155
- Versie
- 2025-01-01_0