Voorschrift 7 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
PASSAGIERSSCHEPEN EN VRACHTSCHEPEN
1 Reddingsboeien
1.1 Reddingsboeien die voldoen aan de vereisten van paragraaf 2.1.1 van de Code moeten:
.1 zo zijn verdeeld dat zij aan beide zijden van het schip en, voor zover praktisch uitvoerbaar, op alle open dekken die tot aan de zijden van het schip doorlopen bedrijfsklaar beschikbaar zijn; ten minste één reddingsboei moet in de nabijheid van de achtersteven zijn geplaatst; en
.2 zo zijn geplaatst dat zij snel losgegooid kunnen worden en niet op een of andere manier permanent zijn vastgezet.
1.2 Aan iedere zijde van het schip moet ten minste één reddingsboei zijn voorzien van een drijvende reddingslijn die voldoet aan de vereisten van paragraaf 2.1.4 van de Code, met een lengte van ten minste tweemaal de hoogte waarop deze geplaatst is boven de waterlijn in ballasttoestand of 30 m, welke van beide het grootste is.
1.3 Ten minste de helft van het totaal aantal reddingsboeien moet zijn voorzien van een zelf-ontbrandend licht dat voldoet aan de vereisten van paragraaf 2.1.2 van de Code; ten minste twee daarvan moeten bovendien zijn voorzien van een zelfwerkend rooksignaal overeenkomstig de vereisten van paragraaf 2.1.3 van de Code en moeten vanaf de brug snel ontkoppeld kunnen worden; reddingsboeien met lichten en die met lichten en rooksignalen moeten gelijkelijk zijn verdeeld over beide zijden van het schip en mogen niet de reddingsboeien zijn met reddingslijnen overeenkomstig de vereisten van paragraaf 1.2.
1.4 Op iedere reddingsboei moet de naam en de thuishaven van het schip waarop de boei is geplaatst in hoofdletters in Romeins schrift zijn aangegeven.
2 Reddingsgordels
2.1 Voor alle opvarenden moet een reddingsgordel die voldoet aan de vereisten van paragraaf 2.2.1 of 2.2.2 van de Code aan boord zijn; bovendien moeten er zijn:
.1 op passagiersschepen tijdens reizen van korter dan 24 uur, een aantal kinderreddingsvesten gelijk aan ten minste 2,5% van het aantal passagiers aan boord;
.2 op passagiersschepen tijdens reizen van 24 uur of langer, kinderreddingsvesten voor elk kind aan boord;
.3 een aantal reddingsgordels geschikt voor kinderen, gelijk aan ten minste 10% van het aantal passagiers aan boord of dat grotere aantal dat voorgeschreven kan worden om een reddingsgordel per kind te verstrekken; en
.4 een voldoend aantal reddingsgordels voor de wachtdoende bemanningsleden en voor gebruik op ver verwijderde plaatsen van reddingsboten en -vlotten. De reddingsgordels voor de wachtdoende bemanningsleden moeten zijn opgeslagen op de brug, de machinebedieningskamer en op elk ander bemand wachtstation.
.5 indien de aanwezige reddingsvesten voor volwassenen niet ontworpen zijn om personen met een gewicht tot 140 kg en met een borstomvang tot 1750 mm te passen, moet een voldoende aantal geschikte accessoires aan boord aanwezig zijn om deze vesten deugdelijk aan deze personen te bevestigen.
2.2 De reddingsgordels moeten zo zijn geplaatst dat ze gemakkelijk bereikbaar zijn en hun bergplaats moet duidelijk aangegeven zijn. Wanneer, vanwege de bijzondere indeling van het schip, de reddingsgordels voorgeschreven ingevolge de vereisten van paragraaf 2.1 onbereikbaar zouden worden, moeten andere maatregelen ten genoegen van de Administratie worden genomen welke kunnen inhouden dat het aantal reddingsgordels wordt vergroot.
2.3 De reddingsgordels die worden gebruikt in geheel overdekte reddingsboten, behalve reddingsboten die door middel van vrije val te water worden gelaten, mogen de toegang tot de reddingsboot of zitplaatsen en het gebruik van de veiligheidsgordels in de reddingsboot niet belemmeren.
2.4 De reddingsgordels die zijn gekozen voor reddingsboten die door middel van vrije val te water worden gelaten en de manier waarop deze aan boord zijn geplaatst of worden gedragen mogen geen belemmering vormen voor de toegang tot de reddingsboot, de veiligheid van de opvarenden of het gebruik van de reddingsboot.
3 Overlevingspakken en beschermende kleding tegen afkoeling
Voor alle personen die zijn aangewezen om de hulpverleningsboot te bemannen of die zijn toegewezen aan het mariene evacuatiesysteem, moet er een overlevingspak of beschermende kleding tegen afkoeling van de juiste maat zijn dat respectievelijk die voldoet aan de vereisten van sectie 2.3 van de Code respectievelijk de vereisten van sectie 2.4 van de Code. Indien het schip voortdurend reizen maakt in gebieden met een warm klimaat waar bescherming tegen warmteverlies, naar het oordeel van de Administratie, niet nodig is, hoeft deze beschermende kleding niet aan boord te zijn.
- Regeling
- Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
- Afkortingen
- SOLAS, SOLAS 1974
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-01-2026
- BWB-id
- BWBV0003264
- Versie
- 2026-01-01_0