Voorschrift 31 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
VRACHTSCHEPEN (AANVULLENDE VEREISTEN)
1 Reddingsboten en -vlotten
1.1 Vrachtschepen moeten aan boord hebben:
.1 één of meer volledig overdekte reddingsboten die voldoen aan de vereisten van sectie 4.6 van de Code en per zijde van het schip gezamenlijk voldoende ruimte bieden aan het totale aantal opvarenden; en
.2 bovendien een of meer opblaasbare of vaste reddingsvlotten die voldoen aan de vereisten van sectie 4.2 of 4.3 van de Code, met een gewicht van minder dan 185 kg en opgesteld op een plaats waar zij eenvoudig op hetzelfde open dek van de ene zijde naar de andere kunnen worden overgebracht en met gezamenlijk voldoende ruimte voor het totale aantal opvarenden. Indien het reddingsvlot of de reddingsvlotten meer dan 185 kg weegt respectievelijk wegen en niet zijn opgesteld op een plaats waar zij op hetzelfde open dek eenvoudig van de ene zijde naar de andere kunnen worden overgebracht, moet de totale capaciteit die aan elke zijde beschikbaar is, voldoende ruimte bieden voor het totale aantal opvarenden.
1.2 In plaats van te voldoen aan het bepaalde in paragraaf 1.1 mogen vrachtschepen aan boord hebben:
.1 één of meer reddingsboten die voldoen aan de vereisten van sectie 4.7 van de Code en door middel van vrije val over de achtersteven van het schip te water gelaten kunnen worden, en gezamenlijk voldoende ruimte bieden aan het totale aantal opvarenden; en
.2 bovendien een of meer opblaasbare of vaste reddingsvlotten hebben, die voldoen aan de vereisten van sectie 4.2 of 4.3 van de Code en aan elke zijde van het schip gezamenlijk voldoende ruimte bieden aan het totale aantal opvarenden. De reddingsvlotten aan ten minste één zijde van het schip moeten worden bediend door tewaterlatingsmiddelen.
1.3 In plaats van te voldoen aan het bepaalde in de paragrafen 1.1 of 1.2, mogen vrachtschepen, anders dan olietankschepen, chemicaliëntankschepen en gasschepen, met een lengte van minder dan 85 m voldoen aan het volgende:
.1 zij moeten aan elke zijde van het schip één of meer opblaasbare of vaste reddingsvlotten hebben, die voldoen aan de vereisten van sectie 4.2 of 4.3 van de Code en gezamenlijk voldoende ruimte bieden aan het totale aantal opvarenden;
.2 tenzij de reddingsvlotten vereist in paragraaf 1.3.1 een gewicht van minder dan 185 kg hebben en zijn opgesteld op een plaats vanwaar zij eenvoudig van de ene zijde naar de andere kunnen worden verplaatst op hetzelfde open dek, moeten extra reddingsvlotten worden geplaatst zodat de totale capaciteit die aan elke zijde beschikbaar is, voldoende ruimte biedt voor 150% van het totale aantal opvarenden;
.3 indien de hulpverleningsboot vereist in paragraaf 2, tevens een geheel overdekte reddingsboot is die voldoet aan de vereisten van sectie 4.6 van de Code, mag deze worden gerekend tot de gezamenlijke capaciteit vereist in paragraaf 1.3.1, mits de totale capaciteit die aan elke zijde van het schip beschikbaar is, voldoende ruimte biedt voor ten minste 150% van het totale aantal opvarenden; en
.4 ingeval één van de reddingsboten of -vlotten verloren gaat of in het ongerede raakt, moeten er voldoende reddingsboten of -vlotten voor gebruik aan elke zijde beschikbaar zijn, met inbegrip van reddingsboten of -vlotten met een gewicht van minder dan 185 kg die zijn opgesteld op een plaats waar zij op hetzelfde open dek eenvoudig van de ene zijde naar de andere kunnen worden overgebracht en ruimte bieden voor het totale aantal opvarenden.
1.4 Op vrachtschepen waarop de horizontale afstand tussen de uiterste punt van de voor- of achtersteven en de punt van de respectievelijk het dichtstbijzijnde reddingsboot of -vlot meer dan 100 m bedraagt, moet behalve de reddingsvlotten vereist in paragrafen 1.1.2 en 1.2.2 een reddingsvlot zover mogelijk naar voren of naar achteren of één zover mogelijk naar voren en een ander zover mogelijk naar achteren geplaatst worden als redelijk en uitvoerbaar is. Dit reddingsvlot of deze reddingsvlotten mogen goed vastgezet zijn, maar zo dat deze met de hand ontkoppeld kunnen worden; deze reddingsvlotten behoeven niet van het type te zijn dat te water kan worden gelaten met een goedgekeurd tewaterlatingsmiddel.
1.5 Met uitzondering van de reddingsboten en -vlotten genoemd in voorschrift 16.1.1, moeten alle reddingsboten en -vlotten die vereist zijn om het totale aantal opvarenden te ontschepen met hun totale bezetting aan personen en uitrusting te water gelaten kunnen worden binnen een tijdvak van 10 minuten gerekend vanaf het tijdstip waarop het sein „schip-verlaten” wordt gegeven.
1.6 Chemicaliëntankers en gasschepen die ladingen vervoeren die giftige dampen of gassen afgeven, moeten in plaats van reddingsboten die voldoen aan de vereisten van sectie 4.6 van de Code, reddingsboten hebben met een onafhankelijk luchttoevoersysteem dat voldoet aan de vereisten van sectie 4.8 van de Code.
1.7 Olietankschepen, chemicaliëntankers en gasschepen die ladingen vervoeren met een vlampunt van minder dan 60°C (closed cup test), moeten in plaats van de geheel overdekte reddingsboten die voldoen aan de vereisten van sectie 4.6 van de Code, brandbestendige reddingsboten hebben die voldoen aan de vereisten van sectie 4.9 van de Code.
1.8 Onverminderd de vereisten van paragraaf 1.1 moeten bulkcarriers als omschreven in voorschrift IX/1.6 gebouwd op of na 1 juli 2006 voldoen aan de vereisten van paragraaf 1.2.
2 Hulpverleningsboten
Vrachtschepen moeten ten minste één hulpverleningsboot aan boord hebben, die voldoet aan de vereisten van sectie 5.1 van de Code. Een reddingsboot kan worden aanvaard als hulpverleningsboot mits deze, alsmede de voorzieningen voor tewaterlating en terugzetten ervan, ook voldoen aan de vereisten voor een hulpverleningsboot.
3. Behalve hun reddingsboten, moeten alle vrachtschepen gebouwd vóór 1 juli 1986 aan boord hebben:
.1 één of meer reddingsvlotten die aan beide zijden van het schip te water gelaten kunnen worden en gezamenlijk voldoende ruimte bieden aan het totale aantal opvarenden. Dit reddingsvlot of deze reddingsvlotten moeten zijn uitgerust met een sjorring of een gelijkwaardig middel voor vastzetten dat het reddingsvlot automatisch vrij laat opdrijven bij zinkend schip; en
.2 indien de horizontale afstand tussen de uiterste punt van de voor- of achtersteven en de punt van de dichtstbijzijnde reddingsboot of het dichtsbijzijnde reddingsvlot meer dan 100 m bedraagt, moet behalve de reddingsvlotten vereist in paragraaf 3.1 een reddingsvlot zover mogelijk naar voren of naar achteren of één zover mogelijk naar voren en een ander zover mogelijk naar achteren geplaatst worden als redelijk en uitvoerbaar is. Niettegenstaande de vereisten van paragraaf 3.1 mag dit reddingsvlot of mogen deze reddingsvlotten goed vastgezet zijn, en zo dat deze met de hand ontkoppeld kunnen worden.
- Regeling
- Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
- Afkortingen
- SOLAS, SOLAS 1974
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-01-2026
- BWB-id
- BWBV0003264
- Versie
- 2026-01-01_0