Voorschrift 3 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
ALGEMEEN
Voor de toepassing van dit hoofdstuk, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, wordt verstaan onder:
1 Beschermende kleding tegen afkoeling: een beschermend pak ontworpen voor gebruik door bemanningen van hulpverleningsboten en bemanningen van mariene evacuatiesystemen.
2 Sloepsgast: een persoon die in het bezit is van een diploma inzake het gebruik van reddingsboten en -vlotten uitgereikt namens of als geldig erkend door de Administratie overeenkomstig de van kracht zijnde bepalingen van het Internationale Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst; of een persoon die in het bezit is van een diploma uitgereikt of erkend door de Administratie van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag, voor hetzelfde doel als een diploma vallende onder de verdragsbepalingen.
3 Ontdekking: de vaststelling van de plaats van de overlevenden of de reddingsboten en -vlotten.
4 Inschepingsladder: de ladder die op de inschepingsplaats voor de reddingsboten en -vlotten is aangebracht teneinde een veilige toegang te bieden tot de reddingsboten en -vlotten nadat deze te water gelaten zijn.
5 Te water laten door middel van vrij opdrijven: de methode van te water laten van een reddingsboot of -vlot waarbij deze respectievelijk dit automatisch van een zinkend schip wordt ontkoppeld en klaar is voor gebruik.
6 Te water laten door middel van vrije val: de methode van te water laten van een reddingsboot of -vlot waarbij deze respectievelijk dit met volledige bezetting en volledige uitrusting wordt ontkoppeld en vervolgens vrij in het water kan vallen zonder afgeremd te worden.
7 Overlevingspak: een beschermend pak dat het verlies van lichaamswarmte van een persoon gekleed in een dergelijk pak en liggend in koud water vermindert.
8 Opblaasbaar toestel: een toestel dat afhankelijk is van niet verstijfde, met gas gevulde drijfkamers en dat normaal, tot aan de klaar voor gebruik situatie, in onopgeblazen toestand wordt gehouden.
9 Toestel in opgeblazen toestand: een toestel dat afhankelijk is van niet verstijfde met gas gevulde drijfkamers en dat altijd in opgeblazen toestand en klaar voor gebruik wordt gehouden.
10 International Life-Saving Appliance (LSA) Code (internationale code inzake reddingsmiddelen, in dit hoofdstuk aangeduid als „de Code”) de Internationale LSA Code aangenomen door de Maritieme Veiligheidscommissie van de Organisatie door resolutie MSC.48(66), eventueel als gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden overeenkomstig het bepaalde van artikel VIII van dit Verdrag betreffende de procedure voor wijziging die van toepassing is op de Bijlage, met uitzondering van Hoofdstuk I.
11 Tewaterlatingsmiddel of -voorziening: een middel of voorziening om een reddingsboot, -vlot of hulpverleningsboot van de opstellingsplaats veilig naar het water te brengen.
12 Lengte: 96% van de totale lengte op een waterlijn op 85% van de kleinste holte naar de mal gemeten vanaf de bovenzijde van de kiel, of de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning op die waterlijn, indien deze laatste lengte groter is. Bij schepen die zijn ontworpen met een stuurlast moet de waterlijn waarop deze lengte gemeten wordt, evenwijdig aan de waterlijn worden genomen.
13 Ballasttoestand: de beladingstoestand van het schip zonder kop- of stuurlast en zonder lading, maar met 10% van de voorraden en brandstof aan boord, en in het geval van een passagiersschip, met alle passagiers en de volledige bemanning en hun bagage.
14 Marien evacuatiesysteem: een voorziening voor de snelle overbrenging van personen van het inschepingsdek van een schip naar een drijvende reddingsboot of drijvend reddingsvlot.
15 Holte naar de mal
.1 De holte naar de mal is de verticale afstand gemeten van de bovenkant van de kiel tot de bovenkant van de balken van het vrijboorddek in de zijde. Bij houten schepen en composietschepen wordt de afstand gemeten vanaf de onderkant van de sponning van de kiel. Indien de vorm in het onderste gedeelte van het grootspant hol verloopt of indien dikke zandstroken zijn aangebracht, wordt de afstand gemeten vanaf het punt waar de lijn die van het vlakke deel van het scheepsvlak naar hart schip wordt doorgetrokken, de zijkant van de kiel snijdt.
.2 Bij schepen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd wordt de holte naar de mal gemeten tot het snijpunt van de doorgestrookte onderzijde van de dekbeplating en de binnenzijde van de huidbeplating.
.3 Indien het vrijboorddek verspringt en het verhoogde gedeelte zich uitstrekt tot voorbij het punt waar de holte naar de mal moet worden bepaald, wordt de holte naar de mal gemeten tot een referentielijn die vanaf het lage gedeelte van het dek evenwijdig aan het verhoogde gedeelte wordt getrokken.
16 Reddingsmiddelen of -voorzieningen van een nieuw ontwerp: reddingsmiddelen of -voorzieningen die nieuwe kenmerken vertonen die niet geheel vallen onder de voorschriften van dit hoofdstuk, maar die een gelijke of hogere norm van veiligheid bieden.
17 Positieve stabiliteit: het vermogen van een vaartuig terug te keren naar zijn oorspronkelijke positie na afloop van een kenterend moment.
18 Terugzettijd voor een hulpverleningsboot: de tijd die benodigd is om de boot op te halen naar een plaats waar de personen aan boord kunnen ontschepen op het dek van het schip. De terugzettijd omvat ook de tijd die benodigd is om voorbereidingen te treffen voor het terugplaatsen van de hulpverleningsboot aan boord, zoals het werpen en vastmaken van een vanglijn, aan de tewaterlatingsvoorziening koppelen van de hulpverleningsboot en de tijd van het ophalen van de hulpverleningsboot. De terugzettijd omvat niet de tijd die benodigd is om de tewaterlatingsvoorziening te laten zakken tot de positie voor terugplaatsing van de hulpverleningsboot.
19 Hulpverleningsboot: een boot ontworpen voor het redden van mensen in nood en het begeleiden van reddingsboten en -vlotten.
20 Terughalen: het veilig redden uit zee van overlevenden.
21 Ro-ro passagiersschip: een passagiersschip met ro-ro laadruimten of ruimten van bijzondere aard zoals omschreven in voorschrift II-2/3.
22 Korte internationale reis: een internationale reis waarop het schip zich niet meer dan 200 zeemijl verwijdert van een haven of een plaats waar passagiers en bemanning veilig kunnen worden geland. Noch de afstand tussen de laatste aanloophaven in het land waar de reis aanvangt en de uiteindelijke haven van bestemming, noch de terugreis mag 600 zeemijl overschrijden. De uiteindelijke haven van bestemming is de laatste aanloophaven in de vastgestelde reis waar vandaan het schip de terugreis aanvaardt naar het land waar de reis aanving.
23 Reddingsboot of -vlot: een vaartuig dat personen die in nood verkeren, in leven kan houden vanaf het moment dat zij het schip verlaten.
24 Hulpmiddel tegen warmteverlies: een zak of pak vervaardigd uit waterdicht materiaal met een zeer lage warmtegeleiding.
25 Vereisten voor onderhoud, grondige inspectie, operationele beproeving, revisie en reparatie: de Vereisten voor onderhoud, grondige inspectie, operationele beproeving, revisie en reparatie van reddingsboten en hulpverleningsboten, tewaterlatingsmiddelen en ontkoppelingssystemen, aangenomen door de Maritieme Veiligheidscommissie van de Organisatie bij resolutie MSC.402(96), eventueel als gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden overeenkomstig de bepalingen van artikel VIII van dit Verdrag betreffende de wijzigingsprocedure die van toepassing is op de Bijlage, met uitzondering van Hoofdstuk I daarvan.
- Regeling
- Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
- Afkortingen
- SOLAS, SOLAS 1974
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-01-2026
- BWB-id
- BWBV0003264
- Versie
- 2026-01-01_0