Voorschrift 9 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
WATERDICHTE INDELING, ALSMEDE WATER-, WIND- EN WEERDICHTHEID
1 Er moet een dubbele bodem zijn aangebracht die zich uitstrekt van het aanvaringsschot tot het achterpiekschot, voor zover dit uitvoerbaar en verenigbaar is met de inrichting en het goed functioneren van het schip.
2 Waar het aanbrengen van een dubbele bodem is voorgeschreven, moet de binnenste bodem hiervan op zodanige hoogte op de huid in de zijden van het schip aansluiten, dat de bodem van het schip tot de ronding van de kimmen beschermd is. Een dergelijke bescherming wordt als voldoende aangemerkt wanneer de binnenste bodem op geen enkel punt lager is dan een parallel vlak met de kiellijn gelegen op een verticale afstand van ten minste h, gemeten vanaf de kiellijn, zoals berekend via de formule:
h = B/20
In geen geval mag de waarde van h evenwel minder bedragen dan 760 mm en er hoeft geen grotere waarde te worden aangehouden dan 2000 mm.
3.1 Kleine in de dubbele bodem aangebrachte lensputten, in verband met afvoermaatregelen van laadruimen etc., mogen niet dieper zijn dan nodig is. De verticale afstand van de bodem van een dergelijke put naar een met de kiel samenvallend vlak mag niet minder dan h/2 of 500 mm bedragen, al naargelang welke afstand de grootste is; of, indien dit niet het geval is, moet worden aangetoond dat dit deel van het schip voldoet aan paragraaf 8 van dit voorschrift.
3.2 Andere putten (bijvoorbeeld voor het opvangen van smeerolie onder de hoofdvoortstuwingswerktuigen) kunnen worden toegelaten door de Administratie, indien zij van oordeel is dat de bescherming vergelijkbaar is met die welke een dubbele bodem die voldoet aan dit voorschrift, biedt.
3.2.1 Voor een vrachtschip met een lengte van 80 m en meer of voor een passagiersschip, moet bewijs van gelijkwaardige bescherming worden geleverd door aan te tonen dat het schip bodemschade kan weerstaan als omschreven in paragraaf 8. Putten voor het opvangen van smeerolie onder de hoofdvoortstuwingswerktuigen kunnen ook uitsteken in de dubbele bodem onder de grenslijn die wordt bepaald door de afstand h mits de verticale afstand van de bodem van de put naar een met de kiel samenvallend vlak niet minder bedraagt dan h/2 of 500 mm, al naargelang welke afstand de grootste is.
3.2.2 Bij vrachtschepen met een lengte van minder dan 80 m moeten de voorzieningen een mate van veiligheid bieden die ten genoegen van de Administratie is.
4 Ter plaatse van waterdichte tanks, met inbegrip van droge tanks van gemiddelde inhoud, behoeft geen dubbele bodem te worden aangebracht, mits de veiligheid van het schip niet in gevaar komt bij bodem- of zijschade.
5 Voor passagiersschepen waarop de bepalingen van voorschrift 1.5 van toepassing zijn en die een geregelde lijndienst onderhouden binnen de begrenzing van een korte internationale reis, zoals omschreven in voorschrift III/3.22, kan de Administratie ontheffing verlenen van het vereiste van een dubbele bodem, indien zij van oordeel is dat het aanbrengen van een dubbele bodem in dat deel niet verenigbaar zou zijn met de inrichting en het goed functioneren van het schip.
6 Elk deel van een vrachtschip met een lengte van 80 m en meer of van een passagiersschip dat niet met een dubbele bodem is uitgerust in overeenstemming met de paragrafen 1, 4 of 5, zoals vermeld in paragraaf 2, moet in dat deel van het schip bodemschade kunnen weerstaan, als omschreven in paragraaf 8. Voor vrachtschepen met een lengte van minder dan 80 meter moeten alternatieve voorzieningen een mate van veiligheid bieden die ten genoegen van de Administratie is.
7 In het geval van ongebruikelijke bodemvoorzieningen op een vrachtschip met een lengte van 80 m en meer of van een passagiersschip moet worden aangetoond dat het schip bodemschade kan weerstaan als omschreven in paragraaf 8. Voor vrachtschepen met een lengte van minder dan 80 meter moeten alternatieve voorzieningen een mate van veiligheid bieden die ten genoegen van de Administratie is.
8 Naleving van de paragrafen 3.1, 3.2.1, 6 of 7 moet worden bereikt door aan te tonen dat si, wanneer berekend in overeenstemming met voorschrift 7-2, onder alle bedrijfsomstandigheden niet minder dan 1 bedraagt bij een bodemschade met een omvang als omschreven in onderstaande subparagraaf .2 op enige positie in het beschadigde deel van het schip:
.1 Vollopen van dergelijke ruimten mag de noodstroom- en lichtvoorzieningen, interne communicatie, signalen of andere noodvoorzieningen in andere delen van het schip niet doen uitvallen.
.2 Als omvang van de beschadiging moet worden aangenomen:
Over 0,3 L vanaf de voorloodlijn van het schip | Elk ander deel van het schip
Omvang over de horizontale as | 1/3 L2/3 of 14,5 m, naargelang welke geringer is | 1/3 L2/3 of 14,5 m, naargelang welke geringer is
Dwarsomvang | B/6 of 10 m, naargelang welke geringer is | B/6 of 5 m, naargelang welke geringer is
Omvang over de verticale as als gemeten vanaf de kiellijn | B/20, dat niet minder mag zijn dan 0,76 m en niet meer dan 2 m | B/20, dat niet minder mag zijn dan 0,76 m en niet meer dan 2 m
.3 Indien een beschadiging van kleinere omvang dan de maximale beschadiging als aangegeven in subparagraaf .2 een ernstiger situatie ten gevolge heeft, moet van een dergelijke beschadiging worden uitgegaan.
9 In het geval van grote laaggelegen laadruimen in passagiersschepen mag de Administratie een grotere hoogte van de dubbele bodem verlangen van ten hoogste B/10 of 3 m, naar gelang welke minder is, gemeten vanaf de kiellijn. Als alternatief mogen bodembeschadigingen voor deze delen worden berekend in overeenstemming met paragraaf 8, maar uitgaande van een grotere omvang over de verticale as.
- Regeling
- Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974
- Afkortingen
- SOLAS, SOLAS 1974
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-01-2026
- BWB-id
- BWBV0003264
- Versie
- 2026-01-01_0