wetzoeker

Voorschrift 138 Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977

- TECHNISCHE EISEN

(1) Elk radiotelegrafie-auto-alarmtoestel moet aan de volgende minimumeisen voldoen:

(a) bij afwezigheid van storing van welke aard ook moet het zonder bijregelen met de hand in werking kunnen worden gebracht door elk radiotelegrafie-alarmsein, uitgezonden op de radiotelegrafiehoofdfrequentie door een overeenkomstig het Radioreglement werkend kuststation, de noodzender van een schip of vaartuig, dan wel de zender van een telegrafie-installatie van een reddingmiddel, op voorwaarde dat de sterkte van het sein bij de ingang van de ontvanger groter is dan 100 microvolt en kleiner dan 1 volt;

(b) bij afwezigheid van storing van welke aard ook moet het in werking worden gesteld door drie of vier opeenvolgende strepen, indien de duur van de strepen ligt tussen 3,5 seconden en een waarde zo dicht mogelijk bij 6 seconden en de duur van de tussenruimte tussen de strepen ligt tussen 1,5 seconden en de laagst bereikbare waarde, die bij voorkeur niet kleiner moet zijn dan 10 milliseconden;

(c) het toestel mag niet in werking worden gesteld door luchtstoringen of door enig signaal anders dan het radiotelegrafie-alarmsein, mits de ontvangen tekens in feite niet een signaal vormen, dat binnen de in sub-paragraaf (b) bedoelde tolerantiegrenzen valt;

(d) de selectiviteit van het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel moet zodanig zijn, dat over een band van ten minste 4 kilohertz, doch niet meer dan 8 kilohertz, aan weerszijden van de radiotelegrafienoodfrequentie de gevoeligheid nagenoeg eenzelfde waarde heeft en buiten deze band een gevoeligheid, welke zo snel mogelijk afneemt, een en ander overeenkomstig de stand van de techniek;

(e) indien praktisch mogelijk moet het toestel bij aanwezigheid van luchtstoringen of van storende signalen zichzelf automatisch regelen, opdat het binnen een redelijk korte tijd weder nabij de instelling komt, waarbij het toestel het radiotelegrafie-alarmsein het gemakkelijkst kan onderscheiden;

(f) het toestel moet, wanneer het in werking wordt gesteld door een radiotelegrafie-alarmsein, of als gevolg van een defect in het toestel, een onafgebroken hoorbare waarschuwing geven in de radiohut, in de slaaphut van de radio-officier of van de radiotelegrafist en in het stuurhuis. Indien mogelijk moet die waarschuwing ook worden gegeven ingeval een willekeurig onderdeel van het gehele auto-alarm-ontvangsysteem defect is. Slechts één schakelaar mag aanwezig zijn om het waarschuwingssein te doen ophouden en deze moet zijn aangebracht in de radiohut;

(g) teneinde het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel regelmatig te kunnen beproeven, moet het toestel voorzien zijn van een op de radiotelegrafienoodfrequentie afgestemde generator en een seingever, met behulp waarvan een radiotelegrafie-alarmsein van de minimale sterkte als bedoeld in sub-paragraaf (a) kan worden gegeven. Tevens moet een hoofdtelefoon kunnen worden aangesloten ten einde de op het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel ontvangen tekens te beluisteren; en

(h) het toestel moet bestand zijn tegen trillingen, vochtigheid en temperatuurverschillen overeenkomende met die, welke zich onder de meest ongunstige omstandigheden aan boord van een vaartuig op zee kunnen voordoen en het moet onder dergelijke omstandigheden blijven werken.

(2) Voordat een nieuw type radiotelegrafie-auto-alarmtoestel wordt goedgekeurd, moet de Administratie door praktische proeven onder omstandigheden gelijk aan die welke in de praktijk optreden, ervan verzekerd zijn, dat het toestel voldoet aan de eisen, gesteld in lid (1).

(3) Op vaartuigen die uitgerust zijn met een radiotelegrafie-autoalarmtoestel, moet buitengaats de doeltreffende werking ervan ten minste éénmaal per 24 uur worden beproefd door een radio-officier of radiotelegrafist. Wanneer het toestel niet behoorlijk werkt, moet de radio-officier of radiotelegrafist dit feit aan de kapitein of de officier van de wacht rapporteren.

(4) Een radio-offcier of radiotelegrafist moet de goede werking van de ontvanger van het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel, aangesloten op zijn normale antenne, periodiek controleren door op het toestel te luisteren naar tekens, uitgezonden op de radiotelegrafienoodfrequentie en deze te vergelijken met de tekens die tegelijkertijd op de hoofdinstallatie op die frequentie worden ontvangen.

(5) Indien praktisch mogelijk mag het radiotelegrafie-autoalarmtoestel, wanneer het met een antenne is verbonden, geen invloed hebben op de nauwkeurigheid van de richtingzoeker.

Regeling
Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
02-04-1977
BWB-id
BWBV0003251
Versie
1977-04-02_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl