Voorschrift 56 Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
- ELEKTRISCHE INSTALLATIES
(1)
(a) Onbeschermde, blijvend aangebracht metalen delen van elektrische machines en van de elektrische uitrusting die niet bestemd zijn om onder spanning te staan, maar die ten gevolge van een defect onder spanning kunnen geraken, moeten geaard zijn, tenzij:
(i) deze gevoed worden met een gelijkspanning die niet hoger is dan 55 volt of een wisselspanning die een effectieve waarde van 55 volt tussen de fasen niet overschrijdt; spaartransformators mogen niet gebruikt worden om deze wisselspanning te bereiken; of
(ii) deze gevoed worden met een spanning niet hoger dan 250 volt, verkregen via een beschermingstransformator, welke slechts één verbruikstoestel voedt; of
(iii) deze geconstrueerd zijn overeenkomstig het principe van dubbel geïsoleerde uitvoering.
(b) Draagbare elektrische apparaten moeten bij een veilige spanning kunnen werken en de onbeschermde metalen delen van deze apparaten die niet bestemd zijn om onder spanning te staan maar die ten gevolge van een defect onder spanning kunnen geraken, moeten geaard zijn. De Administratie kan extra voorzorgsmaatregelen voorschrijven voor draagbare elektrische lampen, gereedschappen en soortgelijke apparaten die bestemd zijn voor gebruik in ingesloten of uitzonderlijk vochtige ruimten, waar ten gevolge van geleidbaarheid in het bijzonder gevaar kan bestaan.
(c) Elektrische apparaten moeten zodanig geconstrueerd en geplaatst zijn, dat zij bij normaal gebruik en aanraking geen lichamelijk letsel veroorzaken.
(2) Hoofd- en noodschakelborden moeten zodanig geplaatst en ingericht zijn, dat zij gemakkelijk toegang verlenen zoals verlangd kan worden voor apparatuur en uitrusting zonder gevaar op te leveren voor het bedienend personeel. De zijkanten en de achterzijden en waar nodig de voorzijden van schakelborden moeten doelmatig zijn beschermd. Bij een spanning tegen aarde die een door de Administratie te bepalen waarde te bovengaat, mogen geen onbeschermde onder spanning staande delen aan de voorzijde van deze schakelborden zijn geplaatst. Waar nodig moeten aan de voor- en achterzijde matten of roosters van niet geleidend materiaal aanwezig zijn.
(3)
(a) Verdeelsystemen waarbij het casco als terugleider wordt gebruikt zijn niet toegestaan voor kracht, verwarming of verlichting in vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt.
(b) Het ingevolge sub-paragraaf (a) bepaalde sluit onder bepaalde, door de Administratie goedgekeurde, voorwaarden niet uit het gebruik van:
(i) Katodische beschermingssystemen voor de scheepshuid;
(ii) begrensde en ter plaatse geaarde systemen; of
(iii) inrichtingen voor de controle van de isolatietoestand, mits de stroomsterkte onder de meest ongunstige omstandigheden niet hoger is dan 30 milliampère.
(c) Wanneer voor de stroomverdeling het casco als terugleider wordt gebruikt, moeten alle eindgroepen (alle stroomkringen die na de laatste beveiligingsinrichting zijn aangebracht) dubbelpolig zijn en moeten bijzondere voorzorgsmaatregelen ten genoegen van de Administratie getroffen zijn.
(4) Indien een ongeaard primair of secundair verdeelnet voor kracht, verwarming of verlichting wordt gebruikt, moet een meetinrichting zijn aangebracht waarmee de isolatietoestand ten opzichte van de aarde voortdurend kan worden gecontroleerd en die geschikt is voor het geven van een hoorbaar of zichtbaar signaal indien een abnormaal lage isolatiewaarde is bereikt.
(5)
(a) Alle metalen mantels en bewapening van kabels moeten in elektrische zin doorverbonden en geaard zijn, tenzij de Administratie in buitengewone omstandigheden toestaat dat hiervan wordt afgeweken.
(b) Alle elektrische kabels moeten ten minste van een brandvertragend type zijn en moeten zodanig zijn aangebracht, dat hun oorspronkelijk brandvertragende eigenschappen niet nadelig worden beïnvloed. De Administratie kan het gebruik van speciale soorten kabels toestaan, indien zulks noodzakelijk is in verband met de bijzondere toepassing, zoals in het geval van hoogfrequentiekabels, waarbij niet voldaan kan worden aan de voorgaande bepalingen.
(c) Elektrische kabels en leidingen die essentiële of noodkrachtverlichting, interne communicatie of signaleringen voeden, moeten op een zo groot mogelijke afstand van kombuizen, ruimten voor machines van categorie A en andere afdelingen die in aanzienlijke mate brandgevaarlijk zijn, alsmede van wasserijen, ruimten voor de behandeling en verwerking van vis en andere (zeer vochtige) ruimten worden aangelegd. Kabels waarmee brandbluspompen zijn aangesloten op het noodschakelbord, moeten van een brandvertragend type zijn wanneer zij door afdelingen lopen die in aanzienlijke mate brandgevaarlijk zijn. Wanneer zulks praktisch uitvoerbaar is, behoren al deze kabels op zodanige wijze te zijn aangebracht, dat voorkomen wordt dat zij onbruikbaar worden door verhitting van de schotten als gevolg van brand in een aangrenzende ruimte.
(d) Wanneer kabels zijn aangebracht in ruimten waar in geval van een elektrische storing brand- of explosiegevaar bestaat, moeten ten genoegen van de Administratie bijzondere voorzorgsmaatregelen tegen zodanige gevaren getroffen zijn.
(e) De leidingen moeten zodanig zijn aangebracht, dat beschadiging door schavielen of andere oorzaak wordt voorkomen.
(f) Aansluitingen en verbindingen in alle leidingen moeten zodanig gemaakt zijn, dat de oorspronkelijke elektrische, mechanische, brandvertragende en, waar nodig, brandwerende eigenschappen van de kabel behouden blijven.
(g) Kabels die in koelafdelingen zijn aangebracht, moeten geschikt zijn voor gebruik bij lage temperaturen en bij een hoge vochtigheidsgraad.
(6)
(a) Stroomkringen moeten tegen kortsluiting beveiligd zijn. Stroomkringen moeten tevens tegen overbelasting zijn beveiligd, uitgezonderd in de gevallen waarin Voorschrift 51 van toepassing is of waarin de Administratie bij uitzondering kan toestaan dat hiervan wordt afgeweken.
(b) De nominale waarde of de gewenste afstelling van de beveiliging tegen overbelasting van elke stroomkring moet blijvend zijn aangegeven op de plaats van de beveiliging.
(7) Verlichtingsarmaturen moeten zodanig zijn ingericht, dat temperatuurstijgingen die schade aan de leidingen zouden kunnen veroorzaken, zomede een overmatige verwarming van het in de omgeving aanwezige materiaal, worden voorkomen.
(8) Verlichtings- en krachtinstallaties die eindigen in een ruimte waar brand- of explosiegevaar bestaat, moeten van een buiten de ruimte aangebrachte scheidingsschakelaar zijn voorzien.
(9)
(a) De ruimte waarin een accumulatorenbatterij is ondergebracht, moet ten genoegen van de Administratie ingericht zijn en geventileerd worden.
(b) Elektrische en andere machines en toestellen die een ontstekingsbron van ontvlambare dampmengsels zouden kunnen vormen, mogen in deze ruimten niet zijn aangebracht, behalve wanneer zulks is toegestaan ingevolge paragraaf (10).
(c) Een accumulatorenbatterij mag niet in ruimten voor accommodatie worden geplaatst, tenzij deze wordt geïnstalleerd in een hermetisch gesloten kist.
(10) In ruimten waar verwacht kan worden dat brandbare gasmengsels zich zullen verzamelen en in ruimten die in de eerste plaats zijn bestemd voor het onderbrengen van een accumulatorenbatterij, mogen geen elektrische machines en toestellen worden aangebracht, tenzij de Administratie van oordeel is dat deze:
(a) noodzakelijk zijn voor bedrijfsdoeleinden;
(b) van een type zijn dat het betreffende gasmengsel niet kan ontsteken;
(c) geschikt zijn voor de betreffende ruimte; en
(d) geschikt verklaard zijn voor een veilig gebruik bij stof, damp of gas waarvan de aanwezigheid waarschijnlijk is.
(11) Aan alle houten masten of stengen moeten bliksemafleiders zijn aangebracht. Op vaartuigen die van niet geleidende materialen zijn vervaardigd, moeten de bliksemafleiders door middel van geschikte geleiders verbonden zijn met een koperen plaat die ruimschoots onder de waterlijn aan de romp van het vaartuig moet zijn bevestigd.
- Regeling
- Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 02-04-1977
- BWB-id
- BWBV0003251
- Versie
- 1977-04-02_0