Voorschrift 55 Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
- ELEKTRISCHE INSTALLATIES
(1) Een onafhankelijke elektrische noodkrachtbron moet aanwezig zijn, die ten genoegen van de Administratie buiten de ruimten voor machines moet zijn opgesteld en die zodanig moet zijn ingericht, dat haar goede werking in geval van brand of andere oorzaken, waardoor de elektrische hoofdinstallaties uitvallen, verzekerd is.
(2) De elektrische noodkrachtbron moet, rekening houdend met de aanloopstroom en de variabele aard van bepaalde belastingen, gedurende een periode van ten minste drie uur in staat zijn gelijktijdig te bedienen:
(a) het interne verbindingssysteem, de brandontdekkingsinstallaties en signaleringen die in het geval van nood nodig zijn;
(b) de navigatielichten in geval deze alleen elektrisch zijn, alsmede de noodverlichting:
(i) bij de plaatsen waar de reddingboten en reddingvlotten van het vaartuig te water moeten worden gebracht, alsmede ter plaatse buitenboord;
(ii) in alle gangen, bij alle trappen en uitgangen;
(iii) in ruimten waar de machines of de noodkrachtbron zijn ondergebracht;
(iv) in de controlestations; en
(v) in de ruimten waar de vis wordt behandeld en verwerkt; en
(c) de behandeling van de noodbrandbluspomp, indien aanwezig.
(3) De noodkrachtbron kan zijn hetzij een generator, hetzij een accumulatorenbatterij.
(4)
(a) Indien de noodkrachtbron een generator is, moet deze ten genoegen van de Administratie voorzien zijn van een onafhankelijke brandstofvoeding en van een doelmatige aanzetinrichting. Tenzij een tweede onafhankelijke aanzetinrichting van de noodgenerator aanwezig is, moet de enkelvoudige krachtbron voor het aanzetten beschermd worden ten einde te voorkomen dat deze door het automatisch werkende aanzetsysteem volledig wordt uitgeput.
(b) Indien de elektrische noodkrachtbron een accumulatorenbatterij is, moet deze in staat zijn de noodbelasting zonder wederopladen op te nemen, terwijl de spanning van de batterij gedurende de ontladingstijd binnen plus of min 12 percent van haar nominale spanning moet worden gehandhaafd. Indien de hoofdvoeding uitvalt, moet deze accumulatorenbatterij automatisch aangesloten worden op het noodschakelbord en moet deze onmiddellijk ten minste de in paragraaf (2) (a) en (b) omschreven diensten voeden. Het noodschakelbord moet zijn voorzien van een hulpschakelaar waarmee de batterij met de hand kan worden ingeschakeld in geval de automatische inrichting uitvalt.
(5) Het noodschakelbord moet zo dicht mogelijk bij de noodkrachtbron worden opgesteld en overeenkomstig paragraaf (1) gelegen zijn. Indien de noodkrachtbron een generator is, moet het noodschakelbord in dezelfde ruimte zijn aangebracht, tenzij de werking van het noodschakelbord daardoor nadelig zou worden beïnvloed.
(6) Accumulatorenbatterijen die ingevolge dit Voorschrift geplaatst zijn, met uitzondering van die voor de radiozender en- ontvanger in vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, moeten in een goed geventileerde ruimte zijn opgesteld; deze ruimte mag niet de ruimte zijn waar het noodschakelbord is ondergebracht. Een aanvvijsinstrument moet op een geschikte plaats op het hoofdschakelbord of in de controlekamer voor de machines worden geplaatst, ten einde aan te geven dat de batterij die de noodkrachtbron vormt, ontladen wordt. Het noodschakelbord moet bij normaal bedrijf vanaf het hoofdschakelbord gevoed worden door een hiervoor bestemde kabelverbinding die op het hoofdschakelbord beveiligd moet zijn tegen overbelasting en kortsluiting. De inrichting op het noodschakelbord moet zodanig zijn, dat kabelverbinding met het hoofdschakelbord automatisch wordt verbroken op het noodschakelbord wanneer de hoofdvoeding uitvalt en moet tevens zodanig zijn, dat bij vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, een automatische verbinding tot stand wordt gebracht met de noodvoeding, indien zich een zodanige storing voordoet. Wanneer de installatie is ingericht voor terugvoeding, moet de kabelverbinding ook op het noodschakelbord ten minste een beveiliging hebben tegen kortsluiting.
(7) De noodgenerator met de daarbij behorende aandrijfinrichting en elke accumulatorbatterij moet zodanig zijn ingericht, om de goede werking te verzekeren bij maximaal vermogen wanneer het vaartuig recht ligt en wanneer het naar beide zijden tot een hoek van 22½ graden slingert en tegelijkertijd een dynamische stampbeweging over boeg en achtersteven tot 7½ graden maakt, dan wel zich binnen deze grenzen in enige combinatie van hoeken bevindt.
(8) De elektrische noodkrachtbron en de automatische startinrichting moeten zodanig zijn geconstrueerd en ingericht, dat zij op eenvoudige wijze door de bemanning kunnen worden beproefd terwijl het vaartuig in bedrijf is.
- Regeling
- Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 02-04-1977
- BWB-id
- BWBV0003251
- Versie
- 1977-04-02_0