wetzoeker

Voorschrift 49 Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977

- MACHINE-INSTALLATIES

(1) Een doelmatige lenspomp-inrichting die in staat is onder alle omstandigheden die zich in de praktijk kunnen voor doen en ongeacht of het schip recht ligt dan wel slagzij maakt, uit elke waterdichte ruimte die niet blijvend bestemd is als olie- of watertank, te pompen en te lenzen, moet aanwezig zijn. Zo nodig moeten zuigpijpen naar de zijden van de ruimten zijn aangebracht. Voorzieningen moeten zijn getroffen opdat het water gemakkelijk naar de zuigpijpen kan stromen. De lenspompinrichtingen behoeven in bepaalde ruimten niet te zijn aangebracht, indien naar het oordeel van de Administratie de veiligheid van het vaartuig daardoor niet is verminderd.

(2)

(a) Ten minste twee onafhankelijk mechanisch aangedreven lenspompen moeten aanwezig zijn; hiervan mag één door de hoofdmotor worden aangedreven. Een ballastpomp of andere algemene dienstpomp van een voldoende capaciteit kan als mechanisch aangedreven lenspomp worden gebruikt.

(b) Mechanisch aangedreven lenspompen moeten ten minste in staat zijn het water met een snelheid van 2 meter per seconde door de hoofdlensleiding te pompen, die een inwendige diameter moet hebben van ten minste:

waarbij d de inwendige diameter in millimeters is en L, B en D in meters zijn uitgedrukt.

(c) Elke lenspomp die overeenkomstig dit Voorschrift is aangebracht, moet voorzien zijn van een rechtstreekse zuigleiding, waarbij één van de zuigleidingen aan bakboordzijde van de ruimte voor machines moet kunnen zuigen en de andere aan stuurboordzijde, doch voor vaartuigen met een lengte van minder dan 75 meter behoeft slechts één lenspomp met een rechtstreekse lensleiding te zijn aangebracht.

(d) De inwendige diameter van een lensleiding mag niet kleiner zijn an 50 millimeter. De inrichting en afmetingen van de lensinstallatie moeten zodanig zijn, dat de totale capaciteit van de pomp zoals hierboven is omschreven, kan worden aangewend voor elk van de waterdichte ruimten die liggen tussen het aanvaringsschot en het achterpiekschot.

(3) Een lensejector in samenwerking met een onafhankelijk aangedreven hogedrukzeewaterpomp mag zijn aangebracht ter vervanging van één van de onafhankelijk aangedreven lenspompen zoals deze zijn voorgeschreven ingevolge paragraaf (2) (a), mits deze inrichting ten genoegen van de Administratie is.

(4) Vaartuigen waarbij ten gevolge van de behandeling en verwerking van vis grote hoeveelheden water in ingesloten ruimten kunnen komen, moeten zijn voorzien van een deugdelijke afvoerinrichting.

(5) Lensleidingen mogen niet lopen door brandstofolie- en ballasttanks of door dubbele bodemtanks, tenzij deze pijpen van een dikwandige stalen constructie zijn.

(6) De lens- en ballastsystemen moeten zodanig ingericht zijn, dat het is uitgesloten dat water van buitenboord of uit waterballastruimten naar laadruimen of ruimten voor machines of uit de ene waterdichte ruimte naar de andere kan stromen. De aansluiting aan de lensleiding van een pomp die zeewater of water uit waterballastruimten aanzuigt, moet zijn voorzien van een terugslagklep of van een kraan die niet tegelijkertijd geopend kan worden naarde vullingen en naar zee, of naar de vullingen en waterballastruimten. Kleppen in de verdeelkasten van de lensleiding moeten van het terugslag-type zijn.

(7) Elke lensleiding die een aanvaringsschot doorboort, moet ter plaatse van het schot zijn voorzien van een afsluitmiddel dat vanaf het werkdek kan worden geborgd door middel van afstandbediening die is voorzien van een standaanwijzer van de klep, behoudens dat de afstandsbediening achterwege gelaten kan worden, indien de klep is aangebracht aan de achterzijde van het schot en onder alle bedrijfsomstandigheden gemakkelijk toegankelijk is.

Regeling
Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
02-04-1977
BWB-id
BWBV0003251
Versie
1977-04-02_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl