Voorschrift 48 Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
- MACHINE-INSTALLATIES
(1) Vloeibare brandstof met een vlampunt van minder dan 60 graden celsius (proef volgens de gesloten cup-methode) zoals bepaald met een goedgekeurd apparaat ter bepaling van het vlampunt mag niet als brandstof worden gebruikt, behalve voor noodgeneratoren, in welk geval het vlampunt niet lager mag zijn dan 43 graden celsius. De Administratie mag echter het algemene gebruik toestaan van brandstofolie met een vlampunt dat niet lager is dan 43 graden celsius onder zodanige extra voorzorgen als zij nodig acht en op voorwaarde dat de temperatuur van de ruimte waarin zulke brandstof is opgeslagen of wordt gebruikt, niet zal stijgen tot minder dan 10 graden celsius onder het vlampunt van de brandstof.
(2) Veilige en doeltreffende middelen ter bepaling van de hoeveelheid brandstofolie in een tank dienen aanwezig te zijn. Indien peilpijpen zijn aangebracht, moeten de boveneinden daarvan op veilige plaatsen uitkomen en voorzien zijn van passende middelen voor afsluiting. Buisvormige peilglazen mogen niet zijn aangebracht, maar behoorlijk beveiligde peilglazen voorzien van vlakke glazen van aanmerkelijke dikte en zelfsluitende appendages mogen wel worden gebruikt. Andere middelen ter vaststelling van de hoeveelheid brandstofolie in een tank mogen worden toegestaan, mits het onklaar raken daarvan of het overvullen van de tanks het niet mogelijk maakt dat daardoor brandstof olie buiten de tank geraakt.
(3) Voorzieningen moeten worden getroffen ter vermijding van overdruk in elke brandstof olietank of in elk gedeelte van het brandstofoliesysteem, met inbegrip van de vulpijpen. Ontlastkleppen en ontluchtings- of overvloeipijpen moeten op een veilige plaats en op een veilige manier uitmonden en ontlasten.
(4) Ten genoegen van de Administratie moeten brandstofolieleidingen waaruit bij beschadiging olie zou kunnen weglopen uit een boven de dubbele bodem opgestelde voorraad-, bezink- of dagtank, zijn voorzien van een kraan of afsluiter aan de tank die vanaf een veilige plaats buiten de betrokken ruimte waarin zulke tanks zijn geplaatst, kan worden gesloten in het geval dat brand zou uitbreken in de ruimte waarin deze tanks zijn gelegen. Voor het bijzondere geval van dieptanks die in een schroefas- of pijpentunnel of soortgelijke ruimte zijn gelegen, moeten afsluiters aan de tank zijn aangebracht, doch de afsluiting voor het geval er brand ontstaat, mag worden bewerkstelligd door middel van een extra afsluiter in de leiding of leidingen buiten de tunnel of soortgelijke ruimte. Indien een dergelijke extra afsluiter is aangebracht in de ruimte voor machines, moet deze buiten deze ruimte kunnen worden bediend.
(5) Pompen die deel uitmaken van het brandstofleidingsysteem moeten gescheiden zijn van elk ander leidingsysteem en de aansluitingen op de betrokken pompen moeten zijn voorzien van een doelmatige ontlastklep, die deel uitmaakt van een gesloten systeem. Wanneer brandstofolietanks tevens gebruikt kunnen worden als ballasttanks, moeten passende voorzieningen zijn getroffen om het brandstofleidingsysteem en het ballastleidingsysteem van elkaar te scheiden.
(6) Olietanks mogen niet zodanig zijn gelegen dat olieverlies of lekken van olie daaruit door het vallen op hete oppervlakken een gevaar kan vormen. Voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om te voorkomen dat olie onder druk die uit een pomp, filter of verhitter zou kunnen ontsnappen, in aanraking komt met hete oppervlakken.
(7)
(a) Brandstofleidingen en hun afsluiters en appendages moeten van staal of ander gelijkwaardig materiaal vervaardigd zijn, met dien verstande dat beperkt gebruik van flexibele leidingen kan worden toegestaan op plaatsen waar deze naar het oordeel van de Administratie noodzakelijk zijn. Zulke flexibele leidingen en hun eindbevestigingen moeten van voldoende sterkte zijn en moeten ten genoegen van de Administratie vervaardigd zijn van goedgekeurd brandbestendig materiaal of voorzien zijn van een brandbestendige beschermlaag.
(b) Waar zulks noodzakelijk is, moeten brandstofolie- en smeeroliepijpleidingen afgeschermd worden of op andere wijze passend beveiligd worden ten einde, voor zover praktisch uitvoerbaar is, olienevel of olielekkage op hete oppervlakken of in luchtinlaten van werktuigen te voorkomen. Het aantal flensverbindingen in pijpleidingen moet tot een minimum beperkt worden.
(8) Voor zover praktisch uitvoerbaar is, moeten de brandstofolietanks deel uitmaken van de scheepsconstructie en buiten de ruimten voor machines van categorie A gelegen zijn. Wanneer brandstofolietanks, die geen dubbele bodemtanks zijn, noodzakelijkerwijze naast of in ruimten voor machines van categorie A gelegen zijn, moet ten minste één van hun verticale zijden samenvallen met de begrenzingswanden van de ruimte voor machines en moeten zij bij voorkeur een gemeenschappelijke begrenzingswand hebben met dubbele bodemtanks indien deze zijn aangebracht en moet de oppervlakte van de begrenzingswand tussen de tank en de ruimte voor machines zo klein mogelijk zijn. Wanneer zulke tanks gelegen zijn binnen de begrenzingswanden van ruimten voor machines van categorie A, mogen zij geen brandstofolie bevatten met een vlampunt dat lager is dan 60 graden celsius (proef volgens de gesloten cup-methode). Over het algemeen moet het gebruik van vrijstaande brandstofolietanks in brandgevaarlijke ruimten en in het bijzonder in ruimten voor machines van categorie A worden vermeden. Wanneer vrijstaande brandstofolietanks zijn toegestaan, moeten zij geplaatst worden in een oliedichte bak van voldoende grootte waarin gemorste olie wordt opgevangen en voorzien van een passende aflooppijp naar een olieaflooptank van behoorlijke afmetingen.
(9) De ventilatie van de ruimten voor machines moet onder alle normale omstandigheden voldoende zijn ten einde een concentratie van oliedamp te voorkomen.
(10) De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van olie voor smeeroliesystemen onder druk moeten ten genoegen van de Administratie zijn. Zulke inrichtingen die zijn aangebracht in ruimten voor machines van categorie A en, waar mogelijk, in andere ruimten voor machines, moeten ten minste voldoen aan het bepaalde in de paragrafen (1), (3), (6) en (7) en voor zover de Administratie zulks noodzakelijk mocht achten, aan de paragrafen (2) en (4). Zulks sluit het gebruik van kijkglazen in smeeroliesystemen niet uit, mits door middel van proeven is aangetoond dat zij in behoorlijke mate brandbestendig zijn.
(11) De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van andere ontvlambare oliën die onder druk worden gebruikt in hydraulische systemen voor het overbrengen van vermogen en die geen oliën zijn als bedoeld in paragraaf (10), zomede oliën die worden gebruikt in bedienings-, bekrachtigings- en verwarmingssystemen, moeten ten genoegen van de Administratie zijn. Op plaatsen waar ontstekingsbronnen aanwezig zijn, moeten dergelijke inrichtingen ten minste voldoen aan het bepaalde in de paragrafen (2) en (6) en ten aanzien van sterkte en constructie aan het bepaalde in de paragrafen (3) en (7).
- Regeling
- Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 02-04-1977
- BWB-id
- BWBV0003251
- Versie
- 1977-04-02_0