Voorschrift 12A Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij
BOUW
1 Dit voorschrift is van toepassing op alle schepen met een totale brandstofoliecapaciteit van 600 m3 en meer waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 augustus 2010, zoals omschreven in voorschrift 1.28.9 van deze Bijlage.
2 De toepassing van dit voorschrift bij het bepalen van de locatie van tanks die gebruikt worden voor het vervoer van brandstofolie heeft geen voorrang boven de toepassing van voorschrift 19 van deze Bijlage.
3 Voor de toepassing van dit Voorschift zijn de volgende begripsomschrijvingen van toepassing:
.1. „brandstofolie”, elke olie gebruikt als brandstof voor de voortstuwings- en hulpmachines van het schip dat dergelijke olie aan boord heeft.
.2. „diepgang op de lastlijn (dS)”: de verticale afstand, in meters, van de basislijn van de mal midscheeps gemeten naar de waterlijn overeenkomstig het aan het schip toegekende zomervrijboord.
.3. „diepgang bij leeg schip” is de midscheepse diepgang naar de mal gemeten overeenkomstig het leeg gewicht.
.4. „Diepgang op de partiële lastlijn (dP)” is de diepgang bij leeg schip plus 60% van het verschil tussen de diepgang bij leeg schip en de diepgang op de lastlijn (ds). De diepgang op de partiële lastlijn (dP) wordt gemeten in meters.
.5. „Waterlijn dB”: de verticale afstand, in meters, van de basislijn van de mal midscheeps gemeten naar de waterlijn overeenkomstig 30% van holte DS.
.6. „Breedte BS”: de grootste breedte naar de mal van het schip, in meters, op of onder de diepste lastlijn ds.
.7. „Breedte BB”: de grootste breedte naar de mal van het schip, in meters, op of onder de waterlijn dB.
.8. „Holte DS”: de holte naar de mal, in meters, midscheeps gemeten op het bovendek in de zijde. Voor de toepassing van dit onderdeel wordt onder „bovendek” verstaan het bovenste dek tot hetwelk de waterdichte dwarsschotten, uitgezonderd de achterpiekschotten, zijn opgetrokken.
.9. „Lengte L”: 96% van de totale lengte op een waterlijn op 85% van de kleinste holte naar de mal gemeten vanaf de bovenzijde van de kiel, of de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning op die waterlijn, indien deze laatste lengte groter is.
Bij schepen die met stuurlast zijn ontworpen, dient de waterlijn waarop deze lengte gemeten wordt evenwijdig aan de constructiewaterlijn te worden genomen. De lengte L wordt gemeten in meters.
.10. „Breedte B”: de grootste breedte van het schip in meters, midscheeps gemeten op de buitenkant van de spanten bij een schip met een metalen huid en op de buitenkant van de romp bij een schip met een huid van ander materiaal.
.11. „Brandstofolietank”: een tank waarin olie wordt vervoerd, uitgezonderd tanks die bij normale bedrijfsvoering geen brandstofolie zouden bevatten, zoals overlooptanks.
.12. „Kleine brandstofolietank”: een brandstofolietank met een maximale individuele capaciteit van ten hoogste 30 m3.
.13. „C”: het totale volume aan brandstofolie van het schip, met inbegrip van het volume van kleine brandstofolietanks, in m3 bij een tankvulling van 98%.
.14. „Brandstofoliecapaciteit”: het volume van een tank in m3, bij een tankvulling van 98%.
4 De bepalingen van dit voorschrift zijn van toepassing op alle brandstofolietanks uitgezonderd kleine brandstofolietanks, zoals omschreven in 3.12, mits de totale capaciteit van deze niet meegerekende tanks ten hoogste 600 m3 bedraagt.
5 De capaciteit van individuele brandstofolietanks mag ten hoogste 2.500 m3 bedragen.
6 Bij schepen, anders dan hefbooreilanden, met een totale brandstofoliecapaciteit van 600 m3 of meer dienen de brandstofolietanks zodanig geplaatst te zijn dat de tanks zich bevinden boven de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating, nergens minder dan afstand h, zoals hieronder vermeld:
h = B/20 m of,
h = 2,0 m, naargelang welk getal het kleinst is.
De minimumwaarde van h = 0,76 m.
In het gebied van de ronding van de kim en op plaatsen zonder duidelijk afgebakende ronding van de kim dient de grenslijn van de brandstofolietank parallel te lopen aan de lijn van het midscheepse vlak, zoals weergegeven in figuur 1.
7 Bij schepen met een totale brandstofoliecapaciteit van 600 m3 of meer maar minder dan 5.000 m3, dienen de brandstofolietanks zodanig te zijn geplaatst dat zij zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op een kleinere afstand dan de afstand w die, zoals weergegeven in figuur 2, wordt gemeten op iedere dwarsdoorsnede die een rechte hoek maakt met de zijbeplating van het schip, zoals hieronder omschreven:
w = 0,4 + 2,4 C/20.000 m
De minimumwaarde van w = 1,0 m; voor individuele tanks met een brandstofoliecapaciteit van minder dan 500 m3 bedraagt de minimumwaarde echter 0,76 m.
8 Bij schepen met een totale brandstofoliecapaciteit van 5.000 m3 of meer dienen de brandstofolietanks zodanig te zijn geplaatst dat zij zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op een kleinere afstand dan de afstand w die, zoals weergegeven in figuur 2, wordt gemeten op iedere dwarsdoorsnede die een rechte hoek maakt met de zijbeplating van het schip, zoals hieronder omschreven:
w = 0,5 + C/20.000 m of
w = 2,0 m, naargelang welk getal het kleinst is.
De minimumwaarde van w = 1,0 m.
9 Brandstofolieleidingen die zich op een geringere hoogte dan h, zoals omschreven in lid 6, van het scheepsvlak bevinden of op een kleinere afstand dan w, zoals omschreven in lid 7 en 8, van de zijde van het schip, dienen te zijn voorzien van afsluiters of soortgelijke afsluitmiddelen in of vlak naast de brandstofolietank. Deze afsluiters moeten vanuit een gemakkelijk toegankelijke gesloten ruimte kunnen worden bediend; deze ruimte moet vanaf de navigatiebrug of vanaf de plaats van waar de bediening van de voortstuwingsmachines plaatsvindt, kunnen worden bereikt zonder blootgestelde vrijboord- of opbouwdekken te betreden. Wanneer het systeem voor afstandsbediening defect raakt (defect in gesloten stand) dienen de afsluiters gesloten te worden en op zee gesloten te blijven op elk moment waarop de tank brandstofolie bevat; zij mogen evenwel worden geopend tijdens het verpompen van brandstofolie.
10 Zuigputten in brandstofolietanks kunnen uitsteken in de dubbele bodem onder de grenslijn die wordt bepaald door de afstand h, op voorwaarde dat die putten zo klein zijn als praktisch mogelijk is en de afstand tussen de bodem van de put en de vlakbeplating niet minder bedraagt dan 0,5 h.
11 In plaats van aan het bepaalde in lid 6 en lid 7 of 8, kunnen schepen ook voldoen aan de onderstaande norm inzake de onbedoelde uitstroming van olie:
.1. Het niveau van bescherming tegen verontreiniging door olie in geval van een aanvaring of stranding wordt als volgt beoordeeld op basis van de gemiddelde olie-uitstroomparameter:
OM < 0,0157-1,14E-6 AC | voor 600 m3 ≤ C < 5.000 m3
OM ≤ 0,010 | voor C ≥ 5.000 m3
waarbij:
OM = gemiddelde-olieuitstroomparameter
C = totale brandstofolievolume
.2. De volgende algemene aanname is van toepassing bij de berekening van de gemiddelde olie-uitstroomparameter:
.1. Het schip wordt geacht te zijn geladen tot op de diepgang op de partiële lastlijn (dP) zonder trim of slagzij;
.2. alle brandstofolietanks worden geacht geladen te zijn tot 98% van hun volume;
.3. de nominale dichtheid van de brandstofolie (ρn) wordt over het algemeen gesteld op 1,000 kg/m3. Indien de dichtheid van de brandstofolie specifiek tot een lagere waarde beperkt wordt, mag deze lagere waarde worden toegepast; en
.4. ten behoeve van deze uitstromingsberekeningen, wordt de permeabiliteit van elke brandstofolietank op 0,99 gesteld, tenzij anderszins vastgesteld.
.3. Het combineren van de olie-uitstroomparameters geschiedt op basis van de volgende aannames:
.1. De gemiddelde olie-uitstroom wordt afzonderlijk berekend voor zijschade en voor bodemschade en vervolgens op de volgende wijze gecombineerd in een niet-dimensionale olie-uitstroomparameter OM:
OM = (0,4 OMS + 0,6 OMB)/C
waarbij:
OMS = gemiddelde uitstroom bij zijschade, in m3;
OMB = gemiddelde uitstroom bij bodemschade, in m3;
C = totaal brandstofolievolume.
.2. Bij bodemschade wordt de gemiddelde uitstroomwaarde afzonderlijk berekend voor een getij van 0,0 m en -2,5 m en vervolgens op de volgende wijze gecombineerd:
waarbij:
OMB = 0,7 OMB(0) + 0,3 OMB(2,5)
OMB(0) = gemiddelde uitstroom bij een getij van 0,0 m; en
OMB(2.5) = gemiddelde uitstroom bij een getij van -2,5 m in m3.
.4. De gemiddelde uitstroom bij zijschade OMS wordt als volgt berekend:
waarbij:
i = elke desbetreffende brandstofolietank;
n = het totale aantal brandstofolietanks;
Ps(i) = de kans op doorboring van brandstofolietank i als gevolg van zijschade, berekend in overeenstemming met lid 11.6 van dit voorschrift;
Os(i) = de uitstroom, in m3, bij zijschade aan brandstofolietank i, die wordt verondersteld gelijk te zijn aan het totale volume in brandstofolietank i bij een tankvulling van 98%.
.5. De gemiddelde uitstroom bij bodemschade wordt voor elk getij op de volgende wijze berekend:
.1. waarbij:
i = elke desbetreffende brandstofolietank;
n = het totale aantal brandstofolietanks;
PB(i) = de kans op doorboring van brandstofolietank i als gevolg van bodemschade, berekend in overeenstemming met lid 11.7 van dit voorschrift;
OB(i) = de uitstroom uit brandstofolietank i, in m3, berekend in overeenstemming met lid 11.5.3 van dit voorschrift; en
CDB(i) = factor om rekening te houden met olie-opvang als omschreven in lid 11.5.4.
.2. waarbij:
i, n PB(i) and CDB(i) = zoals hierboven onder .1 omschreven
OB(i) = de uitstroom uit brandstofolietank i, in m3, na getijdeverandering.
.3. De olie-uitstroom OB(i) voor elke brandstofolietank wordt berekend op basis van drukbalansprincipes, in overeenstemming met de volgende aannames:
.1. Het schip wordt verondersteld te zijn gestrand met een trim en helling van nihil, waarbij de diepgang bij stranding voorafgaande aan de getijdeverandering gelijk is aan de diepgang op de partiële lastlijn dP.
.2. Het brandstofolieniveau na schade wordt als volgt berekend:
waarbij:
hF = de hoogte van de brandstofolie boven Zl, in meters;
tC = de getijdeverandering, in meters. Afnames van het getijde worden uitgedrukt als negatieve waarden;
Zl = de hoogte van het laagste punt in de brandstofolietank boven de lijn van onderzijde spanten, in meters;
ρ s = dichtheid van zeewater, gesteld op 1.025 kg/m3; en
ρ n = nominale dichtheid van de brandstofolie, zoals omschreven in 11.2.3.
.3. Bij tanks die door de vlakbeplating worden begrensd wordt de olie-uitstroom OB(i) gesteld op niet minder dan de volgende formule, evenwel niet meer dan de tankcapaciteit:
OB(i) = HW . A
waarbij:
HW = 1,0 m, wanneer YB = 0
HW = BB/50 maar niet groter dan 0,4 m, wanneer YB groter is dan BB/5 of 11,5 m, naargelang welk getal het kleinst is
HW wordt in opwaartse richting gemeten vanaf de lijn van het midscheepse vlak. In het gebied van de ronding van de kim en op plaatsen zonder duidelijk afgebakende ronding van de kim, dient HW te worden gemeten vanaf een lijn die parallel loopt aan de lijn van het midscheepse vlak, zoals voor afstand „h” is weergegeven in figuur 1.
Voor YB-waarden buitenboord BB/5 of 11,5 m, naargelang welk getal het kleinst is, dient HW lineair te worden geïnterpoleerd.
YB = de minimumwaarde van YB over de lengte van de brandstofolietank, wanneer op elke plaats YB de afstand overdwars tussen de zijbeplating bij waterlijn dB en de tank op of onder waterlijn dB is.
A = de maximale horizontale projectie van de oppervlakte van de brandstofolietank tot niveau HW vanaf de bodem van de tank.
.4. In het geval van bodemschade kan een deel van de uitstroom uit een brandstofolietank worden opgevangen in afdelingen anders dan olie-afdelingen. Dit effect wordt benaderd door toepassing van de factor CDB(i) op elke tank, waarbij uitgegaan wordt van het volgende:
CDB(i) = 0,6 voor brandstofolietanks die aan de onderzijde begrensd worden door afdelingen anders dan olie-afdelingen;
CDB(i) = 1 in andere gevallen.
.6. De kans PS dat een afdeling wordt doorboord als gevolg van zijschade wordt als volgt berekend:
.1. PS = PSL . PSV . PST
waarbij:
PSL = (1 – PSf – PSa) = de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de lengtezone die wordt begrensd door Xa en Xf;
PSV = (1 – PSu – PSl) = de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de verticale zone die wordt begrensd door Zl en Zu;
PST = (1 – PSy) = de kans dat de schade zich overdwars uitbreidt tot na de door y gedefinieerde grens.
.2. PSa, PSf, PSu en PSl worden bepaald door lineaire interpolatie op basis van de kansentabel voor zijschade zoals vermeld in lid 11.6.3, en PSy wordt berekend met behulp van de formules zoals vermeld in lid 11.6.3, waarbij:
PSa = de kans dat de schade volledig achter de locatie Xa/L gelegen is;
PSf = de kans dat de schade volledig voor de locatie Xf/L gelegen is;
PSl = de kans dat de schade volledig onder de tank gelegen is.
PSu = de kans dat de schade volledig boven de tank gelegen is; en
PSy = de kans dat de schade volledig buiten de tank gelegen is.
Afdelingsbegrenzingen Xa, Xf, Zl, Zu en y worden als volgt uitgewerkt:
Xa = de afstand over de lengte tussen het achterste einde van L tot aan het achterste punt van de afdeling in kwestie, in meters;
Xf = de afstand over de lengte tussen het achterste einde van L tot aan het voorste punt van de afdeling in kwestie, in meters;
Zl = de verticale afstand van de basislijn van de mal naar het laagste punt van de afdeling in kwestie, in meters; Wanneer Zl groter is dan DS, wordt Zl gesteld op DS;
Zu = de verticale afstand van de basislijn van de mal naar het hoogste punt van de afdeling in kwestie, in meters; Wanneer Zu groter is dan DS, wordt Zu gesteld op DS; en
y = de minimale horizontale afstand gemeten loodrecht op hart schip tussen de desbetreffende afdeling en de zijbeplating in meters
1) Bij symmetrische tankopstellingen wordt de schade voor slechts een zijde van het schip berekend, in welk geval alle „y”-dimensies vanaf die zijde dienen te worden gemeten. Voor asymmetrische tankopstellingen wordt verwezen naar de Toelichting inzake aangelegenheden die verband houden met de onbedoelde uitstroom van olie, aangenomen door de Organisatie bij resolutie MEPC.122(52).
.
Ter plekke van de ronding van de kim hoeft geen rekening te worden gehouden met y onder een afstand h boven de basislijn, wanneer h minder is dan B/10, 3 meter of de bovenzijde van de tank.
.3. Kansentabel voor zijschade
Xa/L | PSa | Xf/L | PSf | Zl/DS | PSl | Zu/DS | PSu
0,00 | 0,000 | 0,00 | 0,967 | 0,00 | 0,000 | 0,00 | 0,968
0,05 | 0,023 | 0,05 | 0,917 | 0,05 | 0,000 | 0,05 | 0,952
0,10 | 0,068 | 0,10 | 0,867 | 0,10 | 0,001 | 0,10 | 0,931
0,15 | 0,117 | 0,15 | 0,817 | 0,15 | 0,003 | 0,15 | 0,905
0,20 | 0,167 | 0,20 | 0,767 | 0,20 | 0,007 | 0,20 | 0,873
0,25 | 0,217 | 0,25 | 0,717 | 0,25 | 0,013 | 0,25 | 0,836
0,30 | 0,267 | 0,30 | 0,667 | 0,30 | 0,021 | 0,30 | 0,789
0,35 | 0,317 | 0,35 | 0,617 | 0,35 | 0,034 | 0,35 | 0,733
0,40 | 0,367 | 0,40 | 0,567 | 0,40 | 0,055 | 0,40 | 0,670
0,45 | 0,417 | 0,45 | 0,517 | 0,45 | 0,085 | 0,45 | 0,599
0,50 | 0,467 | 0,50 | 0,467 | 0,50 | 0,123 | 0,50 | 0,525
0,55 | 0,517 | 0,55 | 0,417 | 0,55 | 0,172 | 0,55 | 0,452
0,60 | 0,567 | 0,60 | 0,367 | 0,60 | 0,226 | 0,60 | 0,383
0,65 | 0,617 | 0,65 | 0,317 | 0,65 | 0,285 | 0,65 | 0,317
0,70 | 0,667 | 0,70 | 0,267 | 0,70 | 0,347 | 0,70 | 0,255
0,75 | 0,717 | 0,75 | 0,217 | 0,75 | 0,413 | 0,75 | 0,197
0,80 | 0,767 | 0,80 | 0,167 | 0,80 | 0,482 | 0,80 | 0,143
0,85 | 0,817 | 0,85 | 0,117 | 0,85 | 0,553 | 0,85 | 0,092
0,90 | 0,867 | 0,90 | 0,068 | 0,90 | 0,626 | 0,90 | 0,046
0,95 | 0,917 | 0,95 | 0,023 | 0,95 | 0,700 | 0,95 | 0,013
1,00 | 0,967 | 1,00 | 0,000 | 1,00 | 0,775 | 1,00 | 0,000
PSy wordt als volgt berekend:
PSy = (24,96 – 199,6 y/BS) (y/BS) | voor y/BS ≤ 0,05
PSy = 0,749 + {5 – 44,4 (y/BS – 0,05)} {(y/BS) – 0,05} | voor 0,05 < y/BS < 0,1
PSy = 0,888 + 0,56 ( y/BS -0,1) | voor y/BS ≥ 0,1
PSy mag niet groter zijn dan 1.
.7. De kans PB dat een afdeling wordt doorboord als gevolg van bodemschade wordt als volgt berekend:
.1. PB = PBL . PBT. PBV
waarbij:
PBL = PBL = (1 – PBf – PBa) = de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de lengtezone die wordt begrensd door Xa en Xf;
PBT = (1 – PBp – PBs) = de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de dwarszone die wordt begrensd door Yp en Ys; en
PBV = (1 – PBz) = de kans dat de schade zich in verticale richting uitstrekt tot boven de door z gedefinieerde grens.
.2. PBa, PBf, PBp en PBs worden bepaald door lineaire interpolatie op basis van de kansentabel voor bodemschade zoals vermeld in lid 11.7.3, en PBz wordt berekend met behulp van de formules zoals vermeld in lid 11.7.3, waarbij:
PBa = de kans dat de schade volledig achter plaats Xa/L gelegen is;
PBf = de kans dat de schade volledig voor plaats Xf/L gelegen is;
PBp = de kans dat de schade volledig aan bakboordzijde van de tank gelegen is;
PBs = de kans dat de schade volledig aan stuurboordzijde van de tank gelegen is; en
PBz = de kans dat de schade volledig onder de tank gelegen is.
Afdelingsbegrenzingen Xa, Xf, Yp, Ys en z worden als volgt uitgewerkt:
Xa en Xf zoals omschreven in 11.6.2;
Yp = de afstand overdwars van het punt aan de uiterste bakboordzijde van de afdeling gelegen op of onder de waterlijn dB, tot een verticaal vlak gelegen op BB /2 aan stuurboordzijde van hart schip;
Ys = de afstand overdwars van het punt aan de uiterste stuurboordzijde van de afdeling gelegen op of onder de waterlijn dB, tot een verticaal vlak gelegen op BB /2 aan stuurboordzijde van hart schip; en
z = de minimumwaarde van z over de lengte van de afdeling, waarbij z, op willekeurig welke plaats over de lengte, de verticale afstand is vanaf het laagste punt van de vlakbeplating op die lengtepositie tot het laagste punt van de afdeling op die lengtepositie.
.3. Kansentabel voor bodemschade
Xa/L | PBa | Xp/L | PBf | Yp/BB | PBp | Ys/BB | PBs
0,00 | 0,000 | 0,00 | 0,969 | 0,00 | 0,844 | 0,00 | 0,000
0,05 | 0,002 | 0,05 | 0,953 | 0,05 | 0,794 | 0,05 | 0,009
0,10 | 0,008 | 0,10 | 0,936 | 0,10 | 0,744 | 0,10 | 0,032
0,15 | 0,017 | 0,15 | 0,916 | 0,15 | 0,694 | 0,15 | 0,063
0,20 | 0,029 | 0,20 | 0,894 | 0,20 | 0,644 | 0,20 | 0,097
0,25 | 0,042 | 0,25 | 0,870 | 0,25 | 0,594 | 0,25 | 0,133
0,30 | 0,058 | 0,30 | 0,842 | 0,30 | 0,544 | 0,30 | 0,171
0,35 | 0,076 | 0,35 | 0,810 | 0,35 | 0,494 | 0,35 | 0,211
0,40 | 0,096 | 0,40 | 0,775 | 0,40 | 0,444 | 0,40 | 0,253
0,45 | 0,119 | 0,45 | 0,734 | 0,45 | 0,394 | 0,45 | 0,297
0,50 | 0,143 | 0,50 | 0,687 | 0,50 | 0,344 | 0,50 | 0,344
0,55 | 0,171 | 0,55 | 0,630 | 0,55 | 0,297 | 0,55 | 0,394
0,60 | 0,203 | 0,60 | 0,563 | 0,60 | 0,253 | 0,60 | 0,444
0,65 | 0,242 | 0,65 | 0,489 | 0,65 | 0,211 | 0,65 | 0,494
0,70 | 0,289 | 0,70 | 0,413 | 0,70 | 0,171 | 0,70 | 0,544
0,80 | 0,409 | 0,80 | 0,252 | 0,80 | 0,097 | 0,80 | 0,644
0,85 | 0,482 | 0,85 | 0,170 | 0,85 | 0,063 | 0,85 | 0,694
0,90 | 0,565 | 0,90 | 0,089 | 0,90 | 0,032 | 0,90 | 0,744
0,95 | 0,658 | 0,95 | 0,026 | 0,95 | 0,009 | 0,95 | 0,794
1,00 | 0,761 | 1,00 | 0,000 | 1,00 | 0,000 | 1,00 | 0,844
PBz wordt als volgt berekend:
PBz = (14,5 – 67 z/DS) (z/DS) | voor z/DS ≤ 0,1
PBz = 0,78 + 1,1 {(z/DS -0,1)} | voor z/DS > 0,1
PBz mag niet groter zijn dan 1.
.8. Ten behoeve van onderhoud en inspectie dienen brandstofolietanks die niet grenzen aan de buitenhuid, te worden geplaatst op een afstand tot de vlakbeplating die niet minder mag bedragen dan de minimumwaarde h in lid 6 en een afstand tot de zijbeplating die niet minder mag bedragen dan de van toepassing zijnde minimumwaarde w in lid 7 of 8.
12 Bij het goedkeuren van het ontwerp en de bouw van schepen die moeten worden gebouwd in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift, houden Administraties naar behoren rekening met de algemene veiligheidsaspecten, met inbegrip van de noodzaak van onderhoud en inspecties van zij- en dubbele-bodemtanks of -ruimten.
- Regeling
- Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij
- Afkortingen
- MARPOL, MARPOL 73/78
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-03-2026
- BWB-id
- BWBV0003241
- Versie
- 2026-03-01_0