wetzoeker

Artikel 5 Protocol tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake voorrechten en immuniteiten van de Nederlandse Taalunie

1 Tegen de leden van de Interparlementaire Commissie van de Taalunie, hierna te noemen „de Commissie”, kan geen opsporing plaats vinden noch kunnen zij worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht.

2 Tijdens de bijeenkomsten van de Commissie genieten de leden:

a. op hun eigen grondgebied, de immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

b. op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm dan ook.

De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van de Commissie begeven óf daarvan terugkeren. Deze immuniteit kan niet worden ingeroepen in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij het recht van de Commissie onverkort laat, de immuniteit van een van haar leden op te heffen.

De immuniteit is niet van toepassing op verkeersdelicten welke begaan werden door een lid van de Commissie, noch is zij van toepassing in gevallen waarin schade is veroorzaakt door een motorrijtuig dat eigendom is van, of bestuurd wordt door een lid van de Commissie.

Regeling
Protocol tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake voorrechten en immuniteiten van de Nederlandse Taalunie
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
17-01-1994
BWB-id
BWBV0002229
Versie
1994-01-17_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl