wetzoeker

Artikel 5 Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie

1 Niettegenstaande artikel II, lid 1, b., van de GATT 1994 mag ieder Lid voor de invoer van een landbouwprodukt waarvoor de in artikel 4, lid 2, van deze Overeenkomst bedoelde maatregelen zijn omgezet in een gewoon douanerecht en dat in zijn Lijst met de afkorting „SSG” (Special Safeguard) is aangeduid als behorend tot een concessie waarvoor een beroep mag worden gedaan op het bepaalde in dit artikel, de bepalingen van lid 4 en lid 5 toepassen, als:

a. de hoeveelheid van dat produkt die in de loop van een jaar wordt ingevoerd in het douanegebied van het Lid dat de concessie verleent, een reactieniveau overschrijdt dat zich tot de geldende markttoegang verhoudt zoals is aangegeven in lid 4 of, maar niet gelijktijdig,

b. de prijs waartegen dat produkt in het douanegebied van het Lid dat de concessie verleent, kan worden ingevoerd en die is bepaald aan de hand van de c.i.f.-prijs bij invoer van de betrokken partij en is uitgedrukt in de nationale valuta van dat Lid, daalt onder een reactieprijs die gelijk is aan de gemiddelde referentieprijs

1) De referentieprijs die wordt gebruikt voor een beroep op het bepaalde in deze alinea is in het algemeen de gemiddelde c.i.f.-prijs per gewichtseenheid van het betrokken produkt of anders een wat betreft de kwaliteit en het verwerkingsstadium van het produkt passende prijs. Nadat deze prijs voor het eerst is toegepast, wordt hij publiek gemaakt voor zover nodig om andere Leden in staat te stellen te bepalen welk aanvullend douanerecht kan worden opgelegd.

voor het betrokken produkt over de periode 1986 tot en met 1988.

2 Invoer in het kader van vigerende markttoegang en van verbintenissen inzake minimummarkttoegang die een onderdeel zijn van een concessie als bedoeld in lid 1 wordt meegerekend voor het bepalen van de ingevoerde hoeveelheid waarbij een beroep kan worden gedaan op de bepalingen van lid 1, a., en lid 4, maar op die invoer mag geen aanvullend douanerecht worden toegepast noch op grond van lid 1, a., en lid 4, noch op grond van lid 1, b., en lid 5.

3 Leveranties van het betrokken produkt die onderweg waren op grond van een contract dat is afgesloten voordat het aanvullende recht op grond van lid 1, a., en lid 4 is ingevoerd, worden vrijgesteld van dat recht, met dien verstande dat die leveranties met het oog op toepassing van de bepalingen van lid 1, a., in het volgende jaar mogen worden gerekend tot de invoer van het betrokken produkt in dat jaar.

4 Aanvullende douanerechten die worden ingevoerd op grond van lid 1, a., mogen slechts worden toegepast tot het einde van het jaar waarin zij zijn ingevoerd en mogen niet hoger zijn dan een derde van het gewone douanerecht in het jaar waarin de maatregel wordt genomen. Het reactieniveau wordt vastgesteld volgens de hierna vermelde formule waarbij wordt uitgegaan van de markttoegang, d.w.z. de invoer als percentage van het betrokken interne verbruik

2) Wanneer geen rekening wordt gehouden met het interne verbruik, geldt het in lid 4, a., bedoelde basisreactieniveau.

in de laatste drie jaren waarvoor gegevens beschikbaar zijn en waarbij in de laatste drie jaren waarvoor gegevens beschikbaar zijn en waarbij

a. als de markttoegang voor een produkt niet groter is geweest dan 10%, het basisreactieniveau 125% bedraagt;

b. als de markttoegang voor een produkt groter is geweest dan 10%, maar niet groter dan 30%, het basisreactieniveau 110% bedraagt;

c. als de markttoegang voor een produkt groter is geweest dan 30%, het basisreactieniveau 105% bedraagt.

Het aanvullende douanerecht mag in alle geval worden ingevoerd in ieder jaar waarin de hoeveelheid van het betrokken produkt die wordt ingevoerd in het douanegebied van het Lid dat de concessie verleent, groter is dan de som van het bovengenoemde basisreactieniveau vermenigvuldigd met de gemiddeld ingevoerde hoeveelheid in de laatste drie jaren waarvoor gegevens beschikbaar zijn (x) en de absolute verandering in het interne verbruik van het betrokken produkt in het meest recente jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn ten opzichte van het daaraan voorafgaande jaar (y), op voorwaarde dat het reactieniveau niet kleiner is dan 105% van de gemiddelde invoer in (x).

5 Het aanvullende douanerecht op grond van lid 1, b., wordt vastgesteld volgens de onderstaande formule:

a. als het verschil tussen de in de nationale valuta uitgedrukte c.i.f.-prijs bij invoer van de partij (hierna de „invoerprijs” genoemd) en de in datzelfde lid 1, b., gedefinieerde reactieprijs niet groter is dan 10% van de reactieprijs, wordt geen aanvullend douanerecht toegepast;

b. als het verschil tussen de invoerprijs en de reactieprijs (hierna het „verschil” genoemd) groter is dan 10%, maar niet groter dan 40% van de reactieprijs, bedraagt het aanvullende douanerecht 30% van het verschil boven 10%;

c. als het verschil groter is dan 40%, maar niet groter dan 60% van de reactieprijs, bedraagt het aanvullende douanerecht 50% van het verschil boven 40%, plus het aanvullende douanerecht op grond van het bepaalde onder b.;

d. als het verschil groter is dan 60%, maar niet groter dan 75%, bedraagt het aanvullende douanerecht 70% van het verschil boven 60% van de reactieprijs, plus de aanvullende douanerechten op grond van het bepaalde onder b. en c.;

e. als het verschil groter is dan 75% van de reactieprijs, bedraagt het aanvullende douanerecht 90% van het verschil boven 75% van de reactieprijs, plus de aanvullende douanerechten op grond van het bepaalde onder b., c. en d..

6 Voor bederfelijke produkten en seizoenprodukten worden de hierboven vastgestelde bepalingen zo toegepast dat rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van deze produkten. Met name mogen voor de toepassing van het bepaalde in lid 1, a., en lid 4 kortere periodes worden gebruikt, namelijk deze periodes van de basisperiode en mogen voor de toepassing van het bepaalde in lid 1, b., verschillende referentieprijzen voor verschillende periodes worden gehanteerd.

7 De vrijwaringsmaatregelen worden verifieerbaar toegepast. Leden die maatregelen nemen op grond van lid 1, a., zenden de Landbouwcommissie onder opgave van de relevante gegevens zo vroeg mogelijk en in ieder geval binnen tien dagen na de invoering ervan een schriftelijke kennisgeving. In gevallen waarin veranderingen in de omvang van het verbruik moeten worden uitgesplitst over verschillende tariefposten waarvoor maatregelen worden genomen op grond van lid 4, moeten de gegevens en methodes met betrekking tot de uitsplitsing van deze veranderingen worden verstrekt. Leden die maatregelen nemen op grond van lid 4 geven belanghebbende Leden de mogelijkheid om met hen te overleggen over de wijze van toepassing van die maatregelen. Leden die maatregelen nemen op grond van lid 1, b., zenden de Landbouwcommissie onder opgave van de relevante gegevens een schriftelijke kennisgeving binnen tien dagen na de invoering van de eerste maatregel of, wat bederfelijke produkten en seizoenprodukten betreft, van de eerste maatregel in een bepaalde periode. De Leden verbinden zich ertoe om, voor zover mogelijk, de bepalingen van lid 1, b., niet toe te passen bij afnemende invoer van de betrokken produkten. In beide gevallen geven Leden die dergelijke maatregelen nemen belanghebbende Leden de mogelijkheid om met hen te overleggen over de wijze van toepassing van die maatregelen.

8 De Leden verbinden zich ertoe om, wanneer maatregelen worden genomen op grond van de leden 1 tot en met 7, ten aanzien van die maatregelen geen gebruik te maken van de bepalingen van artikel XIX, lid 1, a., en lid 3, van de GATT 1994 of artikel 8, lid 2, van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen.

9 De bepalingen van dit artikel gelden voor de duur van het in artikel 20 bedoelde hervormingsproces.

Regeling
Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie
Afkortingen
GATS, GATT 1994, TRIPS, WTO, WTO Oprichting
Soort
Verdrag
Geldend vanaf
23-01-2017
BWB-id
BWBV0001160
Versie
2017-01-23_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl