2 Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972
PLAATSING EN TECHNISCHE BIJZONDERHEDEN VAN LICHTEN EN DAGMERKEN
a Op een werktuiglijk voortbewogen schip met een lengte van 20 meter of meer dienen de toplichten als volgt te worden geplaatst:
(i) het voorste toplicht, of indien slechts één toplicht wordt gevoerd dit ene licht, op een hoogte van niet minder dan 6 meter boven de romp en, indien de breedte van het p meer is dan 6 meter, op een hoogte boven de romp die niet minder is dan deze breedte, met dien verstande echter dat dit licht niet hoger dan 12 meter boven de romp behoeft te worden geplaatst;
(ii) wanneer twee toplichten worden gevoerd, dient het achterste, loodrecht gemeten, ten minste 4,5 meter hoger te zijn geplaatst dan het voorste.
b De loodrechte afstand tussen de toplichten van werktuiglijk voortbewogen schepen dient zodanig te zijn dat in alle toestanden waarbij het schip geen abnormale stuurlast heeft, het achterste licht boven en gescheiden van het voorste licht kan worden gezien vanaf de waterspiegel op een afstand van 1000 meter van de voorsteven.
c Het toplicht van een werktuiglijk voortbewogen schip met een lengte van 12 meter of meer, doch minder dan 20 meter dient te worden geplaatst op een hoogte boven het potdeksel van niet minder dan 2,5 meter.
d Een werktuiglijk voortbewogen schip met een lengte van minder dan 12 meter mag het hoogste licht voeren op een hoogte boven het potdeksel van minder dan 2,5 meter. Wanneer echter behalve een toplicht tevens boordlichten en een heklicht worden gevoerd, of wanneer behalve de boordlichten het rondom zichtbare licht, voorgeschreven in voorschrift 23(c) (i) wordt gevoerd, dient het toplicht of het rondom zichtbare licht ten minste 1 meter hoger dan de boordlichten te worden gevoerd.
e Eén van de twee of drie toplichten, voorgeschreven voor een werktuiglijk voortbewogen schip, bezig met het slepen of duwen van een ander schip, dient op dezelfde plaats als het voorste toplicht of het achterste toplicht te zijn aangebracht, met dien verstande dat het onderste achtertoplicht, wanneer gevoerd aan de achtermast, loodrecht gemeten, ten minste 4,5 meter hoger dan het voorste toplicht dient te zijn aangebracht.
f
(i) Het toplicht of de toplichten, voorgeschreven in Voorschrift 23(a) dient (dienen) boven en vrij van alle andere lichten en afschermende scheepsdelen te zijn geplaatst, behalve in het geval zoals omschreven onder punt (f) (ii).
(ii) Indien het onuitvoerbaar is de rondom zichtbare lichten, voorgeschreven in Voorschrift 27(b) (i) of Voorschrift 28, onder de toplichten te tonen, mogen zij boven het (de) achtertoplicht(en) of loodrecht ten opzichte van elkaar tussen het (de) voortoplicht(en) en achtertoplicht(en) getoond worden, mits in het laatste geval aan de eisen onder punt 3(c) van deze Bijlage wordt voldaan.
g De boordlichten van een werktuiglijk voortbewogen schip dienen te zijn geplaatst op een hoogte boven de romp van niet meer dan driekwart van de hoogte van het voorste toplicht. Zij mogen niet zo laag zijn geplaatst dat hun doelmatigheid wordt verstoord door deklichten.
h De boordlichten dienen, indien gecombineerd in één lantaarn en gevoerd op een werktuiglijk voortbewogen schip met een lengte van minder dan 20 meter, niet minder dan 1 meter onder het toplicht te zijn geplaatst.
i Wanneer de Voorschriften bepalen dat er twee of drie lichten loodrecht ten opzichte van elkaar dienen te worden gevoerd, dient de onderlinge afstand tussen deze lichten als volgt te zijn:
(i) op een schip met een lengte van 20 meter of meer enen deze lichten te zijn geplaatst met een tussenruimte van niet minder dan 2 meter en het onderste van deze lichten dient, behalve daar waar een sleeplicht is vereist, op een hoogte van niet minder dan 4 meter boven de romp te zijn geplaatst;
(ii) op een schip met een lengte van minder dan 20 meter dienen zodanige lichten te zijn geplaatst met een tussenruimte van niet minder dan één meter en het onderste van deze lichten dient, behalve daar waar een sleepplicht is vereist, op een hoogte van niet minder dan 2 meter boven het potdeksel te zijn geplaatst;
(iii) wanneer drie lichten worden gevoerd dienen zij op gelijke onderlinge afstanden te zijn geplaatst.
j Het onderste van de twee rondom zichtbare lichten, voorgeschreven voor een schip bezig met de uitoefening van de visserij, dient te zijn geplaatst op een hoogte boven de boordlichten van niet minder dan tweemaal de afstand tussen de twee loodrecht ten opzichte van elkaar geplaatste lichten.
k Wanneer in overeenstemming met Voorschrift 30(a)(i) voor een ten anker liggend schip twee lichten worden gevoerd, dient het voorste niet minder dan 4,5 meter boven het achterste te zijn geplaatst. Op een schip met een lengte van 50 meter of meer dient dit voorste licht op een hoogte van niet minder dan 6 meter boven de romp te zijn geplaatst.
- Regeling
- Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972
- Afkortingen
- COLREG
- Soort
- Verdrag
- Geldend vanaf
- 01-01-2016
- BWB-id
- BWBV0001014
- Versie
- 2016-01-01_0