wetzoeker

Artikel IV Implementatiewet kapitaalvereisten 2026

1 De Nederlandsche Bank beoordeelt uiterlijk op 10 januari 2027 of een bijkantoor met een vergunning als bedoeld in artikel 2:20 van de Wet op het financieel toezicht, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel S van deze wet, voldoet aan de vereisten van artikel 2:21 van de Wet op het financieel toezicht. Indien het bijkantoor voldoet aan de vereisten, verleent De Nederlandsche Bank een vergunning als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht overeenkomstig artikel 2:21 van die wet onder gelijktijdige intrekking van de vergunning als bedoeld in artikel 2:20 van de Wet op het financieel toezicht, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel S van deze wet. Indien het bijkantoor niet voldoet aan de vereisten, trekt De Nederlandsche Bank de vergunning als bedoeld in artikel 2:20 van de Wet op het financieel toezicht, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel S, van deze wet, in. Artikel 1:104, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht is van overeenkomstige toepassing.

2 De artikelen 2:20, eerste lid, en artikel 3:5, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht zijn niet van toepassing op een in een staat die geen lidstaat is gevestigde onderneming die een overeenkomst heeft gesloten voor 11 juli 2026 met een persoon als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht in Nederland voor de verlening van de in artikel 2:20, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht genoemde activiteiten, met dien verstande dat de artikelen 2:20, eerste lid, en artikel 3:5, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht wel van toepassing worden op het moment dat die overeenkomsten onderhevig zijn aan looptijdverandering of novatie.

3 Verklaringen van geen bezwaar, verkregen op grond van artikel 3:96, eerste lid, onderdelen a, b, of d, van de Wet op het financieel toezicht zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CCC, van deze wet, worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gelijkgesteld met een op grond van artikel 3:96a van de Wet op het financieel toezicht verkregen verklaring van geen bezwaar.

4 Artikel 3:96b, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht is niet van toepassing indien een aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:96, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op het toezicht zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CCC, van deze wet is ingediend of verleend voorafgaand aan deze inwerkingtreding.

5 Een aanvraag van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:96 van de Wet op het financieel toezicht ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CCC, van deze wet wordt, indien op dat tijdstip nog niet onherroepelijk is beslist, gelijkgesteld met een aanvraag als bedoeld in artikel 3:96a van de Wet op het financieel toezicht.

Regeling
Implementatiewet kapitaalvereisten 2026
Soort
Wet
Geldend vanaf
22-09-2026
BWB-id
BWBR0053029
Versie
2026-09-22_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl