wetzoeker

Subsidieregeling co-creatielabs NAPL

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 april 2026, nr. HO&S/63327145, houdende regels voor de subsidieverstrekking ten behoeve van het inrichten van co-creatielabs in het kader van de Nationale Aanpak Professionalisering Leraren (Subsidieregeling co-creatielabs NAPL)

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
05-05-2026
Rechtsgebied
Cultureel recht, Onderwijsrecht
Ministerie
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
BWB-id
BWBR0052599
Versie
2026-05-05_0
SHA-256 bron
e36eee636b7ef95a92cd63819745fc1747d6be5b0ad4c6efca0a37dabbadc1b1

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (28)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 17
  18. Artikel 18
  19. Artikel 19
  20. Artikel 20
  21. Artikel 21
  22. Artikel 22
  23. Educatieve allianties en deelnemende hogeronderwijsinstellingen
  24. Ontwikkelpaden en specialismen
  25. Kwaliteitskader
  26. Samenhang met ontwikkelpaden
  27. Kwaliteitsstandaarden
  28. Kenmerken van effectieve professionalisering

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

aanbodanalyse: beeld van reeds bestaand professionaliseringsaanbod dat aansluit op de vraagarticulatie;

co-creatielab: interdisciplinaire werkplaats waarin op gelijkwaardige basis wordt samengewerkt aan de systematische ontwikkeling van leerarrangementen gericht op de professionele ontwikkeling van leraren.

DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;

educatieve alliantie: samenwerkingsverband, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling;

educatief consortium: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 11, eerste lid;

instellingsbestuur: instellingsbestuur als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel j, van de WHW;

hogeronderwijsinstelling: bekostigde instelling als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel g, van de WHW;

Kaderregeling: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

leerarrangement: samenhangend geheel van formele en informele leeractiviteiten ten behoeve van de professionalisering van leraren, dat past binnen de in bijlage 2 omschreven ontwikkelpaden en dat voldoet aan de in bijlage 3 gestelde kwaliteitscriteria;

leraar: persoon als bedoeld in artikel 2.1, onderdelen a, b c of e van het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel;

lerarenopleiding: op basis van de WHW bekostigde bachelor- of masteropleiding die leidt tot het verkrijgen van een bevoegdheid om onderwijs te geven als bedoeld in de WPO, de WEC, de Wet primair onderwijs BES of de WVO 2020 of die ertoe leidt dat een docent voldoet aan de bekwaamheidseisen voor benoeming of tewerkstelling van docenten als bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel b, van de WEB;

minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

onderwijsregio: onderwijsregio als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling Landelijk dekkend netwerk onderwijsregio’s waarvoor op basis van die regeling subsidie wordt verstrekt;

ontwikkelpaden: in bijlage 2 opgenomen kaders voor professionaliseringstrajecten die door leraren kunnen worden gebruikt om zich te ontwikkelen van start- naar vakbekwaam, of van vakbekwaam naar expert;

penvoerder: penvoerder van een educatief consortium als bedoeld in artikel 5, derde lid;

private opleider: opleider die geen bekostigd onderwijs aanbiedt in de zin van artikel 2.1.1 WEB, artikel 2.1.2 WEB of een bekostigde instelling is in de zin van artikel 1.1, onder g van de WHW;

Realisatie-Eenheid: organisatieonderdeel van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, opgericht in samenwerking met onderwijsraden, lerarenopleidingen en werknemersorganisaties, met de opdracht zorg te dragen voor de vorming van een landelijk dekkend netwerk van onderwijsregio’s en hier regie op te voeren;

sectoren: primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in de WPO, WEC, WVO 2020 en WEB;

school: school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

schoolleider: directeur als bedoeld in artikel 32 van de WPO, artikel 29 van de WEC, of directeur en rector als bedoeld in artikel 7.23 van de WVO 2020;

schoolbestuur: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de WPO, artikel 1 van de WEC, artikel 1.1 van de WVO 2020 of in artikel 1.1.1 van de WEB;

vraagarticulatie: voortdurend proces van afstemming binnen een onderwijsregio waarin professionaliseringsbehoeften van leraren, scholen en schoolbesturen worden gesignaleerd, verkend en doorgrond, waarbij het resultaat van dit proces de basis vormt voor het ontwikkelen, testen en evalueren van professionaliseringstrajecten in een co-creatielab;

WHW: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

WEB: Wet educatie en beroepsonderwijs;

WEC: Wet op de expertisecentra;

WPO: Wet op het primair onderwijs;

WVO 2020: Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 2

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling, met uitzondering van artikel 4.3, eerste lid.

Artikel 3

1 De minister kan aan een penvoerder als bedoeld in artikel 5 subsidie verstrekken voor:

a. het inrichten van een co-creatielab waarin leerarrangementen worden ontwikkeld, getest en geëvalueerd en waarin bestaande leerarrangementen op de in bijlage 3 genoemde kwaliteitscriteria worden getoetst, waarbij de activiteiten in het co-creatielab betrekking hebben op de in bijlage 2 opgenomen ontwikkelpaden en de sectoren voor zover relevant naar aanleiding van de vraagarticulatie en aanbodanalyse; en

b. het voor eenieder kosteloos toegankelijk maken van ontwikkelde en getoetste leerarrangementen als bedoeld in onderdeel a en de overige kennis die door uitvoering van de in onderdeel a bedoelde activiteiten is opgedaan:

1°. via een digitaal platform; en

2°. binnen het educatief consortium en met andere educatieve consortia door middel van deelname aan minimaal drie door de Realisatie-Eenheid te organiseren bijeenkomsten; en

c. het verrichten van onderzoek dat bijdraagt aan kennisdeling als bedoeld onder b, en dat aansluit bij een landelijk onderzoek naar het functioneren van co-creatielabs.

2 Het co-creatielab bestaat in ieder geval uit:

1°. één of meer leraren; en

2°. één of meer lerarenopleidingen; en

3°. één of meerdere werkgevers, die kunnen bestaan uit schoolbesturen, schoolleiders en personen die op de desbetreffende vestiging van een mbo-instelling als directeur werkzaam zijn, voor zover dit blijkt uit de vraagarticulatie en de aanbodanalyse; en

4°. eventueel één of meer private opleiders.

3 Op grond van deze regeling wordt geen subsidie verstrekt voor:

a. het verrichten van vraagarticulatie en aanbodanalyse voorafgaand aan de aanvraag;

b. het verrichten van activiteiten waarvoor de minister reeds uit anderen hoofde subsidie heeft verstrekt;

c. het verrichten van activiteiten die reeds worden bekostigd uit de rijksbijdrage voor scholen of hogeronderwijsinstellingen; en

d. de deelname van leraren aan professionaliseringstrajecten.

Artikel 4

De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bestaat uit een vast bedrag van € 2.700.000 per aanvraag.

Artikel 5

1 De subsidie wordt aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke partij feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende activiteiten.

2 De penvoerder is een instellingsbestuur van een hogeronderwijsinstelling als bedoeld in bijlage 1 die deel uitmaakt van een educatief consortium, en die namens dat educatief consortium als penvoerder optreedt.

3 Per educatieve alliantie kan één daaraan deelnemende hogeronderwijsinstelling worden aangewezen die optreedt als penvoerder van een educatief consortium.

4 Een penvoerder kan zijn penvoerderschap krachtens schriftelijke overeenkomst overdragen aan een ander instellingsbestuur als bedoeld in het tweede lid, dat deelneemt aan dezelfde educatieve alliantie. Indien de penvoerder zijn penvoerderschap aldus overdraagt:

a. wordt de subsidie, onverminderd het bepaalde in het eerste tot en met derde lid, geacht met terugwerkende kracht aan de nieuwe penvoerder te zijn verleend; en

b. worden eventueel reeds door de oorspronkelijke penvoerder ontvangen voorschotten geacht met terugwerkende kracht aan de nieuwe penvoerder te zijn betaald op grond van artikel 4:89, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Een overeenkomst als bedoeld in het vierde lid wordt, alvorens die in werking treedt, ter goedkeuring voorgelegd aan de minister en bevat:

a. één of meer bepalingen over de overdracht van verantwoordingsinformatie als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de oorspronkelijke penvoerder aan de nieuwe penvoerder; en

b. voor zover sprake is van reeds betaalde voorschotten, en voor zover nog niet besteed, een regeling over bijschrijving daarvan op het vroegst mogelijke moment op een bij DUS-i bekende bankrekening van de nieuwe penvoerder.

Artikel 6

Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is in 2026 een bedrag van € 27.000.000,– beschikbaar.

Artikel 7

1 Op grond van deze regeling kan subsidie worden aangevraagd van 17 augustus 2026 om 9:00 uur tot en met 4 september 2026 om 13:00 uur.

2 Aanvragen die buiten de in het eerste lid bedoelde aanvraagronde worden ingediend, worden afgewezen.

3 Per penvoerder kan maximaal één aanvraag worden ingediend.

4 De subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat daartoe beschikbaar is gesteld op de website van DUS-I.

5 In aanvulling op het aanvraagformulier, bedoeld in het derde lid, dient de penvoerder die een subsidie aanvraagt de volgende documenten in:

a. een ambitiedocument als bedoeld in artikel 8;

b. een activiteitenplan als bedoeld in artikel 9;

c. een begroting als bedoeld in artikel 10;

d. een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 11; en

e. een samenvatting van de aanvraag die openbaar gemaakt kan worden.

6 De penvoerder neemt voorafgaande aan de subsidieaanvraag deel aan één of meerdere door de Realisatie-Eenheid georganiseerde overleggen ten behoeve van een verdeling van de in bijlage 2 opgenomen ontwikkelpaden en de sectoren per co-creatielab gedurende het eerste jaar van de subsidiabele periode.

Artikel 8

1 Het ambitiedocument bevat in ieder geval:

a. een beschrijving van de vraagarticulatie in het kader van het professionaliseren van leraren op de arbeidsmarkt binnen de regio of sector waar het educatief consortium zich op richt;

b. een aanbodanalyse van de hogeronderwijsinstellingen en private opleiders in het educatief consortium waaruit blijkt in welke mate het bestaande professionaliseringsaanbod aansluit op de vraagarticulatie als bedoeld in onderdeel a, en welk professionaliseringsaanbod nog ontwikkeld dient te worden; en

c. een beschrijving van de ambities van het educatief consortium met betrekking tot de verduurzaming van de activiteiten en resultaten daarvan, na afronding van de subsidieperiode.

2 Voor het ambitiedocument wordt gebruikgemaakt van het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.

Artikel 9

1 In aanvulling op artikel 3.4 van de Kaderregeling, bevat het activiteitenplan in ieder geval:

a. een omschrijving hoe de betrokkenheid van leraren binnen het educatief consortium wordt geborgd, onderbouwd met concrete plannen;

b. een activiteitenplanning met een uitgewerkt overzicht van realiseerbare activiteiten in het eerste jaar van de subsidiabele periode, bedoeld in artikel 14, onderdeel a, dat bestaat uit fasering, mijlpalen en beoogde tussentijdse resultaten en een globaal overzicht van realiseerbare activiteiten voor de overige jaren van de subsidiabele periode, bestaande uit fasering, mijlpalen en beoogde eindresultaten; en

c. een beschrijving van de lerende aanpak waarmee de voortgang en de uitkomsten van het project worden gemonitord, geëvalueerd en waarmee de aanpak indien nodig wordt bijgesteld.

2 Voor het activiteitenplan wordt gebruikgemaakt van het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.

Artikel 10

1 In aanvulling op artikel 3.5 van de Kaderregeling kan in de begroting voor wat betreft de personele kosten worden gekozen uit vier functies met een vast integraal uurtarief inclusief opslag voor overhead en administratie:

a. secretarieel of administratief medewerker € 67;

b. projectmedewerker € 93;

c. projectleider, leraar of onderzoeker € 117; en

d. (associate) practor, lector, of hoogleraar € 138.

2 Voor de begroting wordt gebruikgemaakt van het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.

Artikel 11

1 Een educatief consortium bestaat in ieder geval uit een penvoerder, en ten minste één penvoerder van een onderwijsregio, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Subsidieregeling Landelijk dekkend netwerk onderwijsregio’s.

2 In aanvulling op de in het eerste lid bedoelde partijen kunnen ook private opleiders die opgenomen zijn in de aanbodanalyse en passen bij één of meerdere ontwikkelpaden, en hogeronderwijsinstellingen die een lerarenopleiding verzorgen, deelnemen aan het educatief consortium.

3 De samenwerking tussen de penvoerder en de overige deelnemende partijen van een educatief consortium wordt vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.

4 De samenwerkingsovereenkomst wordt ondertekend door tekenbevoegd gezag van deelnemende partijen aan het desbetreffend educatief consortium.

5 In de samenwerkingsovereenkomst is in elk geval vastgelegd:

a. de beoogde start- en einddatum van de samenwerking die ten minste de subsidieperiode, bedoeld in artikel 14, onderdeel a, omvat;

b. dat de penvoerder gemachtigd is om als penvoerder namens het educatief consortium op te treden;

c. wat elke partij in het educatief consortium inhoudelijk en organisatorisch bijdraagt aan de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, waarvoor subsidie wordt gevraagd;

d. hoe het aangevraagde subsidiebedrag tussen de partijen van het educatief consortium wordt verdeeld;

e. dat elke partij toestemming geeft voor het indienen van de stukken, bedoeld in artikel 7, vierde en vijfde lid;

f. dat alle partijen in het educatief consortium medewerking verlenen aan de verantwoording van de subsidie en aan de nakoming van de aan de subsidie verbonden verplichtingen, en dat alle gegevens die daarvoor noodzakelijk zijn op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt; en

g. dat alle partijen in het educatief consortium alle resultaten van de gesubsidieerde activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, voor eenieder zonder onderscheid kosteloos toegankelijk maken en zij hiervoor de standaardlicentie CC-BY-SA, versie 4.0 van Creative Commons kunnen hanteren.

6 Voor de samenwerkingsovereenkomst wordt gebruik gemaakt van het format dat daartoe op de website van DUS-I beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 12

De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van binnenkomst van de volledige aanvragen.

Artikel 13

Onverminderd de artikelen 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidieverstrekking in ieder geval geweigerd indien voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, reeds uit anderen hoofde subsidie is verstrekt.

Artikel 14

Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen opgelegd:

a. De activiteiten waarvoor op basis van deze regeling subsidie wordt verstrekt, worden uitgevoerd in de periode van 1 september 2026 tot en met 31 augustus 2029;

b. De penvoerder zendt binnen 13 weken na de afronding van het project, doch uiterlijk binnen 13 weken na het verstrijken van de subsidieperiode, een eindrapportage aan de minister over de subsidiabele periode, bedoeld in onderdeel a;

c. De penvoerder zendt op uiterlijk 15 oktober 2027 een voortgangsrapportage over de periode 1 september 2026 tot en met 31 augustus 2027 en op uiterlijk 15 oktober 2028 een voortgangsrapportage over de periode 1 september 2027 tot en met 31 augustus 2028 aan de minister;

d. De penvoerder voert met betrekking tot de financiering van de kosten en inkomsten uit economische activiteiten een gescheiden boekhouding, indien de penvoerder naast niet- economische activiteiten ook economische activiteiten verricht;

e. De penvoerder zorgt er voor dat de partijen die deelnemen aan het educatief consortium desgevraagd meewerken aan monitoring en evaluatie van de gesubsidieerde activiteiten;

f. de penvoerder maakt alle resultaten van de gesubsidieerde activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, voor eenieder zonder onderscheid kosteloos toegankelijk en kan hiervoor de standaardlicentie CC-BY-SA, versie 4.0 van Creative Commons hanteren.

Artikel 15

1 Een voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 14, onderdeel c, bevat ten minste:

a. een omschrijving van de bestede middelen;

b. een geactualiseerd ambitiedocument als bedoeld in artikel 8, een geactualiseerd activiteitenplan als bedoeld in artikel 9 en een geactualiseerde begroting als bedoeld in artikel 10 over het tweede, onderscheidenlijk het derde jaar van de subsidieperiode;

c. de bereikte mijlpalen en de gerealiseerde doelen over de betreffende periode voorafgaand aan de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 14, onderdeel c; en

d. de geleverde inspanningen om tot één of meerdere leerarrangementen te komen.

2 De penvoerder neemt voorafgaande aan het indienen van de voortgangsrapportage deel aan één of meerdere door de Realisatie-Eenheid georganiseerde overleggen ten behoeve van een verdeling van de in bijlage 2 opgenomen ontwikkelpaden en sectoren per co-creatielab gedurende het tweede en derde jaar van de subsidieperiode.

3 De voortgangsrapportage wordt aangeleverd in het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.

Artikel 16

1 Een eindrapportage als bedoeld in artikel 14, onderdeel b, bevat ten minste:

a. een verslag van de realisatie van de in de activiteitenplannen genoemde activiteiten; en

b. een verslag van de realisatie van de begrote kosten.

2 Indien gedurende de subsidieperiode één of meer leerarrangementen zijn ontworpen, wordt de eindrapportage aangevuld met een omschrijving van deze ontworpen leerarrangementen.

3 De eindrapportage wordt aangeleverd in het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.

Artikel 17

1 De subsidie wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor deze wordt verleend. Niet bestede middelen worden teruggevorderd.

2 De subsidie wordt verleend binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 18

1 De minister verleent een voorschot van 100% dat in drie termijnen wordt uitbetaald waarbij het eerste voorschot 44% van de totale toegekende subsidie bedraagt, het tweede voorschot 33%, en het derde voorschot 23%.

2 Op verzoek van de aanvrager kan de minister afwijken van de in het eerste lid bedoelde verdeling. De aanvrager kan hiertoe onderbouwd verzoeken in de aanvraag of in de voortgangsrapportages.

3 De betalingen van de termijnen zullen uiterlijk plaatsvinden in januari 2027, 2028 en 2029.

Artikel 19

1 De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 2, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving. Het onderwijsaccountantsprotocol, zoals gepubliceerd op de website van de Inspectie van het onderwijs, is van toepassing.

2 Onverminderd artikel 4:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan de minister de subsidie lager vaststellen.

3 De vaststelling vindt plaats binnen 22 weken na ontvangst van het jaarverslag over het laatste jaar van de subsidiabele periode.

Artikel 20

De minister kan deze regeling in bijzondere gevallen buiten toepassing verklaren of daarvan afwijken, voor zover de toepassing, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zal leiden.

Artikel 21

1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft ten aanzien van de subsidies die voor die datum op grond van de regeling zijn verstrekt.

Artikel 22

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling co-creatielabs NAPL.

Bijlage 1 — behorend bij de Subsidieregeling co-creatielabs NAPL › Educatieve allianties en deelnemende hogeronderwijsinstellingen

Educatieve allianties en deelnemende hogeronderwijsinstellingen

Educatieve alliantie | Deelnemende hogeronderwijsinstellingen

Alliantie MRA Amsterdam (ALMA) | Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, Hogeschool Inholland, Hogeschool IPABO, Hogeschool van Amsterdam, Universiteit van Amsterdam, VU, Windesheim Almere

Educatieve Alliantie Lerarenopleidingen Zuid-Holland (EAZH) | Erasmus Universiteit, De Haagse Hogeschool, Hogeschool Inholland, Hogeschool Leiden, Hogeschool Rotterdam, Hogeschool Thomas More, Technische Universiteit Delft, Universiteit Leiden

Educatieve Levensbeschouwelijke Alliantie (ELA) | Christelijke Hogeschool Ede, Driestar educatief, Hogeschool VIAA, Open Universiteit, Theologische Universiteit Apeldoorn, Universiteit voor Humanistiek, Universiteit Utrecht, Universiteit Wageningen, Vrije Universiteit

Groene Educatie Alliantie (GEA) | Aeres Hogeschool Wageningen, Wageningen University Education and Learning Sciences

Noordelijk Educatieve Alliantie (NEA) | Hanzehogeschool Groningen, NHL Stenden Hogeschool, Rijksuniversiteit Groningen

Oost Werkt (OW) | ArtEZ Hogeschool voor de kunsten, Hogeschool KPZ, Hogeschool VIAA, Iselinge Hogeschool, Saxion Hogeschool, Universiteit Twente, Windesheim

Regionale Alliantie Zuidoost-Nederland (RA-ZON) | ArtEZ University of the Arts HAN University of Applied Sciences Radboud Universiteit

Utrecht Leert OpleidersAlliantie (ULOA) | Hogeschool van de Kunsten, Hogeschool Utrecht, Marnix Academie, Universiteit voor Humanistiek, Universiteit Utrecht

Zuidelijke Educatieve Alliantie I (ZEA I) | Avans Hogeschool, Fontys Hogescholen, Hogeschool de Kempel, HZ University of Applied Sciences, Zuyd Hogeschool

Zuidelijke Educatieve Alliantie II (ZEA II) | Maastricht University, Open Universiteit Heerlen, Radboud Universiteit Nijmegen, Technische Universiteit Eindhoven, Tilburg University

Bijlage 2 — behorend bij de Subsidieregeling co-creatielabs NAPL › Ontwikkelpaden en specialismen

Ontwikkelpaden en specialismen

In bekwaamheid van leraren kunnen we drie niveaus onderscheiden: startbekwaam, vakbekwaam en expert. Aan het einde van zijn initiële opleiding is een leraar startbekwaam en wettelijk bevoegd om les te geven. Via ontwikkelpaden kan een leraar een volgend niveau bereiken. Vakbekwame leraren hebben een breder en effectiever handelingsrepertoire dan de startbekwame leraar en kunnen autonomer handelen en lesgeven in complexere onderwijssituaties. Waar vakbekwaamheid ontwikkeling in de breedte is, gaat het bij het expertniveau om ontwikkeling in de diepte in een specifiek domein, zoals curriculumontwikkeling. Als zodanig bieden ontwikkelpaden leraren inzicht in waar ze staan in hun professionele ontwikkeling, waar ze naartoe kunnen groeien en via welke route. De ontwikkelpaden schrijven geen vaste routes voor en worden modulair opgebouwd (in leerarrangementen).

Voor een volledige omschrijving van de ontwikkelpaden wordt verwezen naar www.napl.nl.

Naam ontwikkelpad | Korte omschrijving | Sector (po, vo, mbo)1

Start- naar vakbekwaam | Het ontwikkelpad richt zich op startbekwame leraren. Aan het einde van zijn initiële opleiding heeft een leraar startbekwaamheid. Via het ontwikkelpad Start- naar vakbekwaam bereikt de leraar het volgende niveau: vakbekwaamheid. Vakbekwaamheid richt zich op de aspecten van inhoudelijke, didactische en pedagogische bekwaamheid die oefening en ervaring vragen, namelijk het uitbreiden van het handelingsrepertoire door autonomer en meer leerlinggestuurd te handelen in complexere situaties. Daarnaast richt het zich op de professionele bekwaamheid, namelijk de wijze waarop de leraar reflectief en onderzoekend handelt ten opzichte van zichzelf, de organisatie, de omgeving van de organisatie en de beroepsgroep als geheel. Voor de bekwaamheden zijn de beroepsstandaard en de bekwaamheidsgebieden als uitgangspunt genomen. | Alle sectoren

Specialisatie curriculumontwikkeling | Het ontwikkelpad Specialisatie curriculumontwikkeling richt zich op vakbekwame leraren. Een vakbekwame leraar is curriculumbewust en heeft kennis van de lesinhoud. Een leraar met een specialisatie in curriculumontwikkeling bouwt voort op al verworven kennis, verbindt praktijk en onderzoek aan elkaar of bewerkstelligt vernieuwingen voor een hele jaarlaag, een schoolbrede ontwikkeling of een leerlijn over jaarlagen heen. Ook verbindt die leraar curriculumontwikkelingen op school met lokale, regionale of landelijke ontwikkelingen. | Alle sectoren

1 Een specialisatie kan typerend zijn voor één sector, maar ook voor twee of alle drie (po, vo, mbo). Een specialisatie kan generiek zijn en sectorspecifiek worden uitgewerkt.

Bijlage 3 — behorend bij de Subsidieregeling co-creatielabs NAPL › Kwaliteitskader

Kwaliteitskader

Het kwaliteitskader bestaat uit kwaliteitsstandaarden. De kwaliteitsstandaarden zijn gebaseerd op de visie van NAPL op de kwaliteit van de leerarrangementen.

Bijlage 3 — behorend bij de Subsidieregeling co-creatielabs NAPL › Kwaliteitskader › Samenhang met ontwikkelpaden

Samenhang met ontwikkelpaden

Ontwikkelpaden bieden leraren inzicht in waar ze staan in hun professionele ontwikkeling, waar ze naartoe kunnen groeien en via welke route. De ontwikkelpaden schrijven geen vaste routes voor en worden modulair opgebouwd (in leerarrangementen). Leraren ontwikkelen zich binnen een ontwikkelpad door te werken aan leeruitkomsten. De volgende fasering wordt onderscheiden: van start bekwaam naar vakbekwaam en van vakbekwaam naar expert leraar. Een leraar ontwikkelt zich, in een ontwikkelpad, door een of meerdere leerarrangementen in de loop van tijd te volgen of het hele ontwikkelpad (te stapelen). Er wordt geen vaste route voorgeschreven voor het aantal leerarrangementen per ontwikkelpad. Vorm moet inhoud volgen en de leerarrangementen (die samen optellen tot een ontwikkelpad) moeten een samenhangend geheel vormen, met logische onderwijskundige opbouw.

Om de samenhang van een ontwikkelpad te bewaken wordt uitgegaan van maximaal 6–10 aanbieders. Er is voor leraren vrije keuze om te kiezen voor een passende aanbieder.Een aanbieder baseert zich op de ontwikkelpaden van NAPL en het aanbod voldoet aan het kwaliteitskader.Een aanbieder kan ervoor kiezen om een of meerdere leerarrangementen, of alle leerarrangementen van een ontwikkelpad als geheel aan te bieden. Het moet altijd duidelijk zijn voor leraren hoe een leerarrangement zich verhoudt tot het gehele ontwikkelpad.

Bijlage 3 — behorend bij de Subsidieregeling co-creatielabs NAPL › Kwaliteitskader › Kwaliteitsstandaarden

Kwaliteitsstandaarden

Naam kwaliteitsstandaard | Beschrijving kwaliteitsstandaard | Basiskwaliteit

Beschrijving van inhoud, niveau en aanbod | De inhoud en het niveau van het leerarrangement passen bij het ontwikkelpad van NAPL. | 1. Een ontwikkelpad bestaat uit een samenhangend geheel van 6–10 leerarrangementen (de richtlijn voor de omvang van leerarrangementen is daarmee 3–5 ECTS). De leerarrangementen van een professionaliseringstraject dekken samen de leeruitkomsten van een ontwikkelpad integraal af, zijn op elkaar afgestemd en (waar nodig) volgordelijk op elkaar.1 Een professionaliseringstraject bestaat uit een of meerdere leerarrangementen en/of het gehele Ontwikkelpad dat leraren kunnen gaan volgen. Het niveau van het leerarrangement sluit aan bij het niveau van het ontwikkelpad, dit is gerelateerd aan NLQF, waar het leerarrangement voor opleidt. 2. Het is duidelijk hoe het leerarrangement past in het relevante ontwikkelpad – en hoe het zich verhoudt tot de andere leerarrangementen binnen een ontwikkelpad. 3. De volgende informatie over het leerarrangement is beschikbaar: a. de inhoud en het niveau van beoogde leeruitkomsten van de leerarrangementen die deel uitmaken van het professionaliseringstraject, b. de wijze waarop eerder verworven competenties aangetoond en gevalideerd kunnen worden. c. de leeractiviteiten, d. het lesmateriaal, e. de tijdsinvestering, f. data, locatie, kosten en algemene voorwaarden, gekoppeld aan de opdracht tot het te verzorgen leerarrangement, g. noodzakelijke begeleiding en medewerking vanuit de school en h. de wijze van afronding van het traject. 4. Het leerarrangement is adaptief, zodat wordt voortgebouwd op wat leraren al kunnen en weten. 5. Het leerarrangement heeft een onderbouwde en expliciete redenering over hoe de kenmerken van het leerarrangement samenhangen met de beoogde leeruitkomsten. Er is expliciet aandacht voor het leren van leraren en de onderwijscontext. 6. De veronderstelde voorkennis en eventuele passend toelatingsvoorwaarden zijn transparant en eenduidig beschreven. Een leerarrangement sluit aan op de kenmerken van effectieve professionalisering.

Leeromgeving | De leeromgeving en het programma maken het voor leraren mogelijk de beoogde leeruitkomsten te realiseren. De leeromgeving is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten over effectieve professionalisering van leraren. Ingezette leermiddelen zijn gebaseerd op actuele wetenschappelijke literatuur. | 1. De leeromgeving sluit aan bij de beroepscontext van de deelnemer en stimuleert (collectief of team-)leren in de praktijk. 2. De begeleiding en feedback is gericht op het toepassen van het geleerde en het implementeren van nieuwe werkwijzen in de onderwijspraktijk. 3. De leeromgeving is aantoonbaar adaptief, omdat ze • stimuleert dat deelnemers hun eigen kennis en vaardigheden actief vergelijken met de te behalen leeruitkomsten. • inspeelt op verschillen in kennis en niveau tussen deelnemers, en waardeert wat zij al kennen en kunnen. • zelfregie stimuleert en het maken van keuzes die passen bij de persoonlijke leerbehoefte. 4. De leeromgeving maakt het mogelijk dat deelnemers actief leren, waarbij continu de verbinding wordt gelegd tussen theorie en praktijk. 5. De aangereikte materialen en modellen zijn praktisch toepasbaar in de lessen en in de bredere beroepscontext van de leraar. De inrichting van de leeromgeving bevordert de toegankelijkheid en studeerbaarheid van het leerarrangement. 6. Het geheel aan leeractiviteiten heeft een samenhangende en doordachte opbouw waarmee systematisch wordt gewerkt aan de beoogde leeruitkomsten en die recht doet aan formeel, informeel en non formeel leren. 7. De leeromgeving stimuleert evidence-informed werken, doordat • de deelnemers hun praktijkkennis inbrengen in het leertraject. • de gebruikte leermiddelen in het leerarrangement gebaseerd zijn op actuele en relevante (inter)nationale en wetenschappelijke literatuur met betrekking tot de inhoud van het traject. • Het gebruik van data uit de onderwijspraktijk wordt gestimuleerd. • De leeromgeving draagt actief bij aan een ambitieuze, collectieve leercultuur waarin leraren, schoolleiders en besturen gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor onderwijsontwikkeling.

Kwaliteit van de begeleiders/opleiders | Leerarrangementen worden verzorgd door deskundige begeleiders/opleiders. | Begeleiders/opleiders beschikken, binnen een leerarrangement, gezamenlijk over de benodigde expertise om het leerarrangement te verzorgen en de deelnemers te begeleiden. Benodigde expertise blijkt uit: 1. Relevante inhoudelijke of didactische scholing/opleiding op tenminste het niveau van het aangeboden traject; 2. Ervaring met onderwijspraktijk die met het aangeboden traject worden afgedekt; 3. Kennis van de sector(en) (po/vo/mbo) waarvoor het traject wordt aangeboden; 4. Ervaring met het opleiden van leraren en kennis van opleidingsdidactiek.

Afronding van het leerarrangement | Deelnemers ronden een leerarrangement en/of professionaliseringstraject af door bewijzen aan te leveren die aantonen dat zij de beoogde leeruitkomsten beheersen. De leraar ontvangt bij succesvolle afronding een certificaat waarop de behaalde leeruitkomsten staan vermeld. Wanneer een leraar alle leerarrangementen van een ontwikkelpad succesvol heeft afgerond, kan de leraar dat aantonen door het geheel van de behaalde certificaten. | 1. Het leerarrangement wordt afgesloten met het waarderen van bewijzen die voortkomen uit formele, informele en non formele leeractiviteiten. De deelnemer toont hiermee aan de leeruitkomsten van het betreffende leerarrangement te beheersen. De waardering van bewijzen gebeurt op valide en betrouwbaar wijze en is voldoende onafhankelijk. 2. De mogelijke bewijzen zijn passend voor de beoogde leeruitkomsten (principe van constructive alignment). 3. De wijze van afronding ondersteunt het leerproces van de deelnemers.

1 Met leeruitkomsten wordt bedoeld wat een deelnemende leraar geacht wordt te weten, te begrijpen en te kunnen toepassen na afronding van een leerperiode. Aanbieders kunnen er voor kiezen om met andere terminologie te gaan werken zoals leerdoelen, eindkwalificaties of microcredentials.

Bijlage 3 — behorend bij de Subsidieregeling co-creatielabs NAPL › Kwaliteitskader › Kenmerken van effectieve professionalisering

Kenmerken van effectieve professionalisering

Er is veel wetenschappelijk onderzoek naar kenmerken van effectieve professionalisering, binnen het onderwijsdomein en daarbuiten. Leerarrangement moeten daarom aansluiten op de kenmerken van effectieve professionalisering. Aanbieders van leerarrangementen schrijven hiervoor een theory of change.

Het kwaliteitskader kent de volgende kenmerken van effectieve professionalisering:

1. Leren in de onderwijspraktijk

Effectieve professionalisering sluit aan bij relevante onderwijscontext en de dagelijkse onderwijspraktijk van de leraar. Waar mogelijk vindt professionalisering plaats in afstemming met het onderwijsteam of de organisatie. Begeleiding en feedback is gericht op het toepassen van het geleerde in de onderwijspraktijk. Inbedding in de school is een belangrijke randvoorwaarde voor succesvolle professionalisering.

2. Stimuleren zelfregulatie

Effectieve professionalisering moet autonomie stimuleren, evenals reflectie en samenwerking om de zelfregulatie van leraren ondersteunen en verder ontwikkelen. Het is belangrijk om leraren in hun professionele ontwikkeling te zien als actieve vormgevers van hun eigen ontwikkeling.

3. Samen leren

Leerarrangementen bieden mogelijkheden voor samen leren en waar passend collectieve participatie en teamleren. Effectieve professionalisering -individueel of in teamverband- is verbonden met de schoolontwikkeling en teamontwikkeling.

Voor een volledige omschrijving van het kwaliteitskader wordt verwezen naar www.napl.nl.