wetzoeker

Subsidieregeling onderzoeks- en verbetercultuur funderend onderwijs 2023–2027

Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 8 oktober 2022, nr. VO/34073685, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor het gericht werken aan een onderzoeks- en verbetercultuur in het funderend onderwijs (Subsidieregeling onderzoeks- en verbetercultuur funderend onderwijs 2023–2027)

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
02-09-2023
Rechtsgebied
Onderwijsrecht
Ministerie
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
BWB-id
BWBR0047399
Versie
2023-09-02_0
SHA-256 bron
63c09bb56ba02d0988f1df3b21094c14ea2d590d7c6662f0192bfc62d27689d3

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (22)
  1. Artikel 1.1
  2. Artikel 1.2
  3. Artikel 2.1
  4. Artikel 2.2
  5. Artikel 2.3
  6. Artikel 2.4
  7. Artikel 2.5
  8. Artikel 2.6
  9. Artikel 2.7
  10. Artikel 3.1
  11. Artikel 3.2
  12. Artikel 3.3
  13. Artikel 3.4
  14. Artikel 3.5
  15. Artikel 3.6
  16. Artikel 3.7
  17. Artikel 4.1
  18. Artikel 4.2
  19. Deel A – Omschrijving werkwijze (algemeen)
  20. Deel B – Activiteitenplan
  21. Deel C – Begroting
  22. Deel D – Samenhang binnen het programma Ontwikkelkracht

Hoofdstuk 1 — Algemeen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;

Kaderregeling: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

minister: Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs;

onderzoeks- en verbetercultuur: cultuur die stimuleert dat alle betrokkenen, zowel intern als extern, zich richten op het definiëren en behalen van de gewenste kwaliteit door middel van een constructief-kritische houding en continu streven naar de daarvoor zo nodig vereiste kwaliteitsverbeteringen;

onderzoeksfase: schooljaren 2024/2025, 2025/2026 en 2026/2027;

O&O-scholen: onderzoek- en ontwikkelscholen in het programma Ontwikkelkracht;

organisatie: organisatie, niet zijnde school, onderwijsinstelling of gemeente, met aantoonbare ervaring op het gebied van het begeleiden van scholen om gericht te werken aan een onderzoeks- en verbetercultuur;

pilotjaar: schooljaar 2023/2024;

programma Ontwikkelkracht: programma dat is gericht op het versterken van de kennisinfrastructuur in het Nederlands onderwijs;

school: school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES of artikel 1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Hoofdstuk 1 — Algemeen

Artikel 1.2

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling.

Hoofdstuk 2 — Subsidie pilotjaar

Artikel 2.1

1 De minister kan aan ten hoogste twee organisaties een subsidie verstrekken voor het gericht werken aan een onderzoeks- en verbetercultuur binnen het programma Ontwikkelkracht in het pilotjaar, aan de hand van een werkwijze. De werkwijze wordt tijdens het pilotjaar door de subsidieontvanger op ten minste twaalf scholen toegepast.

2 Het subsidiebedrag per organisatie bedraagt ten hoogste € 252.500,–.

3 De volgende kosten komen in ieder geval voor subsidie in aanmerking:

a. kosten, inclusief voorbereidingskosten, verbonden aan het begeleiden van scholen in de onderzoek- en verbetertrajecten;

b. kosten verbonden aan het begeleiden en organiseren van bijeenkomsten met deelnemende scholen.

Hoofdstuk 2 — Subsidie pilotjaar

Artikel 2.2

Voor de verstrekking van subsidies als bedoeld in artikel 2.1 is op grond van deze regeling in totaal een bedrag van € 505.000,– beschikbaar.

Hoofdstuk 2 — Subsidie pilotjaar

Artikel 2.3

1 Een organisatie kan van 1 november 2022 tot en met 1 december 022 een aanvraag indienen voor de subsidie, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid. Aanvragen die worden ontvangen na 1 december 2022, worden afgewezen.

2 De aanvraag bevat een activiteitenplan en een begroting voor het pilotjaar. In aanvulling op hoofdstuk 3 van de Kaderregeling bevat het activiteitenplan een beschrijving van:

a. de samenhang van de uitvoering van de werkwijze met de andere onderdelen van het programma Ontwikkelkracht;

b. de manier waarop de werkwijze bijdraagt aan het versterken van de onderzoeks- en verbetercultuur op de scholen;

c. de rolverdeling en verantwoordelijkheid van de eventuele samenwerkingspartners.

3 Voor de subsidieaanvraag wordt gebruik gemaakt van het aanvraagformulier dat is bekendgemaakt op de website www.dus-i.nl.

Hoofdstuk 2 — Subsidie pilotjaar

Artikel 2.4

1 De minister verdeelt het beschikbare bedrag na onderlinge afweging van de subsidieaanvragen op basis van de beoordelingscriteria, bedoeld in bijlage 1. Bij de beoordeling van de subsidieaanvragen worden punten toegekend, met een maximum van 100 punten per aanvraag. De aanvragen met een hoger aantal punten worden daarbij hoger in de rangschikking geplaatst.

2 Indien twee of meer aanvragen op een gelijke positie worden gerangschikt, wordt de onderlinge rangschikking van deze aanvragen door middel van loting bepaald.

3 De weging van de verschillende beoordelingscriteria, bedoeld in bijlage 1, is als volgt: onderdeel B weegt voor 40 procent mee. Onderdelen A, C en D ieder voor 20 procent.

4 Een aanvraag komt alleen in aanmerking voor subsidieverlening indien op elk onderdeel van de beoordelingscriteria ten minste zestig procent van de punten zijn behaald.

Hoofdstuk 2 — Subsidie pilotjaar

Artikel 2.5

Aan de subsidieontvanger, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, worden de volgende verplichtingen opgelegd:

a. de subsidieontvanger werkt samen met andere uitvoerders binnen het programma Ontwikkelkracht, waaronder het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek en Education Lab, en neemt zitting in het programmateam van het programma Ontwikkelkracht;

b. de subsidieontvanger verstrekt waar nodig informatie aan het programmabureau van het programma Ontwikkelkracht en werkt mee aan evaluaties en monitoring;

c. de subsidie wordt in het pilotjaar besteed;

d. de subsidieontvanger zendt aan de minister vóór 1 mei 2024 een voortgangsrapportage over het pilotjaar. Hiervoor dient de subsidieontvanger gebruik te maken van een format dat DUS-I ontwikkelt.

Hoofdstuk 2 — Subsidie pilotjaar

Artikel 2.6

1 De subsidie wordt verleend binnen 13 weken na afloop van de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid.

2 De minister verleent een voorschot van 100% en betaalt per kwartaal een gelijk deel van het subsidiebedrag.

Hoofdstuk 2 — Subsidie pilotjaar

Artikel 2.7

1 Ten aanzien van de verantwoording van de subsidie is artikel 7.8. van de Kaderregeling van toepassing.

2 De subsidieontvanger toont voor 1 oktober 2024 op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.

Hoofdstuk 3 — Subsidie onderzoeksfase

Artikel 3.1

1 Na het pilotjaar beslist de minister over voortzetting van het verder uitvoeren van de werkwijze op 240 scholen per subsidieontvanger als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, in de onderzoeksfase.

2 Indien het in het eerste lid bedoelde besluit positief is, kan de minister aan organisaties aan wie eerder op grond van artikel 2.1, eerste lid, subsidie is verstrekt, eveneens subsidie verstrekken voor het uitvoeren van de werkwijze in de onderzoeksfase. Indien de minister negatief besluit over voortzetting van het verder uitvoeren van de werkwijze in de onderzoeksfase door een organisatie, ontvangt die organisatie geen subsidie voor de onderzoeksfase.

3 Het subsidiebedrag per organisatie bedraagt ten hoogste € 4.800.000,–. Artikel 2.1, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3 — Subsidie onderzoeksfase

Artikel 3.2

Voor de verstrekking van subsidies als bedoeld in artikel 3.1 is op grond van deze regeling in totaal een bedrag van € 9.600.000,– beschikbaar.

Hoofdstuk 3 — Subsidie onderzoeksfase

Artikel 3.3

1 Een organisatie aan wie eerder op grond van artikel 2.1 subsidie is verstrekt, kan, indien het besluit van de minister, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, positief is, subsidie aanvragen voor de onderzoeksfase. Daartoe kan de organisatie vóór 15 juni 2024 een subsidieaanvraag indienen bij de minister.

2 De aanvraag bevat een activiteitenplan en een begroting. Artikel 2.3, tweede lid, sub a tot en met c zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3 — Subsidie onderzoeksfase

Artikel 3.4

De minister verdeelt het beschikbare bedrag na beoordeling van de subsidieaanvragen op basis van de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 2.5, sub d, een onafhankelijk onderzoek door een externe partij en de aanvraag, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid.

Hoofdstuk 3 — Subsidie onderzoeksfase

Artikel 3.5

1 Aan de ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, worden de volgende verplichtingen opgelegd:

a. de subsidieontvanger werkt samen met andere uitvoerders binnen het programma Ontwikkelkracht, waaronder het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek en Education Lab, en neemt zitting in het programmateam van het programma Ontwikkelkracht;

b. de subsidieontvanger verstrekt waar nodig informatie aan het programmabureau van het programma Ontwikkelkracht en werkt mee aan evaluaties en monitoring;

c. de subsidie wordt in 2024 tot en met 2027 besteed;

d. de subsidieontvanger zendt jaarlijks vóór 1 oktober een voortgangsrapportage aan de minister, waarin verslag wordt gedaan van de realisatie van de in de activiteitenplannen genoemde activiteiten met de bijbehorende budgetuitputting van het betreffende jaar in een financieel verslag.

e. de subsidieontvanger zendt voor 1 januari 2028 een eindrapportage aan de minister, waarin verslag wordt gedaan van de realisatie van de in de activiteitenplannen genoemde activiteiten met de bijbehorende budgetuitputting van de onderzoeksfase in een financieel verslag.

Hoofdstuk 3 — Subsidie onderzoeksfase

Artikel 3.6

1 De subsidie wordt verleend binnen 13 weken na afloop van de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid.

2 De minister verleent een voorschot van 100% en betaalt per kwartaal een gelijk deel van het subsidiebedrag.

Hoofdstuk 3 — Subsidie onderzoeksfase

Artikel 3.7

1 Ten aanzien van de verantwoording van de subsidie is artikel 7.8 van de Kaderregeling van toepassing.

2 De subsidieontvanger toont voor 1 januari 2028 op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.

Hoofdstuk 4 — Slotbepalingen

Artikel 4.1

1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 november 2027, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft op subsidies die op grond van de regeling zijn verstrekt.

Hoofdstuk 4 — Slotbepalingen

Artikel 4.2

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling onderzoeks- en verbetercultuur funderend onderwijs 2023–2027.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2.4. beoordelingscriteria subsidieregeling onderzoeks- en verbetercultuur funderend onderwijs 2023–2027 › Deel A – Omschrijving werkwijze (algemeen)

Deel A – Omschrijving werkwijze (algemeen)

1. De organisatie beschrijft waarom en hoe hun voorstel bijdraagt aan het doel van de subsidieregeling.

2. De organisatie geeft haar visie op de wijze waarop het doel van activiteiten ook in de toekomst kan worden nagestreefd, en maakt aannemelijk hoe de aanvraag daar ook aan bijdraagt.

3. De organisatie benoemt de looptijd van het project.

4. De organisatie beschrijft de wijze waarop scholen worden geselecteerd.

5. De organisatie benoemt het aantal en soort participanten op de school en onderbouwt wat de rol en betrokkenheid is van de participanten.

6. De organisatie licht toe wat scholen moeten doen om deel te nemen aan het pilotjaar.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2.4. beoordelingscriteria subsidieregeling onderzoeks- en verbetercultuur funderend onderwijs 2023–2027 › Deel B – Activiteitenplan

Deel B – Activiteitenplan

1. Het activiteitenplan geeft inzicht in hoe de werkwijze eruit ziet en wat de intensiteit van de werkwijze.

2. De activiteiten in het activiteitenplan zijn coherent met de in het programma Ontwikkelkracht benoemde activiteiten van de onderzoeks- en verbetercultuurtrajecten.

1 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2021/10/29/nationaal-groeifondsvoorstel-ontwikkelkracht-een-sterke-kennisinfrastructuur-voor-het-onderwijs. Zie pagina’s 30 – 41 en bijlage A.3.

3. Het activiteitenplan maakt inzichtelijk en overtuigt hoe het effect gaat hebben op de kwaliteit van het onderwijs, de schoolcultuur en de leerlingresultaten. In het activiteitenplan staat ten minste overtuigend beschreven:

– hoe de werkwijze bijdraagt aan een onderzoekende houding, samen leren en samenwerking binnen het onderwijsteam in de lespraktijk;

– hoe de organisatie er voor zorgt dat het onderwijsteam binnen een deelnemende school tot het verbeteren van onderwijskwaliteit komt;

– hoe het proces van voorbereiding, uitvoering, monitoring, bijstelling en borging van een onderbouwd en gedragen verbeterplan op een school eruitziet;

– hoe scholen in staat worden gesteld de geleerde lessen te verduurzamen na deelname aan een traject;

– dat sterke verbindingen worden gelegd met lerarenopleidingen en er effect zal zijn in de lerarenopleidingen.

4. Het activiteitenplan geeft overtuigend weer hoe bij het toepassen van de werkwijze wetenschappelijke kennis en expertise worden benut en bijgedragen wordt aan meer evidence-informed werken in het onderwijs.

5. Het activiteitenplan geeft overtuigend weer dat de gehanteerde werkwijze laagdrempelig toepasbaar is, aansluit bij de context van de scholen en weinig extra werkdruk voor scholen oplevert.

6. Het activiteitenplan geeft overtuigend weer hoe de organisatie expertcoaches/begeleiding op passende wijze inzet voor de begeleiding van de schoolleiders en leraren.

7. De organisatie kan bij de aanvraag aantonen dat zij ten minste drie jaar ervaring heeft met het uitvoeren van werkwijzen op scholen in het funderend onderwijs op het gebied van het gericht werken aan een onderzoeks- en verbetercultuur.

8. De organisatie kan bij de aanvraag aantonen dat zij over bruikbaar materiaal op het gebied van onderzoeks- en verbetercultuurwerkwijzen in het onderwijs beschikt.

9. De organisatie kan bij de aanvraag een sterk track record, zoals hoge waarderingscijfers, bewezen effectieve trajecten en hoog aangeschreven personeel, overhandigen.

10. Het activiteitenplan overtuigt sterk van de opschaalbaarheid van het programma, conform de KPI’s van het programma Ontwikkelkracht.

2 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2021/10/29/nationaal-groeifondsvoorstel-ontwikkelkracht-een-sterke-kennisinfrastructuur-voor-het-onderwijs.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2.4. beoordelingscriteria subsidieregeling onderzoeks- en verbetercultuur funderend onderwijs 2023–2027 › Deel C – Begroting

Deel C – Begroting

1. De begroting is sluitend op de te subsidiëren activiteiten uit het activiteitenplan.

2. De begroting is doelmatig, waarbij het uitgangspunt is dat de middelen zoveel mogelijk ingezet worden ten bate van de docenten en schoolleiders en daarmee de leerlingen.

3. De ingezette middelen staan in goede verhouding tot de verwachte opbrengsten en resultaten.

Bijlage 1 — behorende bij artikel 2.4. beoordelingscriteria subsidieregeling onderzoeks- en verbetercultuur funderend onderwijs 2023–2027 › Deel D – Samenhang binnen het programma Ontwikkelkracht

Deel D – Samenhang binnen het programma Ontwikkelkracht

1. Het activiteitenplan geeft overtuigend weer dat er vanuit de onderzoeks- en verbetercultuurtrajecten sterke verbindingen gelegd worden met de andere onderdelen van het programma Ontwikkelkracht, waaronder de O&O-scholen, de kennisdelingsactiviteiten en de co-creatielabs. Hierbij geeft het activiteitenplan overtuigend weer hoe er samengewerkt wordt met de andere organisatie die een werkwijze gaat uitvoeren.

2. Het activiteitenplan geeft overtuigend weer hoe de organisatie reeds bestaande (regionale en landelijke) netwerken en bijeenkomsten benut en/of hoe de organisatie bijeenkomsten organiseert en netwerken van deelnemende schoolteams vormt, zodat die met elkaar kennis uit kunnen wisselen.

3. De organisatie maakt aannemelijk dat flexibel ingespeeld zal worden op nieuwe ontwikkelingen om de impact van het programma Ontwikkelkracht te vergroten, zowel relevante ontwikkelingen binnen de onderzoeks- en verbetercultuurtrajecten als ontwikkelingen binnen andere delen van het programma en de bredere kennisinfrastructuur.